# Rechtbank Amsterdam, 18-06-2026 (13-108239-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:6351
- Date: 2026-06-18
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A6351
- Canonical: https://overview.legal/posts/354263

## Summary

Executie-EAB Polen; artikel 12 OLW: afzien van de weigeringsgrond; artikel 11 OLW: geen algemeen gevaar vastgesteld m.b.t. de detentieomstandigheden

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-108239-26 Datum uitspraak: 18 juni 2026 UITSPRAAK op de vordering van 15 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 oktober 2025 door the Regional Court in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Kielce van 14 november 2023 met kenmerk IX K 1242/22. Uit de aanvullende informatie van 13 mei 2026 blijkt dat het vonnis in hoger beroep bij arrest, gewezen door the Regional Court in Kielce op 19 december 2024 met kenmerk IX Ka 604/24, is bevestigd. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en negen maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om een ondubbelzinnige verzetgarantie op te vragen, vanwege een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in hoger beroep. Uit de stukken blijkt namelijk niet of de advocaat in hoger beroep gemachtigd was om de verdediging te voeren en of de oproep voor de zitting naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres is verstuurd. Uit de stukken blijkt weliswaar dat de opgeëiste persoon bij zijn verhoor bij de politie op 11 mei 2022 een adresinstructie heeft ondertekend die gold voor de gehele strafprocedure, maar een dergelijke instructie is in strijd met artikel 6 EVRM. Op die manier wordt immers bewerkstelligd dat de opgeëiste persoon allerlei voorwaarden accepteert, terwijl hij hierbij geen bijstand heeft gehad van een advocaat. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van deze weigeringsgrond omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ondertekend. Uit de stukken blijkt dat deze adresinstructie geldt voor de gehele procedure. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en die – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Uit de aanvullende informatie van 13 mei 2026 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon is verhoord als verdachte en dat hij in voorarrest heeft gezeten. Verder heeft hij verklaard dat hij zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis. Tijdens het politieverhoor heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie ondertekend. Uit de aanvullende informatie van 22 mei 2026 blijkt dat de adresinstructie gold voor de gehele procedure, inclusief de procedure in hoger beroep. Bovendien kan en moet een verdachte die zelf hoger beroep instelt en die eerder in de procedure een correspondentieadres heeft opgegeven redelijkerwijs verwachten dat hij op dat adres zal worden opgeroepen. De oproep voor de zitting in hoger beroep is volgens de aanvullende informatie van 13 mei 2026 naar het opgegeven adres [adres] verstuurd en niet door de opgeëiste persoon opgehaald. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot brieven die op zijn correspondentieadres bezorgd werden. Van hem mocht zorgvuldigheid worden verwacht, aangezien hij er rekening mee moest houden dat er een procedure in hoger beroep zou volgen. Het verweer van de raadsman ten aanzien van de gestelde afwezigheid van een advocaat bij het ondertekenen van de adresinstructie stuit alleen al af op de omstandigheid dat nergens uit blijkt (en de opgeëiste persoon zelf ook niet heeft verklaard) dat bij het betreffende politieverhoor geen advocaat aanwezig was. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Het verweer wordt verworpen. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht (gelet op het bovenstaande) geen aanleiding om de zaak aan te houden en wijst dat verzoek dan ook af. 4 Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen. 5 Artikel 11 OLW: 5.1. artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 5.2. Poolse detentieomstandigheden Standpunt van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft de rechtbank (impliciet) verzocht om geen gevolg te geven aan het EAB, omdat hij gevaar loopt in detentie in Polen vanwege het feit dat hij belastende verklaringen heeft afgelegd over andere verdachten in zijn zaak. Hij vreest voor represailles. Oordeel van de rechtbank De overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met het ondergaan van een gevangenisstraf. Op dit moment is er voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in detentie-instellingen in Polen geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vastgesteld. De opgeëiste persoon heeft, nog daargelaten dat niet is onderbouwd dat de opgeëiste persoon een bedreigde getuige is, niet met objectieve, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd dat bedreigde getuigen in detentie in Polen geen bescherming krijgen. De rechtbank ziet hiervoor ook geen aanwijzingen, zodat het beroep op deze weigeringsgrond niet slaagt. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 285 en 312 Wetboek van Strafrecht, 26 en 55 Wet wapens en munitie en 2, 5, 7 en 12 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Kielce voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. O.P.M. Fruytier en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 juni 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) ), punt 32. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354263 · 2026-09-24
