Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9321 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 17-09-2026 (13-098965-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Vervolgings- en executie-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak. Artikel 11 OLW: individueel gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. Overlevering toegestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-098965-26 Datum uitspraak: 17 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 7 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 maart 2026 door the Circuit Court in Katowice , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Polen), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP adres] gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 3 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 17 juni 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 16 juli 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G van der Weide, en door een tolk in de Poolse taal. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Tussenuitspraak van 30 juli 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten door de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Myslowice als de overlevering zou worden toegestaan, nu met de aanvullende informatie het eerder vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek tot overlevering daarom aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zodat bij een volgende zitting kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn. Voorts heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid, onder b (de rechtbank leest: c), OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen verlengd. De overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op grond van artikel 27, derde lid, OLW met 60 dagen verlengd. Zitting van 3 september 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraken van 17 juni 2026 en 30 juli 2026 In de tussenuitspraak van 17 juni 2026 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW met betrekking tot het vonnis van 3 november 2025 (in de tussenuitspraak aangeduid als vonnis 1) en de omzettingsbeslissing (onder 4), de strafbaarheid van de feiten (onder 5), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW (onder 6) en artikel 11 OLW voor wat betreft artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) (onder 7.1). In de tussenuitspraak van 30 juli 2026 heeft de rechtbank geoordeeld over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW met betrekking tot het arrest (onder 4). Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7.2 van de tussenuitspraak van 17 juni 2026 en onder punt 5 van de tussenuitspraak van 30 juli 2026. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 30 juli 2026 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 5 augustus 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd om aanvullende informatie over de tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan doorbrengen. Op 18 augustus 2026 heeft the Circuit Prosecutor’s Office in Katowice - voor zover relevant - de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ The remand prisoner, [opgeëiste persoon] , will be able to spend at least 2 hours per day outside his cell at the Detention Centre in Myslowice, exercising - apart from the right to a one-hour walk, guaranteed under the provision of Article 112 Section 1 and Article 209 of the Executive Criminal Code - the right to participate in various activities in remand prison .” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie van the Circuit Prosecutor’s Office in Katowice van 18 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Dit is echter geen voldoende detentiegarantie. Het is namelijk niet duidelijk wanneer de opgeëiste persoon als gedetineerde in voorlopige hechtenis voor de verschillende activiteiten in aanmerking komt en of hij daadwerkelijk daaraan kan deelnemen. De opgeëiste persoon heeft tussen 2008 en 2019 meerdere keren in Polen in detentie gezeten en weet uit zijn eigen ervaringen dat de verstrekte aanvullende informatie niet juist is. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De aanvullende informatie van 18 augustus 2026 is specifiek op deze opgeëiste persoon gericht en voor hem wordt gegarandeerd dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie van de Poolse autoriteiten. Daarmee is het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. Hiervoor is het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van the Circuit Prosecutor’s Office in Katowice van 18 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak van 17 juni 2026 en ook al eerder heeft geoordeeld, neemt een garantie dat een opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon in ieder geval weg. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de aanvullende informatie van 18 augustus 2026, het vastgestelde individuele reële gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 6 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7, 12 en 13 OLW. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Katowice (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter, mrs. I. Verstraeten en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Rb. Amsterdam 17 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6648. Rb. Amsterdam 30 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7780.