Rechtbank Midden-Nederland, 01-05-2026 (UTR 22/4752 en UTR 22/4755)
Wob/Woo, niet deugdelijk beslist op de verzoeken, beroepen gegrond en opdracht om een nieuw besluit te nemen.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummers: UTR 22/4752 en UTR 22/4755 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht , het college (gemachtigde: mr. M. Beumer). en de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie). Procesverloop Wat is er – samengevat – gebeurd? 1. Eiser heeft op 29 juli 2021 op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) verzocht om alle informatie over de demonstratie van FvD op 15 maart 2021 en de tegendemonstratie. Daarbij verzoekt eiser het Wob-verzoek ook door te sturen naar de politie en eventueel andere overheidsorganen waar informatie over de (tegen)demonstratie aanwezig is. 2. Bij besluit van 23 november 2021 (het primaire besluit 1) heeft het college, na een zienswijzeprocedure, de documenten zoals opgesomd in het besluit gedeeltelijk openbaar gemaakt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij op 10 februari 2022 verzocht om aanvullende informatie over de (tegen)demonstratie vanaf 29 juli 2021 tot heden. 3. In het besluit van 15 maart 2022 (het primaire besluit 2) heeft het college medegedeeld dat er vanaf 29 juli 2021 tot heden geen nieuwe informatie beschikbaar is over de (tegen)demonstratie. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 4. In twee separate besluiten van 25 augustus 2022 (de bestreden besluiten) heeft het college beslist op de bezwaren van eiser. Bij het bestreden besluit over het eerste verzoek heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard, onder wijziging van de wettelijke grondslag van de Wob naar de Wet open overheid (Woo). Volgens het college is alle beschikbare informatie bij het primaire besluit 1 overgelegd en zijn de daarin geanonimiseerde gegevens terecht niet openbaar gemaakt. Bij het bestreden besluit over het tweede verzoek heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit 2 herroepen en in plaats daarvan op grond van de Woo de e-mailcorrespondentie met de klachtencoördinator van juli en september 2021 gedeeltelijk openbaar gemaakt. 5. Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep ten aanzien van het eerste verzoek is geregistreerd onder zaaknummer UTR 22/4755. Het beroep ten aanzien van het tweede verzoek is geregistreerd onder zaaknummer UTR 22/4752. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 6. De rechtbank heeft de beroepen op 12 mei 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. 7. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na de toezending van het proces-verbaal van de zitting een nadere toelichting te geven over – kort gezegd – de zoekslag die is gedaan, de ontbrekende stukken die niet openbaar zijn gemaakt en de weggelakte onderdelen in de stukken waarvoor geen toereikende grondslag is gegeven. 8. Het college heeft in reactie hierop op 3 juli 2025 een gesloten envelop met de vermelding ‘8:29 Awb’ bij de rechtbank ingediend. Vanwege de vermelding ‘8:29 Awb’ is deze reactie niet doorgestuurd aan eiser. De rechtbank heeft het college op 12 augustus 2025 verzocht om binnen twee weken nader toe te lichten of de reactie van 3 juli 2025 aan eiser kan worden toegezonden of een gelakte versie hiervan aan eiser kan worden toegezonden. Op 25 september 2025 heeft het college hierop gereageerd. Het college heeft een gelakte versie van de reactie van 3 juli 2025 toegestuurd die ter kennisname aan eiser is doorgestuurd. Eiser heeft op 19 oktober 2025 hierop gereageerd. 9. De rechtbank heeft partijen op 28 oktober 2025 bericht dat zij voldoende informatie heeft om een uitspraak te doen. Een nadere zitting wordt achterwege gelaten, tenzij een van de partijen binnen twee weken aangeeft op een nadere zitting te willen worden gehoord. Eiser heeft de rechtbank op 5 november 2025 bericht geen reden te zien voor een nieuwe zitting. Eiser verzoekt de rechtbank daarbij om in de uitspraak in te gaan op zijn reactie van 19 oktober 2025. Het college heeft binnen de gestelde termijn niet gereageerd. 10. De rechtbank heeft vervolgens op 3 december 2025 het onderzoek gesloten. Bij sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk op 1 mei 2026 uitspraak te doen. Beoordeling van de beroepen door de rechtbank 11. De rechtbank stelt allereerst vast dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende gemotiveerd zijn. Het college heeft namelijk met de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd welke zoekslag is gedaan, welke stukken (niet) openbaar gemaakt worden en waarom de weggelakte onderdelen in de stukken niet openbaar gemaakt worden. 12. De bestreden besluiten zijn dus niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd en moeten daarom worden vernietigd. De beroepen zijn om die reden gegrond. 13. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het college naar aanleiding van de aanhouding op de zitting en de daarbij gemaakte afspraken, een nadere motivering met aanvullende stukken heeft overgelegd, waarop eiser heeft kunnen reageren. Daarom ziet de rechtbank aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit mogelijk met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank zal het beroep hierna dan ook verder inhoudelijk beoordelen. De beroepsgronden 14. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het college de zoekslag onvoldoende heeft omschreven, dat het college ten onrechte niet alle stukken openbaar heeft gemaakt en dat het college van de openbaar gemaakte stukken ten onrechte onderdelen heeft weggelakt. Zo zitten de brieven van 15 april 2021 slechts eenmaal in de brievenset, terwijl uit de stukken volgt dat die naar meerdere personen zijn verzonden. Ook zijn de weigeringsgronden om iets openbaar te maken in het kader van de Woo te strak toegepast of verkeerd toegepast. De vaste rechtspraak over de bewijslastverdeling waar het college naar wijst is volgens eiser achterhaald. De overheid is namelijk niet meer in principe te vertrouwen. Het recht op informatie wordt continu geschonden. Er is ook sprake van inequality of arms. Als burgers aannemelijk hebben kunnen maken dat het besluit niet klopt, moet het college een serieus integraal nieuw onderzoek doen. Over de nadere motivering stelt eiser dat het college niet duidelijk heeft gemaakt welke aanvullende stukken behoren tot de zoekslag en dat het college alles openbaar moet maken waarvan het in de nadere motivering bij nader inzien vindt dat het openbaar had mogen zijn. Het oordeel van de rechtbank 15. De beroepsgronden slagen deels. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de bestreden besluiten en de aanvullende motivering namelijk nog niet deugdelijk beslist op de Woo-verzoeken van eiser. Het college heeft nu wel deugdelijk gemotiveerd hoe is gezocht naar de voor het verzoek relevante stukken, maar het college heeft de relevante stukken vervolgens niet toereikend openbaar gemaakt. Informatie waarvan het college in de nadere motivering aangeeft dat die wel openbaar had mogen zijn, is niet alsnog met een besluit openbaargemaakt. De weigeringsgronden zijn ook niet in alle gevallen juist toegepast. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dat legt de rechtbank hieronder uit. 16. Het college heeft op de zitting toegelicht dat er specifiek is gezocht binnen de afdeling Openbare Orde & Veiligheid, omdat dat de afdeling is die zich bezighoudt met demonstraties. Naar aanleiding van de afspraken die zijn gemaakt op de zitting heeft het college nadere informatie over de gedane zoekslag overgelegd. In document 1 bij de stukken van 25 september 2025, eerste pagina, tweede en derde alinea, geeft het college een nadere toelichting op de zoekslag. Met document 2 bij de stukken van 25 september 2025 heeft het college een ‘Checklist vakafdeling zoekslag Woo verzoek’ overgelegd. Daaruit volgt dat is gezocht in het zaaksysteem en in de (eigen) mailbox, Whatsapp of andere berichtenapp en Microsoft Teams (gedeelde documenten en chats). Daarbij zijn ook de gebruikte zoektermen genoemd. Ook heeft het college de mailwisseling over de verzoeken tussen het Wob/Woo-team, de Wob/Woo-coördinator van de afdeling Openbare Orde & Veiligheid en het team toegevoegd. 17. De rechtbank stelt vast dat eiser hierop in zijn reactie van 19 oktober 2025 en 5 november 2025 niet inhoudelijk heeft gereageerd. Voor zover hij stelt dat onduidelijk is welke aanvullende stukken behoren tot de zoekslag, oordeelt de rechtbank dat in de laatste reactie van verweerder van 25 september 2025 duidelijk is gemaakt welke stukken er zijn bijgevoegd. Hoewel het college duidelijker had kunnen aangeven welk stuk wat was, is uit de inhoud van de (gelakte) stukken voldoende te herleiden welk stuk de reactie van het college is en welke stukken over de zoekslag gaan. Daarbij komt dat eiser los van de aanduiding op de bijlages op de inhoud daarvan had kunnen reageren. 18. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding voor het oordeel dat de overgelegde stukken incompleet zijn, of dat de zoekslag onzorgvuldig is uitgevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college de zoekslag inmiddels voldoende heeft onderbouwd. In het verlengde daarvan ziet de rechtbank geen aanknopingspunt om een onafhankelijke derde in te schakelen om nog een zoekslag uit te voeren, zoals door eiser is verzocht. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2025, AMS 24/206-T, baat hem niet. In die uitspraak is geoordeeld dat de mededeling van het bestuursorgaan dat er geen documenten zijn ongeloofwaardig wordt geacht. In deze zaak heeft het college de stukken over de zoekslag alsnog openbaar gemaakt en acht de rechtbank het niet ongeloofwaardig dat er niet meer stukken zijn. Dat er wel meer stukken zouden moeten zijn, heeft eiser niet gesteld of aannemelijk gemaakt. En volgens vaste rechtspraak rust die bewijslast bij hem. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt om van die vaste rechtspraak af te wijken. De stellingen van eiser slagen op dit punt niet. Over de niet openbaar gemaakte brieven 19. Naar aanleiding van de afspraken op de zitting heeft het college in document 1 bij de stukken van 25 september 2025, eerste pagina, vierde alinea, gemotiveerd dat van de dertien brieven van 15 april 2021 één brief in het dossier gedeeltelijk openbaar gemaakt is. De brieven zijn tekstueel en naar aard gelijk, om die reden vindt het college dat de inhoud van de brief door openbaarmaking van één brief al bekend is geworden. 20. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college niet volstaan met het enkel openbaar maken van één brief. Eiser heeft terecht opgemerkt dat op die manier niet inzichtelijk wordt gemaakt dat deze brief naar meerdere (in dit geval 13) personen is gestuurd, terwijl die informatie wel relevant kan zijn. Het college had, als het geen dubbele brieven openbaar wilde maken, op zijn minst in het besluit moeten motiveren dat deze specifieke brief naar 13 personen is verstuurd, dat 1 brief met weglakking van de persoonsgegevens openbaar wordt gemaakt en dat de overige 12 exemplaren niet openbaar worden gemaakt omdat de inhoud daarvan gelijk is en de informatie uit die brief dus al bekend wordt gemaakt. Op de zitting kon het college bovendien niet uitleggen wat het bezwaar zou zijn tegen wel openbaar maken van alle exemplaren. Het college moet dit daarom alsnog doen. Over de weggelakte onderdelen die toch openbaar gemaakt hadden moeten worden 21. Op de tweede en derde pagina van document 1 bij de stukken van 25 september 2025 overweegt het college dat een aantal weggelakte onderdelen toch openbaar gemaakt hadden moeten worden en ten onrechte zijn weggelakt. Het gaat om de geslachtsaanduidingen (zoals op pagina 45), de woorden ‘tijd’ en ‘activiteit’ (pagina 69 en 70), het onderwerp van een e-mail (pagina 115), de opsommingsgetallen (pagina 116) en de organisatienaam (pagina 68). Het college is volgens de brief van 25 september 2025 bereid om deze informatie alsnog toe te sturen, als eiser van mening is dat deze informatie relevant is. 22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee ontoereikend beslist op de verzoeken. Het uitgangspunt van de Woo is dat bij bestuursorganen berustende informatie waarom verzocht wordt in beginsel openbaar wordt gemaakt, tenzij een uitzonderingsgrond zich tegen openbaarmaking verzet. Uit de nadere motivering van het college blijkt dat van een uitzonderingsgrond kennelijk geen sprake is. Omdat het gaat om informatie die onder het Woo-verzoek valt, moet het college de hierboven genoemde informatie dan ook (alsnog) openbaar maken. Daar is geen nader verzoek of vraag van eiser voor nodig. Of de informatie voor eiser relevant is, doet hierbij ook niet ter zake. Over de weggelakte onderdelen van de openbaar gemaakte stukken 23. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de namen en functieaanduidingen, wanneer deze herleidbaar zijn naar één persoon, vanwege de privacy zijn weggelakt. Ook heeft het college in het beveiligingsplan de naam, werkzaamheden en werkinstructies van een beveiligingsbedrijf weggelakt vanwege een veiligheidscomponent. De handtekening van de burgemeester is weggelakt vanwege de mogelijkheid op fraude. Bij de weggelakte e-mailadressen heeft het college geen uitsluitingsgrond kunnen noemen. In aanvulling hierop heeft het college in document 1 bij de stukken van 25 september 2025, tweede en derde pagina, gemotiveerd dat de woonsituatie van eiser, de informatie over het aantal personen ingezet in de beveiliging (pagina 72), de functienaam (pagina 114) en de functieaanduiding (pagina 117) onder de uitzonderingsgronden uit de Woo vallen. 24. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee niet voor alle weggelakte informatie toereikend gemotiveerd dat en op welke grondslag de onderdelen van de openbaar gemaakte stukken weggelakt mogen worden. Daarbij heeft de rechtbank een vergelijking gemaakt tussen de ongelakte stukken, de stukken met weggelakte onderdelen, de toelichting op de zitting en de nadere toelichting op 3 juli 2025 en 25 september 2025. Haar oordeel zet de rechtbank hieronder uiteen. 25. Ten aanzien van de weggelakte namen en functieaanduidingen oordeelt de rechtbank dat de Woo een toereikende uitsluitingsgrond biedt, voor zover het namen betreft van personen die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden, of functieaanduidingen die herleidbaar zijn tot die personen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit voldoende toegelicht. Voor zover hierbij een onjuiste uitsluitingsgrondslag is vermeld, heeft de rechtbank in bijlage I bij deze uitspraak opgenomen dat dit hersteld moet worden. 26. Over zijn eigen woonsituatie heeft eiser op de zitting toestemming gegeven om deze te openbaren. Daarmee vervalt de grondslag om deze gegevens niet openbaar te maken. Om die reden heeft de rechtbank in bijlage I bij deze uitspraak opgenomen dat deze gegevens openbaar gemaakt moeten worden. 27. Over de weggelakte onderdelen vanwege een veiligheidscomponent, oordeelt de rechtbank dat het college deels gevolgd kan worden. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat de informatie op pagina 52, onder 2, pagina 54, onder 4.1, 5.1 en 5.2 en pagina 55, onder 6.1 en 6.2 vanwege veiligheidsredenen niet openbaar gemaakt wordt. De rechtbank volgt het college niet in zijn standpunt dat de informatie op pagina 53, onder 3.2 onder de kopjes ‘Werkzaamheden’ en ‘Werkinstructies’ geheel weggelakt moet worden vanwege veiligheidsrisico’s. Het college stelt zich op het standpunt dat het gaat om een geheel aan instructies en dat de instructies dus in hun context bekeken moeten worden. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het per punt is bekeken, maar dat vanwege de context alle informatie is gelakt. De rechtbank begrijpt dat ook werkzaamheden en instructies die algemener van aard zijn in de context informatie kunnen geven die een veiligheidsrisico oplevert en dat het college daarom terughoudend is bij openbaarmaking. Dat betekent echter niet dat alle informatie die onder de kopjes werkzaamheden of werkinstructies is opgeschreven gelakt kan worden. Als daar heel algemene informatie in staat, waarvan iedereen kan bedenken dat dit bij de beveiliging van demonstraties aan de orde is, dan moet het college onderbouwen waarom er toch een reden is om af te zien van openbaarmaking. Naar het oordeel van de rechtbank is de informatie onder de eerste twee gedachtestreepjes onder het kopje Werkzaamheden zo algemeen dat de rechtbank geen enkel aanknopingspunt ziet voor het oordeel dat met openbaarmaking daarvan een veiligheidsrisico kan ontstaan. Het college heeft op de zitting en ook in de reactie van 25 september 2025 niet kunnen uitleggen waarom openbaarmaking van die informatie een veiligheidsrisico zou kunnen opleveren. Ditzelfde geldt voor pagina 54 onder 5.3. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de informatie op pagina 72 en 88 terecht is weggelakt vanwege veiligheidsrisico’s. De alsnog openbaar te maken gegevens staan vermeld in bijlage I bij deze uitspraak. 28. Over de weggelakte e-mailadressen van algemene mailboxen (zonder een persoonsnaam), waarbij het college geen toelichting heeft kunnen geven op de genoemde uitsluitingsgrond, oordeelt de rechtbank ook dat het college deze openbaar moet maken. Niet gebleken is namelijk dat openbaarmaking daarvan achterwege moet blijven. Deze gegevens staan vermeld in bijlage I bij deze uitspraak. Conclusie en gevolgen 29. De beroepen zijn gegrond, omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3:2 en artikel 7:10, tweede lid, van de Awb. De bestreden besluiten zijn niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het college moet een nieuw besluit nemen en daarbij extra informatie openbaar maken. Omdat deze zaak al lange tijd loopt, het college al meerdere (niet geslaagde) pogingen heeft gedaan en na de zitting ook al de kans heeft gekregen om te reageren op de vragen die de rechtbank had over specifieke stukken en weglakkingen, ziet de rechtbank wel aanleiding om in deze uitspraak knopen door te hakken over de informatie die nog openbaar gemaakt moet worden. Die informatie is opgenomen in bijlage I bij deze uitspraak. Omdat de rechtbank over voldoende informatie over de feiten en het standpunt van het college beschikte om die knopen door te kunnen hakken, is er ook geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen. 30. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak (waaronder specifiek bijlage I). De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken. 31. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beoordeling van het verzoek om schadevergoeding (overschrijding redelijke termijn) 32. Eiser heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 33. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepsprocedure, mag de behandeling maximaal twee jaar in beslag nemen, in die zin dat de behandeling van het bezwaar maximaal een half jaar in beslag mag nemen en de procedure bij de rechtbank maximaal anderhalf jaar. De termijn van twee jaar geldt ook als de behandeling meerdere procedurele rondes heeft omvat. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt tot de datum waarop de rechtbank uitspraak doet. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen. Als de redelijke termijn is overschreden, moet voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief worden gehanteerd van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In UTR 22/4755 34. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift over het eerste verzoek op 4 januari 2022 is ingediend en dat het college op 25 augustus 2022, dus meer dan een half jaar na ontvangst van het bezwaarschrift, heeft beslist. De behandeling van het beroep bij de rechtbank (vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 6 oktober 2022 tot aan de datum van de uitspraak van 1 mei 2026) heeft langer geduurd dan anderhalf jaar. De rechtbank stelt vast dat de termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan is overschreden met ruim twee jaar en twee maanden. De schadevergoeding bedraagt daarom in totaal € 2.500,-. Deze overschrijding van de redelijke termijn is, op twee maanden na, aan de rechterlijke fase toe te rekenen. Dat leidt tot een veroordeling ten laste van de Staat tot een bedrag van € 2.307,69,- (24/26 van € 2.500,-) aan immateriële schadevergoeding en een veroordeling ten laste van het college tot een bedrag van € 192,31,- (2/26 van € 2.500,-) aan immateriële schadevergoeding. In UTR 22/4752 35. Ten aanzien van het tweede verzoek is het bezwaarschrift op 1 april 2022 ingediend en heeft het college op 25 augustus 2022, dus binnen een half jaar na ontvangst van het bezwaarschrift, beslist. De redelijke termijn in de bezwaarfase is niet overschreden. 36. De behandeling van het beroep bij de rechtbank (vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 6 oktober 2022 tot aan de datum van de uitspraak van 1 mei 2026) heeft langer geduurd dan anderhalf jaar. De rechtbank stelt vast dat de termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan is overschreden met ruim twee jaar. Deze overschrijding van de redelijke termijn is volledig aan de rechterlijke fase toe te rekenen. Naar boven afgerond per half jaar, leidt dat tot een veroordeling ten laste van de Staat tot een bedrag van € 2.500,- (vijf maal € 500,-) aan immateriële schadevergoeding. Samen 37. Omdat het bedrag van de schadevergoeding totaal € 5.000,- beloopt, hoeft de minister van Justitie en Veiligheid, gelet op zijn beleidsregel niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren. 38. Voor een verzoek om schadevergoeding dat tijdens de looptijd van een beroep wordt gedaan is geen griffierecht verschuldigd. Voor het vergoeden van griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten met betrekking tot het verzoek tot schadevergoeding is de rechtbank niet gebleken. Beslissing In UTR 22/4755: De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 25 augustus 2022; - draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,-- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot het betalen van € 192,31,-- aan schadevergoeding aan eiser; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.307,69,--. In UTR 22/4752: De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 25 augustus 2022; - draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,-- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.500,--. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage I: Gegevens die het college alsnog openbaar moet maken in UTR 22/4755: - pagina 45, 49, 71, 80: geslachtsaanduidingen - pagina 53, onder 3.2: eerste twee gedachtestreepjes van de werkzaamheden - pagina 54, onder 5.3: de alinea onder het kopje ’Afstemmingsoverleg’ - pagina 58: de woonsituatie van eiser - pagina 68: de bedrijfsnaam - pagina 69, 70: de aanduidingen bovenaan de tabel - pagina 92, 93, 97, 98, 106, 107, 113: de e-mailadressen - pagina 115: het onderwerp van de e-mail - pagina 116: de opsommingsgetallen - de twaalf overige brieven van 15 april 2021 Gegevens waarbij de uitsluitingsgrondslag hersteld moet worden in UTR 22/4755: - pagina 60, 74, 79, 81 Gegevens die het college alsnog openbaar moet maken in UTR 22/4752: - pagina 5 van het bestreden besluit 2: geslachtsaanduidingen, maand van verzending mail - pagina 6 van het bestreden besluit 2: geslachtsaanduiding - pagina 7 van het bestreden besluit 2: geslachtsaanduidingen Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2915, onder 8.1. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo. Artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c van de Woo in plaats van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo. Beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210.