# Rechtbank Amsterdam, 16-09-2026 (: 13-125420-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9263
- Date: 2026-09-16
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9263
- Canonical: https://overview.legal/posts/354220

## Summary

Executie-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak om informatie te krijgen waar opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaats wordt. Uit de ontvangen informatie blijkt in welke twee detentie-instellingen opgeëiste persoon hoogst waarschijnlijk geplaatst wordt. De rechtbank beschikt niet over objectieve gegevens waaruit moet worden opgemaakt dat de detentieomstandigheden in die instellingen niet in orde zijn. Overlevering toestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-125420-26 Datum uitspraak: 16 september 2026 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid (hierna: Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 juni 2026 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (hierna: AB) als bedoeld in artikel 598 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (hierna: HSO). Dit AB is uitgevaardigd op 2 april 2026 door de Sheriff Court of Lothian and Borders at Edinburgh , Verenigd Koninkrijk, en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Roemenië), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , nu gedetineerd in de [P.I.] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1 Procesgang De zitting van 23 juli 2026 De behandeling van de vordering is aangevangen op de zitting van 23 juli 2026. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal. Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen. Tussenuitspraak van 6 augustus 2026 Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen door de rechtbank geformuleerde vraag ten aanzien van de detentieomstandigheden als bedoeld in artikel 604, aanhef en onder c, HSO aan de Britse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. De zitting van 2 september 2026 De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 2 september 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. R.P.G. van der Weide en door een tolk in de Roemeense taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 6 augustus 2026 al is geoordeeld over grondslag en de inhoud van het AB en over de (dubbele) strafbaarheid van de feiten. Wat de rechtbank daarover heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4. Detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk (artikel 604, aanhef en onder c, HSO) Inleiding De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 6 augustus 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. In de tussenuitspraak van 6 augustus 2026 heeft de rechtbank de volgende vraag geformuleerd: 1. In welke van de in de aanvullende informatie genoemde detentie-instellingen ( HMP Barlinnie, Addiewell, Low Moss, Edinburgh, Grampian, Inverness, Greenock of Perth ), zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst? Op 7 augustus 2026 heeft het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) deze vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. Op 18 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt. “(…) The Scottish Prison Service (SPS) has been advised that it will be provided with advance notice of the dates and locations of Mr [de opgeëiste persoon] ’s planned Court appearances. SPS therefore advise when Mr [de opgeëiste persoon] appears at a Court in Glasgow or Paisley, arrangements will be made by SPS to admit him to HMP Low Moss. When Mr [de opgeëiste persoon] appears at a Court in Aberdeen, arrangements will be made to admit him to HMP Grampian. However, for operational reasons such as prison capacity, after admission he may be transferred to another SPS establishment.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft opgemerkt dat het de vraag is of de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie voldoende genoegzaam is. De opgeëiste persoon heeft gezondheidsklachten. Uit de ontvangen aanvullende informatie blijk niet in detail hoe de detentieomstandigheden zijn in de twee detentie-instellingen waar de opgeëiste persoon hoogst waarschijnlijk wordt geplaatst. Bovendien is niet uitgesloten, bijvoorbeeld in geval van gebrek aan capaciteit, dat de opgeëiste persoon mogelijk in een andere detentie-instelling wordt geplaatst. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De detentie-instelling of detentie-instellingen waar de opgeëiste persoon hoogst waarschijnlijk geplaatst wordt moeten worden getoetst. In dit geval zijn dat HMP Low Moss en HMP Grampian . De officier van justitie heeft op de vorige zitting uitgebreid uiteengezet dat de detentieomstandigheden in deze detentie-instellingen in orde zijn en dat er geen schendingen van de mensenrechten plaatsvinden. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk sluit de rechtbank aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 29 juli 2024 (Alchaster). Uit dit arrest volgt dat de tweestappentoets, die geldt voor de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, niet geldt voor overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. De uitvoerende rechterlijke autoriteit hoeft daarom niet na te gaan waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd op basis van de eerder vastgestelde algemene gevaren. Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk behoort de rechtbank bij haar beoordeling alle relevante gegevens te beoordelen om in te schatten in welke situatie de gezochte persoon zich zal bevinden als hij wordt overgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk, wat inhoudt dat rekening gehouden moet worden met de regels en praktijken die in dat land algemeen gangbaar zijn, en daarnaast ook – als de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijds erkenning niet worden toegepast – met de specifieke kenmerken van de situatie van die persoon. De rechtbank dient om die reden steeds te vernemen waar de opgeëiste persoon hoogst waarschijnlijk zal worden gedetineerd om het bovenstaande te kunnen beoordelen. In de onderhavige zaak is deze informatie opgevraagd. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering in HMP Low Moss of HMP Grampian zal worden geplaatst. De rechtbank beschikt (ambtshalve) niet over (objectieve) gegevens die duiden op slechte detentieomstandigheden in deze instellingen, noch omstandigheden of gegevens met betrekking tot de situatie van de opgeëiste persoon waar de rechtbank rekening mee zou moeten houden. De gestelde gezondheidsklachten van de opgeëiste persoon zijn niet met stukken onderbouwd. Gelet op de situatie van de opgeëiste persoon in geval van overlevering bestaat er voor hem dan ook geen reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Dat de opgeëiste persoon om operationele redenen mogelijk in een andere detentie instelling dan de twee genoemde instellingen kan worden geplaatst, bijvoorbeeld vanwege de beschikbare capaciteit, doet hier niet aan af nu dit een toekomstige onzekere gebeurtenis betreft. De rechtbank oordeelt dat de detentieomstandigheden daarom niet in de weg staan aan de overlevering van de opgeëiste persoon. 5 Slotsom Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan dient de overlevering te worden toegestaan. 6 Toepasselijke wetsartikelen Artikel 273f Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1 en 3 Uitvoeringswet en 599, 601, 604 en 606 HSO. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Sheriff Court of Lothian and Borders at Edinburgh , Verenigd Koninkrijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. E.M. de Bie en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 september 2026. Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBAMS:2026:7939. Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster). Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82. Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354220 · 2026-09-24
