Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:7448 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-07-2026 (C/02/420191 FA RK 24-1231)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Niet-ontvankelijk in verzoek echtscheiding. Veel onduidelijk rond huwelijk in Syrië. Rb komt tot oordeel dat huwelijk niet in overeenstemming met Syrisch recht is gesloten en geregistreerd en ogv 10:31 BW niet voor erkenning in NL in aanmerking komt.

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/420191 FA RK 24-1231 10 juli 2026 beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van [de vrouw] , wonende te op een geheim adres, hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M. Jozefzoon-Flipse, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. D. Abd Rabou. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 14 maart 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen, waaronder de beschikking van de rechtbank Gelderland van 19 februari 2024; - de brieven van mr. Abd Rabou van 11 juni 2024 met bijlagen, 7 januari 2025, 4 juni 2026 en 12 juni 2026. - de brieven van mr. Flipse van 22 juli 2024 met bijlagen, 7 oktober 2024 met bijlagen, 12 november 2024, 27 november 2024, 16 december 2024, 7 januari 2025, 20 mei 2025 met bijlage, 6 juni 2025 met bijlage, 22 juli 2025 (tweemaal) met bijlage, 4 juni 2026 en 17 juni 2026. - de beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 8 april 2024. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 5 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de advocaten van partijen. 1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek . De minderjarigen [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben aangegeven geen gebruik te willen maken van deze gelegenheid. De minderjarige [minderjarige 1] heeft een briefje geschreven. 2 De feiten 2.1 Partijen stellen op [datum] 2011 in Aleppo , Syrië met elkaar te zijn gehuwd. Zij hebben samen de volgende, nu nog minderjarige kinderen: 1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] , Syrië, 2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats 1] , Syrië, 3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2015 te [geboorteplaats 1] , Syrië, 4. [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2016 in [geboorteplaats 2] , 5. [minderjarige 5] , geboren op [geboortedag 5] 2018 in [geboorteplaats 2] , 6. [minderjarige 6] , geboren op [geboortedag 6] 2023 in [geboorteplaats 2] . 2.2. Partijen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. 2.2 Bij voormelde beschikking van de rechtbank Gelderland van 19 februari 2024 heeft genoemde rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin zich deze bevindt, naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant verwezen. 3 De verzoeken 3.1 De vrouw verzoekt, samengevat, - echtscheiding; - bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar; - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 100,= per maand per kind; - bepaling dat de man de huurder van de echtelijke woning zal zijn; - bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen; - opneming van de nog door partijen in het ouderschapsplan te treffen regelingen in de beschikking. 3.2 De man heeft bij brief van 11 juni 2024 bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt en dat daarom geen verweerschrift zal worden ingediend. De man vermeldt dat partijen de rechtbank nu, samengevat, verzoeken: - echtscheiding; - bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw; - bepaling dat de man de huurder van de echtelijke woning zal zijn. 3.3 De vrouw heeft bij brief van 27 november 2024 bericht dat haar verzoeken omtrent de verdeling van de gemeenschappelijke goederen en de opneming van een ouderschapsplan worden ingetrokken. Bij brief van 7 januari 2025 heeft de vrouw laten weten dat zij geen kinderalimentatie wenst. De rechtbank begrijpt hieruit dat de vrouw haar verzoek tot kinderalimentatie eveneens intrekt. 4 De beoordeling Echtscheiding 4.1 De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. 4.2 De man erkent dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt de rechtbank de echtscheiding uit te spreken. Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.3 De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoek partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland. De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bestaan en erkenning huwelijk 4.4 Voordat wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding, dient eerst beoordeeld te worden of sprake is van een rechtsgeldig huwelijk en of dat huwelijk in Nederland wordt erkend. 4.5 Volgens artikel 815 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient bij de indiening van het verzoek te worden overgelegd een recent afschrift of uittreksel van de huwelijksakte. Indien deze stukken redelijkerwijs niet kunnen worden overgelegd, kan volgens lid 6 van genoemd artikel worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter. 4.6 Indien de rechtbank van oordeel is dat met de verstrekte informatie kan worden volstaan en dat het bestaan van het huwelijk daarmee voldoende is aangetoond, moet daarna op grond van artikel 10:31 lid 1 BW de voorvraag worden beantwoord of het huwelijk van partijen in Nederland wordt erkend. Genoemd artikel bepaalt dat een huwelijk dat volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of daarna rechtsgeldig is geworden, ook zo wordt erkend. Lid 4 van 10:31 BW legt uit dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, als een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. 4.7 De vrouw heeft geen (afschrift van de) huwelijksakte. Zij heeft uitgelegd dat partijen zijn gevlucht uit Syrië. De vrouw heeft navraag gedaan bij haar familie, maar door de oorlogssituatie is daar niets van te verwachten. 4.8 De vrouw heeft een afschrift ingediend van het eerste en nader gehoor van de man door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op 11 en 13 mei 2016. Tijdens dat gehoor heeft de man verklaard dat hij in juli 2011 in Syrië is gehuwd en dat dit het eerste en enige huwelijk is van hem en zijn echtgenote. De man heeft verder verklaard dat hij met zijn echtgenote en hun kinderen heeft samengewoond in [plaats], [geboorteplaats 1] , Syrië. Zij hebben twee zoons en een dochter ([minderjarige 3], [minderjarige 1], [minderjarige 2]) en een dochter ([naam]) is overleden. De persoonsgegevens van de echtgenote van de man staan niet in de IND-gehoren vermeld. Meer informatie over de (wijze van) huwelijkssluiting ontbreekt ook in de verslagen van de IND. De rechtbank heeft, hoewel meerdere keren opgevraagd, geen IND-rapporten van de vrouw ontvangen. Mr. Jozefzoon-Flipse vermoedt dat de vrouw op nareis naar Nederland is gekomen waardoor er door de vrouw geen gehoren bij de IND zijn afgelegd. 4.9 In de Basisregistratie Personen (BRP) is, voor zover voor de rechtbank kenbaar, ten aanzien van de vrouw en de man opgenomen dat zij op [datum] 2011 met elkaar zijn gehuwd. Partijen stellen beiden dat zij in [geboorteplaats 1] , Syrië zijn gehuwd. De rechtbank kan de registratie van de plaats en het land van de huwelijkssluiting in de BRP echter niet ambtshalve raadplegen. Aan de vrouw is meerdere malen gevraagd om een uittreksel uit de BRP in te dienen met vermelding van de datum en het land van de huwelijkssluiting. Hoewel diverse uittreksels zijn overgelegd, ontbreekt daarop steeds de vermelding van de datum en het land van de huwelijkssluiting. 4.10 De rechtbank heeft verder aan de vrouw gevraagd om de verklaring onder ede ten aanzien van het huwelijk in te dienen, op grond waarvan het huwelijk van partijen in de BRP is geregistreerd. Dit stuk is niet ontvangen. Mr. Jozefzoon-Flipse stelt zich op het standpunt dat er geen verklaring onder ede is afgelegd en dat het huwelijk alleen op basis van de IND-rapporten (zijnde de verslagen van de gehoren van de man) in de BRP is opgenomen. Dit is niet juist. Een IND-rapport is geen brondocument als bedoeld in de Wet BRP. Bij het ontbreken van een huwelijksakte, kan een huwelijk op basis van een verklaring onder ede (als brondocument) in de BRP worden geregistreerd. Bij het afleggen van die verklaring wordt hetgeen is verklaard in het IND-rapport vaak als uitgangspunt genomen. Een afschrift van een dergelijke verklaring onder ede kan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand worden opgevraagd. 4.11 De vrouw heeft wel enkele andere stukken ingediend. Bij haar brief van 22 juli 2024 zijn twee vertalingen ingediend van (afschriften van) inschrijvingen van de vrouw en haar familie in het bevolkingsregister in Syrië uit 2023, overigens zonder overlegging van het originele stuk. In die vertalingen staat de vrouw echter als ‘ongehuwd’ geregistreerd. In haar brief van 22 juli 2025 heeft de vrouw toegelicht dat partijen een islamitisch huwelijk hebben gesloten, in aanwezigheid van getuigen, maar dat dit huwelijk niet officieel is geregistreerd bij de burgerlijke stand, mogelijk vanwege het vluchten voor de oorlog. 4.12 De rechtbank overweegt dat in het Syrische recht de huwelijksvereisten worden beheerst door de geloofsgemeenschap waartoe partijen behoren. De vrouw stelt dat partijen een islamitisch huwelijk hebben gesloten. Uit diverse stukken volgt dat partijen moslim zijn. Voor moslims heeft in Syrië te gelden dat een huwelijk wordt gesloten in de shariarechtbank of bij de mensen thuis, ten overstaan van een huwelijksambtenaar (namens de rechtbank) en in aanwezigheid van twee getuigen. Daarnaast is het mogelijk om een traditioneel islamitisch huwelijk op een latere datum alsnog te laten erkennen door de rechtbank. Alle huwelijken moeten worden geregistreerd bij de burgerlijke stand. De rechtbank acht het in een situatie waarin partijen kort na het huwelijk zouden zijn gevlucht, voorstelbaar dat de validatie door de rechtbank en de registratie bij de burgerlijke stand niet hebben kunnen plaatsvinden. In de situatie van partijen heeft er echter behoorlijk wat tijd gezeten tussen de huwelijkssluiting in 2011 en de start van de oorlog in Syrië in 2015 dan wel de vlucht van partijen in 2016. 4.13 De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat er erg weinig stukken en/of informatie is gegeven door partijen ter onderbouwing van het bestaan van het huwelijk van partijen en de vraag of dit huwelijk in overeenstemming met het Syrische recht is gesloten en daardoor in Nederland kan worden erkend. Bovendien roepen de overgelegde stukken de nodige vragen op. Ook is de rechtbank in dit geval niet door partijen voorzien van feitelijke informatie op basis waarvan kan worden beoordeeld of het aannemelijk is dat partijen het huwelijk op de in Syrië voorgeschreven wijze hebben gesloten en geregistreerd. 4.14 Om een en ander met partijen te kunnen bespreken, is een zitting bepaald. In de oproepbrief aan partijen is kenbaar gemaakt dat de zitting betrekking heeft op de vraag of het huwelijk van partijen in Nederland voor erkenning in aanmerking komt. Op de zitting van 5 juni 2026 zijn verschenen mr. Jozefzoon-Flipse en mr. Abd Rabou. Partijen zelf zijn niet verschenen. Met de advocaten is de hiervoor weergegeven problematiek besproken. De advocaten hebben op de zitting verzocht om een laatste korte aanhouding van de procedure om na te gaan of er wellicht toch een huwelijksakte is opgesteld en of het huwelijk van partijen met die akte alsnog in Syrië geregistreerd zou kunnen worden, bijvoorbeeld via een consulaat of ambassade. De rechtbank heeft partijen daartoe in de gelegenheid gesteld. 4.15 Mr. Abd Rabou heeft bij brief van 12 juni 2026 bericht dat beide partijen hebben laten weten dat er geen huwelijksakte aanwezig is. Gelet hierop, en overeenkomstig hetgeen ter zitting is besproken, kan slechts een niet-ontvankelijkverklaring volgen. 4.16 Mr. Jozefzoon-Flipse heeft bij brief van 17 juni 2026 bericht dat de vrouw niet over een huwelijksakte beschikt. Zij verzoekt derhalve om een niet-ontvankelijkverklaring, zodat het huwelijk in de BRP kan worden doorgehaald. 4.17 De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde uittreksels van het bevolkingsregister in Syrië uit 2023 volgt dat de vrouw in Syrië als ongehuwd staat geregistreerd. Daarmee bestaat het vermoeden dat het huwelijk van partijen in 2011 niet op de in Syrië voorgeschreven wijze is gesloten (in de rechtbank of in aanwezigheid van een ambtenaar van de rechtbank) dan wel op een later moment door de rechtbank is gevalideerd. Partijen hebben de rechtbank niet van andere stukken dan wel feitelijke informatie voorzien die dat vermoeden kunnen weerleggen of die anderszins aannemelijk maken dat het huwelijk naar Syrisch recht rechtsgeldig is. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat het huwelijk tussen partijen naar Syrisch recht niet rechtsgeldig is voltrokken en geregistreerd en dat het huwelijk daarom op grond van artikel 10:31 lid 1 BW in Nederland niet voor erkenning vatbaar is. 4.18 Nu geen sprake is van een huwelijk dat in Nederland kan worden erkend, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek tot echtscheiding. Nevenverzoeken 4.19 De advocaten hebben op de zitting aangegeven dat zij de nog openstaande nevenverzoeken omtrent het hoofdverblijf van de minderjarigen en het huurrecht van de echtelijke woning – waarover partijen het overigens eens zijn – intrekken, omdat partijen vooral belang hebben bij een uitspraak over de rechtsgeldigheid van hun huwelijk. 5 De beslissing De rechtbank verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun verzoek tot echtscheiding. Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.