Rechtbank Den Haag, 30-06-2025 (SGR 24/9006)
Verzoek tot wijziging persoonsgegevens in BRP - vw hoefde gegevens uit overgelegde brondocumenten niet over te nemen - verwantschapsonderzoek maakt dit niet anders - hoorplicht niet geschonden - beroep ongegrond.
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/9006 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A. Orhan), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg , verweerder (gemachtigde: mr. C.H. Norde). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp). 1.1. Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 8 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij die afwijzing gebleven. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 2. Eiser is op 15 augustus 2003 ingeschreven in de (toenmalige) gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op grond van een verklaring onder ede. Hij heeft verklaard te zijn: [voornaam] [geslachtsnaam 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1975 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ). Op 1 oktober 2015 zijn de persoonsgegevens van eiser op zijn verzoek gewijzigd in [voornamen] [geslachtsnaam 2] , geboren op [geboortedatum 1] 1975 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ). Hierbij heeft hij een Iraaks paspoort overgelegd. 2.1. Eiser heeft op 26 april 2023 opnieuw een verzoek ingediend voor het wijzigen van zijn persoonsgegevens in de brp. Bij besluit van 1 mei 2023 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. 2.2. Op 22 september 2023 heeft eiser wederom verzocht om zijn persoonsgegevens in de brp te wijzigen. Hij wenst zijn naam te wijzigen van ‘ [voornamen] [geslachtsnaam 2] ’ naar ‘ [naam] ’ en zijn geboortedatum van ‘ [geboortedatum 1] 1975’ naar ‘ [geboortedatum 2] 1976’. Eiser heeft bij zijn verzoek drie documenten overgelegd, te weten: een uittreksel uit het geboorteregister op naam van [naam] , nummer [nummer 1] , afgegeven op 8 mei 1978 in [plaats] , [geboorteland]; een verklaring van de Iraakse ambassade in Den Haag, afgegeven op 3 januari 2018, nummer 6-9-9, waarin de echtheid van het uittreksel uit het geboorteregister wordt bevestigd; een Iraaks paspoort op naam van [naam] , nummer [nummer 2] , afgegeven op 19 november 2018 in [plaats] , Irak. 2.3. Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft de door eiser overgelegde documenten onderzocht. Zij heeft geconcludeerd dat de documenten (met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) echt zijn. 2.4. Bij besluit van 8 april 2024 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Volgens verweerder kunnen het uittreksel uit het geboorteregister en de verklaring van de Iraakse ambassade niet als brondocumenten worden aangemerkt, aangezien niet kan worden vastgesteld dat de documenten inhoudelijk juist zijn. Het Iraakse paspoort kan wel worden aangemerkt als brondocument. Verweerder stelt echter dat hij hieraan geen gegevens kan ontlenen voor in de brp, omdat de Nederlandse openbare orde zich daartegen verzet. Volgens verweerder heeft er voorafgaand aan de afgifte van het brondocument kennelijk geen behoorlijk onderzoek plaatsgevonden. Daardoor heeft hij sterke twijfels bij de wijze waarop eiser het paspoort heeft verkregen. Met het bestreden besluit is verweerder hierbij gebleven. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser betoogt – kort gezegd – dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door eiser overgelegde documenten niet beschouwd kunnen worden als brondocumenten. Daarbij wijst hij op het feit dat deze documenten echt zijn bevonden door Bureau Documenten. Daarnaast heeft eiser in bezwaar een verwantschapsonderzoek overgelegd waaruit blijkt dat hij een zus heeft met een identiteit die aansluit bij de identiteit waarmee eiser in de brp wil worden opgenomen. Eiser betwist de conclusies van Bureau Documenten niet en acht contra-expertise dan ook onnodig. Op de zitting heeft eiser zich nog op het standpunt gesteld dat de hoorplicht zou zijn geschonden. Wat zijn de regels? 4. De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De rechtbank licht hierna het juridisch kader nader toe. 4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet voorop worden gesteld dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens over de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever in artikel 2.8 van de Wet brp een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Het bewijs dat eenmaal in de brp opgenomen gegevens onjuist zijn, kan alleen worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. 4.2. Voor het antwoord op de vraag of brondocumenten kunnen leiden tot wijziging van de gegevens in de brp heeft de Afdeling de volgende maatstaf gegeven. Beoordeeld moet worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Om tot die beoordeling te komen heeft de Afdeling bepaald dat eerst de vraag beantwoord moet worden of de verzoeker brondocumenten heeft overgelegd die voldoen aan de eisen uit artikel, 2.8, tweede lid, van de Wet brp. Pas wanneer die vraag bevestigend beantwoord kan worden, wordt toegekomen aan de vraag of het verband tussen de verzoeker en de persoonsgegevens in de documenten kan worden gelegd. Bij positieve beantwoording van deze vragen zal vervolgens worden beoordeeld of aan de toetsingsmaatstaf is voldaan zoals hiervoor gemeld. Is dat het geval, dan worden de betreffende gegevens in de brp gewijzigd. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek van eiser tot wijziging van zijn persoonsgegevens in de brp. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden. 6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Verweerder heeft het verzoek van eiser op goede gronden afgewezen en dit voldoende gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het paspoort 7. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat het door eiser overgelegde Iraakse paspoort echt is. Niet in geschil is dat het paspoort een brondocument is als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. De vraag die aan de rechtbank voorligt is welke bewijskracht aan het paspoort toekomt. 7.1. Dat het Iraakse paspoort een brondocument is, betekent niet dat verweerder de daarin vermelde gegevens zonder meer moet verwerken in de brp. Het verwerken van deze gegevens in de brp moet worden geweigerd wanneer de Nederlandse openbare orde zich daartegen verzet. Van strijd met de openbare orde kan sprake zijn als voorafgaand aan de afgifte van het brondocument kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de identiteit van de aanvrager. Dit geldt ook als het door de aanvrager overgelegde document een paspoort is. Wel geldt dat in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door de bevoegde autoriteiten afgegeven paspoort moet worden uitgegaan. 7.2. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat ook in dit geval moet worden uitgegaan van het uitgangspunt dat de gegevens in het paspoort juist zijn. Verweerder heeft concrete aanwijzingen aangevoerd op basis waarvan betwijfeld kan worden dat het onderzoek voor afgifte behoorlijk heeft plaatsgevonden. Verweerder wijst erop dat volgens het Algemene Ambtsbericht Irak van 2019 een paspoort in persoon moet worden aangevraagd bij het directoraat paspoorten en ook in persoon moet worden opgehaald. Daarnaast moet voor het kunnen doen van een paspoortaanvraag een nationale kaart worden overgelegd. Eiser heeft sinds 7 november 2015 een verblijfsvergunning ‘regulier onbepaalde tijd’. In zijn vreemdelingenpaspoort – dat is afgegeven op 22 oktober 2018 – staat vermeld dat deze niet geldig is voor Irak. Hieruit volgt dat eiser geen geldig reisdocument bezit om naar Irak te kunnen reizen. Eiser stelt dat hij toestemming heeft gekregen van de IND om naar Irak te reizen in verband met het overlijden van zijn zwager. Toen hij in Irak was heeft hij zijn paspoort aangevraagd. Eiser heeft dit echter niet met stukken of anderszins onderbouwd. Daarnaast wijst verweerder erop dat eiser geen eerdere paspoorten op naam van [naam] zou hebben, terwijl voor de aanvraag van een paspoort een nationale kaart nodig is. Ook merkt verweerder op dat het vreemd is dat eiser twee echt bevonden paspoorten met verschillende persoonsgegevens heeft overgelegd, die allebei op zijn persoon zouden zien. 7.3. Eiser heeft ter zitting betoogd dat hij, anders dan verweerder stelt, wel naar Irak heeft kunnen reizen om daar een paspoort aan te vragen. Volgens eiser betekent de tekst ‘uitgezonderd Irak’ op zijn vreemdelingenpaspoort niet zozeer dat het reisdocument niet geldig is voor Irak, maar dat eiser wanneer hij naar Irak reist geen hulp van Nederland hoeft te verwachten als er iets misgaat. Eiser heeft ook geen toestemming van de IND nodig om naar Irak te reizen. Dit zou volgens eiser bij verweerder bekend moeten zijn. Eiser stelde voor om tijdens de behandeling van de zaak op zitting de IND te bellen en bij hen navraag te doen. Daarnaast zou eiser in zijn paspoort diverse stempels hebben als bewijs van zijn reizen naar Irak. Een kopie hiervan is echter niet aan de rechtbank overgelegd. 7.4. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser deze grond eerder al naar voren had kunnen brengen en verweerder op dit moment niet in staat is om daar adequaat op te reageren. Hij heeft de rechtbank verzocht deze nieuwe grond wegens strijd met goede procesorde buiten beschouwing te laten. 7.5. In reactie hierop gaf eiser aan dat hetgeen door hem ter zitting is aangevoerd met betrekking tot het reizen naar Irak, moet worden gezien als aanvulling van de gronden in reactie op het verweerschrift. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Niet aannemelijk is geworden dat eiser deze grond niet eerder heeft kunnen indienen. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser in zijn zienswijze van 6 februari 2024 – overigens zonder enige onderbouwing – heeft gesteld dat hij van de IND speciale toestemming had gekregen om naar Irak te reizen vanwege het overlijden van zijn zwager. In het primaire besluit van 8 april 2024 heeft verweerder daar gemotiveerd op gereageerd. In de daaropvolgende bezwaar- en beroepsprocedure heeft eiser hier geen grond(en) aan gewijd, terwijl het niet naar Irak kunnen reizen hem in zowel het primaire als het bestreden besluit door verweerder is tegengeworpen. Sterker nog, in het beroepschrift heeft eiser ten aanzien van het reizen naar Irak enkel gesteld dat verweerder ‘zijn boekje te buiten gaat’ door de herkomst van het paspoort als argument te gebruiken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser deze grond te laat en in strijd met de goede procesorde heeft ingebracht. De rechtbank zal deze grond derhalve buiten beschouwing laten. 7.6. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er twijfels bestaan over de deugdelijkheid van het onderzoek voorafgaand aan de afgifte van het paspoort en dat eiser daar onvoldoende tegenin heeft gebracht. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om de gegevens uit het paspoort niet over te nemen in de brp. Uittreksel uit het geboorteregister en de verklaring van de Iraakse ambassade 8. Uit het onderzoek van Bureau Documenten volgt dat het uittreksel uit het geboorteregister en de verklaring van de Iraakse ambassade echt zijn, maar dat betekent niet dat de inhoud daarvan ook juist is. Uit de Vakbijlage Bureau Documenten blijkt dat Bureau Documenten de authenticiteit op drie punten vaststelt, namelijk echtheid, opmaak en afgifte en inhoud. Met ‘echt’ bedoelt Bureau Documenten de technische echtheid van het document, met ‘opmaak en afgifte’ bedoelt zij op de variabele gegevens en autorisaties op de juiste wijze zijn aangebracht en of het echte en juiste autorisaties zijn en met ‘inhoud’ bedoelt zij de juistheid van de feitelijke inhoud. 8.1. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat het uittreksel uit het geboorteregister als brondocument als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, van de Wet brp kan worden aangemerkt. Verweerder wijst erop dat Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat het document echt is, maar geen uitspraak kan worden gedaan met betrekking tot de opmaak en afgifte van het document door een daartoe bevoegde instantie of de juistheid van de inhoud. Daarnaast wordt in het uittreksel verwezen naar het originele geboortecertificaat met nummer 626/1987, maar dat is niet door eiser overgelegd. Ook staat in het uittreksel als naam van zijn moeder de naam [naam moeder 1] vermeld, terwijl in een uittreksel en paspoort dat eiser in een eerdere procedure aan verweerder heeft overgelegd de naam [naam moeder 2] staat. Over het verschil in namen heeft eiser op zitting voor het eerst verklaard dat de naam van zijn moeder eerder verkeerd zou zijn vertaald vanuit het Arabisch. Hij heeft echter geen stukken kunnen overleggen waaruit volgt dat de huidige vertaling de juiste is en werkelijk de naam van zijn moeder is. 8.2. Ook ten aanzien van de verklaring van de ambassade heeft verweerder gemotiveerd betwist dat de verklaring als brondocument als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp kan worden aangemerkt. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat de verklaring met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid echt is en door de bevoegde instantie is opgemaakt en afgegeven. Echter kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk ook juist is. Verweerder betwist niet dat de Iraakse ambassade het uittreksel uit het geboorteregister heeft gelegaliseerd. Dat bewijst echter niet dat de inhoud van het document (en daarmee de inhoud van het uittreksel uit het geboorteregister) juist is. Verweerder meent om die reden dat de verklaring niet kan worden aangemerkt als brondocument. 8.3. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande niet buiten redelijke twijfel uit de door eiser overgelegde (bron)documenten volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens, juist zijn. Verweerder heeft dan ook terecht het verzoek tot wijziging van de persoonsgegevens in de brp afgewezen. Verwantschapsonderzoek 9. De rechtbank komt niet toe aan hetgeen eiser naar voren heeft gebracht met betrekking tot het door hem overgelegde verwantschapsonderzoek. De uitkomsten van een dergelijk onderzoek hebben namelijk een ten opzichte van de gegevens uit brondocumenten aanvullend karakter en kunnen deze daarom niet geheel vervangen. Hoorplicht 10. Van schending van de hoorplicht is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verweerder heeft op verzoek van eiser een hoorzitting gepland op 22 augustus 2024 en eiser en zijn gemachtigde daarvoor uitgenodigd. Eiser en zijn gemachtigde zijn echter – zonder voorafgaande kennisgeving – niet verschenen op de hoorzitting. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet kan worden verweten dat eiser niet is gehoord in bezwaar. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2025. * griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen. rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Wet basisregistratie personen Artikel 2.58, eerste lid bepaalt dat het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, de aan te brengen wijzigingen bevat. Artikel 2.55, vierde lid bepaalt dat het college zorg draagt voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. Artikel 2.8, tweede lid bepaalt dat de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, worden ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e: een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand; een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan; een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld; n verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend. Artikel 2.10, tweede lid, bepaalt dat aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, geen gegevens worden ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten. Op grond van artikel 2.58 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). Verklaring van onderzoek van 14 augustus 2019. Artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:127. Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 126. Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1300 en ECLI:NL:RVS:2022:1198. Dit volgt uit artikel 2.10, tweede lid, van de Wet brp. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:121. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:228.