# Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-09-2026 (200.363.765)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Identifier: ECLI:NL:GHARL:2026:5661
- Date: 2026-09-01
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2026%3A5661
- Canonical: https://overview.legal/posts/354224

## Summary

Vordering tot inzage/afschrift of uittreksel van gegevens deels toewijsbaar en deels niet.

## Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.363.765 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 457727 arrest in kort geding van 1 september 2026 in de zaak van 1 PostNL N.V. die is gevestigd in ‘s-Gravenhage 2. Koninklijke PostNL B.V. die is gevestigd in ’s-Gravenhage hierna gezamenlijk te noemen: PostNL advocaat: mr. R.G.J. de Haan en B.V. Bondis die is gevestigd in Uitgeest hierna: Bondis advocaat: mrs. R.C. de Mol 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. PostNL heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de voorzieningenrechter) op 12 december 2025 tussen partijen heeft uitgesproken (principaal hoger beroep). Ook Bondis heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis (incidenteel hoger beroep). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 augustus 2026 is gehouden. 2 De kern van de zaak 2.1. Bondis verzorgt onder de handelsnaam Abonnementenland ondersteunende diensten voor uitgevers van tijdschriften, waaronder de bezorging daarvan. Bondis heeft in het verleden voor de verzending van de tijdschriften samengewerkt met postbedrijf Sandd B.V. (hierna: Sandd). In oktober 2019 heeft PostNL de aandelen van Sandd overgenomen en vanaf 1 februari 2020 is het postnetwerk van Sandd opgehouden te bestaan. Vanaf dat moment werd de dienstverlening van Sandd operationeel uitgevoerd door PostNL. 2.2. In het voorjaar van 2020 is een geschil ontstaan tussen Bondis, Sandd en PostNL over de nakoming van de overeenkomst tussen Bondis en Sandd door PostNL. Dat geschil zag met name op de tariefverhogingen die PostNL wilde doorvoeren. Naar aanleiding van dit geschil is Bondis een kort geding procedure gestart tegen Sandd en PostNL. Dit heeft geleid tot een schikking die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 29 mei 2020 (hierna: de vso). In de vso is geregeld dat ten aanzien van Bondis het Sandd-contract wordt uitgediend en de (665) huidige periodieken (tijdschriften) tot en met 31 december 2025 onder het lage Sandd tarief kunnen worden verstuurd. Voor de andere (nieuwe) periodieken zou PostNL een offerte uitbrengen zoals beschreven in artikel 1.5 van de vso. Daarin is onder meer bepaald dat de tarieven non-discriminatoir moeten zijn ten opzichte van overige door PostNL tegen het dan geldende PostNL-beleid in de markt aangeboden tarieven. 2.3. Omdat per 1 januari 2026 de regeling voor de 665 huidige periodieken zou aflopen, wenste Bondis duidelijkheid te verkrijgen over de door PostNL in de markt gehanteerde tarieven en kortingen. Zij heeft het vermoeden dat PostNL niet non-discriminatoir opereert, wat volgens Bondis wel zou moeten. 2.4. Bondis heeft bij PostNL een inzageverzoek gedaan als bedoeld in artikel 194 Rv. PostNL heeft het inzageverzoek afgewezen. Daarop heeft Bondis een vordering op grond van artikel 197 Rv bij de voorzieningenrechter ingesteld. Zij heeft (na eiswijziging) gevorderd: “PostNL te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan Bondis inzage of afschrift of uittreksel van kopieën van de volgende bescheiden te verstrekken: (i) Alle bescheiden in de ruimste zin des woords over het door PostNL gehanteerde beleid over het aanbieden van (non-discriminatoire) tarieven en een ingroeiregeling aan partijen met een aflopend Sandd-contract voor de leveringen van periodieken; en (ii) Alle bescheiden in de ruimste zin des woords over de tarieven, ingroeiregelingen, mogelijkheid tot ‘stapelen’ (volumekortingen), kickback fees en overige kortingen die PostNL in 2024 en 2025 heeft aangeboden (inclusief de aanbiedingen zelf) aan derde marktpartijen voor de leveringen van periodieken; zulks steeds onder overlegging van een door een onafhankelijk registeraccountant opgestelde verklaring waaruit volgt dat deze de volledigheid en correctheid van het door PostNL gepresenteerde positief heeft geverifieerd”. Een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van PostNL in de proceskosten. 2.5. De voorzieningenrechter heeft de vordering onder (i) toegewezen en die onder (ii) afgewezen. Het principaal hoger beroep van PostNL strekt tot het alsnog afwijzen van vordering (i). Het incidenteel hoger beroep van Bondis ziet op het toewijzen van een (in hoger beroep nogmaals gewijzigde) vordering (ii). Het hof oordeelt beide hoger beroepen ongegrond. Dat oordeel zal hierna worden uitgelegd. 3 De toelichting op de beslissing van het hof 3.1. Voor de feiten verwijst het hof naar rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het bestreden vonnis, zoals die hierboven zijn samengevat. In aanvulling daarop staat vast dat partijen na het vonnis van de voorzieningenrechter een executie kort geding hebben gevoerd, waarin bij vonnis van 17 februari 2026 is geoordeeld dat PostNL het vonnis van de voorzieningenrechter is nagekomen en geen dwangsommen heeft verbeurd. Van dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Verder heeft Bondis bij dagvaarding van 13 januari 2026 (dat is ná het instellen van hoger beroep in deze zaak) een bodemprocedure aanhangig gemaakt, die is verwezen naar de rechtbank Den Haag, waar ook een verzoek voorlopige bewijsverrichtingen (namelijk een voorlopig getuigenverhoor) aanhangig is. 3.2. In het principaal hoger beroep gaat het om de vraag of vordering (i), kort gezegd: de inzagevordering met betrekking tot bewijsstukken waaruit het beleid van PostNL inzake tarieven en kortingen blijkt, terecht is toegewezen. Volgens PostNL had Bondis geen belang bij die vordering, omdat PostNL bij meerdere gelegenheden Bondis al had geïnformeerd over dat beleid. Daarnaast heeft Bondis de onderliggende rechtsvordering onvoldoende concreet gemaakt en heeft de rechtsvordering van Bondis geen kans van slagen. Het hof gaat daar niet in mee, omdat van Bondis in de gegeven omstandigheden niet verwacht mag worden dat zij PostNL, zonder onderbouwing door stukken, zonder meer gelooft als het gaat om het gevoerde beleid inzake tarieven en kortingen. Verder was voldoende duidelijk met het oog waarop de inzage werd gevorderd, te weten het verwijt van Bondis dat zij niet non-discriminatoir wordt behandeld, en is het aan de bodemrechter om te oordelen of dat verwijt terecht is en of dat kan leiden tot een tekortkoming aan de zijde van PostNL. Met de voorzieningenrechter is het hof het verder eens dat Bondis, die stelt dat zij in de tweede helft van 2025 sterke aanwijzingen ontving dat haar concurrenten beter werden behandeld, destijds ook een voldoende spoedeisend belang had bij die vordering om een mogelijke tekortkoming te kunnen onderbouwen en te kunnen controleren of PostNL non-discriminatoir heeft gehandeld. Dat Bondis over voldoende financiële draagkracht beschikt en mogelijk wat eerder in actie had kunnen komen doet daar onvoldoende aan af. Ook heeft de voorzieningenrechter de toewijzing van deze vordering terecht met een (gematigde en gemaximeerde) dwangsom versterkt, nu dat was gevorderd en er onvoldoende waarborgen bestonden dat PostNL een veroordeling zonder dwangsom zou nakomen. Daarbij weegt mee dat de rechter bij het opleggen van een dwangsom een discretionaire bevoegdheid heeft en dat de enkele omstandigheid dat een aangesprokene een toezegging doet, aan de oplegging van de dwangsom niet in de weg hoeft te staan. Dat de voorzieningenrechter zijn oordeel over de dwangsom niet (uitgebreid) heeft gemotiveerd, maakt de beslissing niet onjuist. 3.3. Hiermee falen de grieven van PostNL. 3.4. In het incidenteel hoger beroep is de oorspronkelijke vordering (ii) in die zin gewijzigd dat deze nu luidt als volgt: “PostNL te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, aan Bondis inzage of afschrift of uittreksel van kopieën van de volgende bescheiden te verstrekken: • alle tarieven (inclusief kortingen en commissies in de ruimste zin des woords) die PostNL in de periode 2024 tot en met 2026 heeft aangeboden aan intermediairs voor de levering van periodieken. dit onder overlegging van een door een onafhankelijk registeraccountant opgestelde verklaring waaruit volgt dat deze de volledigheid en correctheid van het door PostNL gepresenteerde positief heeft geverifieerd;” (met dwangsom) 3.5. Het hof stelt vast dat vordering (ii) onder andere in die zin is gewijzigd dat niet langer inzage, afschrift of uittreksel wordt gevorderd van “alle bescheiden in de ruimste zin des woords” en dat niet meer wordt gevorderd “inclusief de aanbiedingen zelf”. Tijdens de mondelinge behandeling is ter toelichting hierop door de advocaten van Bondis desgevraagd verklaard dat het Bondis niet te doen is om klantinformatie. Bondis wil weten “welk dier je moet zijn” om voor welke korting bij PostNL in aanmerking te komen, aldus haar advocaten ter zitting. Op de vraag van het hof dat het dan kennelijk moet gaan om een soort overzicht waarin staat in welke periode welke prijzen zijn aangeboden werd bevestigend geantwoord. Daaraan is toegevoegd dat de contracten met de intermediairs kunnen worden verstrekt, met zwart lakken van hun gegevens. 3.6. Het hof stelt voorop dat het begrip “gegevens” als bedoeld in artikel 194 Rv ruim moet worden opgevat. Onder gegevens vallen alle vormen van bewijsmateriaal, dus niet alleen schriftelijke stukken, maar ook andere vormen van informatie, zoals beeld- en geluiddragers, computerbestanden, overige elektronische informatie, en bepaalde voorwerpen. In beginsel moet het gaan om bestaande gegevens en kan met een inzageverzoek dus niet worden bereikt dat nieuwe documenten of nieuwe overzichten worden opgemaakt. Voor zover het Bondis dus is te doen om het door PostNL (in een te maken overzicht of lijst) verstrekken van inlichtingen over door haar richting de diverse intermediairs aangeboden tarieven, zonder dat om die aanbiedingen zelf (of ander bestaand bewijsmateriaal) wordt gevraagd, ziet de vordering niet op “bepaalde gegevens” waarover PostNL beschikt of eenvoudig kan beschikken. Daarom is geen sprake van een toewijsbare vordering tot inzage, afschrift of uittreksel van gegevens. Dat de vordering mogelijk ook anders had kunnen luiden (verstrekken van deels zwart gelakte contracten) leidt niet tot een ander oordeel, omdat de vordering nu eenmaal moet worden beoordeeld zoals die wel luidt. 3.7. Los daarvan, valt als tweede zelfstandige afwijzingsgrond, het (spoedeisend) belang bij deze vordering in relatie tot de inmiddels gestarte bodemprocedure niet in te zien. Het gaat er bij de inzagevordering om dat Bondis wil weten of PostNL voor verschillende intermediairs verschillende tarieven hanteert en daarmee in strijd handelt met het volgens haar toepasselijke non-discriminatiebeginsel. In de bodemprocedure wordt er echter niet op die grondslag geprocedeerd. In die procedure wordt geprocedeerd op de grond dat PostNL onrechtmatig heeft gehandeld door Sandd over te nemen en wordt schadevergoeding gevorderd die bestaat uit het verschil tussen de tarieven van PostNL en die van Sandd. 3.8. Bondis stelt dat er toch een belang bestaat in verband met de bodemprocedure, omdat in die bodemprocedure ook een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv wordt gevorderd en voor díe vordering de inzagevordering van belang is. Deze gevorderde voorlopige voorziening houdt in dat PostNL voor de 665 “huidige periodieken” (als opgesomd in bijlage 1 bij de vso) het Sandd tarief moet blijven berekenen en voor “nieuwe periodieken” (als bedoeld in artikel 1.5 van de vso) non-discriminatoire tarieven moet hanteren en non-discriminatoire tarieven (inclusief daarbij behorende kickback fees en kortingen in de ruimste zin des woords) moet aanbieden aan Bondis. Volgens Bondis is met het tweede deel van deze vordering (dus die ten aanzien van de nieuwe periodieken) het belang van haar thans voorliggende inzagevordering gegeven. 3.9. Het hof volgt dat niet. Zonder onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het voor het instellen van een vordering om bij wijze van voorziening voor de duur van de procedure non-discriminatoire tarieven toe te passen nodig is om te weten welke tarieven en kortingen PostNL in het verleden (2024-2026) bij alle intermediairs heeft toegepast. Dat blijkt ook al uit het feit dat die vordering reeds is ingesteld. Bovendien stelt Bondis in de dagvaarding in de bodemprocedure onder 5.5 ter onderbouwing van de voorlopige voorziening dat zij voor de duur van het geding voor de nieuwe periodieken aanspraak maakt op hetzelfde tarief dat een bepaalde, bij naam genoemde, concurrent en intermediair ontvangt, inclusief kickback fees en overige (verholen) kortingen. Klaarblijkelijk is dus de gedachte van Bondis dat dít de non-discriminatoire tarieven zijn, althans dat dit tarief voorlopig ook voor haar gehanteerd moet worden. Als dat het uitgangspunt van Bondis is, valt al helemaal niet in te zien welk (spoedeisend) belang Bondis nu heeft om de tarieven van álle intermediairs in de periode 2024-2026 te weten. Voor zover Bondis daarnaast erop wijst dat zij de gegevens nodig heeft voor haar vordering tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat heeft zij haar belang ook in zoverre onvoldoende toegelicht, aangezien de door haar gevorderde verwijzing naar de schadestaat gerelateerd wordt aan de volgens haar onrechtmatige overname van Sand door PostNl. 3.10. Los van al het voorgaande, komt het het hof veel efficiënter voor dat de bodemrechter, bij wie ook om een voorlopig getuigenverhoor is gevraagd, oordeelt of en zo ja welke informatie en/of bescheiden PostNL dient te verschaffen om tot een juiste beoordeling te kunnen komen. Ook in zoverre is op dit moment het belang van Bondis bij de door haar gevraagde voorziening in dit kort geding onvoldoende duidelijk geworden. 3.11. Ook het incidenteel hoger beroep is dus ongegrond. De conclusie 3.12. Het hoger beroep Van PostNL slaagt niet. Omdat PostNL in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof PostNL tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.13. Het hoger beroep Van Bondis slaagt niet. Omdat Bondis in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Bondis tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening 3.14. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 12 december 2025; 4.2. veroordeelt PostNL tot betaling van de volgende proceskosten van Bondis: - € 851,- aan griffierecht - € 2.580,- aan salaris van de advocaat van Bondis (2 procespunten x het toepasselijke tarief II) 4.3. veroordeelt Bondis tot betaling van de volgende proceskosten van PostNL: - € 1.290,- aan salaris van de advocaat van PostNL (50 % van 2 procespunten x het toepasselijke tarief II) 4.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 4.5. verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 4.6. wijst af wat meer of anders is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, C. Bakker en J.G.J. Rinkes en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354224 · 2026-09-24
