Rechtbank Den Haag, 17-06-2026 (672497 (hfd)+ 692287 (vw))
Financieel recht. Bankgarantieovereenkomst is rechtsgeldig tot stand gekomen. Ondertekening met een geavanceerde elektronische handtekening via een betrouwbare ondertekeningsmethode. Gedaagde is gehouden tot terugbetaling van de uitgekeerde bankgarantie. Vrijwaring verstek.
Full text
RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer / rolnummer hoofdzaak: C/09/672497 / HA ZA 24-786 en zaaknummer / rolnummer vrijwaringszaak: C/09/692287 / HA ZA 25-851 Vonnis van 17 juni 2026 in de hoofdzaak van [partij A] S.E. te [vestigingsplaats], eiseres, hierna te noemen: [partij A] , advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker, tegen [partij B ] te [woonplaats 1] , gedaagde, hierna te noemen: [partij B ] , advocaat: mr. P.P.G. Bissessur. en in de vrijwaringszaak van [partij B ] te [woonplaats 1] , eiseres, hierna te noemen: [partij B ] , advocaat: mr. P.P.G. Bissessur, tegen 1 [partij C] te [woonplaats 2] , 2. [partij D] te [woonplaats 2] , 3. [partij E] te [woonplaats 3] , 4. [partij F] te [woonplaats 4] ( [land] ), gedaagden, hierna te noemen: ieder afzonderlijk [partij C] , [partij D] , [partij E] en [partij F] en tezamen [partij C tm F] , niet verschenen. 1 De procedure in de hoofdzaak 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 28 augustus 2024, met de producties 1 tot en met 5; - de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met de producties 1 tot en met 4 en de beslagstukken; - de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident; - het vonnis in incident van 9 april 2025; - de akte houdende aanvulling van (de grondslag van de) eis tevens houdende overlegging producties, met de producties 6 tot en met 12. 1.2. Op 2 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken. 1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2 De procedure in de vrijwaringszaak 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 juni 2025, met de producties 1 tot en met 55; - het tegen [partij C tm F] verleende verstek. 2.2. Op 2 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [partij C tm F] zijn daarbij niet verschenen. [partij B ] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar standpunt nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken. 2.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [partij A] is onder meer een borg- en garantieverstrekker. [partij A] werkt met intermediairs om haar diensten aan te bieden. 3.2. [partij B ] (koper) heeft op of omstreeks 26 april 2024 met een derde (verkoper) een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een appartementsrecht in [plaats 1] (hierna: ‘de woning’). De overeengekomen koopsom bedroeg € 430.000,00. 3.3. Op enig moment daarna is [partij B ] in contact gekomen met [partij F] die zich bij haar heeft geïntroduceerd als ‘hypotheekadviseur’. [partij B ] heeft zijn kantoor in [plaats 2] bezocht om hypotheekmogelijkheden te bespreken. [partij F] heeft [partij B ] gevraagd om financiële documenten, zoals inkomensverklaringen en belastingaangiftes, die hij vanuit de telefoon van [partij B ] naar zichzelf heeft verstuurd. Op basis van artikel 5 van de koopovereenkomst moest [partij B ] een bankgarantie stellen voor een bedrag van € 43.000,00 oftewel 10% van de koopsom. 3.4. [partij F] heeft via [partij C] de hypotheekaanvraag bij Munt Hypotheken (hierna: Munt) ingediend en, via intermediair Nationale Waarborg B.V. (hierna: Nationale Waarborg), [partij A] benaderd om de bankgarantie ten behoeve van [partij B ] te regelen. 3.5. [partij D] en [partij E] zijn de vennoten van [partij C] . 3.6. Op 9 juli 2024 heeft [partij C] , als adviseur van [partij B ] , in de online portal van [partij A] een aanvraag voor een bankgarantie gedaan. Voor het doen van een aanvraag is vereist dat het kantoor van de adviseur over een AFM-vergunning beschikt. [partij C] beschikte toen over die vergunning. Uit het logbestand uit het systeem van [partij A] blijkt dat [partij C] voor de aanvraag persoonsgegevens van [partij B ] heeft moeten invoeren evenals details over de aankoop van de woning. Hierbij gaat het onder andere om het e-mailadres van [partij B ] . Nadat [partij C] de aanvraag voor de bankgarantie had gedaan, heeft [partij B ] op haar e-mailadres een unieke link ter ondertekening van de aanvraag van de bankgarantie ontvangen. 3.7. De digitale ondertekening van de bankgarantie verloopt via chatbot [chatbot] van Dialog Group. Het ondertekeningsproces bestaat uit de volgende drie stappen : 1. Identificatie 2. Controleren gegevens 3. Digitaal ondertekenen. 3.8. Het chatverslag van de ondertekening van de aanvraag van de bankgarantie vermeldt, voor zover relevant: “ [chatbot] : Stap 1: Identificatie Om je identiteit te bevestigen stel ik je graag drie vragen. Als eerste: Wat is je geboortedatum?(noteer als dd-mm-jjjj) U : [geboortedatum] 1968 [chatbot] : En wat is je postcode? U: [postcode] [chatbot] : En als laatste, wat is je voornaam? U: [partij B ] [chatbot] : Hartelijk dank [partij B ] ! Stap 1 is helemaal gereed. Laten we snel verder gaan. Stap 2: Controleren gegevens Hieronder is de garantieopdracht inclusief verzekering bijgevoegd. Zijn alle gegevens in dit document juist? Lees ook goed de voorwaarden in dit document door zodat je weet waar je voor tekent. (…) U: Ja, ik heb de garantieopdracht doorgenomen en bevestig dat de gegevens correct zijn [chatbot] : Perfect! Dan is nu ook stap 2 afgerond. Stap 3: Digitaal ondertekenen Nu we weten dat alle gegevens correct zijn, kan je deze garantieopdracht inclusief verzekering ondertekenen met een digitale handtekening. Door op ‘Ondertekenen’ te klikken, verklaar je het document gelezen te hebben en akkoord te zijn me de inhoud daarvan. Bovendien verklaar je bevoegd te zijn om tot ondertekening over te gaan. (…) U: Ondertekenen [chatbot] : Klaar! Je hebt zojuist de aanvraag voor de bankgarantie digitaal ondertekend. Bedankt daarvoor ”. 3.9. [partij A] heeft daarop een bankgarantie van € 43.000,00 ten behoeve van [partij B ] gesteld. 3.10. Artikel 3 van de bankgarantieopdracht luidt, voor zover relevant: “ De koper verklaart zich uitdrukkelijk akkoord met de inhoud van de garantie en de daarin op te nemen bepaling dat de garant op eerste aangetekende schriftelijke verzoek van de notaris zorg zal dragen voor betaling aan de notaris, zonder enige verdere verplichting van de garant om de juistheid van de vordering nader te onderzoeken. ” 3.11. Artikel 5 van de bankgarantieopdracht luidt, voor zover relevant: “ De koper verbindt zich: A. onmiddellijk nadat de garant op grond van de garantie betalingen heeft gedaan, die bedragen aan de garant te voldoen; B. op eerste verzoek de garant te betalen al hetgeen waarvoor de garant in verband met de garantie in of buiten rechte is aangesproken, ook al zouden deze bedragen nog niet door garant zijn betaald, zulks onder de verplichting van garant om al hetgeen niet betaald hoeft te worden aan de koper terug te betalen.” 3.12. Artikel 6 van de bankgarantieopdracht luidt, voor zover relevant: “Indien de koper niet voldoet aan de betalingsverplichtingen (…) zal de koper onmiddellijk in verzuim zijn zonder dat ingebrekestelling of enige andere formaliteit zal zijn vereist. Alle kosten die door de agent en de garant worden gemaakt ter incasso van haar vordering op koper, waaronder juridische kosten, kosten van een deurwaarder en/of kosten van een incassobureau, zijn geheel voor rekening van koper. ” 3.13. [partij F] en/of [partij C] heeft/hebben de financiële cijfers van [partij B ] gemanipuleerd, zodat zij de hypotheek kon krijgen. Toen Munt Hypotheken onregelmatigheden in de hypotheekaanvraag ontdekte, is zij een fraudetraject gestart en heeft zij de hypotheek niet aan [partij B ] verstrekt. 3.14. Vervolgens heeft verkoper de koopovereenkomst ontbonden, omdat [partij B ] niet aan de verplichting tot betaling van de koopprijs kon voldoen. Verkoper heeft aanspraak gemaakt op de boete van 10% van de koopsom, zoals opgenomen in artikel 14 van de koopovereenkomst. 3.15. Op 6 augustus 2024 heeft de met het transport belaste notaris de bankgarantie ten behoeve van de verkoper ingeroepen. Nationale Waarborg heeft op die dag het inroepen van de bankgarantie voor het garantiebedrag van € 43.000,00 bevestigd. 3.16. Op 8 augustus 2024 heeft Nationale Waarborg een bedrag van € 43.000,00 overgemaakt op de kwaliteitsrekening van de met het transport belaste notaris. 3.17. Bij brieven van 9 en 22 augustus 2024 is [partij B ] verzocht en gesommeerd tot betaling van € 43.455,00 (het garantiebedrag plus de bankgarantiekosten). Daarbij is tevens een bedrag van € 1.463,56 aan buitengerechtelijke incassokosten aangezegd voor het geval niet binnen de gestelde termijn van 15 dagen zou worden betaald. [partij B ] is tot op heden niet tot (terug)betaling overgegaan. 3.18. [partij A] heeft ter verzekering van het verhaal van haar vermeende vordering ten laste van [partij B ] conservatoir beslag gelegd onder de ABN AMRO Bank N.V. 3.19. Munt, de aan haar gelieerde vennootschap DMF Hypotheek Management B.V. en verschillende kredietnemers, waaronder [partij B ] , hebben bij deze rechtbank ook een gerechtelijke procedure ingesteld tegen [partij C tm F] . In deze procedure met zaaknummer C/09/675166 / HA ZA 24-955 is op 13 mei jl. vonnis gewezen. Daarbij zijn [partij C tm F] hoofdelijk veroordeeld (onder meer) tot vergoeding aan [partij B ] van de als gevolg van hun handelen door haar geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 4 Het geschil in de hoofdzaak 4.1. [partij A] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [partij B ] veroordeelt tot betaling van primair € 43.455,00 en subsidiair € 43.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2024 en (buitengerechtelijke incasso-, beslag-, proces- en na-)kosten. 4.2. [partij A] legt aan de vorderingen ten grondslag – kort weergegeven – dat zij uit hoofde van de overeengekomen garantieopdracht een bedrag van € 43.000,00 heeft uitgekeerd aan de bij de koop van de woning betrokken notaris en dat [partij B ] ondanks herhaalde aanmaningen heeft nagelaten het bedrag van € 43.455,00 (inclusief bankgarantiekosten) aan haar terug te betalen. Subsidiair stelt [partij A] dat [partij B ] ongerechtvaardigd is verrijkt door de betaling van de contractuele boete ten bedrage van € 43.000,00 aan de verkoper van de woning. [partij A] maakt tevens aanspraak op vergoeding van de aangezegde buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.463,56 en van de gemaakte kosten in verband met het gelegde beslag. 4.3. [partij B ] voert verweer. [partij B ] betwist dat zij de garantieopdracht heeft verstrekt. Zij ontkent de ondertekening daarvan. Daarnaast voert [partij B ] aan dat het door [partij A] gebruikte digitale ondertekeningsproces onvoldoende betrouwbaar is. De identiteit van de feitelijk opdrachtgever zou daarbij onzorgvuldig zijn vastgesteld, waardoor haar gegevens valselijk konden worden verstrekt. Een en ander doet [partij B ] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in de vrijwaring 4.5. [partij B ] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [partij C tm F] hoofdelijk veroordeelt om haar te betalen al hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskostenveroordeling, met veroordeling van [partij C tm F] in de kosten van de vrijwaringprocedure. 4.6. [partij B ] legt aan de vorderingen – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag. ten aanzien van [partij C] en [partij F] 4.6.1. De oorzaak van het niet doorgaan van de aankoop van de woning en de daarop volgende uitbetaling van de bankgarantie door [partij A] aan de verkoper nadat [partij B ] niet tot afname van de woning kon overgaan ligt primair in een onrechtmatige (groeps)daad van [partij C] en/of [partij F] en subsidiair in een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de zorgplichten die zij als tussenpersonen tegenover [partij B ] als opdrachtgeefster hadden. [partij C] en [partij F] hebben opgetreden als ‘hypotheekadviseur’ in de aanloop van de aankoop van de woning. Daarbij hebben zij buiten medeweten van [partij B ] de door haar voor de financieringsaanvraag aangeleverde financiële stukken vervalst (laten vervalsen) en misbruik gemaakt van het vertrouwen van [partij B ] . [partij B ] is duidelijk geworden dat tussen [partij C] en [partij F] een bestendige samenwerking bestond waarin dergelijke gedragingen vaker hebben plaatsgevonden. De door [partij C] en [partij F] gepleegde fraude heeft voor [partij B ] ingrijpende gevolgen gehad. Munt heeft het hypotheekaanbod vernietigd, waardoor de levering van de woning geen doorgang kon vinden en [partij B ] ten gunste van de verkoper een aanzienlijke contractuele boete heeft verbeurd waarvan garant [partij A] in de hoofdzaak betaling vordert. Indien [partij B ] in de hoofdzaak daartoe wordt veroordeeld, zijn [partij C] en [partij F] gelet op het voorgaande verplicht [partij B ] ter zake schadeloos te stellen. ten aanzien van [partij D] en [partij E] 4.6.2. [partij D] en [partij E] zijn als vennoten van [partij C] op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [partij B ] lijdt door het hiervoor beschreven handelen van [partij C] . 4.7. [partij C tm F] en [partij F] zijn niet verschenen, zodat het gestelde niet is weersproken. 4.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling in de hoofdzaak 5.1. De kern van het geschil is of er tussen [partij A] en [partij B ] een rechtsgeldige garantieovereenkomst tot stand is gekomen op basis waarvan [partij B ] gehouden is het bedrag van de uitgekeerde bankgarantie terug te betalen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Hierna wordt uitgelegd waarom. 5.2. [partij A] beroept zich op het bestaan van een digitaal gesloten overeenkomst als rechtsgrond voor de gevorderde betaling. [partij A] , die op grond van de hoofdregel de stelplicht en zo nodig de bewijslast daarvan draagt, heeft ter onderbouwing van dit standpunt een afdruk van een elektronisch ondertekende bankgarantieopdracht in het geding gebracht. [partij B ] betwist de digitale handtekening onder de bankgarantieopdracht. Daarom zal eerst moeten worden vastgesteld hoe de digitale handtekening geduid moet worden. Dit is van belang voor de bewijskracht van de handtekening; dwingende of vrije bewijskracht. 5.3. In dit kader zijn van belang de verordening van de EU nr. 910/2014 (hierna de eIDas-verordening) en artikel 3:15a van het Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 3:15a BW wordt een onderscheidt gemaakt tussen drie soorten digitale handtekeningen: - een elektronische gekwalificeerde handtekening als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12 van de eIDAS-verordening; - een geavanceerde elektronische handtekening als bedoeld in artikel 3, onderdeel 11 van de eIDAS-verordening; - een andere (gewone) elektronische handtekening als bedoeld in artikel 3, onderdeel 10 van de eIDAS-verordening. 5.4. Op grond van artikel 3:15a BW heeft een gekwalificeerde elektronische handtekening dezelfde dwingende bewijskracht als een handgeschreven handtekening. Een geavanceerde elektronische handtekening en een andere elektronische handtekening hebben eerst dan dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening, als voor deze elektronische handtekeningen een methode voor ondertekening is gebruikt die voldoende betrouwbaar is. 5.5. Niet in geschil is dat, zoals door [partij B ] ter zitting aangevoerd, de handtekening onder de bankgarantieopdracht niet kan worden aangemerkt als een gekwalificeerde elektronische handtekening. Aldus is sprake van een (geavanceerde) elektronische handtekening. Daarom moet worden beoordeeld of de door [partij A] gebruikte ondertekeningsmethode voldoende betrouwbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met het doel waardoor de elektronische ondertekening is gebruikt en met alle overige omstandigheden van het geval. 5.6. De rechtbank oordeelt dat de door [partij A] gebruikte digitale ondertekeningsmethode in dit specifieke geval voldoende betrouwbaar is. Daartoe is het volgende doorslaggevend. 5.6.1. [partij A] heeft toegelicht dat het proces start bij de adviseur van de koper – in dit geval ( [partij F] met behulp van) [partij C] – die namens de koper een bankgarantie aanvraagt en daarbij de persoonsgegevens van de koper opgeeft, waaronder het e-mailadres. De adviseur beschikt als enige over een persoonlijk wachtwoord voor de beveiligde online portal van [partij A] ; particulieren hebben geen toegang tot dit portal. Vereiste voor een aansluiting op dit portal is dat het kantoor van adviseur beschikt over een AFM-vergunning. De adviseur initieert vervolgens de digitale ondertekening, waarna de koper op het opgegeven e-mailadres een unieke link ontvangt om de drie stappen als vermeld onder randnummer 3.7 te doorlopen. 5.6.2. [partij A] heeft overgelegd de ‘Certificering digitaal ondertekenen via [chatbot] (van Dialog Group)’. Hieruit volgt dat de door [partij A] gebruikte digitale ondertekening kwalificeert als een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van de eIDAS-verordening. Dit vereist onder meer (i) dat de ondertekening op unieke wijze verbonden is aan de ondertekenaar, (ii) dat de ondertekenaar achteraf identificeerbaar is en (iii) dat de ondertekenaar de exclusieve controle heeft over de ondertekening. 5.6.3. Daarvan is ook in onderhavige procedure voldoende gebleken. Uit het eveneens in dit kader door [partij A] overgelegde logbestand blijkt dat [partij C] op 9 juli 2024 in de beveiligde online portal een aanvraag voor een bankgarantie voor [partij B ] heeft gedaan. Bij die aanvraag zijn diverse persoonsgegevens van [partij B ] opgegeven, waaronder het e-mailadres zarekordmarziyeh5@gmail.com. [partij B ] heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat dit haar e-mailadres is. [partij C] heeft de digitale ondertekening voor de aanvraag van de bankgarantie geïnitieerd. Het logboek bevestigt dat vanuit het systeem een ondertekeningsmail met daarin een unieke link is verzonden naar het e-mailadres van [partij B ] . Hierbij werd de identiteit van [partij B ] gewaarborgd en had [partij B ] de exclusieve controle over de ondertekening. Voorts is ter identificatie van [partij B ] gevraagd naar haar geboortedatum, postcode en voornaam. 5.7. Vervolgens is via de unieke link het digitale ondertekeningsproces in gang gezet. Tijdens de zitting heeft [partij B ] verklaard dat zij [partij F] toegang heeft gegeven tot haar mailbox om alles voor de aankoop van de woning – dus ook de bankgarantie, zoals opgenomen in de koopovereenkomst – te regelen. [partij F] heeft op haar beurt [partij C] ingeschakeld, die vervolgens via de unieke link in de mailbox van [partij B ] de drie stappen zoals vermeld onder de randnummers 3.7. en 3.8. heeft doorlopen en daarmee de digitale handtekening onder de aanvraag van de bankgarantie heeft gezet. Van de door [partij B ] gestelde identiteitsfraude is onder deze omstandigheden geen sprake. [partij B ] is dan ook gebonden aan de elektronische handtekening onder de bankgarantieopdracht. 5.8. Een en ander leidt ertoe dat de bankgarantieopdracht kan worden aangemerkt als een onderhandse akte met dwingende bewijskracht jegens [partij B ] van het bestaan van de (bank)garantieovereenkomst. Uit artikel 3 van de bankgarantie blijkt dat [partij B ] zich uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard met de in de garantie opgenomen bepaling dat [partij A] (garant) op het eerste verzoek van de notaris zorg zal dragen voor betaling aan de notaris, zonder enige verdere verplichting om de juistheid van de vordering nader te onderzoeken. Uit artikel 5 van de bankgarantie blijkt daarnaast dat [partij B ] zich heeft verbonden om, onmiddellijk nadat [partij A] op grond van de bankgarantie betalingen heeft gedaan, die bedragen aan [partij A] te voldoen. De rechtbank wijst de hoofdvordering van [partij A] tot betaling van € 43.455,00 daarom toe. De daarover gevorderde wettelijke rente wordt eveneens toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 5.9. [partij A] vordert een bedrag van € 1.463,56 aan buitengerechtelijke incassokosten. Naar de rechtbank begrijpt, grondt [partij A] deze vordering primair op het incassobeding in artikel 6 van de bankgarantieopdracht en subsidiair op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [partij B ] een consument is, moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of genoemd beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). De rechtbank constateert dat het beding ten nadele van [partij B ] afwijkt van de wettelijke regeling met betrekking tot de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, meer in het bijzonder het zesde lid van voornoemd wetsartikel. Het beding is daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. De rechtbank vernietigt het beding dan ook. Ingevolge vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie kan [partij A] in dat geval geen aanspraak maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding, zoals subsidiair door [partij A] voorgestaan. De gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen. Proceskosten en wettelijke rente 5.10. [partij B ] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten inclusief de beslagkosten worden veroordeeld. De proceskosten van [partij A] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 2.889,00 - salaris advocaat € 3.870,00 (3 punten x € 1.290,00) - overige explootkosten € 477,90 - nakosten € 189,00 (met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging) Totaal € 7.561,87 5.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in de vrijwaringszaak 5.12. [partij C tm F] hebben geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van [partij B ] . Het gevorderde komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Daarom zal het gevorderde worden toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing. 5.13. Mr. Bissessur heeft tijdens de zitting – terecht – kenbaar gemaakt dat het bij dit vonnis toe te wijzen schadebedrag, niet dan wel uitsluitend ter verrekening zal worden meegenomen in de schadestaatprocedure die eventueel volgt op de onder randnummer 3.19. genoemde procedure tussen onder meer [partij B ] en [partij C tm F] 5.14. zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van [partij B ] worden begroot op: - de kosten van de dagvaarding € 145,45 - salaris advocaat € 2.580,00 (2 punten x € 1.290,00) - nakosten € 189,00 (met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging) Totaal € 2.914,45 5.15. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De rechtbank in de hoofdzaak 6.1. veroordeelt [partij B ] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 43.455,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 24 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling; 6.2. veroordeelt [partij B ] in de proceskosten van € 7.561,87, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B ] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 6.3. veroordeelt [partij B ] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 6.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.5. wijst het meer of anders gevorderde af, in de vrijwaringszaak 6.6. veroordeelt [partij C tm F] hoofdelijk aan [partij B ] te betalen al hetgeen waartoe [partij B ] in de hoofdzaak jegens [partij A] is veroordeeld, te weten de hoofdsom van € 43.455,00 en de proceskosten begroot op € 7.561,87; 6.7. veroordeelt [partij C tm F] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.914,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij C tm F] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend; 6.8. veroordeelt [partij C tm F] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 6.9. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026. Producties 7 aan de zijde van [partij A] . Productie 2 aan de zijde van [partij A] . [partij B ] . [partij B ] . [partij A] . Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG. Productie 7 [partij A] HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia Nederland).