# Rechtbank Den Haag, 31-03-2026 (SGR 24/9385)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:26212
- Date: 2026-03-31
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A26212
- Canonical: https://overview.legal/posts/354234

## Summary

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank is van oordeel dat van misbruik van recht door eiser in dit geval niet kan worden gesproken. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo (bescherming van de internationale betrekkingen) toepassen. Ook mocht verweerder het belang van het goed functioneren van de Staat zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Verder mocht verweerder het belang van de bescherming van de privacy van derden zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarmaking. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, met instandlating van de rechtsgevolgen.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/9385 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats] ([land]), eiser en de minister van Buitenlandse zaken, verweerder (gemachtigden: mr. J.T.E. van der Eijk-Peters en mr. S. Raterink) Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder op het verzoek van eiser om documenten openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). 1.1. Verweerder heeft met het besluit van 19 december 2023 eisers Woo-verzoek niet in behandeling genomen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 26 april 2024 heeft een preciseringsgesprek plaatsgevonden. Op 8 mei 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld, omdat hij nog niet had beslist op zijn bezwaar. Op 23 mei 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Dit beroep is op 12 september 2024 gegrond verklaard. Op 25 oktober 2024 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. 1.2. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 december 2024 alsnog een besluit genomen op het Woo-verzoek van eiser. 1.3. Eiser is het niet eens met dit besluit, waardoor het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit. 1.4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. Verweerder heeft stukken aan de rechtbank gezonden met het verzoek dat alleen de rechtbank daarvan kennis neemt. De rechtbank heeft van rechtswege toestemming om deze stukken in te zien. 1.6. De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep met zaaknummer SGR 24/8760, op de zitting van 28 augustus 2025 behandeld. De rechtbank doet in de zaak met zaaknummer SGR 24/8760 afzonderlijk uitspraak. 1.7. De rechtbank heeft bij beslissing van 5 september 2025 het onderzoek in beide zaken heropend om eiser in de gelegenheid te stellen zijn beroep op betalingsonmacht alsnog te onderbouwen. Eiser heeft hiervan gebruik gemaakt, waarna de rechtbank het beroep op betalingsonmacht voorlopig heeft toegewezen. 1.8. Eiser heeft op 21 oktober 2025 aangegeven dat hij opnieuw op zitting wil worden gehoord. Daarbij heeft eiser een nieuw stuk overgelegd met een aanvullende toelichting op zijn eerder ingenomen beroepsgronden en een nieuwe beroepsgrond. Bij brief van 22 januari 2026 heeft de rechtbank aangegeven dat het op een nieuwe zitting alleen kan gaan over de betalingsonmacht waarop eiser zich heeft beroepen en dat zij het stuk van 21 oktober 2025 en de verdere reacties daarvan van partijen buiten beschouwing laat. 1.9. De rechtbank heeft de beroepen op 9 maart 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser heeft op 15 november 2023 een Woo-verzoekingediend bij verweerder. Het verzoek ziet op alle informatie over de relatie van Nederland met en de verhouding tussen Israël en de Palestijnse Gebieden. Eiser heeft hierbij 47 onderwerpen genoemd waarover hij informatie wenst. Wat heeft verweerder besloten? 3. Verweerder heeft na specificering van het Woo-verzoek in bezwaar alsnog een zoekslag verricht, waarbij 94 documenten zijn aangetroffen. Een deel hiervan is al openbaar, waardoor de Woo hierop niet van toepassing is. Verweerder heeft 46 van deze documenten in zijn geheel geweigerd. De overige documenten heeft verweerder gedeeltelijk onleesbaar gemaakt ter bescherming van de diplomatieke betrekkingen van Nederland , de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen , het goed functioneren van de staat en onevenredige benadeling. Wat vindt eiser in beroep? 4. Verweerder heeft ten onrechte toepassing gegeven aan de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo en deze toepassing ondeugdelijk gemotiveerd. 4.1. Er is geen reden om standpunten onleesbaar te maken van vertegenwoordigers van andere landen, als die standpunten al eerder naar buiten zijn gebracht en algemeen bekend zijn. Dat tast het diplomatieke verkeer niet aan. 4.2. Uit artikel 10 van het EVRM volgt dat verweerder verplicht is informatie openbaar te maken en dat het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van de internationale betrekkingen. 4.3. Voor zover het om andere standpunten gaat, kan de afscherming daarvan alleen worden gerechtvaardigd als de betrokken staten te kennen hebben gegeven die informatie vertrouwelijk te willen houden en anders ernstig nadeel dreigt. Verweerder heeft dergelijk nadeel niet aannemelijk gemaakt en ook niet afgewogen tegen het belang bij openbaarheid. 4.4. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte toepassing gegeven aan de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo en deze toepassing ondeugdelijk gemotiveerd. 4.5. Concepten, Q&amp;A’s en redeneerlijnen zijn integraal geweigerd op basis van een generieke overweging over de onwenselijkheid van een publiek debat over ‘onrijpe’ stukken en over zaken waarover geen uitspraken zijn gedaan. Hiermee geeft verweerder een te ruime toepassing aan deze weigeringsgrond en miskent hij de bedoelingen van de wetgever. Zoals ook volgt uit de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2024 , is transparantie daarover juist van belang om openheid te geven over de keuzes die aan beleidsafwegingen en beleidsuitvoering ten grondslag liggen. 4.6. Bovendien is de bijdrage aan het publieke debat volgens vaste Europese rechtspraak over artikel 10 EVRM, een reden om informatie juist wel openbaar te maken. Het goed functioneren van de overheid is namelijk gebaat bij een krachtig debat door een geïnformeerd publiek. 4.7. Namen van personen die vanuit hun functie in de openbaarheid treden zijn ten onrechte afgeschermd. Verweerder baseert dit namelijk op de overweging dat zij niet zelf met de betreffende informatie naar buiten treden. Hiermee geeft verweerder een onjuiste uitleg aan artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. 4.8. De uitzonderingsgronden worden door verweerder misbruikt, in strijd met artikel 3:3 van de Awb. Ook getuigt de besluitvorming van een beleidsmatige weigerachtigheid. Daarnaast is de weigering informatie openbaar te maken tegenstrijdig met eerdere beslissingen over dezelfde aangelegenheid waarop het Woo-verzoek betrekking heeft; hiermee handelt verweerder dus ook in strijd met het verbod van willekeur. 4.9. Verweerder heeft ten onrechte een memo van de defensieattache van de Nederlandse ambassade in Tel Aviv niet openbaar gemaakt, hoewel hierover al in het NRC Handelsblad is gepubliceerd, waardoor dit stuk zijn vertrouwelijkheid heeft verloren. Wat is het oordeel van de rechtbank 5. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het overgelegde formulier en de overgelegde stukken is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen. Omvang van het geschil 6. De rechtbank moet in deze procedure uitsluitend beoordelen of verweerder op juiste wijze op het Woo-verzoek heeft beslist. 6.1. Wat eiser heeft aangevoerd over de Algemene Verordening Gegevensbescherming, valt buiten de omvang van dit geding. De rechtbank laat deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing laten. Is sprake van misbruik van recht? 7. Verweerder stelt zich in het verweerschrift van 13 december 2024 op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat eiser zich, gelet op zijn proceshouding, schuldig maakt aan misbruik van recht. Verweerder is van mening dat zich hier zwaarwichtige gronden voordoen, waardoor er sprake is van misbruik van recht. 7.1. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Daarvan kan sprake zijn als rechten of bevoegdheden zodanig evident worden aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Dit uitgangspunt geldt ook voor verzoeken op grond van de Woo. 7.2. Uit de Woo volgt dat de indiener van een Woo-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen. Dit laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Woo-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen als een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Woo-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Ieder nieuw Woo-verzoek moet in beginsel op zichzelf worden beoordeeld. Voor de beantwoording van de vraag of misbruik van recht aan de orde is, kan wel rekening worden gehouden met het eerdere (procedeer) gedrag van een verzoeker. 7.3. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat eiser misbruik van recht maakt, ondanks dat eiser zonder duidelijk doel een, ook na precisering, omvangrijk Woo-verzoek bij verweerder heeft ingediend, sinds 15 november 2023 een aantal vergelijkbare Woo-verzoeken bij andere ministeries heeft ingediend en tegen de besluitvorming daarop vergelijkbare procedures heeft gestart, waarbij hij ook na de hiervoor aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 12 september 2024 volhardt in zijn formalistische proceshouding. Hiermee legt eiser een onevenredig groot beslag op de beperkte capaciteit van de verschillende bestuursorganen. 7.4. Hoewel eiser mogelijk tientallen verschillende procedures heeft gestart, is naar het oordeel van de rechtbank van een overmatig beroep op de door de overheid geboden faciliteiten op dit moment niet gebleken. Een min of meer overmatig beroep op de door de overheid geboden faciliteiten levert op zichzelf nog geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal keren dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. 7.5. De rechtbank is van oordeel dat van misbruik van recht door eiser in dit geval niet kan worden gesproken. Daarvoor is redengevend dat na de uitspraak van de rechtbank van 12 september 2024 in deze zaak over het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser, waarin de rechtbank vooralsnog geen aanleiding zag tot het aannemen van kwade trouw en daarmee van misbruik van recht, de rechtbank nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen over het Woo-verzoek van eiser. Ook waren op het moment van het indienen van dit beroep, slechts enkele procedures van eiser in andere Woo- en AVG-zaken bij deze rechtbank aanhangig. Daarnaast heeft verweerder het aantal door eiser ingestelde procedures onvoldoende inzichtelijk gemaakt en dat het eiser is te doen om het innen van dwangsommen. Heeft eiser nog (proces)belang bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit? 8. Eiser wilde met het beroep niet tijdig beslissen bereiken dat verweerder zou beslissen op zijn bezwaar. Verweerder heeft dit inmiddels gedaan met het besluit van 12 december 2024. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarom geen belang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank over zijn beroep niet tijdig beslissen. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk. 8.1. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij geheel aan het beroep wordt tegemoetgekomen. Aangezien eiser beroepsgronden tegen het bestreden besluit heeft ingediend, kan worden vastgesteld dat verweerder met dit besluit niet tegemoet is gekomen aan het beroep van eiser. Mocht verweerder openbaarmaking weigeren vanwege de internationale betrekkingen? 9. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo toepassen ter bescherming van de internationale betrekkingen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. 9.1. Het openbaar maken van informatie blijft achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties. Dit is een relatieve weigeringsgrond, wat betekent dat verweerder een afweging moet maken tussen het algemeen belang van openbaarmaking en het belang dat beschermd wordt door de weigeringsgrond. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt met deze weigeringsgrond beoogd te voorkomen dat de wettelijke plicht tot het verstrekken van informatie tot gevolg heeft dat de Nederlandse internationale betrekkingen schade zouden kunnen lijden. Voor toepassing van deze bepaling is voldoende dat als gevolg van het verschaffen van informatie valt te voorzien dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig. Deze concreetheid kan eruit bestaan dat aan Nederland uitdrukkelijk te verstaan is gegeven dat op de vertrouwelijkheid van de desbetreffende documenten wordt gerekend. Ook uit de aard en inhoud van de gevraagde informatie zelf kan volgen dat die voor een andere staat of internationale organisatie vertrouwelijk is. Anders dan eiser betoogt, is niet vereist dat sprake is van ernstig nadeel. Dit begrip is tijdens de totstandkoming van de Woo uit de wettekst geschrapt. Daaruit blijkt zonder meer dat de wetgever een dergelijke voorwaarde niet heeft beoogd te stellen. 9.2. De rechtbank heeft kennis genomen van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde documenten ten aanzien waarvan de weigeringsgrond is toegepast. Het gaat om documenten die afkomstig zijn van andere landen dan wel internationale organisaties. Deze documenten geven inzicht in de standpunten die andere landen hebben ingenomen ten opzichte van het conflict of over de wijze waarop deze landen humanitaire hulp bieden. Uit de aard en de inhoud van deze documenten dan wel de omstandigheden waaronder deze informatie is verkregen volgt de vertrouwelijkheid ervan. Deze documenten heeft verweerder daarom gedeeltelijk dan wel in het geheel geweigerd openbaar te maken. 9.3. De rechtbank concludeert dat verweerder, gelet op de aard en inhoud van deze documenten, het belang van de betrekkingen met andere staten zwaarder mocht laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Verweerder heeft dit goed gemotiveerd en blijk gegeven van een zorgvuldige afweging van de in aanmerking te nemen belangen. 9.4. Of de strekking van bepaalde standpunten al bekend is, acht de rechtbank niet doorslaggevend. Partijen waarmee Nederland diplomatiek verkeer onderhoudt en die daarin standpunten uiten in zeer gevoelige en zwaarwegende kwesties, moeten zelf kunnen bepalen of daaraan (nadere) openbaarheid wordt gegeven. Om dat verkeer zoveel mogelijk ongeschonden te houden, is hun vertrouwen dat de Nederlandse overheid dit respecteert van groot belang. 9.5. Het belang van transparant overheidsoptreden en een recht op toegang tot informatie, komt ook tot uitdrukking in rechtspraak over artikel 10 van het EVRM evenals in andere internationale en nationale rechtsbronnen. Daarin ligt echter geen argument besloten, om bij toepassing van de Woo minder zwaar te hechten aan het belang van ongeschonden diplomatieke betrekkingen. De door eiser gesignaleerde ontwikkeling, van toenemende openheid over internationale betrekkingen, heeft in dit geval geen concrete betekenis voor de afweging die op grond van de Woo moet worden gemaakt. Daarbij is er geen grond voor het standpunt van eiser dat artikel 10 van het EVRM in dit geval een verdergaande verplichting tot openbaarmaking meebrengt dan uit de Woo voortvloeit. Het tweede lid, van het artikel laat de nationale overheid de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het openbaar maken van informatie. De weigeringsgronden in de Woo voorzien in legitieme beperkingen, die door de wetgever noodzakelijk zijn geacht in een democratische samenleving. In zeer bijzondere en specifieke situaties, kan er reden zijn om de wettelijke beperking niet gerechtvaardigd te achten. Het is aan eiser om dergelijke omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken. Dat heeft hij niet gedaan. Eiser baseert zich op algemene gezichtspunten over de verhouding tussen de openbaarmakingsverplichting uit de Woo en artikel 10 van het EVRM. Daarbij heeft hij geen concrete argumenten aangevoerd die ertoe moeten leiden dat van de Woo moet worden afgeweken. Eisers beroep op artikel 10 van het EVRM leidt daarom niet tot een ander oordeel. 9.6. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog, dat verweerder de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo als een automatisme heeft gehanteerd. Uit de motivering van het bestreden besluit en de daarop gegeven toelichting in het verweerschrift, valt op te maken dat het belang bij het beschermen van de diplomatieke betrekkingen per relevante passage is afgewogen tegen het belang van transparant en controleerbaar overheidshandelen. 9.7. Eisers verwijzingen naar openbaarmakingsregimes in de wetgevingen van andere landen en andere internationale instrumenten, treffen ook geen doel. Voor zover uit die bronnen een algemeen recht op toegang tot overheidsinformatie voortvloeit, geldt onverminderd dat het toetsingskader van de Woo in deze zaak leidend is. Eiser heeft niet voldoende onderbouwd, waarom de Woo op basis van die bronnen zou moeten wijken, of een andere uitleg zou moeten krijgen dan door verweerder is gegeven. Mocht verweerder openbaarmaking weigeren vanwege het goed functioneren van de Staat? 10. Verweerder heeft met toepassing van deze weigeringsgrond Q&amp;A’s, woordvoeringsteksten en redeneerlijnen, drie documenten niet openbaar gemaakt. Het gaat om informatie met mogelijke vragen en antwoorden die aan de orde kunnen komen in gesprekken van bewindspersonen met de media of ander publiek. Als deze documenten openbaar zouden worden gemaakt zou men kunnen inspelen op de positie van Nederland, wat het functioneren van de Staat en een goede belangenbehartiging in de toekomst kan schaden. Verder heeft verweerder toegelicht dat spreek- en redeneerlijnen dan wel Q&amp;A’s antwoorden bevatten die mogelijk kunnen worden gegeven dan wel visies die indien aan de orde, naar voren kunnen worden gebracht. Het staat de betrokken bewindspersoon of ambtenaar echter vrij om in afwijking hiervan eigen antwoorden te formuleren. Het openbaren van zaken die juist niet zijn uitgesproken kan leiden tot een publiek debat over wat om uiteenlopende redenen niet is gezegd. Dit is schadelijk is voor het goed functioneren van de Staat. 10.1. De door verweerder gegeven motivering, zoals is aangevuld op de zitting, geeft een begrijpelijke en navolgbare uitleg van de nadelige invloed die openbaarmaking van spreek- en redeneerlijn en Q&amp;A’s kan hebben voor het functioneren van de Staat. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken en deelt het standpunt van verweerder dat het goed functioneren van de Staat wordt ondergraven als deze communicatie, waarin gevoelige politieke thema’s spelen en bewindspersoenen met een zekere flexibiliteit moeten kunnen opereren, openbaar kan worden gemaakt. Dat doet ernstig afbreuk aan het belang van een weloverwogen en genuanceerd proces van standpuntbepaling. Verweerder mocht dit belang daarom zwaarder laten wegen dan het belang bij openbaarmaking. Wat de gevolgen van de gewijzigde motivering zijn voor het beroep van eiser, legt de rechtbank uit onder punt 17. 10.2. Wat eiser aanvoert over het integraal weigeren van concepten volgt de rechtbank niet, omdat verweerder in deze zaak geen documenten of delen daarvan heeft geweigerd, omdat het concepten zijn. Mocht verweerder openbaarmaking afwijzen om de persoonlijke levenssfeer te beschermen? 11. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo, blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Op grond van deze weigeringsgrond heeft verweerder persoonsgegevens van (lagere) ambtenaren, medewerkers van NGO’s en derden onleesbaar gemaakt. 11.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit heeft mogen doen. Verweerder heeft goed gemotiveerd dat het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de privacybelangen van deze personen, die niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden en de redelijke verwachting mogen hebben dat hun persoonsgegevens niet worden gepubliceerd. De toepassing van deze weigeringsgrond berust dan ook op goede gronden waar het deze gegevens betreft. 11.2. Verweerder heeft ook enkele verwijzingen naar hoogwaardigheidsbekleders onleesbaar gemaakt. In het verweerschrift is hiervoor als reden gegeven, dat zij er niet voor hebben gekozen om naar buiten te treden met de informatie die in de betreffende documenten is vastgelegd. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat het beter was geweest om deze namen op een andere weigeringsgrond onleesbaar te maken, namelijk op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo. Volgens verweerder kan openbaarmaking namelijk schade toebrengen aan de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en internationale organisaties. Verweerder stelt dat dit belang moet overheersen. Naar het oordeel van de rechtbank is de zorg van verweerder terecht. Het gaat om namen die zijn genoemd in een vertrouwelijke en politiek gevoelige context. In enkele gevallen gaat dat gepaard met een beoordeling van opmerkingen van de betreffende persoon. In ieder geval houden de verwijzingen naar deze personen verband met overleg dat met hen is gevoerd in een kwestie die zeer gevoelig is. Openbaarmaking zou daarom ongunstig kunnen zijn voor de goede diplomatieke betrekkingen. Verweerder mocht dit belang meer gewicht geven dan het belang bij openbaarmaking. Heeft verweerder blijk gegeven van willekeur, misbruik en weigerachtigheid? 12. De rechtbank ziet geen steun voor het verwijt van eiser dat verweerder willekeurig te werk gaat, misbruik maakt van zijn bevoegdheid, dan wel blijkt geeft van weigerachtigheid. 12.1. Eiser heeft een informatieverzoek ingediend met een ruim bereik en een gevoelige thematiek. Dat doet eiser veelvuldig. Het spreekt voor zich, dat de verwerking daarvan en de besluitvorming daarop, een stevige wissel trekt op de inspanningen van de personen die deze verzoeken behandelen en daar, onder de nodige tijdsdruk, een oordeel over moeten vormen. Daarbij moet verweerder rekening houden met verschillende zwaarwegende belangen. Het verwijt van willekeur is niet gestoeld op objectieve feiten, maar louter op verdachtmakingen. Dat geldt eveneens voor het verwijt dat verweerder de weigeringsgronden misbruikt en zich weigerachtig opstelt. Verweerder heeft de motivering voor toepassing van de ingeroepen weigeringsgronden afgestemd op de inhoud van de documenten en heeft begrijpelijke zorgen over het openbaar worden daarvan. Het verwijt dat verweerder kennelijk onhoudbare standpunten inneemt is onterecht. Voor de vermeende schending van artikel 3:3 van de Awb bestaat daarom geen grond. Verder is niet gebleken dat de weigering haaks zou staan op andere beslissingen. Mocht verweerder openbaarmaking van het gelekte memo weigeren? 13. Verweerder heeft openbaarmaking van het memo met name geweigerd vanwege schade aan de internationale betrekkingen die bij openbaarmaking kan worden verwacht. Naar het oordeel heeft verweerder de toepassing van deze weigeringsgrond in het bestreden besluit en in aansluiting daarop in het verweerschrift en op de zitting toereikend gemotiveerd. In wat eiser daartegen aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Overschrijding redelijke termijn 14. Artikel 6 van het EVRM en het daaraan ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel vereisen een beslechting van een geschil binnen een redelijke termijn door de rechter. Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. 15. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door verweerder is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg (eind)uitspraak heeft gedaan. De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond. 16. De te beoordelen periode vangt in dit geval aan op 29 januari 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar mogelijk op 29 januari 2026 zou verlopen. De rechtbank doet in deze zaak op 31 maart 2026 uitspraak, waarmee de termijn tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak uitkomt op twee jaar, twee maanden en 2 dagen. Eiser heeft echter op 23 mei 2024 het eerste beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op 12 december 2024. Gelet op de overzichtsuitspraak van de Hoge Raad , waarin is geoordeeld dat in gevallen waarin beroep wordt ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift de duur van de beroepsfase niet in aanmerking wordt genomen zolang het bestuursorgaan nog geen uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, wordt de periode van 23 mei 2024 tot en met 12 december 2024 niet in aanmerking genomen, dit is 6 maanden en 19 dagen. Daarmee komt de behandelduur in bezwaar en beroep uit op minder dan twee jaar. Hieruit volgt dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Ook als de periode tussen de uitspraak van de rechtbank in het eerste beroep wegens het niet tijdig beslissen op 12 september 2024 en dit tweede beroep dat eiser heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op 25 oktober 2024, wel zou meetellen bij de berekening van de behandelduur, dan nog zou geen sprake zijn van overschrijding van de redelijke termijn. Conclusie en gevolgen 17. Verweerder heeft op de zitting van 28 augustus 2025 de motivering van het bestreden besluit deels gewijzigd. Hieruit volgt dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek had in de zin van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In zoverre is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtsgevolgen worden evenwel in stand gelaten , omdat alsnog is gebleken dat verweerder een voldragen motivering heeft kunnen geven voor het bestreden besluit. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser proceskosten heeft gemaakt die moeten worden vergoed. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaar; verklaart het beroep tegen het besluit van 12 december 2024 gegrond en vernietigt dat besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBDHA:2024:15190. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarop tot op heden nog niet is beslist. Een voorlopige voorziening hangende het hoger beroep is afgewezen. Uitspraak van de Afdeling van 29 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5334. Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:29, zesde lid, van de Awb. Uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853. Artikel 5.1, tweede lid en onder a, van de Woo. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo. Artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RBMNE:2024:3285. Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2163 en artikel 4.6 van de Woo. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:920. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Zie daarvoor de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 34. Uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5627. Kamerstukken II, 2015/16, 33 328, nr. 22. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7474. Uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883. 1597250, 1597251 en 1611810. Zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.1. Zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.1. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354234 · 2026-09-24
