Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:8729 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-09-2026 (BRE 25/5331, 25/5332)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Geheimhoudingskamer

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/5331, 25/5332 beslissing van de enkelvoudige geheimhoudingskamer van 10 september 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] V.O.F., uit [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Het verzoek 1.1. De inspecteur heeft, met dagtekening 22 december 2025, een verweerschrift met bijlagen ingediend en daarbij een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan. 1.2. De inspecteur heeft daarbij een gesloten enveloppe overgelegd met stukken die hij (deels) geheim wil houden. In de enveloppe is kortgezegd aanwezig: een nadere toelichting op het verzoek om beperkte kennisneming; een kopie van een handgeschreven tipbrief die de Belastingdienst heeft ontvangen (bijlage 12 bij verweerschrift); een memo van de Belastingdienst die aan het Openbaar Ministerie is verstrekt (bijlage 12 bij verweerschrift); een proces-verbaal van de FIOD (bijlage 21 bij verweerschrift). 1.3. De inspecteur heeft het verzoek toegelicht en heeft als gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb kort weergegeven het volgende aangevoerd: Reden A: het belang van privacy van individuele ambtenaren; Reden B: het belang van privacy van derden; 1.4. De geschoonde stukken als bedoeld in 1.2 zijn als bijlagen 12 en 21 bij het verweerschrift in de hoofdzaken gevoegd. Van de toelichting op het verzoek om beperkte kennisneming, het verweerschrift en de bijlagen heeft de gemachtigde een afschrift ontvangen. 1.5. De gemachtigde heeft, bij brief van 28 januari 2026 gereageerd op het verzoek van de inspecteur. Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven dat belanghebbende niet akkoord gaat met beperkte kennisneming. Belanghebbende heeft wel ingestemd met beperkte kennisneming van de originele handgeschreven tipbrief (bijlage 12 bij het verweerschrift). Belanghebbende heeft daarnaast ingestemd met beperkte kennisneming van de namen van de ambtenaren aangeduid met letters B, C en D, de gegevens aangeduid met letter N en letters W tot en met Z, AA t/m UU en de genoemde telefoonnummers (bijlage 21 bij het verweerschrift) Overwegingen Geen zitting 2. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. Kader voor beoordeling 2.1. De omstandigheid dat een stuk een stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb is, brengt niet automatisch mee dat dit stuk (volledig) aan de andere partij ter kennis moet worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt immers aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). 2.2. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt: geheimhouding: de (delen van de) stukken mogen door de inspecteur worden onthouden aan de hoofdkamer en aan de wederpartij; zowel de hoofdkamer als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing; beperkte kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de hoofdkamer, maar de wederpartij kan geen kennisnemen van deze (delen van) stukken. 2.3. De geheimhoudingskamer begrijpt dat de inspecteur zich beroept op beperkte kennisneming (variant b). In artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat variant b alleen is toegestaan met toestemming van de belastingplichtige. Belanghebbende heeft die toestemming, met uitzondering van een aantal namen (zie 1.5) niet verleend voor een memo van de Belastingdienst die aan het Openbaar Ministerie is verstrekt en een proces-verbaal van de FIOD. De geheimhoudingskamer zal daarom voor die stukken beoordelen of geheimhouding gerechtvaardigd is (variant a). 2.4. Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen) van die stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. Beoordeling van het verzoek 2.5. De geheimhoudingskamer merkt vooraf op dat belanghebbende heeft aangegeven niet in te stemmen met beperkte kennisneming van de persoon aangeduid met de letter ‘G’. De geheimhoudingskamer constateert dat deze persoon geen onderdeel uitmaakt van het verzoek van de inspecteur. 2.6. De geheimhoudingskamer heeft, met toepassing van artikel 8:29 van de Awb, kennisgenomen van de geheimgehouden stukken en van de stukken van de hoofdzaak. De geheimgehouden stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de redenen van de inspecteur om de stukken geheim te houden. Persoonsgegevens van (belasting)ambtenaren (reden A) 2.7. Op verschillende pagina’s van de geschoonde stukken zijn persoonsgegevens van Nederlandse (belasting)ambtenaren om redenen van privacy onleesbaar gemaakt. 2.8. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat het belang van bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze gegevens. De inspecteur heeft de persoonsgegevens in de geheimgehouden stukken met letters anoniem aangeduid en een met deze letters corresponderende lijst aan de geheimhoudingskamer overgelegd. Daardoor zijn de ambtenaren individualiseerbaar en zouden zij als ‘te horen personen’ in de hoofdzaak kunnen worden aangewezen. Voor de onleesbaar gemaakte passages geldt daarom dat sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding op dit punt dan ook toe. (Persoons)gegevens van derden en informatie over derden (reden B) 2.9. Op verschillende pagina’s van de geschoonde stukken zijn gegevens van derden, waaronder namen van natuurlijke personen en rechtspersonen en RSIN-nummers, om redenen van privacy onleesbaar gemaakt. 2.10. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit in beginsel gerechtvaardigd, omdat ook daarvoor geldt dat geheimhouding van die gegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende in deze zaak bij kennisneming daarvan. Dat kan anders zijn indien de inhoud van die passages ook bijvoorbeeld niet aan belanghebbende bekende feitelijke informatie bevat, waardoor het (verdedigings)belang van belanghebbende in gedrang zou kunnen komen, maar dat is de geheimhoudingskamer hier niet gebleken, ook al niet omdat in bijlage 12 de nadeelbedragen per geanonimiseerd bedrijf per jaar en getotaliseerd gespecificeerd zijn, en wordt aangegeven hoe die zaken worden afgedaan, en in bijlage 21 inhoud en context van de verklaringen van de personen waarvan de persoonsgegevens zijn geanonimiseerd, zijn na te gaan. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat belanghebbende door het geheimhouden van deze gegevens – gelet op de aard en inhoud ervan – niet wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding op dit punt dan ook toe. Conclusie 2.11. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek van de inspecteur om geheimhouding van bijlagen 12 en 21 bij het verweerschrift toe. Beslissing De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding toe. Deze beslissing is genomen door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 10 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De beslissing is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze beslissing aan partijen ter beschikking is gesteld. Rechtsmiddel Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld. Vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.