# Rechtbank Amsterdam, 16-09-2026 (13-149444-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9262
- Date: 2026-09-16
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9262
- Canonical: https://overview.legal/posts/354222

## Summary

Vervolgings-EAB uit Frankrijk. Na tussenuitspraak voor het stellen van een vraag in het kader van de detentieomstandigheden als bedoeld in artikel 11 OLW. Het vastgestelde algemene gevaar wordt door de verstrekte aanvullend informatie niet weggenomen. Geen gevolg gegeven aan het EAB en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-149444-26 Datum uitspraak: 16 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 8 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 mei 2026 door the Public Prosecutor at the Judicial Court of Lille , Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Roemenië), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [P.I.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 30 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 30 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Peters, advocaat in Zaandam. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd aangehouden omdat geen tolk in de Roemeense taal beschikbaar was. Zitting van 4 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Peters, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. Tussenuitspraak van 18 augustus 2026 Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen door de rechtbank geformuleerde vraag ten aanzien van de detentieomstandigheden als bedoeld in artikel 11 OLW aan de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Zitting van 2 september 2026 De behandeling is – met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 2 september 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door mr. C. Peters en door een tolk in de Roemeense taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 18 augustus 2026 al is geoordeeld over grondslag en de inhoud van het EAB en over de (dubbele) strafbaarheid van de feiten. Wat de rechtbank daarover heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Frankrijk De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 18 augustus 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de volgende vraag geformuleerd: Kunt u garanderen dat de opgeëiste persoon na overlevering ˗ en in het bijzonder ook na de periode van vijftien dagen zoals vermeld in de informatie van 20 juli 2026 ˗ in een cel in de penitentiaire inrichting van Lille-Annoeullin dan wel Lille-Sequedin zal worden geplaatst, waarin niet meer personen worden gedetineerd dan het aantal bedden dat in de reeds door u verstrekte informatie van 12 juni 2026 is vermeld? Op 19 augustus 2026 heeft het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) voormelde vraag aan de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. Op 24 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop als volgt geantwoord: “I have taken note of your additional requests. However, I am unable to provide you with any further information. The letter of assurance that was sent is as precise as possible regarding detention conditions. This letter was drafted in consultation with the Ministry (the Office of International Mutual Legal Assistance responsible for extraditions) and the Prison Administration Directorate.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon wist van de zaak in Frankrijk. Hij is gehoord in de zaak en is daarna vrijgelaten. Hij is naar Nederland gegaan en kwam in Nederland vast te zitten. Hij hoorde dat er op 7 oktober 2026 een zitting in Frankrijk gepland stond en heeft toen meteen aangegeven naar Frankrijk te willen gaan. Dat kon echter niet in verband met de detentieomstandigheden. De opgeëiste persoon zit inmiddels geruime tijd vast voor een verdenking van drie relatief lichte vergrijpen. Dat lijkt in strijd met de onschuldpresumptie. De overlevering dient te worden geweigerd, omdat er nog steeds een reëel gevaar op schending van mensenrechten bestaat en dit gevaar niet is weggenomen door de aanvullende informatie. De inhoud van de aanvullende informatie doet niet vermoeden dat de Franse autoriteiten op korte termijn met andere informatie zullen komen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de overleveringsprocedure een formele procedure is en dat om die reden eerst een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon op schending van zijn grondrechten moet worden vastgesteld. In deze zaak kan dat ook worden vastgesteld. Vervolgens moet aan de Franse autoriteiten een redelijke termijn worden gegeven om te bezien of binnen die termijn sprake is van gewijzigde omstandigheden ten aanzien van de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na overlevering. De officier van justitie acht het onwaarschijnlijk, gezien de meest recente reactie van de uitvaardigende justitiële autoriteit en gelet op de ervaring van het IRC in vergelijkbare gevallen, dat op korte termijn andere aanvullende informatie van de Franse autoriteiten zal worden ontvangen en verwacht niet dat binnen een redelijke termijn sprake zal zijn van een wijziging van de omstandigheden. Oordeel van de rechtbank In de tussenuitspraak van18 augustus 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat niet kon worden vastgesteld dat het vastgestelde algemene reële gevaar is weggenomen voor de opgeëiste persoon. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of met de meest recente aanvullende informatie van 24 augustus 2026 kan worden vastgesteld het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon is uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de betreffende aanvullende informatie daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt, nu in deze informatie uitdrukkelijk wordt gesteld dat de Franse autoriteiten niet in staat zijn “ any further information ” te verstrekken. Op basis van de verstrekte informatie kan dan ook niet worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon wordt geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte (exclusief sanitair) van minder dan 3 m2. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die (evidente) situatie hier aan de orde is. Zoals hierboven reeds opgemerkt stelt de uitvaardigende justitiële autoriteit in de aanvullende informatie van 24 augustus 2026 desgevraagd uitdrukkelijk dat hij niet in staat is “ any further information ” te verstrekken. De officier van justitie heeft ter zitting gesteld dat zij er, gelet op de ervaring van het IRC in vergelijkbare zaken, geen vertrouwen in heeft dat op korte termijn aanvullende informatie van de Franse autoriteiten komt en daarmee ook niet dat er binnen een redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden zal optreden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een redelijke termijn te stellen om te bezien of er binnen de deze termijn sprake is van gewijzigde omstandigheden. De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid OLW, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee wordt de overleveringsprocedure beëindigd en de overleveringsdetentie te worden opgeheven. 5 Toepasselijke wetsartikelen Artikel 11 OLW. 6 Beslissing GEEFT geen gevolg aan het EAB. VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. HEFT OP de overleveringsdetentie. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. E.M. de Bie en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG1131273269902È G113127326990 ECLI:NL:RBAMS:2026:8269

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354222 · 2026-09-24
