# Rechtbank Amsterdam, 20-08-2026 (13-039793-25)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8710
- Date: 2026-08-20
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8710
- Canonical: https://overview.legal/posts/354225

## Summary

Vervolgings-EAB uit Polen. Genoegzaamheidsverweer en evenredigheidsverweer verworpen. Artikel 11 OLW: heropening en schorsing van het onderzoek om aanvullende vragen te stellen inzake de minimale individuele leefruimte en detentieomstandigheden. Afgezien van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-039793-25 Datum uitspraak: 20 augustus 2026 TUSSENUITSPRAAK op de vordering van 12 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 januari 2025 door the Regional Court in Poznań, Division III Criminal , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. T. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een advocaat, mr. E.B. Jobse, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the District Court in Szamotuły van 13 juni 2024, met kenmerk II Kp 259/24. De advocaat van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank verzocht zich ambtshalve uit te laten over de vraag of de opgeëiste persoon door Polen juist is opgeroepen voor de zitting bij de rechtbank in Szamotuły op 23 (de rechtbank leest: 13) juni 2024 (II Kp 259/24) ten aanzien van de toepassing van een preventieve maatregel in de vorm van hechtenis, aangezien de opgeëiste persoon niet op deze zitting is verschenen. De rechtbank wijst dit verzoek af omdat (ambtshalve) onderzoek hiernaar niet van belang is voor de beoordeling van het overleveringsverzoek. De grondslag van het EAB ziet namelijk op de vervolging van de opgeëiste persoon en niet op de executie van een straf of maatregel. Alleen dan is namelijk geoordeeld over schuld en straf en is van belang om na te gaan of een opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Bij een aanhoudingsbevel is dat niet het geval. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Genoegzaamheid Standpunt van de verdediging De advocaat van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten in het EAB niet genoegzaam zijn omschreven, zodat de overlevering moet worden geweigerd. De advocaat heeft onder meer aangevoerd dat in het EAB niet is omschreven op welke wijze de verdovende middelen via Nederland en Duitsland naar Polen zijn vervoerd, noch uit welk bewijsmiddel of welke bevinding de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij dat vervoer blijkt. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De feiten, de periode waarin de feiten gepleegd zouden zijn, de plaats en de mate van betrokkenheid zijn voldoende concreet omschreven om het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Daarbij komt dat het een vervolgings-EAB betreft, zodat de precieze gang van zaken nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat het EAB genoegzaam is. De opgeëiste persoon wordt er – kort gezegd – van verdacht dat hij samen met de in het EAB genoemde andere personen in de periode van 12 februari 2024 tot en met 14 februari 2024 in Venray (Nederland), Duitsland, Czempiń (Polen) en Świecko (Polen) zich zou hebben ingelaten met de koop en het vervoer van: - cannabis, in een hoeveelheid van 2445,78 gram netto; - 3- CMC, in een hoeveelheid van 1988,01 gram netto, - 4- CMC, in een hoeveelheid van 2002,01 gram netto; en - amfetamine in vloeibare vorm, in een hoeveelheid van 1900 milliliter. Uit deze feitsomschrijving volgen dus de pleegplaatsen, pleegperiode, de rol van de opgeëiste persoon en de beschrijving van de feiten. Over de rol van de opgeëiste persoon staat in het A-formulier bovendien nog vermeld dat hij als medeplichtige wordt aangemerkt. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Polen wordt verdacht, zal later in Polen moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. 5 Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts 3 m² persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 29 juni 2026, in antwoord op vragen gesteld door het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) van het Openbaar Ministerie op 18 juni 2026, voor zover relevant, de volgende informatie verstrekt: “1. After a possible transfer to Poland, [de opgeëiste persoon] will most likely be initially detained at the Warsaw-Białołęka Remand Prison in Warsaw, from where he will be immediately transported, in accordance with the applicable regionalization, to the Remand Prison in Poznań, so that procedural activities can be carried out with his participation for investigation, Case number 3032- 2.Ds.71.2025 of the District Prosecutor's Office in Poznań. 2. Living conditions in pretrial detention are specified in the Executive Penal Code. Pursuant to Article 110, paragraph 2 of the Executive Penal Code, the area of the residential cell per inmate must be at least 3 square meters. This means that if [de opgeëiste persoon] is released, it is possible to detain him in a larger residential cell, as this provision specifies minimum conditions. 3. a person under temporary arrest has the right to at least 1 hour of walk outside of the cell block per day, this is the minimum value. 4. regardless of the hourly walk in the fresh air, a person under temporary arrest has the right to participate in cultural activities, use the library or receive pastoral care, which is done at his request - without the formal consent of the prosecutor - and therefore it is possible for a person under temporary arrest to stay outside the cell for longer than 1 hour. (…)” Op 13 juli 2026 heeft het IRC de volgende aanvullende vragen gesteld: a. Can you guarantee that [de opgeëiste persoon] can spend at least 2 hours outside of his cell on a daily basis? (e.g. if he uses his daily 1 hour walk and participates in other activities if he wishes to participate in those activities). b. If you cannot guarantee this, how many hours per day on average would [de opgeëiste persoon] , under normal circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he were to take advantage of all opportunities offered to him to leave his cell? The Court requests information on: - Which activities the wanted person can participate in; - The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library, common rooms, etc.); - The frequency of such activities and how much time the wanted person can access the common areas outside of the cell; - Whether the permission to participate in activities or access to common areas is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case, which conditions or procedural rules; and/or - Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general risk of ill-treatment has been discounted.” En vervolgens – op onbekende datum – aan deze vragen toegevoegd: “could you please also inform me if the guaranteed 3m2 of personal space [de opgeëiste persoon] will have in his cell is excluding sanitary facilities? This question was inadvertently not included in my earlier email. (…)” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 4 augustus 2026 geantwoord: “I would like to inform You that the minimum area of a residential cell specified in the Executive Penal Code, 3 square meters, also includes a sanitary area. In my previous letter dated June 29, 2026, I clearly indicated what activities a pretrial detainee may participate in, depending on their decision, and I maintain these guarantees.” Standpunt van de verdediging De advocaat van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie onvoldoende is om het algemene gevaar weg te nemen. Gelet op de detentieomstandigheden bestaat er een reële kans op schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. In het antwoord van 4 augustus 2026 stelt de Poolse autoriteit ondubbelzinnig dat de sanitaire ruimte is inbegrepen in de persoonlijke leefruimte van 3 m². Daarmee is niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon kan beschikken over ten minste 3 m² persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen. Evenmin is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na overlevering aan Polen ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen. De verdediging heeft daarom verzocht geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. De advocaat van de opgeëiste persoon heeft daartoe aangevoerd dat de Poolse autoriteiten niet opnieuw om aanvullende informatie zou moeten worden verzocht, nu zij voldoende gelegenheid hebben gehad om de gevraagde detentiegarantie te verstrekken. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie onvoldoende is om het algemene gevaar weg te nemen. Volgens de officier van justitie is niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon kan beschikken over ten minste 3 m² persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen. Daarnaast is op basis van de door de Poolse autoriteit verstrekte informatie onvoldoende duidelijk of de opgeëiste persoon daadwerkelijk ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen. De officier van justitie heeft daarom verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen. Oordeel van de rechtbank Uit de aanvullende informatie van 29 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in the Remand Prison in Poznań . De rechtbank is van oordeel dat met de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. De rechtbank zal, voordat zij hieraan nadere conclusies verbindt echter eerst nader onderzoek doen of het algemene gevaar dat ten aanzien van remand prisons in Polen is aangenomen met betrekking tot the Remand Prison in Poznań moet worden uitgebreid omdat volgens de laatste aanvullende informatie van 4 augustus 2026 gedetineerden aldaar over minder dan 3m2 personal space (exclusief sanitair) zouden beschikken. Dit betekent dat de rechtbank – gelet op het arrest Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857, punt 73) – de officier van justitie in de gelegenheid zal stellen de volgende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteiten: 1. is deze beperking van de individuele leefruimte enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate ten opzichte van de vereiste minimale 3 m2? 2. wordt hierbij voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel geboden en worden buiten de cel passende activiteiten aangeboden? 3. is in de detentie-instelling in het algemeen sprake van decente detentieomstandigheden en wordt de betrokkene niet onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden? De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 6 september 2026. In afwachting van het antwoord op voornoemde vragen, zal de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van 22, derde lid, OLW moet beslissen met 30 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Het onderzoek ter zitting zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak binnen de verlengde termijn van 30 dagen wederom op zitting zal worden aangebracht. 8 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunt van de verdediging De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Uit onderdeel e) van het EAB volgt dat de feiten gedeeltelijk gepleegd zijn op Nederlands en Duits grondgebied. De advocaat stelt dat niet blijkt dat het opsporingsonderzoek in Polen is aangevangen, dat Polen de specifieke afzetmarkt van de verdovende middelen zou zijn of dat de medeverdachten in Polen zullen worden vervolgd. Daarom beschikt Polen niet over (meer) rechtsmacht de opgeëiste persoon voor dit feit te vervolgen dan Nederland of Duitsland. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan. Het onderzoek is aangevangen in Polen, de bewijsmiddelen bevinden zich daar, de medeverdachten worden daar vervolgd en de verdovende middelen zijn vanuit Nederland, via Duitsland, naar Polen getransporteerd om daar ingevoerd te worden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden, het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. 9 Evenredigheid Standpunt van de verdediging De raadsman van de opgeëiste persoon heeft een beroep gedaan op de onevenredigheid van het EAB en daartoe aangevoerd dat de overlevering wordt gevraagd, terwijl de opgeëiste persoon inmiddels een leven in Nederland heeft opgebouwd. De opgeëiste persoon heeft een vast adres waar hij verblijft met zijn vriendin en hond en heeft vast werk. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de evenredigheid van het EAB. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Poolse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsman van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Poolse autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken. Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de (persoonlijke) belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. Het verweer van de advocaat van de opgeëiste persoon wordt dan ook verworpen. 10 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen voornoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. VERLENGT de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW. BEPAALT dat de zaak uiterlijk twee weken vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn (op 6 oktober 2026) opnieuw op zitting wordt gepland. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en H.J.H. van Meegen, rechters, in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 42). HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 47).

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354225 · 2026-09-24
