# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-09-2026 (C/02/416590 / HA ZA 23-632 (E))

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:8751
- Date: 2026-09-09
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A8751
- Canonical: https://overview.legal/posts/354218

## Summary

Eindvonnis. Omvang van de rechten van de pandhouder op vermogensbestanddelen van failliet, voor en na datum faillissement. Pandrechten op NOW en TVL gelden?

## Full text

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/416590 / HA ZA 23-632 Vonnis van 9 september 2026 in de zaak van MARIA CORNELIA JOHANNA OONK-PALLANDT in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van SANDWICH FASHION COMPANY B.V. , te Breda, eisende partij in conventie, gedaagde partij in voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen: de curator, advocaat: voorheen mr. S.E.L. van Kerkhof thans mr. M.C.J. Oonk-Pallandt, tegen 1 [persoon 1] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [persoon 1] , advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk, 2. MANFORT B.V. , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: Manfort, advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk, 3. WOMFAM B.V. , te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen: WomFam, advocaat: mr. J.A. van der Meer, 4. FEWCH B.V. , te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen: FEWCH, advocaat: mr. J.A. van der Meer, 5. SF GROUP B.V. , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: SF Group, advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk, 6. PTG COMPANIES B.V. , te Breda, gedaagde partij, hierna te noemen: PTG Companies, advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk, partijen 1 en 2 hierna samen te noemen: [partijen 1 en 2] , partijen 3 en 4 hierna samen te noemen: WomFam c.s. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: – het tussenvonnis van 18 februari 2026 en de daarin genoemde stukken, – de akte uitlating rechtsoverwegingen 5.40 en 5.62 van WomFam c.s. met producties 33 t/m 38, – de akte conform instructie tussenvonnis van de curator met productie 168 t/m 184, – de akte na tussenvonnis van [partijen 1 en 2] met producties 45 t/m 51. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie Inzage in [bedrijf 1] en de verdere procedure 2.1. Bij bovengenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank de curator bevolen om WomFam inzage te geven in de voorraadadministratie [bedrijf 1] . Vervolgens heeft WomFam vier weken de tijd gekregen om de administratie te bestuderen en eventueel een nieuwe berekening te laten maken, en daarna twee weken de tijd om een akte te nemen om – indien nodig – een nieuwe berekening in het geding te brengen en een nadere toelichting te geven op de berekening, zoals bedoeld in rechtsoverwegingen 5.57, 5.58 en 5.59 van het tussenvonnis. Vervolgens zijn de curator en [partijen 1 en 2] in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken bij akte van maximaal 10 pagina’s op deze akte van WomFam te reageren. De rechtbank heeft daarbij benadrukt dat de akte door partijen alleen mag worden gebruikt om zich uit te laten over de hoogte van de vordering van WomFam uit hoofde van de overeengekomen vergoeding, en niet over andere onderwerpen. De akte is uitdrukkelijk niet bedoeld, zo heeft de rechtbank overwogen, om discussies tussen partijen, waarover de rechtbank zich in voornoemd tussenvonnis heeft uitgelaten, opnieuw te openen dan wel alsnog de onderbouwing te geven die in eerdere schriftelijke rondes had moeten worden gegeven. 2.2. De reden voor deze instructie aan partijen is dat partijen voorafgaande aan de zitting alle gelegenheid hebben gehad om hun standpunt uiteen te zetten en op elkaars standpunt te reageren. Partijen hebben – op hun verzoek – voorafgaande aan de mondelinge behandeling nog een tweede schriftelijke ronde gekregen en daarbij opnieuw een groot aantal producties in het geding gebracht. Daarna hebben zij nog diverse aktes genomen waarmee ook een groot aantal producties in het geding is gebracht. Vervolgens hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid de gelegenheid gehad om aan de hand van vragen van de rechtbank hun standpunt nader toe te lichten, getuige het uitgebreide proces-verbaal waarop door de curator en [partijen 1 en 2] nog schriftelijk is gereageerd. Omdat aan iedere discussie nu eenmaal een einde moet komen, heeft de rechtbank partijen in het tussenvonnis alleen in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op de specifiek in dat tussenvonnis genoemde onderwerpen. Na alles wat er al was geschreven, mocht van partijen worden verwacht dat zij in staat zijn die reactie in 10 pagina’s te geven. WomFam is niet aan een aantal pagina’s gebonden, vanwege haar recht op inzage in [bedrijf 1] en de mogelijke gevolgen daarvan voor haar berekening. 2.3. WomFam heeft een akte genomen van 21 pagina’s. Voor zover daarin in de eerste 10 pagina’s een reactie staat die geen betrekking heeft op de specifiek genoemde onderwerpen, zal de rechtbank deze buiten beschouwing laten. Datzelfde geldt voor een groot deel van de akte van de curator en de akte van [partijen 1 en 2] Voor zover het betoog van de curator er toe strekt de rechtbank te verzoeken om terug te komen op een aantal bindende eindbeslissingen, wordt dit verzoek afgewezen. De pas bij akte aangevoerde (en door nader onderzoek verkregen) feiten en aangevoerde nieuwe argumenten, waarmee beoogd wordt de discussie opnieuw te openen, geven daartoe geen aanleiding. Er is niet gebleken dat die beslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. 2.4. De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van alle te nemen en genomen (eind)beslissingen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Dat geldt ook voor de producties die partijen in het geding hebben gebracht en door de rechtbank zijn meegenomen in de beoordeling van de diverse geschilpunten. Anders dan [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. kennelijk menen, kan het advies van prof. mr. [persoon 2] van 10 december 2024, door de curator in het geding gebracht als productie 162, niet worden beschouwd als een productie waarmee de rechtbank niet ten nadele van een partij rekening mag houden zonder die partij in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Dit advies is door de curator in het geding gebracht ter onderbouwing van een juridische discussie waarover partijen zich al in twee schriftelijk rondes hebben uitgelaten. De rechtbank ziet dan ook geen enkele aanleiding om te voldoen aan het verzoek van [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. om hen in de gelegenheid te stellen bij akte nog te reageren op productie 162 van de curator. De vordering van WomFam 2.5. Voorafgaand aan rechtsoverwegingen 5.57, 5.58 en 5.59 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 5.55 van voornoemd tussenvonnis overwogen dat de vraag moet worden beantwoord of WomFam een vordering op Sandwich III heeft uit hoofde van de overeengekomen vergoeding en wat de hoogte van die vordering is. De overeengekomen vergoeding, waar WomFam recht op heeft, heeft te maken met de afwikkeling van de pandrechten van FSCP op de activa van Sandwich II. Zoals overwogen in rechtsoverweging 5.2, had Sandwich III zich bij aankoop van de aan FSCP verpande activa uit de boedel van Sandwich II verbonden om de pandrechten van FSCP te respecteren. Met betrekking tot de afwikkeling van deze pandrechten zijn partijen op 29 april 2020 overeengekomen dat Sandwich III voor deze aan FSCP verpande activa een vergoeding betaalt, bestaande uit de opbrengst van de verpande activa verminderd met de gemaakte kosten. Op 18 mei 2020 zijn partijen nader overeenkomen dat voor de betaling van deze vergoeding ook de opbrengst van de nieuwe voorraad mag worden gebruikt. Dit laat echter onverlet dat WomFam slechts aanspraak kan maken op een vergoeding ter hoogte van ten hoogste de opbrengst van de verpande activa uit de boedel van Sandwich II, waaronder de oude verpande voorraad. Zoals uit het tussenvonnis blijkt, is een deel van die af te dragen vergoeding door Sandwich III gebruikt als werkkapitaal, waarvoor ook weer pandrechten zijn verstrekt. Omdat die pandrechten zijn verstrekt op de nieuwe voorraad, heeft WomFam weliswaar recht op afdracht van de verkoopopbrengst van de nieuwe voorraad verminderd met de gemaakte kosten, maar alleen voor zover zij (nog) een vordering heeft uit hoofde van de overeengekomen vergoeding. 2.6. De rechtbank heeft WomFam en [partijen 1 en 2] in rechtsoverweging 5.57 van het tussenvonnis verzocht om bij akte duidelijkheid te verschaffen over de rekenmethode die aan de post ‘Resultaat winst- en verliesrekening’ ten grondslag ligt, omdat de rechtbank uit de berekening van WomFam begrijpt dat WomFam bij de berekening van haar vordering uitgaat van de opbrengst van alle verkochte voorraad, dus zowel de oude als de nieuwe voorraad, terwijl zij als uitgangpunt dient te hanteren de opbrengst c.q. waarde van de oude verpande voorraad. 2.7. WomFam heeft bij akte een nieuwe berekening in het geding gebracht. Het verschil met de eerder in het geding gebrachte berekening is dat WomFam in de berekening van het bedrag waarop zij stelt recht te hebben (de vergoeding) ook de opbrengst van de inventaris heeft meegenomen. WomFam stelt bij akte dat zij uitkomt op een bedrag van € 4.866.339,00 in plaats van het eerder genoemde bedrag van € 5.918.525,00. Op dit bedrag strekt in mindering het aan de financier betaalde bedrag van € 2.979.375,00. Het verschil tussen beide bedragen is volgens WomFam € 2.989.149,00 in plaats van het eerder genoemde bedrag van € 2.939.150,00 (het saldo van de financiering). 2.8. Het door WomFam genoemde nieuwe bedrag van € 4.866.339,00 betreft – net zoals in de oude berekening – de opbrengsten verminderd met de redelijke kosten. De eerder genoemde posten ‘Cash geint op oude debiteuren’ en ‘Resultaat winst- en verliesrekening’ zijn in de nieuwe berekening nader gespecificeerd en er is een post ‘Opbrengst van verkoop inventaris’ aan toegevoegd. Uit de nadere specificatie van de oude post ‘Resultaat winst- en verliesrekening’ die ziet op de verkoop van de voorraad, blijkt dat daarin is meegenomen (i) de voorraad die was overgenomen uit de boedel van Sandwich II, (ii) de ‘varende voorraad’ die kort na het faillissement van Sandwich II nog was binnengekomen en (iii) de nadien ingekochte dan wel nieuw ontworpen collecties. 2.9. WomFam stelt dat zij alle opbrengsten uit de verkoop van de voorraden onder één post heeft geschaard, omdat de voorraadadministratie [bedrijf 1] niet beschikbaar is. Daardoor is het niet mogelijk om een onderscheid te maken tussen de opbrengst van de verschillende transacties. De berekening van de opbrengst is gemaakt op basis van Twinfield. WomFam stelt dat zij deze berekening had willen verifiëren en specificeren aan de hand van de in [bedrijf 1] bijgehouden voorraadadministratie, waarin alle voorraadmutaties en verkopen op artikelniveau worden vastgelegd. De in Twinfield verwerkte omzetcijfers zijn afgeleid van de gegevens uit [bedrijf 1] . WomFam stelt dat de curator per e-mail van 27 februari 2026 slechts een aantal foto- en Excelbestanden heeft verstrekt . Deze bestanden bevatten globale omzetgegevens en artikeloverzichten en geen volledig en gedetailleerd beeld van de voorraadadministratie, waarmee aansluiting kan worden gemaakt met de financiële administratie in Twinfield. De curator heeft desgevraagd bevestigd dat zij niet over meer administratie beschikt. Doordat de voorraadadministratie [bedrijf 1] niet meer beschikbaar is, is het volgens WomFam niet meer mogelijk om onderscheid te maken tussen de verschillende transacties. Daardoor kan niet meer worden vastgesteld welke artikelen, uit welk deel van de voorraad, tegen welk prijs zijn verkocht. WomFam stelt zich op het standpunt dat de curator ingevolge artikel 92 Fw gehouden was de [bedrijf 1] administratie van Sandwich III veilig te stellen. Nu zij dat heeft nagelaten, en daardoor niet aan de veroordeling door de rechtbank heeft kunnen voldoen, kan de curator in redelijkheid haar betwisting van de vordering van WomFam niet langer handhaven, aldus WomFam. 2.10. De curator stelt zich op het standpunt dat in [bedrijf 1] geen informatie had kunnen worden gevonden over de van Sandwich II in april 2020 overgenomen voorraad, omdat het voorraadsysteem nog niet bestond. Er is eerst in mei 2020 opdracht gegeven het systeem te ontwerpen en het is (op z’n vroegst) rond medio augustus 2020 in gebruik genomen. Onduidelijk is hoe de voorraad in de tussenliggende periode is geadministreerd. Na datum faillissement heeft [bedrijf 1] tegen betaling van € 4.000,00 incl. btw het systeem nog tot en met 24 februari 2023 in de lucht gehouden om winkelverkopen mogelijk te maken. De boedel beschikte niet over de financiële middelen om het systeem langer in de lucht te houden of de hoeveelheid data over de periode 2020 tot en met 2023 professioneel te laten downloaden. Daarom heeft de curator volstaan, en mogen volstaan, met een uitdraai van de voorraad per 24 februari 2023. De curator kon op dat moment niet voorzien dat er over de rechten op de verkoopopbrengst een discussie zou ontstaan waarin de voorraadadministratie nog een rol zou spelen. Onder verwijzing naar een e-mail van [bedrijf 1] van 5 mei 2026 stelt de curator dat de voorraadadministratie uit eerdere jaren nog geproduceerd kan worden, maar dat daar hoge kosten aan verbonden zijn die thuishoren bij de bestuurder of de pandhouder, en niet bij de boedel. Aangezien het voorraadsysteem in april 2020 nog niet bestond, is er volgens de curator geen belang bij het achterhalen van deze informatie. Onduidelijk blijft wat de omvang was van de uit het faillissement van Sandwich II gekochte voorraad. De curator stelt dat de oude voorraad en de nieuwe voorraad apart in Twinfield hadden moeten worden geadministreerd op verschillende grootboekkaarten. Zou dat zijn gebeurd, dan was duidelijk geweest voor welk bedrag er oude voorraad was bij de doorstart van Sandwich III in april 2020 en voor welk bedrag er onderdelen uit die oude voorraad zijn verkocht. De voorraadadministratie van [bedrijf 1] zou dan niet nodig zijn geweest om de vordering te onderbouwen. Dat dit niet is gebeurd, komt voor rekening en risico van [persoon 1] als bestuurder van Sandwich III, en daarmee ook van WomFam, nu [persoon 1] de UBO is van Stichting FF2, de aandeelhouder van WomFam, aldus de curator. 2.11. Behalve de post ‘Resultaat winst- en verliesrekening’ betwist de curator ook de door WomFam in haar berekening opgenomen post ‘Cash geïnd op oude debiteuren’ en het aan de pandhouder/financier betaalde bedrag van € 2.979.375,00. 2.12. Op de post ‘Cash geïnd op oude debiteuren’ heeft WomFam in haar akte een korte toelichting gegeven, waarop de curator hoofdzakelijk heeft gereageerd met de opmerking dat dit vragen oproept en dat de getallen niet verifieerbaar zijn. 2.13. Met betrekking tot het aan de pandhouder/financier betaalde bedrag van € 2.979.375,00, voert de curator als verweer aan dat de juistheid van dit bedrag niet te verifiëren is zonder de administraties van FSCP, FEWCH en WomFam, waarover de curator niet beschikt. Zij stelt dat zonder onderzoek van die administratie door een onafhankelijke deskundige, de juistheid van het door WomFam aangeleverde cijfermateriaal niet kan worden aangenomen. 2.14. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd met betrekking tot de door WomFam gemaakte berekening, komt de rechtbank tot het volgende oordeel. 2.15. Als uitgangspunt heeft te gelden dat op WomFam als pandhouder de stelplicht en, zo nodig, bewijslast rust met betrekking tot het bestaan en de omvang van haar (resterende) vordering op Sandwich III uit hoofde van het aan haar verleende pandrecht op de activa van Sandwich II. Het is immers op basis van die vordering dat zij aanspraak maakt op de gesepareerde executie-opbrengst en de na datum faillissement geïnde debiteuren. 2.16. WomFam is van mening dat uit de door haar overgelegde berekening en de daarop gegeven toelichting volgt dat de vordering van WomFam in ieder geval de gesepareerde opbrengst overstijgt. De rechtbank deelt die opvatting niet. Onduidelijk is immers wat de waarde is van de oude verpande activa, nu WomFam dit niet heeft kunnen onderbouwen. Daardoor kan de rechtbank niet vaststellen wat de hoogte is van de vergoeding waarop WomFam recht heeft. Het door WomFam genoemde bedrag van € 4.866.339,00 is daarmee niet komen vast te staan. Dat er na betaling van het door WomFam in haar berekening genoemde bedrag van € 2.979.375,00 nog een vordering resteert, laat staan een vordering van € 2.989.149,00, is daarmee evenmin komen vast te staan. De rechtbank verwerpt het standpunt van WomFam dat het aan de curator te wijten is dat WomFam haar vordering niet kan onderbouwen. Uit artikel 1.2. van de overeenkomst van 29 april 2020 blijkt dat de pandhouder het recht had om aan de hand van de administratie van Sandwich III vast te stellen c.q. te verifiëren op welke vergoeding zij recht had. Door dat na te laten en daarover kennelijk ook geen eigen administratie te voeren, komt het feit dat WomFam niet kan onderbouwen wat de omvang is van de vergoeding waarop zij nog recht heeft voor haar rekening en risico. 2.17. Het voorgaande betekent dat WomFam onvoldoende heeft onderbouwd dat zij nog recht heeft op betaling van de gesepareerde executie-opbrengst van de verkochte voorraden en inventaris en op de opbrengst van de betaling van de debiteuren van Sandwich Fashion Company B.V. na datum faillissement, zodat de in conventie onder 4.1 gevorderde verklaring voor recht en de onder 4.2 gevorderde storting op de boedelrekening zullen worden toegewezen en, als gevolg daarvan, de rechtbank niet toekomt aan de in voorwaardelijke reconventie ingestelde vorderingen. Gelet op de discussie tussen partijen zal de rechtbank bepalen dat de storting op de boedelrekening pas hoeft plaats te vinden zodra dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. De betalingen aan WomFam 2.18. De curator vordert in conventie onder 6.1 een aantal aan WomFam betaalde bedragen terug. Het betreft het door Sandwich III aan WomFam betaalde bedrag van € 650.000,00, het door [bedrijf 2] aan WomFam betaalde bedrag van € 140.000,00 en de door de debiteuren na datum faillissement aan WomFam betaalde bedragen van in totaal € 31.768,20. Daarnaast vordert de curator in haar gewijzigde vordering onder 6.3 nog een aantal bedragen terug die volgens de curator door Sandwich III onverschuldigd aan de (opvolgend) pandhouder(s) zijn betaald, dan wel door debiteuren van Sandwich III of gelieerde vennootschappen rechtstreeks aan de pandhouder(s) zijn betaald ter aflossing van een vermeende schuld van Sandwich III aan de pandhouder(s). Volgens de curator gaat het om een bedrag van tenminste € 1.603.500,00, althans € 1.534.500,00, aan rechtstreekse betalingen van Sandwich III aan de pandhouder(s) en om een bedrag van tenminste € 330.721,00 aan betalingen door oude debiteuren en een bedrag van tenminste € 1.114.154,00 aan nieuwe debiteuren. Deze bedragen zijn gebaseerd, zo begrijpt de rechtbank, op de door WomFam bij conclusie van dupliek in conventie in het geding gebrachte berekening . 2.19. De curator vordert deze bedragen van WomFam terug op grond van onverschuldigde betaling. Volgens de curator was er geen rechtsgrond voor deze betalingen, omdat WomFam geen vordering (meer) op Sandwich III had. WomFam betwist dit. 2.20. Bij de beoordeling van de vraag of (de rechtsvoorgangers van) WomFam ten tijde van de betaling van deze bedragen nog een vordering op Sandwich III had(den) uit hoofde van de overeengekomen vergoeding, geldt als uitgangspunt dat ten tijde van de tweede doorstart op 22 april 2020 de pandhouder (FSCP) een vordering had op Sandwich II waarvoor pandrechten waren verleend op de aan Sandwich II toebehorende activa. Dit blijkt ook uit het faillissementsverslag van de curatoren van Sandwich II en de koopovereenkomst van 22 april 2020 . Deze verpande activa zijn door Sandwich III uit het faillissement van Sandwich II overgenomen. Daarbij is de afspraak gemaakt dat Sandwich III de pandrechten van FSCP zou respecteren. Dat FSCP ten tijde van de doorstart op 22 april 2020 nog een vordering had waarvoor Sandwich II pandrechten had verleend, is in de onderhavige procedure geen onderwerp van discussie geweest. Voor wat betreft de hoogte van die vordering zijn partijen er kennelijk van uitgegaan dat deze vordering gelijk is aan of hoger is dan de opbrengst van de verpande activa, zo heeft de rechtbank overwogen in rechtsoverweging 5.6 van het tussenvonnis. 2.21. De rechtsgrond voor de betalingen die na de tweede doorstart aan (de rechtsvoorgangers van) WomFam hebben plaatsgevonden is de afspraak die FSCP met Sandwich III had gemaakt over de verschuldigde vergoeding. Deze afspraak is vastgelegd in de overeenkomsten van 29 april 2020 en 18 mei 2020. In zoverre is er dan ook niet onverschuldigd betaald. 2.22. Volgens WomFam is op grond van die afspraak een bedrag betaald van in totaal € 2.979.375,00. In dat bedrag is meegenomen, zo hebben WomFam en [partijen 1 en 2] in antwoord op de door de rechtbank in rechtsoverweging 5.59 van het tussenvonnis gestelde vragen toegelicht: – de bedragen die WomFam na datum faillissement heeft geïnd, – het bedrag dat [bedrijf 2] aan WomFam heeft betaald (€ 140.000,00), – het bedrag dat geparkeerd stond bij SF Group, hetgeen overigens niet een bedrag was van € 1.896.500,00 maar een bedrag van € 1.715.000,00. 2.23. De rechtbank gaat ervan uit dat WomFam met de bedragen die zij na datum faillissement heeft geïnd, doelt op het bedrag van € 31.768,20. Voor dit bedrag geldt hetzelfde als hiervoor onder 2.16 en 2.17 is overwogen: WomFam heeft onvoldoende onderbouwd dat zij na datum faillissement nog een vordering heeft uit hoofde van de overeengekomen vergoeding. Dat betekent dat zij geen aanspraak kan maken op de na datum faillissement nog geïncasseerde debiteuren. De vordering van de curator onder 6.1 tot betaling aan de boedel van een bedrag van € 31.768,20 zal dan ook worden toegewezen. Ook de daarover gevorderde wettelijke rente zal, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding (20 november 2023). 2.24. Het voorgaande betekent dat de pandhouder/financier vóór datum faillissement van Sandwich III een bedrag heeft ontvangen van (€ 2.979.375,00 -/- € 31.768,20 =) € 2.947.606,80. 2.25. Uitgaande van het recht van de pandhouder/financier op de opbrengst van de verpande activa van Sandwich II, had(den de rechtsvoorgangers van) WomFam in ieder geval recht op de verpande oude debiteuren. Volgens de berekening van WomFam bedraagt de opbrengst daarvan € 1.052.186,00. Dat betekent dat van het betaalde bedrag van € 2.947.606,80 een bedrag van € 1.052.186,00 niet onverschuldigd is betaald. Resteert een bedrag van (€ 2.947.606,80 -/- € 1.052.186,00 =) € 1.895.420,80. De vraag is of dit tenminste de waarde is van de verkochte oude voorraad. 2.26. WomFam heeft in deze procedure aangevoerd dat Sandwich III bij de doorstart in april 2020 de beschikking kreeg over een voorraad van circa 700.000 stuks kleding, waarvan 550.000 stuks voor de deal met de curator en circa 150.000 stuks varende voorraad. Volgens WomFam vertegenwoordigde deze voorraad een aanzienlijke inkoopwaarde, maar had de kledingvoorraad een beperkte marktwaarde vanwege de onzekerheid rondom de Coronacrisis. Met de 700.000 stuks voorraad konden 16 winkels doorlopend aangevuld worden. Dit had voor de financier een aanzienlijke waarde. Vanaf de doorstart heeft Sandwich III met de verkoop van deze verpande (oude) voorraad aanzienlijke omzetten weten te realiseren, aldus WomFam. 2.27. De curator heeft deze stelling van WomFam onvoldoende weersproken. Weliswaar heeft de curator onder verwijzing naar het rapport van NTAB bij dagvaarding gesteld dat de oude kledingvoorraad per 31 december 2022 waardeloos zou zijn geworden, maar [persoon 1] heeft dit onder verwijzing naar datzelfde taxatierapport bij conclusie van antwoord in conventie gemotiveerd weersproken. Ook de stelling van de curator dat [persoon 1] wist dat de oude voorraad niets waard was, is gemotiveerd weersproken. Volgens [persoon 1] kan dit niet worden afgeleid uit het feit dat de oude voorraad in de administratie op nihil is gewaardeerd. Dit had volgens hem een boekhoudkundige reden die niets zegt over de intrinsieke waarde van de voorraad. Deze oude voorraad is boekhoudkundig steeds zo gewaardeerd vanwege het pandrecht dat op deze voorraad rustte, aldus [persoon 1] . 2.28. Het voorgaande betekent dat de curator onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de oude verpande voorraad tenminste het aan (de rechtsvoorgangers van) WomFam betaalde bedrag van € 1.895.420,80 waard was. Dit leidt tot de slotsom dat de bedragen van € 650.000,00 en € 140.000,00 niet onverschuldigde aan WomFam zijn betaald. Deze in conventie onder 6.1 gevorderde bedragen zullen dan ook worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de vordering onder 6.3. Onbehoorlijk bestuur en het bestuursverbod 2.29. In het geval van faillissement van een vennootschap is op grond van artikel 2:248 lid 1 BW iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor – kortweg – het boedeltekort, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 1 BW). Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in deze bepaling is sprake als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus zou hebben gehandeld. Er dient in beginsel sprake te zijn van onverantwoord handelen door de bestuurder, met de objectieve wetenschap dat de crediteuren van de vennootschap door die handelwijze benadeeld worden. 2.30. De curator zal moeten stellen en, zo nodig, bewijzen dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW (boekhoudplicht) of artikel 2:394 BW (publicatieplicht), dan wordt op grond van artikel 2:248 lid 2 BW onweerlegbaar vermoed dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en weerlegbaar vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. 2.31. Vaststaat dat er nooit een jaarrekening van Sandwich III is gepubliceerd. Daarmee staat schending van artikel 2:394 BW vast. De curator stelt dat daarnaast ook de boekhoudplicht is geschonden, omdat uit de administratie van Sandwich III de verplichtingen van Sandwich III niet eenduidig zijn af te leiden, al was het maar omdat de omvang van de grootste verplichting, namelijk de vergoeding die over 32 maanden aan FSCP en haar rechtsopvolgers zou moeten worden betaald, daaruit niet is af te leiden. [partijen 1 en 2] betwist dat de boekhoudplicht is geschonden. Met betrekking tot de publicatieplicht stelt [partijen 1 en 2] dat er sprake is van een onbelangrijk verzuim. 2.32. Of een schending van de in art. 2:394 BW opgenomen voorschriften als een onbelangrijk verzuim kan gelden, hangt af van de aard van het overtreden voorschrift en de, door de aangesproken bestuurder te stellen en zo nodig te bewijzen, verdere omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval is van belang dat Sandwich III nooit een jaarrekening heeft gepubliceerd. De reden daarvoor was, zo stelt [partijen 1 en 2] , dat er in de loop van 2021 een discussie was ontstaan tussen [persoon 1] en [persoon 3] over de berekeningswijze van de overeengekomen vergoeding. De rechtbank is van oordeel dat deze reden niet de conclusie kan rechtvaardigen dat er sprake is van een onbelangrijk verzuim, zodat het beroep daarop wordt verworpen. 2.33. De gestelde discussie over de berekeningswijze van de overeengekomen vergoeding brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat het bestuur niet beschikte over betrouwbare informatie over de vermogenspositie van Sandwich III. Daarmee staat tevens vast dat ook de boekhoudplicht is geschonden. 2.34. Het voorgaande betekent dat er sprake is van onbehoorlijke taakvervulling en dat deze onbehoorlijke taakvervulling vermoed wordt een belangrijke oorzaak te zijn van het faillissement. Dit vermoeden kan door de bestuurder worden weerlegd. Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor het ontzenuwen van dit vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als de bestuurder daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator om op de voet van art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat de kennelijke onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. 2.35. [partijen 1 en 2] stelt dat Sandwich III failliet is gegaan doordat WomFam de financiering niet meer wilde voortzetten en Sandwich III niet tijdig de volledige TVL-gelden heeft ontvangen om de financiering te kunnen aflossen. Sandwich III heeft na afloop van de Credit Facility Agreement ook geen andere financiering kunnen vinden door de voortdurende economische onzekerheid door (eerst) de Coronapandemie en (direct daarna) de extreme stijging van de energieprijzen en het dalend consumentenvertrouwen als gevolg van de ontstane inflatie en het uitbreken van de oorlog in Oekraïne, waardoor de resultaten achterbleven bij de oorspronkelijke verwachtingen. De directe aanleiding voor de faillissementsaanvraag was het besluit van WomFam om tot uitwinning van haar pandrechten over te gaan, aldus [partijen 1 en 2] 2.36. De curator betwist dat de door [partijen 1 en 2] gestelde externe factoren het faillissement hebben veroorzaakt. Zij verwijst in dit verband naar een rapport dat [partijen 1 en 2] , naar de curator stelt, in januari 2023 heeft gebruikt om uitstel van betaling te verkrijgen bij de Belastingdienst, waarin de Belastingdienst wordt voorgehouden dat de genoemde externe omstandigheden van tijdelijke aard zijn geweest en er niet aan in de weg staan dat de onderneming in 2023 in staat moet zijn om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Dit klopt volgens de curator met de branchecijfers, waaruit blijkt dat juist in 2022 de fysieke winkels in de modebranche een goed jaar hebben gehad met een gemiddelde stijging van 20%. Ook uit het formulier ‘Verzoek Betalingsregeling en uitstel van betaling voor belasting en/of premie’ blijkt dat [partijen 1 en 2] op 31 december 2022 nog groei voorspelde, aldus de curator. 2.37. [partijen 1 en 2] betwist niet dat hij van mening was dat de onderneming de gevolgen van de Coronapandemie en de oorlog in Oekraïne had kunnen weerstaan, zoals hij de Belastingdienst heeft laten weten, maar stelt dat dit alleen mogelijk was geweest als hij met WomFam een regeling had kunnen treffen. Dat is echter niet gelukt. Voor wat betreft de branchecijfers, waar de curator naar verwijst, geldt dat deze een stijging van de omzet laten zien in 2022 ten opzichte van 2021. De stijging van de omzet is het gevolg van de hogere prijzen en levert geen beter resultaat op. Bovendien gaat het artikel over de totale modebranche, zonder te differentiëren naar het type modewinkel en de verschillende doelgroepen. Ter nadere onderbouwing van de gevolgen van de Coronapandemie legt [partijen 1 en 2] nog een overzicht over waarin een verband wordt gelegd tussen de Coronabesmettingscijfers en -maatregelen en de maandelijkse omzetten van Sandwich III. 2.38. De rechtbank is van oordeel dat [partijen 1 en 2] aldus voldoende heeft onderbouwd dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. 2.39. De vraag is dan vervolgens of de curator op de voet van art. 2:248 lid 1 BW voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. 2.40. De curator voert in dit verband aan dat [persoon 1] kennelijk bewust de vorderingen van Sandwich III op [bedrijf 2] en [bedrijf 3] heeft laten oplopen tot respectievelijk € 1.832.226,52 en € 2.852.989,29 zonder (tussentijd) incassomaatregelen te treffen of zekerheden te bedingen. Beide vorderingen zijn opgebouwd in de periode vanaf april 2020 tot 31 januari 2023 en bestaan uit onbetaald gebleven verkoopfacturen voor kledingleveranties van Sandwich III. Daarnaast heeft Sandwich III een aanzienlijke vordering op SF Group van € 1.896.500,00 waarvoor evenmin zekerheden zijn bedongen. Volgens de curator had Sandwich III nooit failliet hoeven gaan als deze vennootschappen de ingekochte voorraden gewoon met Sandwich III hadden afgerekend en de vordering uit rekening-courant was voldaan. Daarnaast heeft [persoon 1] ten gunste van gelieerde entiteiten gehandeld door Sandwich III hoofdelijk te verbinden voor een miljoenenschuld uit hoofde van een beweerdelijke groepsfinanciering uit het verre verleden en daarvoor onevenredig grote zekerheden te verstrekken, zonder daar zelf profijt van te trekken, althans niet op een dergelijke wijze die het omhangen van een dergelijke ‘molensteen’ bij de start van Sandwich III zou rechtvaardigen. [persoon 1] heeft ondanks het voldoende beschikbaar zijn van liquide middelen gedurende vrijwel het gehele bestaan van Sandwich III alle verschuldigde loon- en omzetbelasting onbetaald gelaten en zich schuldig gemaakt aan selectieve betalingen in het zicht van het faillissement, aldus de curator. 2.41. [partijen 1 en 2] betwist de vorderingen op [bedrijf 2] en [bedrijf 3] te hebben laten lopen. Onder verwijzing naar de banktransacties stelt [partijen 1 en 2] dat beide vennootschappen in de periode van 2020 tot en met 2022 regelmatig betalingen aan Sandwich III hebben verricht, waardoor de openstaande facturen nog maar rond de € 401.629,80 en € 832,190,28 bedroegen. In de modebranche zijn relatief lange betalingstermijnen en grote factuurbedragen tussen importeurs en distributeurs gebruikelijk. Sandwich III maakte zelf ook gebruik van lange betalingstermijnen tegenover haar leveranciers. Daar komt bij dat [bedrijf 2] en – met name – [bedrijf 3] , net als Sandwich III, te lijden hadden onder de lockdowns en stijgende energieprijzen. Daardoor hebben de betalingen wat achterstand opgelopen. De vennootschappen waren echter een belangrijke schakel in de afzetmogelijkheden van Sandwich III. Het toepassen van dwangmaatregelen tegen eigen verkoopkantoren zou Sandwich III niet baten. Bovendien had Sandwich III voor deze vorderingen zekerheden bedongen in de vorm van een eigendomsvoorbehoud. Voor wat betreft de gestelde vordering op SF Group geldt dat dit saldo van € 1.896.500,00 geen vordering op SF Group was, maar een bedrag dat Sandwich III op grond van de met de financier/pandhouder gemaakte afspraken mocht gebruiken als werkkapitaal. Deze financier/pandhouder had bij de doorstart van de onderneming als voorwaarde voor het ter beschikking stellen van de verpande activa van Sandwich II gesteld dat Sandwich III zich zou aansluiten bij de groepsfinanciering van het Sandwich Concern. Deze aansluiting was niet nadelig voor Sandwich III, omdat partijen hadden afgesproken dat Sandwich III niet aansprakelijk zou zijn voor de in het verleden opgebouwde schuld, behalve voor zover deze op de verpande activa verhaald zou kunnen worden. [partijen 1 en 2] betwist verder dat Sandwich III vrijwel geen betalingen aan de Belastingdienst heeft verricht en selectief aan gelieerde vennootschappen heeft betaald. Sandwich III heeft in de periode voorafgaande aan het faillissement ook betalingen verricht aan de Belastingdienst, het pensioenfonds, de verhuurder en aan handelscrediteuren. De vennootschappen uit de Sandwich-groep waaraan betalingen zijn verricht, waren leveranciers van goederen en diensten met lang openstaande vorderingen, die meer dan 80% van de totale schuldenlast van Sandwich III vormden. Deze schuldeisers zijn niet voorgetrokken boven andere schuldeisers, aldus [partijen 1 en 2] 2.42. Gezien het daartegen gevoerde verweer, is de rechtbank van oordeel dat de curator er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Uitgangspunt is dat een bestuurder een grote mate van vrijheid toekomt bij de wijze waarop hij zijn taak vervult. Hij mag daarbij ook risico’s nemen, zolang dat maar geen onverantwoorde risico’s zijn. Dat [partijen 1 en 2] bij de vervulling van zijn taak als bestuurder onverantwoorde risico’s heeft genomen is onvoldoende gebleken. Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is duidelijk dat de doorstart van de onderneming van Sandwich II afhankelijk was van de afspraken die konden worden gemaakt met de pandhouder/financier over de verkoop van de verpande activa en de voortzetting van de financiering. Uit het feit dat, naar tussen partijen vaststaat, Sandwich III in de kern een financieel gezonde onderneming was die in de jaren 2020 en 2021 mooie winsten heeft gerealiseerd, blijkt wel dat [partijen 1 en 2] namens Sandwich III goede (werk)afspraken heeft kunnen maken met de pandhouder/financier. Dat [partijen 1 en 2] daarbij vooral heeft gehandeld in het belang van de aan Sandwich III gelieerde entiteiten en niet in het belang van Sandwich III, zoals de curator stelt, is onvoldoende gebleken. Het handelen van [partijen 1 en 2] als bestuurder van Sandwich III kan niet los worden gezien van het feit dat Sandwich III onderdeel uitmaakte van een wereldwijd concern dat bestond uit diverse productielocaties, inkooporganisaties en verkoopvennootschappen die onderling met elkaar waren verbonden. [partijen 1 en 2] was in zoverre dan ook gebonden aan de in het verleden verstrekte concernfinanciering en de daarvoor verleende pandrechten. Daarnaast had [partijen 1 en 2] ook de medewerking van de merkhouder nodig om een licentie te verkrijgen voor het gebruik van het merk Sandwich. In dat licht bezien waren de afspraken die [partijen 1 en 2] heeft gemaakt met de pandhouder/financier weldegelijk in het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden –zou hebben gehandeld zoals [partijen 1 en 2] heeft gehandeld. Dat betekent dat [partijen 1 en 2] niet op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk is voor het tekort van de boedel. 2.43. De vraag is vervolgens of [partijen 1 en 2] op grond van artikel 2:9 BW jegens de vennootschap aansprakelijk is voor de door de vennootschap geleden schade. Volgens artikel 2:9 BW is elke bestuurder tegenover de vennootschap gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voor aansprakelijkheid op grond van deze bepaling is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of daarvan sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. 2.44. De curator baseert de aansprakelijk van [partijen 1 en 2] op deze rechtsgrond op hetzelfde feitencomplex als de aansprakelijk op grond van artikel 2:248 BW. Zij voegt daaraan toe dat de door haar onder a. tot en met zzzz. omschreven handelingen en gedragingen van [partijen 1 en 2] paulianeus zijn en een ernstige tekortkoming opleveren in het licht van artikel 2:9 BW. 2.45. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 18 februari 2026 overwogen dat de (rechts)handelingen en gedragingen onder 3a) niet kunnen worden aangemerkt als paulianeus, zodat daarop ook niet het ernstig verwijt kan worden gebaseerd dat de curator [persoon 1] c.s maakt. De overige verwijten die de curator [partijen 1 en 2] maakt kunnen niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Waarom dezelfde verwijten dan wel zouden kunnen leiden tot onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in artikel 2:9 BW, hetgeen een zwaardere toets is dan de toets van artikel 2:248 BW, is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet duidelijk. Dat betekent dat [partijen 1 en 2] niet op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk is wegens onbehoorlijk bestuur. 2.46. Nu het beroep op artikel 2:9 BW niet slaagt, slaagt evenmin een beroep op onrechtmatige daad, omdat ook daarvoor geldt dat de bestuurder een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt van zijn handelen, wil hij jegens de gezamenlijke schuldeisers aansprakelijk zijn voor de door hen geleden schade. 2.47. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de curator onder 1) zullen worden afgewezen. De vordering onder 2) tot het opleggen van een bestuursverbod behoeft daarmee geen bespreking meer. Artikel 21 Rv 2.48. Bij eerder genoemd tussenvonnis van 18 februari 2026 heeft de rechtbank de curator in de gelegenheid gesteld te reageren op het beroep van [partijen 1 en 2] , SG Group en PTG Companies op artikel 21 Rv. 2.49. In reactie op de verwijten die haar worden gemaakt voert de curator aan dat zowel [partijen 1 en 2] als WomFam c.s. de rechtbank ‘op een zeer essentieel punt eenvoudigweg [heeft] voorgelogen’. Zij hebben het standpunt van de curator dat er een nauwe verbondenheid is tussen WomFam en Sandwich III immers altijd betwist, terwijl uit nader onderzoek blijkt dat de UBO van WomFam dezelfde is als de UBO van Sandwich III, namelijk [persoon 1] , aldus de curator. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst zij naar de e-mail van de Belastingdienst d.d. 6 mei 2026. Volgens de curator komen de ‘beweerdelijke verwijten’ van [persoon 1] aan het adres van de curator daardoor in een ander daglicht te staan. De curator stelt verder dat zij vanaf het begin een informatieachterstand heeft gehad en onevenredig veel tijd aan onderzoek heeft moeten besteden om haar stellingen te kunnen onderbouwen. Van enige schending van artikel 21 Rv is volgens de curator geen sprake geweest. Zij verwijst naar productie 169, waarin zij de haar gemaakte verwijten weerspreekt. 2.50. Voor zover het betoog van [partijen 1 en 2] , SG Group en PTG Companies ertoe strekt te stellen dat de processtukken van de curator niet uitblinken in helderheid, leidt dat niet tot schending van artikel 21 Rv. 2.51. Artikel 21 Rv verplicht partijen om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. 2.52. De rechtbank merkt op dat de in artikel 21 Rv opgenomen verplichting alleen ziet op feiten. De door [partijen 1 en 2] , SG Group en PTG Companies aangevoerde juridische onvolkomenheden kunnen – wat daar ook van zij – dan ook niet tot schending van artikel 21 Rv leiden. Voor wat betreft de gestelde feitelijke onjuistheden geldt het volgende. 2.53. [partijen 1 en 2] , SG Group en PTG Companies hebben bij conclusie van dupliek onder randnummer 22 de volgens hen ‘meest evidente onwaarheden en strijdigheden met het procesreglement’ in een tabel onder elkaar gezet. De curator heeft haar reactie hierop als productie 169 in het geding gebracht. De rechtbank neemt aan dat de curator voor deze wijze van reageren heeft gekozen, omdat de 10 pagina’s akte die zij nog mocht nemen niet toereikend waren om daarin ook nog te reageren op het beroep op artikel 21 Rv. Daarvoor zijn producties echter niet bedoeld. Bij bestudering van deze reactie valt bovendien op dat de curator daarin verwijst naar nieuwe aanvullende producties, die zij vervolgens bij deze akte in het geding brengt. Onder randnummer 28 hebben [partijen 1 en 2] , SG Group en PTG Companies bij conclusie van dupliek nog een tabel opgenomen. Daarin zijn stellingen van de curator opgenomen die volgens hen tegenstrijdig zijn aan de informatie die zij tijdens het intakegesprek van [persoon 1] heeft ontvangen. [partijen 1 en 2] , SG Group en PTG Companies hebben deze tegenstrijdigheden vastgesteld, zo voeren zij aan, na het beluisteren van de opname van het intakegesprek , dat zij bij de curator hebben opgevraagd. Op deze gestelde tegenstrijdigheden heeft de curator niet gereageerd. 2.54. De rechtbank is van oordeel dat voor zover er al feitelijke onjuistheden in de stellingen van de curator kunnen worden vastgesteld, onvoldoende is onderbouwd dat de curator feiten die relevant zijn voor de te nemen beslissing welbewust heeft achtergehouden of verdraaid. Het beroep op artikel 21 Rv wordt daarom verworpen. Samenvatting 2.55. In het tussenvonnis van 18 februari 2026 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 5.118. ten aanzien van de vorderingen in conventie en in voorwaardelijke reconventie overwogen dat: – in conventie de vorderingen onder 3a), 3b), 5), 6.2) en 6.4) worden afgewezen en de vorderingen onder 1), 2), 4), 6.1) en 6.3) worden aangehouden; en – in voorwaardelijke reconventie van WomFam c.s. de vorderingen worden aangehouden. 2.56. De toewijzing c.q. afwijzing van de vorderingen van WomFam in de incidenten zijn opgenomen in het dictum van voormeld tussenvonnis, dat in zoverre dan ook een eindvonnis is. Voor wat betreft de aangehouden vorderingen in conventie en in voorwaardelijke reconventie geldt het volgende: – in conventie worden de vorderingen onder 4) en 6.1) gedeeltelijk toegewezen en de vorderingen onder 1), 2), 6.1) gedeeltelijk en 6.3) afgewezen, – aan de voorwaardelijke reconventie komt de rechtbank niet meer toe. Proceskosten 2.57. De vorderingen van de curator tegen [partijen 1 en 2] , SF Group en PTG Companies worden afgewezen. Dat betekent dat de curator zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van deze gedaagde partijen. Zij hebben gezamenlijk verweer gevoerd, zodat de proceskosten van deze gedaagde partijen worden begroot op: - griffierecht € 5.737,00 - salaris advocaat € 16.208,50 (3,5 punten × € 4.631,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 22.134,50 2.58. De vorderingen van de curator tegen WomFam c.s. wordt tegen WomFam deels toegewezen en tegen FECH afgewezen. In het feit dat partijen over en weer in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren als na te melden. 2.59. Aan de voorwaardelijke reconventie is de rechtbank niet meer toegekomen, zodat daarin geen proceskostenveroordeling zal worden uitgesproken. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. verklaart voor recht dat de boedel in het faillissement van Sandwich Fashion Company B.V. gerechtigd is tot de gesepareerde opbrengst voorraden (€ 756.000,00) en inventaris (€ 54.000,00) als bedoeld in artikel 1.3 en artikel 2.3 van de koopovereenkomst d.d. 22 mei 2023, alsmede tot de opbrengst van de betalingen door debiteuren van Sandwich Fashion Company B.V. na datum faillissement, 3.2. bepaalt dat zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan deze gesepareerde opbrengst van in totaal € 810.000,00 en de opbrengst van de na datum faillissement geïnde debiteuren van Sandwich Fashion Company B.V. dienen te worden overgemaakt naar de boedelrekening in het faillissement van Sandwich Fashion Company B.V. met rekeningnummer [rekeningnummer] ter verdeling onder de crediteuren van Sandwich Fashion Company B.V. en gebiedt WomFam B.V. en FEWCH B.V. dit te gehengen en gedogen, 3.3. gebiedt WomFam B.V. om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de boedel in het faillissement van Sandwich Fashion Company B.V. te voldoen een bedrag van € 31.768,20, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, 3.4. veroordeelt de curator in de proceskosten gevallen aan de zijde van [partijen 1 en 2] SF Group B.V. en PTG Companies B.V. en begroot op € 22.134,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.5. compenseert de proceskosten in de procedure van de curator tegen WomFam B.V. en FEWCH B.V. aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt, 3.6. verklaart dit vonnis ten aanzien van de beslissingen onder 3.2 tot en met 3.4 uitvoerbaar bij voorraad, 3.7. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans, mr. Goedegebuur en mr. Vogelzang en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. Producties 36 en 37 akte WomFam. Producties 27, 28 en 28 conclusie van dupliek WomFam. Productie 33 akte WomFam. Productie 176 bij akte conform instructie van de curator. Zie pagina 4 van productie 28 van de conclusie van dupliek in conventie. Productie 11 bij dagvaarding. Productie 6 bij conclusie van antwoord WomFam c.s. Productie 57 bij dagvaarding. Hoge Raad 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7916. producties 5, 6 en 8 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2] onderdeel van productie 11 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2] productie 120 conclusie van repliek in conventie. onderdeel van productie 11 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2] productie 36 conclusie van dupliek [partijen 1 en 2] productie 13 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2] productie 17 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2] Hoge Raad 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 ( [naam] ). Productie 168 bij akte conform instructie van de curator. Producties 24 en 25 conclusie van dupliek [partijen 1 en 2]

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354218 · 2026-09-24
