Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:8384 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 20-08-2026 (AMS 26/4035)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Vovo hangende bezwaar afgewezen. Verzoeker heeft een klacht ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) over AVG-schendingen door Meta, waarvoor de Ierse Data Protection Commission (DPC) als leidende toezichthoudende autoriteit geldt. De AP heeft aan verzoeker doorgestuurd een brief van de DPC met het verzoek om t.b.v. de klacht meer informatie aan te leveren over verzoekers Meta-accounts, bij uitblijven waarvan de DPC eisers klacht als ‘withdrawn’ zal beschouwen en het dossier zal sluiten. N.a.v. van deze brief heeft verzoeker bij de AP een aanvraag ingediend en o.a. verzocht om gebruik te maken van haar bevoegdheid om een relevant en gemotiveerd bezwaar in te dienen tegen de brief van de DPC en de DPC te informeren dat geen eindbeslissing kan worden genomen op de klacht zolang de AP dit bezwaar niet heeft ingediend. De AP heeft deze aanvraag grotendeels afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van spoedeisend belang, omdat zij vooralsnog, gelet op de systematiek van de AVG en de toezegging van de AP, geen grond ziet dat de vrees van verzoeker dat zijn klacht als het ware verdwijnt waardoor er geen appellabel besluit wordt genomen, gerechtvaardigd is.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 26/4035 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2026 in de zaak tussen [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker, en de Autoriteit Persoonsgegevens, de AP (gemachtigde: mrs. J.M.A. Koster en C. Bekkers). Procesverloop 1.1. Verzoeker heeft op 9 november 2023 een klacht ingediend bij de AP tegen [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) over structurele schendingen van de AVG . De klacht ziet in het bijzonder op [bedrijf]’s zogenoemde ‘pay or consent’- constructie: bij het inloggen op zijn Instagram- en Facebook-accounts werd verzoeker eind 2023 onaangekondigd gedwongen te kiezen tussen betaling van een geldbedrag of het geven van toestemming voor tracking, profilering en gepersonaliseerde advertenties. Deze toestemming moet hij op grond van de AVG vrijelijk kunnen geven én weigeren, aldus verzoeker. Sinds eind 2023 kan verzoeker daardoor geen gebruik meer maken van de diensten die hij sinds 2007 van [bedrijf] afneemt. Omdat [bedrijf] gevestigd is in Ierland, geldt de Ierse Data Protection Commission (hierna: DPC) als leidende toezichthoudende autoriteit voor de behandeling van de klacht. 1.2. Op 19 februari 2026 heeft de AP verzoeker een brief van de DPC van 23 januari 2026 doorgestuurd. In deze brief staat onder meer dat de DPC niet beschikt over voldoende informatie om de klacht te kunnen beoordelen en dat zij daarvoor nog vereist: i) de Facebook- en Instagram-account-URL’s, en ii) de identificatoren van deze accounts (bijbehorend e-mailadres, telefoonnummer en gebruikersnaam/ ‘handle’). Tot slot staat in de brief: " The DPC would appreciate if you could respond within one month of the date of this letter, or we will consider this complaint withdrawn and close our file ." 1.3. In reactie op de brief van 19 februari 2026 heeft verzoeker op 3 maart 2026 een aanvraag ingediend en de AP – samengevat en voor zover van belang voor de beoordeling van deze voorlopige voorziening – verzocht om gebruik te maken van haar bevoegdheid om een relevant en gemotiveerd bezwaar in te dienen tegen de brief van de DPC, die verzoeker aanmerkt als ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 60 van de AVG (onderdeel a). Verder dient de AP de DPC te informeren dat geen eindbeslissing kan worden genomen op de klacht zolang de AP geen bezwaar heeft ingediend (onderdeel d). 1.4. Bij brief van 15 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de AP de aanvraag grotendeels afgewezen. Ten aanzien van onderdeel a van zijn aanvraag heeft de AP geconcludeerd dat het voor haar (nog) niet mogelijk is om een relevant en gemotiveerd bezwaar in te dienen bij de DPC. Met de brief van de DPC is namelijk (nog) geen sprake van een ontwerpbesluit, deze brief diende enkel ter informatie en bevatte een verzoek om aanvullende informatie. Voor wat betreft onderdeel d, heeft de AP de DPC verzocht om een (eventueel) ontwerpbesluit aan te houden. Omdat de termijn in de brief van DPC inmiddels was verstreken, heeft de AP verzoeker een nieuwe termijn geboden van twee weken om uiterlijk op 29 april 2026 te reageren op de in de brief van de DPC gestelde vragen. Indien verzoeker niet voor die datum reageert, zal de DPC de klacht niet verder oppakken en wordt het dossier gesloten. 1.5. Verzoeker heeft op 27 mei 2026 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Op 6 juli 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.6. De AP heeft op het verzoek gereageerd op 3 en 5 augustus 2026. 1.7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van de AP. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Onverwijlde spoed 3. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Onverwijlde spoed wil in dit geval zeggen dat er onomkeerbare gevolgen kunnen intreden waardoor het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. 4. Verzoeker stelt dat de brief van de DPC van 23 januari 2026 een aangezegd rechtsgevolg bevat, namelijk dat de DPC zijn klacht als ingetrokken beschouwd en die als het ware verdwijnt, het dossier wordt gesloten en er geen appellabel besluit wordt genomen. Hij verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat die onomkeerbare situatie hangende de bezwaarprocedure zich zal voordoen. Volgens verzoeker is sprake van onverwijlde spoed, omdat zijn klacht op elk moment onrechtmatig kan worden afgedaan als ‘ingetrokken’. De verlengde reactietermijn op de brief van de DPC is immers reeds verstreken. 5. De voorzieningenrechter ziet, onder de gegeven omstandigheden, vooralsnog geen grond dat de vrees van verzoeker dat zijn klacht als het ware verdwijnt waardoor er geen appellabel besluit wordt genomen, gerechtvaardigd is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De AP stelt dat de opmerking van de DPC dat de klacht van verzoeker bij het uitblijven van zijn reactie op de brief van 23 januari 2026 als ingetrokken zal worden beschouwd, begrepen moet worden in het licht van artikel 60, achtste lid, van de AVG en dat er geen andere wijze van afdoening is bedoeld. Op grond van deze bepaling stelt, in geval een klacht wordt afgewezen of verworpen, de toezichthoudende autoriteit het besluit daartoe vast en deelt zij dit mee aan de klager. Hoewel verzoeker kan worden nagegeven dat de bewoordingen van DPC in eerste instantie op een andere wijze van afdoening lijken te duiden, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen grond om deze uitleg van de opmerking van DPC onjuist te achten. Een klacht als ingetrokken beschouwen omdat geen of niet tijdig informatie is verstrekt, zonder dat daarop een besluit wordt genomen, past ook niet in de systematiek van artikel 60 AVG. Gelet hierop en omdat de AP op de zitting, in reactie op het verzoek van verzoeker daartoe, uitdrukkelijk de toezegging aan verzoeker heeft gedaan dat er hoe dan ook een appellabel besluit op zijn klacht zal worden genomen, is de voorzieningenrechter op voorhand niet ervan overtuigd dat zich onomkeerbare gevolgen zullen voordoen waardoor het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. 6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een vergoeding van het griffierecht of proceskostenveroordeling bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Galjee-Melehi, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Algemene Verordening Gegevensbescherming. Op grond van artikel 56, eerste lid, van de AVG.