Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9261 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 16-09-2026 (13-005348-25)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Artikel 12 OLW, de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a OLW, doet zich voor. Artikel 6a OLW; aan de eerste en tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Onderzoek wordt heropend en geschorst om het reeds aangevraagde certificaat en een afschrift van het originele arrest af te wachten.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-005348-25 Datum uitspraak: 16 september 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 14 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 augustus 2022 door the Regional Court in Szczecin [Sąd Okrçgowy w Szczecinie] Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, feitelijk verblijvende op het adres [adres 1] . hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 september 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. L.C. Cox, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft verder de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court Szczecin Center in Szczecin [Sąd Okrçgowy w Szczecinie] van 23 september 2016, met referentie IV K 350/16. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en drie maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis.. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar en één dag. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Het EAB vermeld onder sectie D) het volgende. “ [de opgeëiste persoon] was present at the trial the 23rd September 2016 at which the judgment was rendered. At the pronouncement of the judgment was also present the counsel of the defence of [de opgeëiste persoon] the barrister Filip Markiewicz in substitution for the barrister Stanislaw Pelczyński. As a result of the appeal lodged by the counsel of the defense of [de opgeëiste persoon] , on 20th March 2017 the Regional Court in Szczecin [Sąd Okrçgowy w Szczecinie] upheld the judgment appealed against. At the appeal trial the accused did not appear, whereas his counsel of the defense the barrister Krzystof Kwapiński, the substitute of the barrister Stranislaw Pelczyński was present. [de opgeëiste persoon] was instructed that he is under the obligation to appear on summonses, to inform the authority conducting the proceedings if every change of his place of stay lasting longer than 7 days and of the obligation to indicate an address of service in Poland in case of staying abroad. He was also instructed that if he changes his place of residence and fails to notify of his new address, of does not stay at the designated address, the documents dispatched to this address shall be considered to have been effectively served. The instruction was signed by the sentenced person in person.” Op 22 juli 2026 heeft het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. “1. Did Mr. [de opgeëiste persoon] personally mandate Mr. Pelczynski or Mr. Kwapinski to represent him during the appellate proceedings that resulted in the appeal judgement of the Regional Court in Szczecin (ref. IV Ka 1923/16)? 2. In light of the recent judgement by the Court of Justice of the European Union on 21 May 2026 in case C-95/24 Khuzdar (ECLI:EU:C:2026:416), could you please confirm how Mr. [de opgeëiste persoon] was informed of the date and place of the appellate hearing? It follows from section D of the EAW that Mr. [de opgeëiste persoon] received the instructions about the duty to inform the Polish authorities about address changes and about the consequences of not complying with this obligation. Receipt of these instructions was confirmed by Mr. [de opgeëiste persoon] ’s signature. 3. Were these instructions applicable to the criminal proceedings as a whole, including a possible appeal? Was Mr. [de opgeëiste persoon] explicitly informed of this? 4. Were the summons for the hearing(s) in appeal been sent to the address provided by Mr. [de opgeëiste persoon] ?” Op 24 juli 2026 heeft the District Court Szczecin – Centre de volgende aanvullende informatie verstrekt. “1. The mandate for the defence of [de opgeëiste persoon] in the course of the whole proceedings, including the appellate proceedings, was signed by the closest person, that is [naam] , 2. [de opgeëiste persoon] was informed in writing of the date and place of the appellate hearing, and the notification was collected personally by him, 3. The instructions of the obligation to inform the Polish authorities about address changes and about the consequences of not complying with this obligation concerned the whole criminal proceedings, including the possible appeal, [de opgeëiste persoon] was explicitly informed of this. 4. The summons for the hearing in appeal was sent to the address provided by [de opgeëiste persoon] , the accused collected it personally.” Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW geen standpunt ingenomen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De officier van justitie heeft primair gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich voordoet, omdat uit de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie van 24 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon de oproep voor de zitting in hoger beroep persoonlijk heeft opgehaald. Subsidiair heeft de officier van justitie gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b OLW, zich voordoet. De opgeëiste persoon is in hoger beroep vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat. Hij is voor de zitting in hoger beroep opgeroepen op het door hem opgegeven adres. Hij heeft een adresinstructie gehad en hij is ervan in kennis gesteld dat deze instructie gold voor de gehele procedure, inclusief het hoger beroep. De Pools autoriteit heeft voldoende inspanning verricht om de opgeëiste persoon van de datum en plaats van de zitting in hoger beroep op de hoogte te stellen. Daarmee is voldaan aan de criteria, zoals door het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) gesteld in de arresten Höldermann en Khuzdar . Meer subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW op grond van dezelfde argumenten. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Regional Court in Szczecin [Sąd Okrçgowy w Szczecinie] van 20 maart 2017 toetsen aan artikel 12 OLW. Uit de op 24 juli 2026 ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op de oproep voor de zitting in hoger beroep in persoon heeft opgehaald. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Ook is hem duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder c van de Opiumwet gegeven verbod; opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder b van de Opiumwet gegeven verbod; overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994; wederspannigheid; eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft verzocht de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, hoewel de opgeëiste persoon niet op dat adres staat ingeschreven, uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon sinds november 2020 woont aan de [adres 1] in [plaats] . Uit de overgelegde stukken blijkt verder dat de opgeëiste persoon sinds 2022 zelf voldoende inkomen heeft gegenereerd. In 2021 is er sprake van een afgeleide gelijkstelling op basis van het inkomen van zijn partner die ruim boven de 50% van de Bijstandsnorm heeft verdiend in dat jaar en met wie hij toen al een gemeenschappelijke huishouding voerde. Uit het bericht van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) blijkt dat de strafbare feiten zoals beschreven in de adviesaanvraag er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn EU-verblijfsrecht (dan wel de mogelijkheid van verblijfsrecht) verliest. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om het al door het IRC aangevraagde certificaat en een afschrift van het veroordelende arrest af te wachten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de eerste en tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om het reeds aangevraagde certificaat en een afschrift van het veroordelende arrest af te wachten. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit de brief van de IND van 25 augustus 2026 volgt dat de strafrechtelijke feiten zoals beschreven in de adviesaanvraag er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn EU-verblijfsrecht (dan wel de mogelijkheid van verblijfsrecht) verliest. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen? De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf. Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf lager is dan de straf die in Nederland maximaal voor dit soort feiten kan worden opgelegd. Bovendien is de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet aangepast te worden. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De binding van de opgeëiste persoon met Nederland Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale, banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon verblijft sinds 2020 samen met zijn partner op hetzelfde adres en hij werkt sinds 2021 in Nederland. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf? De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Poolse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat, en een kopie van het veroordelende arrest. Op 27 augustus 2026 heeft het IRC het certificaat en een kopie van het veroordelend arrest bij de uitvaardigende justitiële autoriteit opgevraagd. Op 31 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verstrekt. " In answer to the letter of 28th August 2026 (reference symbol of files III Kop 187/22) the District Court Szczecin - Centre in Szczecin expresses consent to the execution on the terrain of the Kingdom of the Netherlands of the penalty of 1 year and 3 months of deprivation of freedom imposed on [de opgeëiste persoon] by the judgement of the District Court Szczecin - Centre in Szczecin of 23rd September 2016, reference symbol of files TV K 350/16. The sending of the filled in certificate together with the copy of the judgement will be possible within 7 days.” Op 1 september 2026 heeft het IRC aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd om in plaats van een kopie van het vonnis van 23 september 2016, een kopie van het arrest van 20 maart 2017 toe te sturen, tezamen met het certificaat. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om de ontvangst van de reeds het reeds aangevraagde certificaat als bedoeld in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van de originele arrest van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW. Verlenging van de beslistermijn De beslistermijn van 90 dagen verstrijkt op 10 oktober 2026. Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Gelet op de gevolgen van het arrest C.J. over het opvragen van het certificaat en het veroordelende vonnis en de omstandigheid dat de wetgever artikel 6a OLW op dit punt (nog) niet heeft gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. Om die reden zal de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen verlengen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en een afschrift van het originele arrest in het kader van een mogelijke strafovername door Nederland als bedoeld in artikel 6a OLW aan het dossier toe te voegen; BEPAALT dat de zaak uiterlijk 25 november 2026 (zijnde veertien dagen vóór 9 december 2026, het einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw en oproeping van een tolk in de Poolse taal. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. E.M. de Bie en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, vierde en vijfde lid, OLW. ÁG113127180241nÈ G113127180241 Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 mei 2026, C447/24, ECLI:EU:C:2026:417. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Als bedoeld in artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW. HvJ EU, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)). Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.