Rechtbank Den Haag, 31-03-2026 (SGR 24/8760)
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo (bescherming van de internationale betrekkingen) toepassen. Ook mocht verweerder het belang van het goed functioneren van de Staat zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarmaking. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers SGR 24/8760 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser en de minister van Defensie, verweerder (gemachtigden: mr. L.D. Glabus en mr A.W. van der Stoel). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder op het verzoek van eiser om documenten openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). 1.1. Verweerder heeft met het besluit van 21 december 2023 eisers Woo-verzoek niet in behandeling genomen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding van eisers bezwaar is hij op 4 april 2024 gehoord door de Commissie Advisering Bezwaarschriften Defensie (hierna: de commissie). Op 26 april 2024 heeft een preciseringsgesprek plaatsgevonden. Op 8 mei 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld, omdat hij nog niet had beslist op zijn bezwaar. Op 23 mei 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Dit beroep is op 12 september 2024 gegrond verklaard. Op 25 oktober 2024 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. 1.2. Verweerder heeft met de beslissing op het bezwaar van 19 december 2024 (het bestreden besluit) alsnog een besluit genomen op het Woo-verzoek van eiser. 1.3. Eiser is het niet eens met dit besluit, waardoor het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit. 1.4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. Verweerder heeft ten aanzien van een aantal stukken gesteld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van deze stukken. De rechtbank heeft van rechtswege toestemming om deze stukken in te zien. De rechtbank heeft de vertrouwelijke stukken ingezien bij verweerder. 1.6. De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep met zaaknummer SGR 24/9385, op de zitting van 28 augustus 2025 behandeld. De rechtbank doet in de zaak met zaaknummer SGR 24/9385 afzonderlijk uitspraak. 1.7. De rechtbank heeft bij beslissing van 5 september 2025 het onderzoek in beide zaken heropend om eiser in de gelegenheid te stellen zijn beroep op betalingsonmacht alsnog te onderbouwen. Eiser heeft hiervan gebruik gemaakt, waarna de rechtbank het beroep op betalingsonmacht voorlopig heeft toegewezen. 1.8. Eiser heeft op 21 oktober 2025 aangegeven dat hij opnieuw op zitting wil worden gehoord. Daarbij heeft eiser een nieuw stuk overgelegd met een aanvullende toelichting op zijn eerder ingenomen beroepsgronden en een nieuwe beroepsgrond. Bij brief van 22 januari 2026 heeft de rechtbank aangegeven dat het op een nieuwe zitting alleen kan gaan over de betalingsonmacht waarop eiser zich heeft beroepen en dat zij het stuk van 21 oktober 2025 en de verdere reacties daarvan van partijen buiten beschouwing laat. 1.9. De rechtbank heeft de beroepen op 9 maart 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen eiser deelgenomen. Verweerder heeft de rechtbank bericht niet bij de zitting aanwezig te zijn. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser heeft op 15 november 2023 een Woo-verzoekingediend bij verweerder. Het verzoek ziet op alle informatie die over het conflict in Israël en de Palestijnse Gebieden gaat alsmede over de defensiesamenwerking met Israël. Eiser heeft hierbij 83 deelonderwerpen genoemd waarover hij informatie wenst. Wat heeft verweerder besloten? 3. Verweerder heeft na specificering van het Woo-verzoek in bezwaar alsnog een zoekslag verricht, waarbij 80 documenten zijn aangetroffen. Een deel hiervan is al openbaar, waardoor de Woo hierop niet van toepassing is. Verweerder heeft één document volledig openbaar gemaakt. Verweerder heeft 46 documenten in zijn geheel geweigerd. De overige documenten heeft verweerder gedeeltelijk onleesbaar gemaakt ter bescherming van de diplomatieke betrekkingen van Nederland , de veiligheid van de staat , de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen , andere dan vertrouwelijke aan de overheid verstrekte concurrentie gevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens , de economische of financiële belangen van de staat , het goed functioneren van de staat en persoonlijke beleidsopvattingen in een document voor intern beraad. Wat vindt eiser in beroep? 4. Verweerder heeft ten onrechte toepassing gegeven aan de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo en deze toepassing ondeugdelijk gemotiveerd. 4.1. Er is geen reden om standpunten onleesbaar te maken van vertegenwoordigers van andere landen, als die standpunten al eerder naar buiten zijn gebracht en algemeen bekend zijn. Dat tast het diplomatieke verkeer niet aan. 4.2. Uit artikel 10 van het EVRM volgt dat verweerder verplicht is informatie openbaar te maken en dat het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van de internationale betrekkingen. 4.3. Voor zover het om andere standpunten gaat, kan de afscherming daarvan alleen worden gerechtvaardigd als de betrokken staten te kennen hebben gegeven die informatie vertrouwelijk te willen houden en anders ernstig nadeel dreigt. Verweerder heeft dergelijk nadeel niet aannemelijk gemaakt en ook niet afgewogen tegen het belang bij openbaarheid. 4.4. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte toepassing gegeven aan de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo en deze toepassing ondeugdelijk gemotiveerd. 4.5. Informatie met betrekking tot de ministerraad is integraal geweigerd omwille van het goed functioneren van de Staat, zonder inhoudelijke belangenafweging. Dat miskent het relatieve karakter van deze uitzonderingsgrond, schendt artikel 10 van het EVRM en is bovendien in strijd met artikel 110 van de Grondwet. Anders dan verweerder veronderstelt, noodzaakt artikel 26 van het Reglement van orde voor de ministerraad niet tot geheimhouding. Redelijke vrees voor verwarring over het kabinetsbeleid kan er niet zijn en het gevaar dat regeringsleden tegen elkaar worden uitgespeeld, is er evenmin. Ook is er onvoldoende reden tot bezorgdheid voor de onbevangenheid van ambtenaren. 4.6. Concepten zijn integraal geweigerd op basis van een generieke overweging over de onwenselijkheid van een publiek debat over ‘onrijpe’ stukken en over zaken waarover geen uitspraken zijn gedaan. Hiermee geeft verweerder een te ruime toepassing aan deze weigeringsgrond en miskent hij de bedoelingen van de wetgever. Zoals ook volgt uit de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2024 , is transparantie daarover juist van belang om openheid te geven over de keuzes die aan beleidsafwegingen en beleidsuitvoering ten grondslag liggen. 4.7. Bovendien is de bijdrage aan het publieke debat volgens vaste Europese rechtspraak over artikel 10 EVRM, een reden om informatie juist wel openbaar te maken. Het goed functioneren van de overheid is namelijk gebaat bij een krachtig debat door een geïnformeerd publiek. 4.8. De uitzonderingsgronden worden door verweerder misbruikt, in strijd met artikel 3:3 van de Awb. Ook getuigt de besluitvorming van een beleidsmatige weigerachtigheid. Daarnaast is de weigering informatie openbaar te maken tegenstrijdig met eerdere beslissingen over dezelfde aangelegenheid waarop het Woo-verzoek betrekking heeft; hiermee handelt verweerder dus ook in strijd met het verbod van willekeur. 4.9. Verweerder heeft het advies van de commissie ten onrechte pas bij het bestreden besluit verstrekt. Wat is het oordeel van de rechtbank 5. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het overgelegde formulier en de overgelegde stukken is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen. Omvang van het geschil 6. De rechtbank moet in deze procedure uitsluitend beoordelen of verweerder op juiste wijze op het Woo-verzoek heeft beslist. 6.1. Wat eiser heeft aangevoerd over de Algemene Verordening Gegevensbescherming, valt buiten de omvang van dit geding. De rechtbank laat deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing. 6.2. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft ingediend tegen de door verweerder toegepaste weigeringsgronden ter bescherming van de veiligheid van de staat, de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen, andere dan vertrouwelijke aan de overheid verstrekte concurrentie gevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens en de economische of financiële belangen van de staat. Heeft eiser nog (proces)belang bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit? 7. Eiser wilde met het beroep niet tijdig beslissen bereiken dat verweerder zou beslissen op zijn bezwaar. Verweerder heeft dit inmiddels gedaan met het besluit van 19 december 2024. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarom geen belang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank over zijn beroep niet tijdig beslissen. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk. 7.1. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij geheel aan het beroep wordt tegemoetgekomen. Aangezien eiser beroepsgronden tegen het bestreden besluit heeft ingediend, kan worden vastgesteld dat verweerder met dit besluit niet tegemoet is gekomen aan het beroep van eiser. Mocht verweerder openbaarmaking weigeren vanwege de internationale betrekkingen? 8. Verweerder heeft een aantal documenten met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo gedeeltelijk dan wel in zijn geheel niet openbaar gemaakt. Het openbaren van de inhoud van deze documenten zou volgens verweerder de noodzakelijke vertrouwelijkheid en effectiviteit van het diplomatieke verkeer en bilateraal overleg ondermijnen. Ook zou het openbaar maken ertoe kunnen leiden dat andere landen in de toekomst weigeren om informatie in vertrouwelijkheid met Nederland te delen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belang van de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. 8.1. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo toepassen ter bescherming van de internationale betrekkingen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. 8.2. Het openbaar maken van informatie blijft achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties. Dit is een relatieve weigeringsgrond, wat betekent dat verweerder een afweging moet maken tussen het algemeen belang van openbaarmaking en het belang dat beschermd wordt door de weigeringsgrond. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt met deze weigeringsgrond beoogd te voorkomen dat de wettelijke plicht tot het verstrekken van informatie tot gevolg heeft dat de Nederlandse internationale betrekkingen schade zouden kunnen lijden. Voor toepassing van deze bepaling is voldoende dat als gevolg van het verschaffen van informatie valt te voorzien dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig. Deze concreetheid kan eruit bestaan dat aan Nederland uitdrukkelijk te verstaan is gegeven dat op de vertrouwelijkheid van de desbetreffende documenten wordt gerekend. Ook uit de aard en inhoud van de gevraagde informatie zelf kan volgen dat die voor een andere staat of internationale organisatie vertrouwelijk is. Anders dan eiser betoogt, is niet vereist dat sprake is van ernstig nadeel. Dit begrip is tijdens de totstandkoming van de Woo uit de wettekst geschrapt. Daaruit blijkt zonder meer dat de wetgever een dergelijke voorwaarde niet heeft beoogd te stellen. 8.3. De rechtbank heeft de vertrouwelijke stukken ingezien bij verweerder. Het gaat om documenten waarin gesprekken (dan wel voorbereidingen daarvan) zijn weergegeven die de Nederlandse overheid heeft gevoerd met de Israëlische autoriteiten en ander diplomatiek verkeer, zoals de standpunten die andere landen hebben ingenomen ten opzichte van het conflict of de levering van militair materiaal. Ook ten aanzien van deze gesprekken en de daarin gedeelde visies, uitlatingen dan wel meningen geldt dat zij onderdeel uitmaken van de diplomatieke dialoog. Uit de aard en de inhoud van deze documenten dan wel de omstandigheden waaronder deze informatie is verkregen volgt de vertrouwelijkheid ervan. 8.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de aard en inhoud van deze documenten, het belang van de betrekkingen met andere staten zwaarder mocht laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Verweerder heeft dit goed gemotiveerd en blijk gegeven van een zorgvuldige afweging van de in aanmerking te nemen belangen. 8.5. Of de strekking van bepaalde standpunten al bekend is, acht de rechtbank niet doorslaggevend. Partijen waarmee Nederland diplomatiek verkeer onderhoudt en die daarin standpunten uiten in zeer gevoelige en zwaarwegende kwesties, moeten zelf kunnen bepalen of daaraan (nadere) openbaarheid wordt gegeven. Om dat verkeer zoveel mogelijk ongeschonden te houden, is hun vertrouwen dat de Nederlandse overheid dit respecteert van groot belang. 8.6. Het belang van transparant overheidsoptreden en een recht op toegang tot informatie, komt ook tot uitdrukking in rechtspraak over artikel 10 van het EVRM evenals in andere internationale en nationale rechtsbronnen. Daarin ligt echter geen argument besloten, om bij toepassing van de Woo minder zwaar te hechten aan het belang van ongeschonden diplomatieke betrekkingen. De door eiser gesignaleerde ontwikkeling, van toenemende openheid over internationale betrekkingen, heeft in dit geval geen concrete betekenis voor de afweging die op grond van de Woo moet worden gemaakt. Daarbij is er geen grond voor het standpunt van eiser dat artikel 10 van het EVRM in dit geval een verdergaande verplichting tot openbaarmaking meebrengt dan uit de Woo voortvloeit. Het tweede lid, van het artikel laat de nationale overheid de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het openbaar maken van informatie. De weigeringsgronden in de Woo voorzien in legitieme beperkingen, die door de wetgever noodzakelijk zijn geacht in een democratische samenleving. In zeer bijzondere en specifieke situaties, kan er reden zijn om de wettelijke beperking niet gerechtvaardigd te achten. Het is aan eiser om dergelijke omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken. Dat heeft hij niet gedaan. Eiser baseert zich op algemene gezichtspunten over de verhouding tussen de openbaarmakingsverplichting uit de Woo en artikel 10 van het EVRM. Daarbij heeft hij geen concrete argumenten aangevoerd die ertoe moeten leiden dat van de Woo moet worden afgeweken. Eisers beroep op artikel 10 van het EVRM leidt daarom niet tot een ander oordeel. 8.7. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat verweerder de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo als een automatisme heeft gehanteerd. Uit de motivering van het bestreden besluit en de daarop gegeven toelichting in het verweerschrift, valt op te maken dat het belang bij het beschermen van de diplomatieke betrekkingen per relevante passage is afgewogen tegen het belang van transparant en controleerbaar overheidshandelen. 8.8. Eisers verwijzingen naar openbaarmakingsregimes in de wetgevingen van andere landen en andere internationale instrumenten, treffen ook geen doel. Voor zover uit die bronnen een algemeen recht op toegang tot overheidsinformatie voortvloeit, geldt onverminderd dat het toetsingskader van de Woo in deze zaak leidend is. Eiser heeft niet voldoende onderbouwd, waarom de Woo op basis van die bronnen zou moeten wijken, of een andere uitleg zou moeten krijgen dan door verweerder is gegeven. Mocht verweerder openbaarmaking weigeren vanwege het goed functioneren van de Staat? Informatie over de inhoud van ministerraadsoverleg 9. Verweerder heeft een aantal documenten met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo gedeeltelijk dan wel in zijn geheel niet openbaar gemaakt, omdat het gaat om de inhoud van wat is besproken in de ministerraad. Volgens verweerder is dit nodig om te voorkomen dat bewindspersonen worden belemmerd in het uitwisselen van argumenten; daarnaast zou openbaarmaking de eenheid van het kabinetsbeleid kunnen schaden. Een deel van deze documenten heeft verweerder ook niet openbaar gemaakt, omdat deze documenten persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. 9.1. In het Reglement van orde voor de ministerraad is de werkwijze van de raad vastgelegd. Op grond van artikel 26, eerste lid, van dat reglement, geldt een geheimhoudingsplicht voor alle zaken die in de ministerraad worden besproken. Deze waarborg voor de vertrouwelijkheid van al wat in de ministerraad aan de orde komt, is gelegen in de opdracht aan de raad om de eenheid van het regeringsbeleid te bevorderen. De kans bestaat immers, dat bekendwording van individuele standpunten van bewindspersonen daaraan afbreuk doet. 9.2. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder deze weigeringsgrond toepassen ter bescherming van het goed functioneren van de Staat, meer in het bijzonder de ministerraad. Verweerder heeft toereikend uitgelegd dat de ministerraad met één mond wordt geacht te spreken over een onderwerp waarover in de ministerraad een besluit is genomen. Het openbaar maken van de opvattingen van individuele bewindspersonen kan de eenheid van het kabinetsbeleid in gevaar brengen. Het is belangrijk dat bewindspersonen vrij met elkaar kunnen spreken. Met het oog op een goed bestuur is het ongewenst dat bewindspersonen tegen elkaar kunnen worden uitgespeeld als hun afwijkende opvattingen openbaar worden. Om deze reden wordt informatie over de opvattingen van individuele bewindspersonen binnen het kabinet niet openbaar gemaakt. Notulen van de (Rijks)ministerraad, onderraden, ministeriële commissies en overleggen tussen bewindspersonen worden in het geheel niet openbaar gemaakt met een beroep op de eenheid van regeringsbeleid. Voor andere documenten geldt dat per passage moet worden beoordeeld of de eenheid van regeringsbeleid in het geding is. 9.3. De rechtbank heeft de vertrouwelijke stukken ingezien bij verweerder. Het gaat om documenten over de ministerraad, nationale veiligheidsraad en een nader overleg tussen – onder meer – bewindspersonen. Ook gaat het om voorbereidende documenten die zodanig zijn verweven met wat in de nationale veiligheidsraad, is besproken dat die gedeeltelijk of volledig onleesbaar zijn gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat door openbaarmaking van deze documenten het goed functioneren van de ministerraad, die vertrouwelijkheid vereist van wat is besproken, in het gedrang komt. De documenten geven immers inzicht in wat tijdens een ministerraad is besproken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het algemeen belang van openbaarmaking in dit geval niet opweegt tegen het belang van het goed functioneren van de Staat, meer in het bijzonder de ministerraad. Verweerder heeft dit voldoende uitgelegd. 9.4 Dat verweerder deze documenten integraal heeft geweigerd en geen belangenafweging heeft gemaakt, zoals eiser betoogt, volgt de rechtbank niet. Uit de door verweerder gegeven toelichting in het bestreden besluit en in aansluiting daarop in het verweerschrift en op de zitting volgt dat verweerder per passage heeft beoordeeld of openbaarmaking van deze documenten in dit geval in strijd is met deze weigeringsgrond. 9.5. Artikel 110 van de Grondwet leidt daarbij niet tot een ander inzicht. Deze grondwetsbepaling laat het aan de wetgever om regels te stellen over de openbaarmaking van informatie. Daaraan is gevolg gegeven, onder meer door het vaststellen van de betreffende weigeringsgrond in de Woo. Concepten 10. Verweerder heeft met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo een aantal concepten van documenten (gedeeltelijk) niet openbaar gemaakt ter bescherming van het goed functioneren van de Staat en omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen opgenomen in documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. 10.1. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder alle documenten integraal heeft geweigerd en geen inhoudelijke belangenafweging heeft gemaakt, nu verweerder één (concept)document gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt. Verweerder heeft verder in zijn besluitvorming toereikend toegelicht dat de concepten zijn beoordeeld, waarbij is gebleken dat de concepten ofwel nagenoeg hetzelfde zijn als de definitieve versie die wel openbaar is gemaakt of informatie bevatten, die is aan te merken als persoonlijke beleidsopvattingen. 10.2. Eisers verwijzing naar de Rijksbrede Woo-instructie 2022 maakt het voorgaande niet anders, nu verweerder heeft toegelicht dat hij de werkwijze zoals beschreven in paragraaf 4.6.5. van de inmiddels aangepaste Rijksbrede Woo-instructie uit 2024 heeft toegepast. Het bestreden besluit dateert namelijk van 19 december 2024. Heeft verweerder blijk gegeven van willekeur, misbruik en weigerachtigheid? 11. De rechtbank ziet geen steun voor het verwijt van eiser dat verweerder willekeurig te werk gaat, misbruik maakt van zijn bevoegdheid, dan wel blijkt geeft van weigerachtigheid. 11.1. Eiser heeft een informatieverzoek ingediend met een ruim bereik en een gevoelige thematiek. Dat doet eiser veelvuldig. Het spreekt voor zich, dat de verwerking daarvan en de besluitvorming daarop, een stevige wissel trekt op de inspanningen van de personen die deze verzoeken behandelen en daar, onder de nodige tijdsdruk, een oordeel over moeten vormen. Daarbij moet verweerder rekening houden met verschillende zwaarwegende belangen. Het verwijt van willekeur is niet gestoeld op objectieve feiten, maar louter op verdachtmakingen. Dat geldt eveneens voor het verwijt dat verweerder de weigeringsgronden misbruikt en zich weigerachtig opstelt. Verweerder heeft de motivering voor toepassing van de ingeroepen weigeringsgronden afgestemd op de inhoud van de documenten en heeft begrijpelijke zorgen over het openbaar worden daarvan. Het verwijt dat verweerder kennelijk onhoudbare standpunten inneemt is onterecht. Voor de vermeende schending van artikel 3:3 van de Awb bestaat daarom geen grond. Verder is niet gebleken dat de weigering haaks zou staan op andere beslissingen. Toezenden van het advies van de commissie 12. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder het advies van de commissie ten onrechte pas bij het bestreden besluit verstrekt. Verweerder heeft in het verweerschrift en op zitting toereikend toegelicht dat het om een standaardprocedure gaat, gebaseerd op artikel 7:13, zevende lid, van de Awb, dat uitgaat van gelijktijdige toezending van het advies en de beslissing op het bezwaar. Eiser heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat dit onjuist is of dat hij hierdoor in zijn verdedigingsrechten is geschaad. Overschrijding redelijke termijn 13. Artikel 6 van het EVRM en het daaraan ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel vereisen een beslechting van een geschil binnen een redelijke termijn door de rechter. Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. 14. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door verweerder is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg (eind)uitspraak heeft gedaan. De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond. 15. De te beoordelen periode vangt in dit geval aan op 30 januari 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar mogelijk op 30 januari 2026 zou verlopen. De rechtbank doet in deze zaak op 31 maart 2026 uitspraak, waarmee de termijn tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak uitkomt op twee jaar, twee maanden en 1 dag. Eiser heeft echter op 23 mei 2024 het eerste beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op 19 december 2024. Gelet op de overzichtsuitspraak van de Hoge Raad , waarin is geoordeeld dat in gevallen waarin beroep wordt ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift de duur van de beroepsfase niet in aanmerking wordt genomen zolang het bestuursorgaan nog geen uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, wordt de periode van 23 mei 2024 tot en met 19 december 2024 niet in aanmerking genomen, dit is 6 maanden en 26 dagen. Daarmee komt de behandelduur in bezwaar en beroep uit op minder dan twee jaar. Hieruit volgt dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Ook als de periode tussen de uitspraak van de rechtbank in het eerste beroep wegens het niet tijdig beslissen op 12 september 2024 en het tweede - onderhavige - beroep dat eiser heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op 25 oktober 2024, wel zou meetellen bij de berekening van de behandelduur, dan nog zou geen sprake zijn van overschrijding van de redelijke termijn. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op goede gronden geweigerd heeft (delen van) documenten openbaar te maken op grond van de Woo. 17. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaar; verklaart het beroep tegen het besluit van 19 december 2024 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op 14 juni 2024 heeft de commissie advies uitgebracht aan verweerder. ECLI:NL:RBDHA:2024:15190. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarop tot op heden nog niet is beslist. Een voorlopige voorziening hangende het hoger beroep is afgewezen. Uitspraak van de Afdeling van 29 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5334. Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Artikel 8:29, zesde lid, van de Awb. Uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853. Artikel 5.1, tweede lid en onder a, van de Woo. Artikel 5.1, eerste lid en onder b, van de Woo. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo. Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RBMNE:2024:3285. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Zie daarvoor de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 34. Uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5627. Kamerstukken II, 2015/16, 33 328, nr. 22. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7474. Uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883. Zoals neergelegd in artikel 5.2., eerste lid, van de Woo. Uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:100. Dit volgt uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3768 en van de Afdeling van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1110. Zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.1. Zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.1.