# Rechtbank Den Haag, 13-07-2026 (SGR 25/8944, SGR 26/186, SGR 26/372 en SGR 26/373)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:26316
- Date: 2026-07-13
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A26316
- Canonical: https://overview.legal/posts/354226

## Summary

Voorlopige voorziening procedure. De voorzieningrechter ziet voldoende aanleiding om kort te sluiten met de beroepsprocedure. Verweerder heeft twee ambtsberichten aan verzoeker opgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder deze besluiten mocht nemen. Beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 25/8944, SGR 26/186, SGR 26/372 en SGR 26/373 uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juli 2026 in de zaken tussen [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker en de staatssecretaris van Defensie, verweerder (gemachtigde: mr. A.N. Koster). Inleiding 1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de oplegging van twee ambtsberichten aan verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. Met de primaire besluiten van respectievelijk 29 juli 2025 en 4 september 2025 heeft verweerder twee ambtsberichten opgelegd aan verzoeker. Met het bestreden besluit van 4 december 2025 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard en de ambtsberichten in stand gelaten. 1.2. Verweerder heeft op de verzoeken en de connexe beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door majoor [naam 1]. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst om verzoeker in de gelegenheid te stellen om meerdere stukken te overleggen. Na ontvangst hiervan heeft de rechtbank deze stukken doorgestuurd naar verweerder, die hier vervolgens een reactie op heeft gegeven. Daarna is verzoeker in de gelegenheid gesteld om op deze reactie van verweerder te reageren. Nadat partijen van deze gelegenheid gebruik hebben gemaakt en zij aangaven geen nadere zitting te wensen, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Na sluiting van het onderzoek is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht niet alleen uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening, maar ook op de beroepen. Waar gaat deze zaak over? 3. Verzoeker, met als rang opperwachtmeester, is sinds 28 oktober 1996 aangesteld als militair bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Landmacht. Sinds 24 september 2001 is hij aangesteld als beroepsmilitair bij de Koninklijke Marechaussee (KMar), waarbij hij laatstelijk is geplaatst in de functie van [functienaam] bij [onderdeel]. 3.1. Op 10 februari 2025 ontving verweerder het bericht dat verzoeker op 7 februari 2025 een e-mail met bijlagen heeft gestuurd aan verschillende media, afdelingen binnen Defensie en de rechtspraak, terwijl deze bijlagen onder meer persoonsgegevens van medewerkers van StafCKMar bevatten. Op 11 maart 2025 ontving verweerder het bericht dat verzoeker een mail met bijlagen van dezelfde strekking als de eerdere mail van 10 februari 2025 heeft gestuurd naar dezelfde instanties, dit keer onder toevoeging van meerdere politieke partijen. Verweerder heeft hieruit de conclusie getrokken dat verzoeker hiermee de Gedragsregels Defensie Sociale Veiligheid en Integriteit (hierna: de Gedragsregels Defensie), meer specifiek de regels ‘Ik heb geen direct contact met media en politici’ en ‘Ik berg vertrouwelijke informatie goed op’ heeft geschonden en hem gelet daarop een ambtsbericht opgelegd voor de duur van vier jaar (hierna: het eerste ambtsbericht). 3.2. Op 11 maart 2024 ontving verweerder van de Afdeling Intelligence van de KMar een dreigingsmelding, afkomstig van het Intelligence Knooppunt Bewaken en Beveiligen van de Landelijke Expertise en Operaties van de Nationale Politie, over een intimiderend dan wel bedreigend telefoontje afkomstig van een medewerker van de KMar, gevoerd met een medewerker van de Directie Openbaarmaking van het ministerie van Justitie en Veiligheid (J&amp;V). Hierop is op 23 april 2024 aan de Sectie Interne Onderzoeken (SIO) de opdracht tot het verrichten van een disciplinair onderzoek gegeven. Uit de bevindingen hiervan heeft verweerder de conclusie getrokken dat verzoeker degene was die het betreffende telefoontje heeft gepleegd. Volgens verweerder heeft verzoeker hiermee de Gedragsregels Defensie, meer specifiek de regels ‘Vertrouwen’ en ‘Ik voorkom agressie en intimidatie’ geschonden. Verweerder heeft hem gelet daarop een ambtsbericht opgelegd voor de duur van vier jaar (hierna: het tweede ambtsbericht). Wat vindt verzoeker? 4. Verzoeker is het niet eens met de oplegging van beide ambtsberichten en heeft naast het instellen van beroepen hiertegen tevens de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Zijn gronden richten zich zowel tegen de totstandkoming van de ambtsberichten als de inhoud ervan. Deze worden hieronder kernachtig weergegeven en zullen onder het oordeel van de voorzieningenrechter puntsgewijs worden besproken. 4.1. Over de totstandkoming van de ambtsberichten betoogt verzoeker dat deze zijn opgesteld door een daartoe onbevoegd persoon. Ze zijn namelijk opgesteld door de Directeur Human Resources van de KMar , echter is verzoeker is geplaatst bij het Defensie Ondersteuningscommando (DOSCO) en dus had in de mandaatmatrix in de lijn van laatstgenoemde moeten worden gekeken wie in dit verband bevoegd is. Ten aanzien van het tweede ambtsbericht komt daar nog bij dat het Operationeel Commando (OPCO) van de KMar het disciplinaire onderzoek niet mocht instellen en uitvoeren. Bovendien heeft dit disciplinaire onderzoek langer geduurd dan de tijd die hiervoor op grond van de regelgeving staat voorgeschreven. Los daarvan bestaat bij verzoeker de indruk dat sprake is van een ‘schijnheroverweging’, nu zowel het voornemen als het ambtsbericht zelf en de beslissing op bezwaar nagenoeg identiek aan elkaar zijn. Voorts heeft verweerder niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken aan verzoeker verstrekt, waardoor hij onvoldoende in staat is om de aan hem verweten gedragingen op juistheid te controleren. Het bestreden besluit is ook onrechtmatig omdat verweerder hierin ten onrechte de behandeling heeft samengevoegd van de twee bezwaarschriften die verzoeker afzonderlijk tegen beide ambtsberichten heeft ingediend. Verder is het onterecht dat verzoeker een weinig constructieve houding wordt verweten. Hij is tenslotte alleen verantwoording schuldig aan zijn commandant en als verweerder er in dit verband voor kiest om niet de juiste procedures te volgen, dan kan hij niet worden verplicht om hieraan mee te werken. 4.2. Verzoeker is het ook niet eens met de inhoud van beide ambtsberichten, nu de feitenvaststelling hiervan normatief, selectief en onvolledig is. Ten aanzien van het tweede ambtsbericht stelt verzoeker nog specifiek dat de door verweerder aangehaalde bronnen, te weten een telefoongesprek met een medewerker van het ministerie van J&amp;V, een anoniem politierapport, een verklaring van een tweede melder en een verklaring van generaal [naam 2], de oplegging van dit ambtsbericht niet kunnen dragen omdat deze elk op zichzelf, maar met name in onderlinge samenhang, niet verifieerbaar en onvoldoende betrouwbaar zijn. Voorts bevat het rapport van het disciplinaire onderzoek aanzienlijke inhoudelijke tekortkomingen, is het gekleurd, eenzijdig en laat het talrijke belangrijke feiten onvermeld. Hoewel verweerder hiermee bekend was, is verzoeker onder druk gezet om aan dit onderzoek mee te werken. De klachten die verzoeker in dit verband heeft ingediend tegen de functionarissen die het disciplinaire onderzoek hebben uitgevoerd, handelt verweerder bovendien niet conform de geldende voorschriften af. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? SGR 25/8944 en SGR 26/372 5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder één beslissing op bezwaar heeft genomen waarin beide ambtsberichten zijn heroverwogen. Verzoeker had dus kunnen volstaan met het indienen van één beroepschrift en één verzoek om een voorlopige voorziening. De Awb voorziet niet in de mogelijkheid om tweemaal beroep in te stellen tegen hetzelfde besluit met als kennelijk doel om twee in dat besluit samengevoegde en samenhangende procedures weer los van elkaar te trekken. De voorzieningenrechter verklaart het beroep met kenmerk SGR 25/8944 en het verzoek om een voorlopige voorziening met kenmerk SGR 26/372 dan ook niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Alles wat verzoeker in die procedures heeft ingebracht, zal de voorzieningenrechter uiteraard wel betrekken in de beoordeling. Beide opgelegde ambtsberichten zullen dus worden besproken. SGR 25/186 en SGR 26/373 Spoedeisend belang 6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. 6.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat de ambtsberichten onderdeel uitmaken van het personeelsdossier van verzoeker en in die zin invloed hebben op zijn rechtspositie bij Defensie. Dit laatste blijkt ook uit het feit dat verweerder verzoeker mede onder verwijzing naar de twee opgelegde ambtsberichten op 27 maart 2026 een voornemen heeft gestuurd tot intrekking van zijn verklaring van geen bezwaar. Als dit voornemen wordt omgezet in een definitief besluit, dan kan verzoeker geen vertrouwensfunctie meer vervullen bij Defensie. Te meer nu verzoeker dus al concreet nadeel ondervindt van de aan hem opgelegde ambtsberichten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Mocht verweerder beide ambtsberichten heroverwegen in één beslissing op bezwaar? 7. Anders dan verzoeker heeft betoogd, verzet artikel 7:11 van de Awb zich er niet tegen dat twee bezwaarschriften die tegen afzonderlijke besluiten zijn ingediend door het bestuursorgaan worden behandeld in één beslissing op bezwaar. Het gaat erom dat op grondslag van het bezwaarschrift een volledige heroverweging van de bestreden besluiten plaatsvindt. De voorzieningenrechter stelt in dat verband vast dat verweerder in het bestreden besluit van 4 december 2025 alle bezwaargronden heeft besproken die verzoeker tegen beide ambtsberichten heeft ingediend. Daarmee voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van artikel 7:11 van de Awb en is van een ‘schijnheroverweging’ geen sprake. Bevoegdheid 8. Op grond van artikel 28c van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) komt de bevoegdheid tot het vastleggen van een ambtsbericht toe aan de minister van Defensie. Op grond van het zesde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vorm en de wijze van indiening van ambtsberichten. De mandatering van deze bevoegdheid is vervolgens neergelegd in het Besluit toedeling uitvoerende personele bevoegdheden Defensie 2021. In de bij dat besluit behorende mandaatmatrix van de DOSCO, waar verzoeker geplaatst is, staat dat voor een militair beneden de rang van kolonel de commandant van de OPCO bevoegd is tot het vastleggen van een ambtsbericht. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat er bij Defensie in totaal vier OPCO’s zijn, te weten de Koninklijke Landmacht, de Koninklijke Marine, de Koninklijke Luchtmacht en de KMar. Het DOSCO levert ondersteunende taken en diensten aan de hele krijgsmacht en bestaat uit militairen die vallen onder de vier verschillende OPCO’s. Anders dan waar verzoeker in zijn argumentatie op dit onderdeel steeds ten onrechte van uit lijkt te gaan, is het DOSCO zelf dus geen OPCO. Nu verzoeker is aangesteld als beroepsmilitair bij het OPCO KMar, moet daarom voor de verdere mandatering van de bevoegdheid tot het vaststellen van een ambtsbericht worden gekeken in de mandaatmatrix van de KMar. Daarin staat opgenomen dat voor militairen beneden de rang van kolonel de Directeur Human Resources namens de commandant van de KMar bevoegd is tot het vaststellen van een ambtsbericht. Dat betekent dat de ambtsberichten in deze zaak door het bevoegd gezag zijn vastgesteld. 8.1. Het betoog van verzoeker dat het disciplinaire onderzoek in het kader van het tweede opgelegde ambtsbericht niet door het OPCO van de KMar mocht worden uitgevoerd, volgt de voorzieningenrechter evenmin. De procedure omtrent het melden van integriteitsschendingen en het behandelen daarvan is vastgelegd in de Aanwijzing SG-984 ‘Integriteit bij Defensie’. In paragraaf 3.3.2.3 daarvan staat beschreven dat de uitvoering van een onderzoek naar zo’n integriteitsmelding plaatsvindt volgens de Aanwijzing SG A-989 ‘Interne voorvalonderzoeken Defensie’. Voorts wordt onder paragraaf 3.4 de bijzondere positie van de KMar benoemd, het OPCO waarvan de voorzieningenrechter hiervoor al heeft vastgesteld dat verzoeker hieronder valt. Hierbij wordt aangegeven dat de KMar gezien haar opsporingsteam een eigen cluster integriteit heeft. Onder paragraaf 5.2 van de Aanwijzing SG A-989 wordt vervolgens benoemd dat een intern voorvalonderzoek binnen de KMar door de SIO van de KMar wordt gedaan. In deze zaak heeft het bevoegd gezag op 11 maart 2024 een dreigingsmelding van de Afdeling Intelligence van de KMar ontvangen, waarna op 23 april 2024 aan de SIO van de KMar de opdracht is gegeven tot het verrichten van een disciplinair onderzoek. De voorzieningenrechter stelt vast dat hiermee in overeenstemming is gehandeld met de toepasselijke SG-Aanwijzingen op dit onderdeel. Dat voor wat betreft de geldende procedure uitsluitend moet worden gekeken naar de Klachtenregeling Defensie, zoals verzoeker in dit verband heeft betoogd, volgt de voorzieningenrechter niet. Er is immers geen klacht tegen verzoeker ingediend. Rechtmatigheid van de vastgestelde ambtsberichten 9. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste ambtenarenrechter gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Verder moet het plichtsverzuim de ambtenaar zijn toe te rekenen en moet de opgelegde straf evenredig zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. 9.1. Verweerder heeft aan het eerste opgelegde ambtsbericht ten grondslag gelegd dat de StafCKMar op 10 februari 2025 het bericht ontving dat verzoeker op 7 februari 2025 een e-mail met bijlagen heeft gestuurd aan verschillende media, evenals aan verschillende afdelingen binnen Defensie en de rechtspraak. Met deze e-mail vraagt verzoeker aandacht voor zijn persoonlijke situatie. Hierbij zijn stukken meegezonden als bijlagen, die onder meer persoonsgegevens van medewerkers van de StafCKMar bevatten. Na verzending van het voornemen op 11 maart 2025 om vanwege dit feit aan verzoeker een ambtsbericht op te leggen, ontving de StafCKMar het bericht dat verzoeker diezelfde dag opnieuw een e-mail met bijlagen van dezelfde strekking had gestuurd naar dezelfde instanties, dit keer onder toevoeging van meerdere politieke partijen. In zijn beroepschrift heeft verzoeker hier tegenover gezet dat de feitenvaststelling in het betreffende ambtsbericht normatief, selectief en onvolledig is, echter legt hij niet concreet uit wat hij hiermee bedoelt. Op de vraag op zitting of hij ontkent de in het eerste ambtsbericht genoemde gedragingen te hebben begaan, heeft verzoeker verklaard dat hij hierover alleen een verklaring wil afleggen bij zijn commandant. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat beide e-mails inclusief bijlagen onderdeel uitmaken van de op deze zaak betrekking hebbende stukken en dat hierin duidelijk te zien is dat deze zijn verstuurd vanaf het e-mailadres van verzoeker. In de bijlagen bevinden zich inderdaad persoonsgegevens van verschillende medewerkers van de StafCKMar waarvan verzoeker heeft nagelaten om deze weg te lakken. De voorzieningenrechter kan gelet op dit alles dan ook niet anders dan verweerder volgen in zijn conclusie dat verzoeker met deze gedragingen de Gedragsregels Defensie, meer specifiek de regels ‘Ik heb geen direct contact met media en politici’ en ‘Ik berg vertrouwelijke informatie goed op’ heeft geschonden. Verweerder heeft verzoeker hiervoor in alle redelijkheid een ambtsbericht voor de duur van vier jaar mogen opleggen. 9.2. Aan het tweede opgelegde ambtsbericht heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de StafCKMar op 11 maart 2024 van de Afdeling Intelligence van de KMar een dreigingsmelding ontving, afkomstig van het Intelligence Knooppunt Bewaken en Beveiligen van de Landelijke Expertise en Operaties van de Nationale Politie, betreffende een intimiderend dan wel bedreigend telefoontje afkomstig van een medewerker van de KMar, gevoerd met de Directie Openbaarmaking van het ministerie van J&amp;V. Hierop is op 23 april 2024 aan de SIO de opdracht tot het verrichten van een disciplinair onderzoek gegeven. 9.3. In de stukken behorende bij het uiteindelijke onderzoeksrapport bevindt zich onder meer het verslag van het gehoor van de Woo-jurist (hierna: de getuige) waarmee verzoeker op 4 maart 2024 een telefoongesprek zou hebben gehad over een Woo-verzoek dat laatstgenoemde heeft ingediend. Blijkens het verslag van het gehoor heeft de getuige onder meer verklaard dat de betreffende persoon tijdens het gesprek onder meer heeft aangegeven “mensen te kennen die, vanuit de KMar, officieren van justitie en hooggeplaatsten bij het Openbaar Ministerie beveiligen, waaronder de heer [naam 3], voorzitter van het College van procureurs-generaal” en “ dat hij de beveiliging van de heer [naam 3] kon saboteren door de mensen die de beveiliging van de heer [naam 3] verzorgen en die hij kent, ertoe te bewegen dat zij de beveiliging van de heer [naam 3] afschalen, waarbij de gevolgen hiervan bij de heer [naam 3] terecht zouden komen.” De getuige verklaart dat de persoon aan de andere kant van de lijn opnam met de woorden “met [verzoeker]” en dat uit het gesprek bleek dat deze persoon goed op de hoogte was van het Woo-verzoek dat verzoeker had ingediend. Na het telefoongesprek heeft de getuige het telefoonnummer waarmee gebeld werd gecontroleerd in het telefoonboek en vastgesteld dat deze overeenkomt met het telefoonnummer van verzoeker. 9.4. In wat verzoeker heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen reden voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van het disciplinaire onderzoek. Zijn gronden richten zich met name tegen het proces waarmee de dreigingsmelding tot stand is gekomen. Zo stelt hij aan de orde dat de getuige pas acht maanden na het plaatsvinden van het vermeende dreigtelefoontje is gehoord, dat niet inzichtelijk is op welke wijze de leidinggevende van de getuige de melding vervolgens heeft doorgezet naar een beveiligingscoördinator en doet hij zijn beklag over het feit dat politie-informatie in het onderzoeksrapport is geanonimiseerd. Over het late horen van de getuige merkt de voorzieningenrechter op dat de hiervoor in de Aanwijzing SG-989 voorgeschreven termijn van 60 dagen inderdaad is overschreden, maar dat verweerder hiervoor een aantal plausibele verklaringen heeft gegeven. Zo moest het telecomonderzoek nog worden afgerond en is het disciplinaire onderzoek gedurende een aantal maanden stilgelegd vanwege een hieraan parallel lopende door verzoeker ingestelde klachtprocedure. Los daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat de termijnoverschrijving geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaringen. Ondanks een kritische opstelling van de verhoorders blijft de getuige consistent verklaren en weet hij de omstandigheden waaronder het dreigtelefoontje heeft plaatsgevonden gedetailleerd te beschrijven. Verzoekers betoog dat de verklaringen van de getuige tegenstrijdig zijn, heeft hij niet nader onderbouwd. Dit geldt ook voor zijn stelling dat tijdens het onderzoek ontoelaatbare druk op hem is uitgeoefend door StafCKMar-medewerkers. Ook voor wat betreft de andere door verzoeker in dit verband ingediende gronden – wat daar ook verder van moge zijn – heeft hij onvoldoende onderbouwd op welke wijze hiermee de betrouwbaarheid van de bevindingen van het disciplinaire onderzoek in twijfel kunnen worden getrokken. Verzoeker heeft gedurende het gehele proces nooit volledige openheid van zaken gegeven over of hij de ten laste gelegde gedraging al dan niet heeft begaan. De voorzieningenrechter volgt verweerder dan ook in zijn conclusie dat verzoeker met deze gedragingen de Gedragsregels Defensie, meer specifiek de regels ‘Vertrouwen’ en ‘Ik voorkom agressie en intimidatie’ heeft geschonden. Verweerder heeft verzoeker hiervoor in alle redelijkheid een ambtsbericht voor de duur van vier jaar mogen opleggen. 9.5. Anders dan verzoeker heeft betoogd, mocht verweerder bij het vaststellen van het tweede ambtsbericht de weinig constructieve houding van verzoeker meewegen. Vast staat dat hij geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen aan het disciplinaire onderzoek en dat hij zonder nader bericht niet is verschenen op de hoorzitting over de resultaten van dit onderzoek. Dit terwijl op grond van de Aanwijzing SG-989 een medewerkingsplicht op verzoeker rust. De rechtvaardiging die verzoeker hiervoor geeft, te weten dat hij alleen verantwoording schuldig is aan zijn commandant bij het DOSCO, is zoals onder rechtsoverwegingen 8-8.1 is overwegen onjuist. De op de zaak betrekking hebbende stukken 10. Verzoeker heeft betoogd dat hij onvoldoende in staat is geweest om de aan hem verweten gedragingen op juistheid te controleren omdat hij niet beschikt over alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Zo ontbreken ten aanzien van het eerste ambtsbericht interne communicatie binnen de Kmar waarop de Directeur HR&amp;BV het voornemen heeft gebaseerd, memo’s, interne notities en overlegstructuren en interne besluitvorming binnen het SIO KMar en HR Kmar. Voor zover het gaat om het tweede opgelegde ambtsbericht heeft verzoeker gewezen op memo’s, interne notities en overlegstructuren, communicatie tussen de politie, het Openbaar Ministerie en Defensie, contacten met zijn commandant en interne besluitvorming die is gevoerd binnen de SIO KMar, JuHRA KMar en P&amp;O KMar. Verder mist volgens verzoeker ook de auditieve opname van de hoorzitting in bezwaar. De voorzieningenrechter merkt hierover op dat als al vast zou staan dat deze door verzoeker genoemde stukken behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze dusdanig van belang zijn voor de vraag of de ambtsberichten rechtmatig zijn opgelegd dat hij door het niet kunnen kennisnemen hiervan in zijn belangen is geschaad. Ook dit betoog slaagt dus niet. Conclusie en gevolgen 11. Gelet op het voorgaande is het beroep met kenmerk SGR 25/8944 en de voorlopige voorziening met kenmerk SGR 26/372 niet-ontvankelijk. Het beroep met kenmerk SGR 26/186 is ongegrond. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding om in de zaak met kenmerk SGR 26/373 een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep met kenmerk SGR 25/8944 niet-ontvankelijk; - verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening met kenmerk SGR 26/372 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep met kenmerk SGR 26/186 ongegrond; - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met kenmerk SGR 26/373 af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026. griffier *de voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op de beroepen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Conform artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is volgens verzoeker in strijd met artikel 7:11 van de Awb. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997. Zie de uitspraak van de Raad van 3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3053.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354226 · 2026-09-24
