Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-07-2026 (C/02/448762 / KG ZA 26-281)
Kort Geding. Vervangende toestemming verhuizing. Eiseres niet-ontvankelijk in haar vordering. Ontbreken voldoende spoedeisend belang.
Full text
vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/448762 / KG ZA 26-281 Vonnis in kort geding van 9 juli 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats 1] , eiseres, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. K. Steenbergen-van Straten te Heesch, en [de man] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg te Breda. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 8 juni 2026, met producties; - de conclusie van antwoord van 22 juni 2026, met producties; - de brief met producties van mr. Steenbergen-van Straten van 23 juni 2026; - de pleitnota van de man. 1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting van 25 juni 2026 met gesloten deuren behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vordering te adviseren. 1.3. De voorzieningenrechter heeft [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] , gelet op hun leeftijd, naar hun meningen gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de voorzieningenrechter. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter samengevat wat [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn de ouders van de navolgende thans nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2016 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2019 te [geboorteplaats] , hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. 2.2. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. 2.3. Partijen zijn met elkaar gehuwd. Op 6 februari 2024 is een verzoek ingediend tot het treffen van voorlopige voorzieningen, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/418804 FA RK 24-557. Bij beschikking van 11 maart 2024 heeft de rechtbank, voor zover in deze van belang, bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de voormalige echtelijke woning en dat de kinderen aan hem worden toevertrouwd. Daarnaast is een zorgregeling vastgesteld tussen de vrouw en de kinderen (weekendregeling en helft schoolvakanties). Partijen en de kinderen zijn verwezen voor een traject van (jeugd)hulpverlening van het Uniform Hulpaanbod. Het meer of anders verzochte is geweigerd, waaronder een verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming tot verhuizing met de kinderen te verlenen en hen op haar adres in te schrijven. 2.4. Op 2 april 2024 is een echtscheidingsverzoek ingediend, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/420849 / FA RK 24-1576 (de bodemprocedure). In dat kader hebben partijen inmiddels een ouderschapsplan en een echtscheidingsconvenant opgesteld. Zij zijn onder andere een co-ouderschapsregeling overeengekomen, waarbij de kinderen de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man. Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geldt dat de co-ouderschapsregeling voor hen van start gaat nadat het [traject] is afgerond. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn ingeschreven en verblijven op het adres van de man. [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn ingeschreven en verblijven op het adres van de vrouw. Partijen hebben de rechtbank verzocht om de echtscheiding uit te spreken met aanhechting van het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant en de zaak aan te houden ten aanzien van de zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.5. Het hulpverleningstraject, waarnaar partijen in voormelde beschikking van 11 maart 2024 zijn verwezen, is met het indienen van een eindrapportage van de zorgaanbieder op 22 april 2026 afgesloten. Gelet op het verloop en de resultaten van het hulpverleningstraject heeft de Raad besloten een onderzoek te starten naar de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling. Dit onderzoek is uitgebreid met een beschermingsonderzoek. 3 De vordering en de conclusie van antwoord 3.1. De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw vervangende toestemming verleent om met de kinderen te verhuizen naar de aan haar door een wooncorporatie te [plaats 1] , via loting, toegewezen woning te [plaats 2] , aan [adres] . 3.2. Ter toelichting op haar vordering heeft de vrouw, samengevat, het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft bepaald dat de vrouw de echtelijke woning moest verlaten. Zij huurt nu in [woonplaats 1] een studio met twee slaapkamers. In deze woning kan zij niet alle kinderen laten overnachten en er mogen niet meer dan drie personen wonen. De vrouw heeft geen urgentie voor een sociale huurwoning gekregen en zij is financieel niet in staat om een particuliere huurwoning in [woonplaats 2] en de nabije omgeving te huren of een woning te kopen. Zij is daarom genoodzaakt haar zoektocht naar een geschikte eigen woning verder uit te breiden. Via loting heeft zij nu een betaalbare huurwoning aangeboden gekregen in [plaats 2] . Van dit aanbod kan zij eenmalig gebruik maken. De man heeft echter zijn toestemming voor de verhuizing naar deze woning geweigerd. De noodzaak voor de verhuizing blijkt uit het voorgaande en het feit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu niet bij de vrouw verblijven. Daarnaast slapen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de vrouw noodgedwongen samen op één kamer. De jeugdprofessional van WIJS acht een passende woonomgeving in het belang van de kinderen, mede gelet op de huidige dynamiek tussen de ouders, die belastend voor de kinderen is. Volgens de jeugdprofessional is het ook in het belang van de belastbaarheid van de vrouw dat zij op grotere afstand van de man gaat wonen. De toename in reisafstand is overbrugbaar en hoeft bij goede afspraken het contact tussen de man en de kinderen niet te belemmeren. De verhuizing is voorts doordacht en voorbereid en de vrouw biedt alternatieven om de gevolgen van de verhuizing te compenseren. De kinderen kunnen allen bij haar blijven slapen en er is ruimte, rust en structuur, wat vooral van belang is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 3] , die beiden ASS hebben. De moeder van de vrouw woont in [woonplaats 2] , zodat de kinderen na school met klasgenoten bij oma kunnen afspreken. Bij de huidige verhuizing blijven alle omstandigheden, school, sport en het contact met de man gelijk. De vrouw neemt het extra reizen op zich en zal het leerlingenvervoer vanuit [plaats 2] voor [minderjarige 2] regelen. Hoewel een verhuizing spannend zal zijn blijven de veranderingen voor de kinderen zo beperkt mogelijk. De extra reistijd is per enkele reis achttien minuten en blijft beperkt tot het begin en het einde van de dag. De ouders zijn beperkt in staat tot onderlinge communicatie en overleg. De rechtbank heeft in het kader van het traject binnen het Uniform Hulpaanbod aan de Raad verzocht een onderzoek naar een ondertoezichtstelling van de kinderen te doen omdat er zorgen zijn over de gedragingen van de man. Voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] geldt nu een co-ouderschapsregeling en de overdrachtsmomenten zijn op school, zodat er geen extra overleg tussen partijen nodig is. De verhuizing verandert niets aan de rechten van de man en de kinderen in het contact met elkaar in een vertrouwde omgeving. De huidige co-ouderschapsregeling, waarbij de kinderen om de week bij de man verblijven in de voorheen echtelijke woning blijft ongewijzigd. Er zijn ook geen extra kosten voor de man door de verhuizing van de vrouw. Zij is bereid de kinderen in vakanties naar de man te brengen en hen daar op te halen. De vrouw betwist de stellingen van de man dat de verhuizing de woonbasis, het sociale netwerk, de dagelijkse structuur, onderwijs en begeleiding van de kinderen raakt en de kinderen in hun huidige omgeving geworteld zijn. De afstand tot school neemt volgens de man toe naar circa veertig kilometer en de reistijd naar veertig à vijftig minuten, wat een structurele dagelijkse belasting vormt bovenop de reguliere schooldag, met name voor [minderjarige 1] en [minderjarige 3] vanwege hun ASS. De vrouw meent dat de extra reistijd slechts achttien minuten per enkele reis is, de kinderen in de woning in [plaats 2] meer ruimte en rust hebben en enkel de woning van de vrouw zal wijzigen, niet alle overige sociale omstandigheden. De man geeft aan geen bezwaar te hebben tegen een verhuizing van de vrouw naar [plaats 2] , als [minderjarige 3] en [minderjarige 4] op zijn adres worden ingeschreven en er een nieuwe zorgregeling wordt afgesproken, in die zin dat de kinderen slechts eenmaal per veertien dagen een weekend bij de vrouw verblijven. Dit alternatief is naar de mening van de vrouw veel ingrijpender voor de kinderen dan het behouden van de huidige regeling in combinatie met de verhuizing. Mocht haar geen vervangende toestemming voor de verhuizing worden gegeven, dan zal de vrouw niet verhuizen en is er aldus geen noodzaak tot wijziging van de zorgregeling. De vrouw heeft wel een spoedeisend belang bij haar vorderingen. 3.3. Door en namens de vrouw is tijdens de zitting aanvullend, samengevat, het volgende aangevoerd. Van haar niet kan worden gevergd dat zij de beslissing in de bodemprocedure afwacht. Zij heeft de woning in [plaats 2] geaccepteerd en de huurovereenkomst is ingegaan. Er was geen tijd voor overleg, zij moest van de verhuurder direct beslissen. Daarnaast heeft zij ook de huurwoning in [woonplaats 1] nog, maar zij kan de dubbele lasten niet dragen. De door de man aangedragen woningen in [woonplaats 2] en omgeving kan zij niet betalen. De vrouw heeft nu geen ruimte om alle kinderen op te vangen, waardoor zij het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu niet kan opbouwen. De zorgregeling die partijen zijn overeengekomen is aldus praktisch onuitvoerbaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al lange tijd geen enkel contact met de vrouw, zij wijzen haar af. Zij krijgt weinig informatie over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij zou graag met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in gesprek willen gaan maar dat komt niet van de grond. De man blijft zeggen dat zij dat niet willen maar zo gebeurt er niets. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voelen niet de vrijheid om naar haar te komen. Het [traject] is nog niet afgerond. De vrouw betwist de stellingen van de man onder 25, 26 en 27 van de conclusie van antwoord. Op korte termijn kan de vrouw geen andere woning vinden. Het is belangrijk dat de kinderen een eigen plek hebben in huis, zeker met hun problematiek. De vrouw vindt het spijtig dat de kinderen door de man bij de problematiek van partijen ingezet worden; dit laat zien dat de man controlerend gedrag vertoont. De man laat zich evenmin uit over de voordelen van een verhuizing. De kinderen krijgen allen een eigen kamer en er is een tuin. De vrouw kan flexibel werken zodat zij de kinderen kan wegbrengen en ophalen. Een verhuizing biedt meer ruimte voor de kinderen en rust tussen partijen, dit weegt niet op tegen de extra reistijd. De kinderen moeten samen kunnen zijn. De vrouw is al lange tijd bezig met een andere woning. Zij heeft niet expliciet in [plaats 2] naar een woning gezocht. Zij kan ook niet zomaar gaan samenwonen met haar huidige partner. Haar huidige woning in [woonplaats 1] is een doorstroomwoning en daarmee tijdelijk. 3.4. De man voert verweer tegen de vordering van de vrouw en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in deze vordering dan wel tot afwijzing hiervan, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding. 3.5. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de man, samengevat, het volgende aangevoerd. Een enkele reis vanaf de huidige woning van de vrouw naar de school van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bedraagt 22 minuten en vanaf de woning in [plaats 2] , zonder file, 43 minuten. In strijd met het ouderschapsplan heeft de vrouw geen overleg gevoerd over de voorgenomen verhuizing. De man werd voor een voldongen feit geplaatst. De man heeft alle kinderen altijd gestimuleerd om contact met de vrouw te hebben. Dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in het kader van co-ouderschap bij de vrouw verblijven geeft aan dat hij daar ook emotionele toestemming voor geeft. De man heeft moeite met de rol van de jeugdprofessional van WIJS in deze. Er is geen onderzoek gedaan naar haar stellingen. Desgevraagd heeft de jeugdprofessional bij de man aangegeven dat het haar rol niet is om te beoordelen of de situatie al dan niet wenselijk is. De man stelt zich de vraag of de vrouw ontvankelijk is in haar vordering. Er is geen sprake van een spoedeisend belang. Een procedure in kort geding is bedoeld voor spoedeisende gevallen waarin een onmiddellijke voorziening van belang is. De vrouw hoeft haar huidige woning echter niet te verlaten, zo is bijvoorbeeld de huurovereenkomst niet opgezegd. Volgens haar is haar huidige woning te klein om alle kinderen te huisvesten, maar er is geen contact tussen haar en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Een vordering tot vervangende toestemming om te mogen verhuizen leent zich in beginsel ook niet voor een beoordeling in kort geding. Er is in deze ook geen sprake van een uitzonderingssituatie. De vrouw kan de woning in [plaats 2] weigeren. Ook kan zij een woning zoeken in de directe omgeving van [woonplaats 2] . Evenmin is gesteld of gebleken dat een verhuizing naar [plaats 2] in het belang van de kinderen is. Integendeel, de kinderen zijn inmiddels geworteld in [woonplaats 1] / [woonplaats 2] , dat dicht bij elkaar ligt. In [plaats 2] kennen zij niemand. Wanneer de voorzieningenrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, stelt de man dat er geen noodzaak is voor de vrouw om te verhuizen. Zij hoeft haar huidige woning in [woonplaats 1] niet uit en de ruimte is op dit moment voldoende voor drie personen. Als het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hersteld wordt zullen zij nog niet direct bij de vrouw overnachten. Ook al zou er een noodzaak zijn om te verhuizen dan kan dit ook in de buurt van haar huidige woning. De kinderen willen ook niet verhuizen. Anders dan de jeugdprofessional meent de man dat de zorgen bij de voorgenomen verhuizing juist zullen toenemen. De man betwist wat de jeugdprofessional heeft gesteld. Zij spreekt zichzelf ook tegen. De huidige situatie lijkt niet alleen door de man, maar ook door de vrouw te zijn veroorzaakt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn kennelijk gekwetst door het gedrag van de vrouw. De omstandigheid dat de vrouw nadeel ondervindt indien zij de woning in [plaats 2] alsnog moet afzeggen, heeft zij zelf gecreëerd. Nu de noodzaak voor de verhuizing ontbreekt, dient de vordering van de vrouw te worden afgewezen. Dat de vrouw de woning in [plaats 2] binnen korte tijd moest accepteren maakt dat de verhuizing niet is doordacht. De kinderen zijn niet bekend met de woning en de beoogde woonomgeving. De woning van de moeder van de vrouw en de buurt waarin zij woont zijn niet geschikt om vriendjes en vriendinnetjes van de kinderen te ontvangen. De situatie voor de kinderen verandert enorm bij een verhuizing. Tot slot betwist de man dat een onderzoek door de Raad nodig is vanwege zijn gedrag. Het onderzoek is een logisch vervolg voor het niet behalen van de doelen die in het hulpverleningstraject gesteld zijn. 3.6. Tijdens de zitting is van de zijde van de man aanvullend, samengevat, het volgende aangevoerd. De kinderen staan in deze centraal. Vooral voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zal de reistijd toenemen. Wanneer ook [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw zullen zijn loopt de reistijd verder op omdat zij op een school in Oosterhout zitten. Een beslissing tot verhuizing heeft veel invloed en kan niet worden teruggedraaid. Dit betekent dat er een spoedeisend belang moet zijn. De man begrijpt dat de woning in [plaats 2] een kans is voor de vrouw, maar er is geen noodzaak om te verhuizen. Daarbij komt dat een raadsonderzoek zal worden gestart. De man meent dat de resultaten van dit onderzoek moeten worden afgewacht voordat er beslissingen worden genomen. Partijen hebben ieder hun verhaal. De jeugdprofessional heeft bij de man haar eerdere woorden over de wenselijkheid van een verhuizing wat teruggenomen. Zij is een belangrijk persoon in deze en zij kan in de bodemprocedure als getuige worden gehoord. De man meent dat een verhuizing als hier aan de orde niet in het belang van de kinderen is. De afgelopen jaren zijn erg onrustig voor hen geweest en zij hebben behoefte aan rust en stabiliteit. Zij hebben aangegeven dat zij moeite hebben met verder weg wonen en de extra reistijd belastend te vinden. De huidige woonomgeving sluit goed aan bij de kinderen en zij functioneren nu goed. Een verhuizing betekent opnieuw veel verandering en de kinderen zullen vaker moeten schakelen. De man betwist dat de mening van de kinderen voortvloeien uit zijn invloed. Hiervan zijn binnen de hulpverlening ook geen signalen gezien. De kinderen hebben hun eigen spanningen en gebeurtenissen meegemaakt. Het is aan partijen om afspraken te maken. Ook kan een jeugdbeschermer een rol spelen, wanneer de Raad binnen het onderzoek concludeert tot een ondertoezichtstelling en het verzoek wordt toegewezen. 3.7. [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben in hun gesprek met de voorzieningenrechter aangegeven niet naar [plaats 2] te willen verhuizen. Hun sociale leven speelt zich af in hun huidige woonomgeving. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben daarbij aangegeven dat zij bij de man wonen en dat zij geen contact met de vrouw, hun moeder, willen hebben. Zij zijn boos op hun moeder en willen nu zelfs geen telefonisch contact of een contact van enige uren met haar hebben. [minderjarige 3] heeft wel contact met haar beide ouders, waarbij uitvoering wordt gegeven aan de co-ouderschapsregeling. [minderjarige 3] en [minderjarige 4] delen bij de vrouw samen een kamer. [minderjarige 3] zou dit graag anders zien, in die zin dat zij beiden een eigen kamer hebben. 4 Het standpunt en advies van de Raad 4.1. Namens de Raad is ter zitting, samengevat, het volgende aangegeven. De vertegenwoordiger van de Raad heeft zich de vraag gesteld of een advies kan worden gegeven nu er een beschermingsonderzoek zal worden gestart. Er speelt erg veel in deze, dit maakt een beschermingsonderzoek wel noodzakelijk. Het is schadelijk dat er geen contact is tussen de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Beide jongens geven de vrouw de schuld van de echtscheiding van hun ouders. Los van de vraag of de man daarin wel of geen rol heeft, de situatie is ingewikkeld voor de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gewoon boos. Het is van belang dat hulpverlening voor hen wordt ingezet zodat het contact met de vrouw weer kan worden opgebouwd. De Raad heeft zorgen over het ontbreken van dit contact. Het grootste belang van de kinderen is dat partijen samen als ouders voor hen beschikbaar zijn. Beide partijen willen de kinderen rust en stabiliteit bieden. De woning in [plaats 2] is niet op hele grote afstand maar de impact van een verhuizing is groot omdat partijen niet met elkaar door één deur kunnen. Dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu niet bij de vrouw kunnen overnachten is niet het belangrijkste. Het gaat niet zozeer om praktische zaken maar om de emotionele ondersteuning van de kinderen. De kinderen en partijen zitten nu vast. Gelet op de huidige wachttijd bij de Raad is het raadsrapport over ongeveer een half jaar te verwachten. Mogelijk vloeit daar ook een verzoek tot ondertoezichtstelling uit voort. 5 De beoordeling 5.1. Aan de beoordeling van de voorzieningenrechter ligt allereerst voor of op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen, het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering vaststaat. Het begrip spoedeisend belang kan in een procedure in kort geding in verschillende betekenissen worden gebruikt: als vereiste om toegang te krijgen tot de voorzieningenrechter (ontvankelijkheidsvereiste) en als vereiste voor toewijzing van de verlangde voorziening. Een voorziening in kort geding kan slechts dan worden gegeven als sprake is van een spoedeisende zaak waarin een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist en van de eisende partij niet kan worden gevergd dat zij een bodemprocedure afwacht. De voorziening betreft immers een ordemaatregel. 5.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw niet dan wel onvoldoende aangetoond dat haar belang een onverwijlde voorziening vordert. Zij heeft dan ook geen dan wel onvoldoende spoedeisend belang bij de door haar gevorderde voorziening. Onvoldoende is gebleken van feiten en/of omstandigheden die maken dat er sprake is van een acute situatie die onmiddellijk ingrijpen vereist en dat het niet van de vrouw gevergd kan worden de beslissing in een bodemprocedure af te wachten. 5.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat de vrouw op dit moment een huurhuis in [woonplaats 1] heeft. De huurovereenkomst is niet opgezegd. Zij woont daar samen met [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Hoewel de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat dit een doorstroomwoning is, heeft zij geen omstandigheid aangevoerd waaruit blijkt dat de huurovereenkomst voor deze woning (op korte termijn, door de verhuurder) wordt opgezegd en zij deze woning (snel) moet verlaten. De vraag kan dan ook worden gesteld of het noodzakelijk is dat de vrouw op dit moment moet verhuizen naar een adres dat niet is gelegen in [woonplaats 2] en directe omgeving. De voorzieningenrechter neemt aan dat de woning in [plaats 2] groter is dan de huidige woning van de vrouw in [woonplaats 1] , dat zij daar met alle kinderen kan wonen en dat het huis daarmee geschikt is voor een verblijf van haar met vier kinderen. De vrouw wil naar [plaats 2] verhuizen om een door partijen in een door hen opgesteld ouderschapsplan overeengekomen co-ouderschapsregeling uit te voeren met alle kinderen. Hiervoor heeft zij naar eigen zeggen een betaalbare grote woning nodig, die zij niet in [woonplaats 2] en omgeving kan vinden. Partijen stellen daarbij zelf vast dat de co-ouderschapsregeling op dit moment feitelijk alleen geldt en wordt uitgevoerd ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] willen, los van de vraag wat de oorzaak daarvan is en of dit wenselijk en in hun belang is, op dit moment geen contact met de vrouw. Er is nu geen sprake van de uitvoering van een enkele vorm van contact tussen de vrouw, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waardoor er bij haar ook geen overnachtingen plaatsvinden. Ondanks dat beide partijen het erover eens zijn dat dit contact moet worden hersteld, is nu nog niet te overzien en is ook niet de verwachting dat er binnen een redelijke termijn, waarbij gedacht wordt aan een periode van zes maanden, sprake zal zijn van een volledig opgebouwd contact, zo nodig met overnachting(en). Daarnaast staat vast dat ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het [traject] nog niet is afgerond. De vrouw heeft wellicht de behoefte, maar niet de noodzaak om een woning als in [plaats 2] op dit moment beschikbaar te hebben. 5.4. De voorzieningenrechter heeft wel begrip voor het standpunt van de vrouw dat zij ook een woning heeft gezocht in de omgeving van [plaats 1] . Feit van algemene bekendheid is immers dat het moeilijk is om een woning te vinden en dat men in een grotere omgeving gaat kijken en zoeken om de kansen te vergroten. Een dergelijk grotere woning is zeker prettig, maar voor nu niet noodzakelijk nu de vrouw hier voorlopig niet met vier kinderen gaat wonen. De voorzieningenrechter heeft eveneens begrip voor de wens van [minderjarige 3] en misschien ook van [minderjarige 4] om over een eigen kamer te beschikken. Dit is in deze omstandigheden echter ook onvoldoende om een spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering aan te nemen. 5.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de vrouw, vanwege het ontbreken van voldoende spoedeisend belang, niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. 5.6. Er wordt in deze procedure geen aanleiding gezien om af te wijken van de hoofdregel dat in familierechtelijke geschillen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. 6 De beslissing De voorzieningenrechter: 6.1. verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vordering; 6.2. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026, in tegenwoordigheid van Dekkers, griffier.