# Richtsnoeren 04/2022 voor de berekening van administratieve geldboeten krachtens de AVG

- Type: Guidance
- Source: EDPB
- Identifier: edpb-guidelines-berekenen-administratieve-boetes
- Date: 2022-01-01
- Original: https://www.edpb.europa.eu/system/files/2024-01/edpb_guidelines_042022_calculationofadministrativefines_nl_0.pdf
- Canonical: https://overview.legal/posts/38085
- Topics: Administrative Fines on Union Institutions, Bodies, Offices and Agencies, Standards Publication, Right to Rectification, Fines, Prior Consultation, Audit Logs, Data Subject Rights Exercise Modalities and Procedures, Notified Body Assessment Procedures, Right to Erasure, Fairness & Transparency

## Summary

Het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) heeft deze richtsnoeren vastgesteld met het oog op de harmonisatie van de methode die de toezichthoudende autoriteiten gebruiken om het bedrag van de geldboete te berekenen. Deze richtsnoeren vormen een aanvulling op de eerder vastgestelde Richtsnoeren voor de toepassing en vaststelling van administratieve geldboeten in de zin van Verordening (EU) 2016/679 (WP 253), die betrekking hebben op de omstandigheden waarin een geldboete moet worden opg...

## Full text

<!-- image -->

## Richtsnoeren 04/2022 voor de berekening van administratieve geldboeten krachtens de AVG

Versie 2.1

Vastgesteld op 24 mei 2023

## Versiegeschiedenis

| Versie 1.0   | 12 mei 2022   | Vaststelling van de richtsnoeren voor openbare raadpleging   |
|--------------|---------------|--------------------------------------------------------------|
| Versie 2.0   | 24 mei 2023   | Vaststelling van de richtsnoeren na openbare raadpleging     |
| Versie 2.1   | 29 juni 2023  | Kleine correctie                                             |

## SAMENVATTING

Het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) heeft deze richtsnoeren vastgesteld met het oog op de harmonisatie van de methode die de toezichthoudende autoriteiten gebruiken om het bedrag van de geldboete te berekenen. Deze richtsnoeren vormen een aanvulling op de eerder vastgestelde Richtsnoeren voor de toepassing en vaststelling van administratieve geldboeten in de zin van Verordening (EU) 2016/679 (WP 253), die betrekking hebben op de omstandigheden waarin een geldboete moet worden opgelegd.

Het is aan de toezichthoudende autoriteit om het bedrag van de geldboete te berekenen, waarbij zij zich moet houden aan de regels van de AVG. In dit verband schrijft de AVG voor dat het bedrag van de geldboete in elk individueel geval doeltreffend, evenredig en afschrikkend moet zijn (artikel 83, lid 1, AVG). Bovendien moeten de toezichthoudende autoriteiten bij het vaststellen van het bedrag van de geldboete naar behoren rekening  houden  met  een  lijst  van  omstandigheden  die  verwijzen  naar  kenmerken  van  de  inbreuk  (de zwaarte ervan) of van de aard van de pleger (artikel 83, lid 2, AVG). Tot slot mag het bedrag van de geldboete niet  hoger  zijn  dan  de  maximumbedragen  die  zijn  vastgesteld  in  artikel 83,  leden 4,  5  en 6,  AVG.  De kwantificering van het bedrag van de geldboete is dan ook gebaseerd op een specifieke evaluatie die per geval wordt verricht, binnen de in de AVG opgenomen parameters.

Rekening houdend met het bovenstaande heeft de EDPB de volgende methode, bestaande uit vijf stappen, uitgewerkt voor het berekenen van administratieve geldboeten voor inbreuken op de AVG.

In  de  eerste  stap  moeten  de  verwerkingsactiviteiten  in  het  geval  in  kaart  worden  gebracht  en  moet  de toepassing  van  artikel 83,  lid 3,  AVG  worden  geëvalueerd  ( hoofdstuk 3 ).  In  de  tweede  stap  moet  het uitgangspunt voor de verdere berekening van het bedrag van de geldboete worden bepaald ( hoofdstuk 4 ). Dat gebeurt door middel van een beoordeling van de indeling van de inbreuk op grond van de AVG, een beoordeling  van  de  zwaarte  van  de  inbreuk  in  het  licht  van  de  omstandigheden  van  het  geval  en  een beoordeling van de omzet van de onderneming. In de derde stap wordt nagegaan of er verzwarende en verzachtende omstandigheden in verband met vroeger of huidig gedrag van de verwerkingsverantwoordelijke/verwerker  zijn  en  wordt  de  geldboete  dienovereenkomstig  verhoogd  of verlaagd  ( hoofdstuk 5 ).  In  de  vierde  stap  worden  de  relevante  wettelijke  maximumbedragen  voor  de verschillende inbreuken vastgesteld. Dit maximumbedrag mag niet worden overschreden als gevolg van in voorgaande of volgende stappen toegepaste verhogingen ( hoofdstuk 6 ). Tot slot moet worden nagegaan of het  berekende  eindbedrag  doeltreffend,  afschrikkend  en  evenredig  is.  De  geldboete  kan  nog  steeds dienovereenkomstig  worden  aangepast  ( hoofdstuk 7 ),  waarbij  het  relevante  wettelijke  maximumbedrag echter niet mag worden overschreden.

Bij alle bovengenoemde stappen moet in gedachten worden gehouden dat de berekening van een geldboete niet alleen een mathematische exercitie is. Integendeel, de omstandigheden van het specifieke geval zijn de bepalende factoren die leiden tot het eindbedrag, dat in alle gevallen elk bedrag kan zijn tot en met het wettelijke maximumbedrag.

Deze richtsnoeren en de daarin beschreven methode zullen voortdurend door de EDPB worden geëvalueerd.

## Inhoudsopgave

| SAMENVATTING ......................................................................................................................................3                                                                                                                               |                                                                                                                          |
|------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------|--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------|
| HOOFDSTUK 1 -INLEIDING .....................................................................................................................6                                                                                                                                      |                                                                                                                          |
| 1.1 -Rechtskader .....................................................................................................................................................6                                                                                                            |                                                                                                                          |
| 1.2 -Doelstelling ......................................................................................................................................................7                                                                                                          |                                                                                                                          |
| 1.3 -Toepassingsgebied ...........................................................................................................................................8                                                                                                                |                                                                                                                          |
| 1.4 -Toepasselijkheid ...............................................................................................................................................8                                                                                                             |                                                                                                                          |
| HOOFDSTUK 2 -METHODEVOOR HET BEREKENEN VAN HET BEDRAG VAN DE GELDBOETE ..........................8                                                                                                                                                                                 |                                                                                                                          |
| 2.1 -Algemene overwegingen ..................................................................................................................................8                                                                                                                     |                                                                                                                          |
| 2.2 -Overzicht van de methode .............................................................................................................................9                                                                                                                       |                                                                                                                          |
| 2.3 -Inbreuken met vaste bedragen                                                                                                                                                                                                                                                  | .......................................................................................................................9 |
| HOOFDSTUK 3 -SAMENLOOP VAN INBREUKEN EN DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 83, LID 3, AVG ................10                                                                                                                                                                                |                                                                                                                          |
| 3.1-Eén inbreuk makende gedraging ....................................................................................................................13                                                                                                                           |                                                                                                                          |
| 3.1.1 -Samenloop van inbreuken ...........................................................................................................................14                                                                                                                       |                                                                                                                          |
| 3.1.2 -Eenheid van handelingen -artikel 83, lid 3, AVG .....................................................................16                                                                                                                                                     |                                                                                                                          |
| 3.2 -Meerdere inbreuk makende gedragingen .......................................................................................................17                                                                                                                                |                                                                                                                          |
| HOOFDSTUK 4 -UITGANGSBEDRAG VOOR DE BEREKENING .....................................................................18                                                                                                                                                             |                                                                                                                          |
| 4.1 -Indeling van inbreuken op grond van artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG ....................................................19                                                                                                                                              |                                                                                                                          |
| 4.2 -Zwaarte van de inbreuk in elk individueel geval ..............................................................................................19                                                                                                                              |                                                                                                                          |
| 4.2.1 -Aard, ernst en duur van de inbreuk ...........................................................................................19                                                                                                                                            |                                                                                                                          |
| 4.2.2 -Opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk .............................................................................21                                                                                                                                                |                                                                                                                          |
| 4.2.3 -Categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft .................................22                                                                                                                                                                     |                                                                                                                          |
| 4.2.4 -Indeling van de zwaarte van de inbreuk en vaststelling van het passende uitgangsbedrag .......23                                                                                                                                                                            |                                                                                                                          |
| 4.3 -Omzet van de onderneming met het oog op het opleggen van een doeltreffende, afschrikkende en evenredige geldboete .........................................................................................................................................................26 |                                                                                                                          |
| HOOFDSTUK 5 -VERZWARENDE EN VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN .................................................29                                                                                                                                                                        |                                                                                                                          |
| 5.1 -Vaststelling van verzwarende en verzachtende factoren .................................................................................29                                                                                                                                     |                                                                                                                          |
| 5.2 -Dedoor de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker genomen maatregelen om de door betrokkenen geleden schade te beperken .............................................................................................................................29                  |                                                                                                                          |
| 5.3-Mate van verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker ..................................30                                                                                                                                                         |                                                                                                                          |
| 5.4 -Eerdere inbreuken door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker .................................................30                                                                                                                                                    |                                                                                                                          |
| 5.4.1 -Tijdschema ................................................................................................................................31                                                                                                                               |                                                                                                                          |
| 5.4.2 -Onderwerp ................................................................................................................................31                                                                                                                                |                                                                                                                          |
| 5.4.3 -Andere overwegingen ...............................................................................................................31                                                                                                                                       |                                                                                                                          |
| 5.5-Demate waarin er met de toezichthoudende autoriteit is samengewerktom de inbreuk te verhelpen en mogelijke negatieve gevolgen daarvan te beperken ..........................................................................................32                                 | de                                                                                                                       |
| 5.6 -Dewijze waarop de toezichthoudende autoriteit kennis heeft gekregen van de inbreuk .................................33                                                                                                                                                        |                                                                                                                          |
| 5.7 -Naleving van maatregelen die eerder met betrekking tot dezelfde aangelegenheid zijn genomen ..................33                                                                                                                                                              |                                                                                                                          |

| 5.8 -Hetaansluiten bij goedgekeurde gedragscodes of goedgekeurde certificeringsmechanismen ........................34 5.9 -Andere verzwarende en verzachtende omstandigheden ................................................................................34   |
|-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------|
| HOOFDSTUK 6 -WETTELIJK MAXIMUMBEDRAG EN AANSPRAKELIJKHEID VAN RECHTSPERSONEN ...............38                                                                                                                                                                    |
| 6.1 -Vaststelling van het wettelijke maximumbedrag .............................................................................................38                                                                                                                |
| 6.1.1 -Statische maximumbedragen ....................................................................................................38                                                                                                                           |
| 6.1.2 -Dynamische maximumbedragen ...............................................................................................38                                                                                                                               |
| 6.2 -Bepaling van de omzet van de onderneming en aansprakelijkheid van rechtspersonen ..................................40                                                                                                                                        |
| 6.2.1 -Omschrijving van een onderneming en aansprakelijkheid van rechtspersonen .........................40                                                                                                                                                       |
| 6.2.2 -Bepaling van de omzet ..............................................................................................................42                                                                                                                     |
| HOOFDSTUK 7 -DOELTREFFENDHEID, EVENREDIGHEID EN AFSCHRIKKEND EFFECT ...................................43                                                                                                                                                         |
| 7.1 -Doeltreffendheid ............................................................................................................................................44                                                                                              |
| 7.2 -Evenredigheid ................................................................................................................................................44                                                                                             |
| 7.3 -Afschrikkend effect ........................................................................................................................................46                                                                                               |
| HOOFDSTUK 8 -FLEXIBILITEIT EN REGELMATIGE EVALUATIE ....................................................................47                                                                                                                                        |
| BIJLAGE -TABEL TER ILLUSTRATIE VAN DE RICHTSNOEREN 04/2022 VOOR DE BEREKENING VAN ADMINISTRATIEVE GELDBOETEN KRACHTENS DE AVG ...............................................................................48                                                   |

## Het Europees Comité voor gegevensbescherming

Gezien artikel 70, lid 1, punten k), j) en e), van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de  Raad  van  27 april  2016  betreffende  de  bescherming  van  natuurlijke  personen  in  verband  met  de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (hierna de 'AVG' genoemd),

Gezien de EER-overeenkomst en met name bijlage XI en Protocol nr. 37, gewijzigd bij Besluit nr. 154/2018 van het Gemengd Comité van de EER van 6 juli 2018 1 ,

Gezien de artikelen 12 en 22 van zijn reglement van orde,

Gezien de Richtsnoeren voor de toepassing en vaststelling van administratieve geldboeten in de zin van Verordening  (EU)  2016/679  (WP 253)  van  de  Groep  gegevensbescherming  artikel 29,  die  het  Europees Comité voor gegevensbescherming (hierna het 'EDPB' genoemd) tijdens zijn eerste plenaire vergadering heeft onderschreven,

## HEEFT DE VOLGENDE RICHTSNOEREN VASTGESTELD

## HOOFDSTUK 1 - INLEIDING

## 1.1 - Rechtskader

1. De EU heeft met de algemene verordening gegevensbescherming (hierna de 'AVG' genoemd), die sinds 25 mei  2018  van  toepassing  is,  een  grondige  hervorming  van  de  regelgeving  op  het  gebied  van gegevensbescherming in Europa voltooid. De bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens is een grondrecht. De verordening berust op verschillende belangrijke componenten, waaronder uitgebreidere handhavingsbevoegdheden voor toezichthoudende autoriteiten. In de verordening worden nieuwe,  aanzienlijk  hogere  geldboeten  vastgesteld  en  wordt  gezorgd  voor  harmonisatie  van  de geldboeten tussen de lidstaten.
2. Verwerkingsverantwoordelijken  en  gegevensverwerkers  hebben  een  grotere  verantwoordelijkheid  om ervoor  te  zorgen  dat  de  persoonsgegevens  van  de  betrokkenen  doeltreffend  worden  beschermd. Toezichthoudende autoriteiten hebben bevoegdheden om ervoor te zorgen dat de beginselen van de AVG en de rechten van de betrokkenen worden gerespecteerd overeenkomstig de formulering en de geest van de AVG.
3. Om die reden heeft de EDPB richtsnoeren ontwikkeld om een duidelijke en transparante basis te verschaffen voor  de  vaststelling  van  geldboeten  door  de  toezichthoudende  autoriteiten.  De  eerder  gepubliceerde richtsnoeren voor de toepassing en vaststelling van administratieve geldboeten gaan over de omstandigheden  waarin  een  administratieve  geldboete  een  passend  middel  zou  zijn  en  omvatten  een


interpretatie  van  de  criteria  van  artikel 83  AVG  in  dit  verband 2 .    De  onderhavige  richtsnoeren  hebben betrekking  op  de  methode  voor  de  berekening  van  administratieve  geldboeten.  Beide  richtsnoeren  zijn tegelijkertijd van toepassing en moeten als complementair worden beschouwd.

## 1.2 - Doelstelling

4. Deze richtsnoeren zijn bedoeld voor gebruik door de toezichthoudende autoriteiten om een consistente toepassing en handhaving van de AVG te waarborgen en geven de algemene interpretatie van de bepalingen van artikel 83 AVG door de EDPB weer.
5. Het doel van deze richtsnoeren is te komen tot geharmoniseerde uitgangspunten als gemeenschappelijke oriëntatie, op basis waarvan in individuele gevallen administratieve geldboeten kunnen worden berekend. Het is echter vaste rechtspraak dat dergelijke richtsnoeren niet dermate specifiek hoeven te zijn dat een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker een exacte mathematische berekening kan maken van de verwachte geldboete 3 . In deze richtsnoeren wordt benadrukt dat het uiteindelijke bedrag van de geldboete afhangt van alle omstandigheden van het geval. Daarom wil de EDPB de uitgangspunten en de methode voor het berekenen van een geldboete harmoniseren, en niet het resultaat.
6. In  deze  richtsnoeren  wordt  een  stapsgewijze  aanpak  gevolgd,  maar  de  toezichthoudende  autoriteiten hoeven niet alle stappen te volgen als zij in een bepaald geval niet van toepassing zijn, en hoeven evenmin een motivering te geven ten aanzien van de aspecten van de richtsnoeren die niet van toepassing zijn. De motivering moet wel ten minste de factoren omvatten die leiden tot de vaststelling van de zwaarte van de overtreding, de omzet die wordt toegepast en de toegepaste verzwarende of verzachtende omstandigheden.
7. Niettegenstaande  deze  richtsnoeren  blijven  de  toezichthoudende  autoriteiten  onderworpen  aan  alle procedurele  verplichtingen  krachtens  het  nationale  en  EU-recht,  met  inbegrip  van  de  verplichting  tot motivering van hun besluiten en hun verplichtingen in het kader van het éénloketmechanisme. In dat licht zijn  de  toezichthoudende  autoriteiten  weliswaar  verplicht  hun  vaststellingen  voldoende  te  motiveren overeenkomstig het nationale en EU-recht, maar deze richtsnoeren mogen niet zo worden uitgelegd dat de toezichthoudende autoriteit het precieze uitgangsbedrag moet aangeven of de exacte gevolgen van elke verzwarende of verzachtende omstandigheid moet kwantificeren. Bovendien kan een enkele verwijzing naar deze richtsnoeren niet dienen als vervanging van de motivering die in een specifiek geval moet worden gegeven.
8. De richtsnoeren worden doorlopend geëvalueerd, terwijl in de EU en de EER praktijken worden ontwikkeld. Er  moet  worden  opgemerkt dat, behalve in Denemarken en Estland 4 ,  de  toezichthoudende  autoriteiten gemachtigd zijn tot het opleggen van administratieve geldboeten, die bindend zijn als er geen beroep tegen wordt ingesteld. In de loop van de tijd zullen de administratieve en justitiële praktijk zich bijgevolg verder ontwikkelen.

2 Richtsnoeren  voor  de  toepassing  en  vaststelling  van  administratieve  geldboeten  in  de  zin  van  Verordening  (EU) 2016/679, WP 253 (hierna 'richtsnoeren WP 253' genoemd). De richtsnoeren WP 253 zijn door de EDPB onderschreven

tijdens zijn eerste plenaire vergadering op 25 mei 2018. Zie Endorsement 1/2018, hier online beschikbaar.


4 Zie overweging 151 AVG.

## 1.3 - Toepassingsgebied

9. Deze richtsnoeren zijn bedoeld om de vaststelling van geldboeten door de toezichthoudende autoriteiten op overkoepelend niveau te regelen en daarvoor de grondslag te leggen. De richtsnoeren zijn van toepassing op alle soorten verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers overeenkomstig artikel 4, punten 7 en 8, AVG, met  uitzondering  van  natuurlijke  personen  wanneer  zij  niet  als  ondernemingen  handelen.  Dit  geldt onverminderd de bevoegdheden van nationale autoriteiten om natuurlijke personen te beboeten.
10. Overeenkomstig  artikel 83,  lid 7,  AVG  kan  elke  lidstaat  regels  vaststellen  betreffende  de  vraag  of  en  in hoeverre administratieve geldboeten kunnen worden opgelegd aan in die lidstaat gevestigde overheidsinstanties en overheidsorganen. Op voorwaarde dat de toezichthoudende autoriteiten op grond van het nationale recht over deze bevoegdheid beschikken, zijn deze richtsnoeren van toepassing op de berekening van de aan overheidsinstanties en overheidsorganen op te leggen geldboete, met uitzondering van  paragraaf 4.3.  De  toezichthoudende  autoriteiten  behouden  echter  de  vrijheid  om  een  methode  te gebruiken die vergelijkbaar is met de in dit hoofdstuk beschreven methode. Verder is hoofdstuk 6 niet van toepassing op de berekening van de aan overheidsinstanties en overheidsorganen op te leggen geldboete indien het nationale recht voorziet in andere wettelijke maximumbedragen en de overheidsinstantie of het overheidsorgaan niet handelt als een onderneming zoals gedefinieerd in paragraaf 6.2.1.
11. De richtsnoeren hebben betrekking op zowel grensoverschrijdende als niet-grensoverschrijdende gevallen.
12. De  richtsnoeren  zijn  niet  uitputtend  en  bevatten  geen  verklaring  voor  de  verschillen  tussen  nationale administratieve, civielrechtelijke of strafrechtelijke systemen bij het opleggen van administratieve sancties in het algemeen.

## 1.4 - Toepasselijkheid

13. Overeenkomstig artikel 70, lid 1, punt e), AVG is de EDPB bevoegd tot het uitvaardigen van richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken om te bevorderen dat de AVG consequent wordt toegepast. In artikel 70, lid 1, punt k), AVG is bepaald dat de EDPB ervoor zorgt dat de AVG consequent wordt toegepast en op eigen initiatief  of,  waar  passend,  op  verzoek  van  de  Europese  Commissie  met  name  richtsnoeren  voor toezichthoudende autoriteiten opstelt betreffende de toepassing van de in artikel 58 bedoelde maatregelen en betreffende de vaststelling van administratieve geldboeten op grond van artikel 83.
14. Om tot een consequente aanpak van het opleggen van administratieve geldboeten te komen die op adequate wijze alle beginselen van de AVG  weerspiegelt,  is de EDPB  een  algemene  interpretatie  van  de beoordelingscriteria van artikel 83 AVG overeengekomen. De afzonderlijke toezichthoudende autoriteiten zullen deze gemeenschappelijke aanpak aan de dag leggen, overeenkomstig de lokale administratieve en justitiële wetgeving die op hen van toepassing is.

## HOOFDSTUK 2 - METHODE VOOR HET BEREKENEN VAN HET BEDRAG VAN DE GELDBOETE

## 2.1 - Algemene overwegingen

15. Onverminderd verplichtingen op het gebied van samenwerking en coherentie is het aan de toezichthoudende autoriteit om het bedrag van de geldboete te berekenen. De AVG schrijft voor dat het bedrag  van  de  geldboete  in  elk  individueel  geval  doeltreffend,  evenredig  en  afschrikkend  moet  zijn

(artikel 83,  lid 1,  AVG).  Bovendien  moeten  de  toezichthoudende  autoriteiten  bij  het  vaststellen  van  het bedrag van de geldboete naar behoren rekening houden met een lijst van omstandigheden die verwijzen naar kenmerken van de inbreuk (de zwaarte ervan) of van de aard van de pleger (artikel 83, lid 2, AVG). De kwantificering van het bedrag van de geldboete is dan ook gebaseerd op een specifieke evaluatie die per geval wordt verricht, rekening houdend met de in de AVG opgenomen parameters.

16. Voor  gedragingen  die  in  strijd  zijn  met  de  gegevensbeschermingsregels  voorziet  de  AVG  niet  in  een minimumboete. Integendeel, de AVG voorziet in maximumboeten in artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG, waarin een aantal verschillende soorten gedragingen zijn gegroepeerd. Een geldboete kan uiteindelijk alleen worden berekend door het tegen elkaar afwegen van alle uitdrukkelijk in artikel 83, lid 2, punten a) tot en met j), AVG genoemde factoren die relevant zijn voor het geval en alle andere relevante elementen, zelfs als deze niet uitdrukkelijk in die bepalingen worden genoemd (aangezien op grond van artikel 83, lid 2, punt k), AVG naar behoren rekening moet worden gehouden met elke andere toepasselijke factor). Ten slotte moet het definitieve bedrag van de geldboete dat uit deze beoordeling volgt, in elk individueel geval doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn (artikel 83, lid 1, AVG). Bij elke geldboete die wordt opgelegd, moet voldoende rekening worden gehouden met al deze parameters, terwijl tegelijkertijd het wettelijke maximumbedrag als bedoeld in artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG niet mag worden overschreden.

## 2.2 - Overzicht van de methode

17. Rekening  houdend  met  deze  parameters  heeft  de  EDPB  de  volgende  methode  uitgewerkt  voor  het berekenen van administratieve geldboeten voor inbreuken op de AVG.
2. Stap 1 De  verwerkingsactiviteiten  in  het  betrokken  geval  in  kaart  brengen  en  de  toepassing  van artikel 83, lid 3, AVG evalueren (hoofdstuk 3) .
3. Stap 2 Het uitgangsbedrag voor de verdere berekening bepalen op basis van een beoordeling van (hoofdstuk 4)
- a) de indeling in artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG;
- b) de zwaarte van de inbreuk krachtens artikel 83, lid 2, punten a), b) en g), AVG;
- c) de omzet van de onderneming als relevant element om rekening mee te houden met het  oog  op  het  opleggen  van  een  doeltreffende,  afschrikkende  en  evenredige geldboete op grond van artikel 83, lid 1, AVG.
7. Stap 3 Nagaan of er verzwarende en verzachtende omstandigheden in verband met vroeger of huidig gedrag van de verwerkingsverantwoordelijke/verwerker zijn en de geldboete dienovereenkomstig verhogen of verlagen (hoofdstuk 5) .
8. Stap 4 De  relevante  wettelijke  maximumbedragen  voor  de  verschillende  verwerkingsactiviteiten vaststellen. Dit maximumbedrag mag niet worden overschreden als gevolg van in voorgaande of volgende stappen toegepaste verhogingen (hoofdstuk 6) .
9. Stap 5 Nagaan  of  het  berekende  eindbedrag  van  de  geldboete  doeltreffend,  afschrikkend  en evenredig is, zoals vereist krachtens artikel 83, lid 1, AVG, en de geldboete dienovereenkomstig verhogen of verlagen (hoofdstuk 7) .

## 2.3 - Inbreuken met vaste bedragen

18. In bepaalde omstandigheden kan de toezichthoudende autoriteit oordelen dat bepaalde inbreuken kunnen worden bestraft met een geldboete ter hoogte van een vooraf bepaald vast bedrag. De toepassing van een vast bedrag op bepaalde soorten inbreuken mag geen belemmering vormen voor de toepassing van de AVG, met name artikel 83. Bovendien moeten toezichthoudende autoriteiten bij de toepassing van vaste bedragen nog steeds voldoen aan hun verplichtingen op het gebied van samenwerking en coherentie (hoofdstuk VII AVG).
19. Het  is  aan  de  toezichthoudende  autoriteit  om  vast  te  stellen  welke  soorten  inbreuken  kunnen  worden bestraft  met  een  vooraf  bepaald  vast  bedrag,  op  basis  van  de  aard,  de  ernst  en  de  duur  ervan.  De toezichthoudende autoriteit mag een dergelijke vaststelling niet doen als dat verboden is of anderszins in strijd zou zijn met het nationale recht van de lidstaat.
20. De  toezichthoudende  autoriteit  kan  naar  eigen  goeddunken  vaste  bedragen  vaststellen,  onder  andere rekening houdend met de sociale en economische omstandigheden van de specifieke lidstaat, naargelang de zwaarte van de inbreuk zoals volgt uit artikel 83, lid 2, punten a), b) en g), AVG. Aanbevolen wordt dat de toezichthoudende autoriteit vooraf de bedragen en omstandigheden meedeelt die in aanmerking worden genomen.

## HOOFDSTUK 3 - SAMENLOOP VAN INBREUKEN EN DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 83, LID 3, AVG

21. Voordat  aan  de  hand  van  de  methode  in  deze  richtlijnen  een  geldboete  kan  worden  berekend,  is  het belangrijk om eerst na te gaan op welke gedragingen (feitelijke omstandigheden ten aanzien van het gedrag) en inbreuken (abstracte wettelijke omschrijvingen van wat verboden is) de geldboete is gebaseerd. In een specifiek geval kan het immers gaan om omstandigheden die als een en dezelfde inbreuk makende gedraging of als afzonderlijke inbreuk makende gedragingen kunnen worden beschouwd. Ook is het mogelijk dat een en dezelfde gedraging een aantal verschillende inbreuken kan opleveren, waarbij door de toerekening van de  ene  inbreuk  een  andere  inbreuk  niet  kan  worden  toegerekend  of  de  inbreuken  naast  elkaar  kunnen worden  toegerekend.  Met  andere  woorden,  er  kunnen  zich  gevallen  voordoen  waarin  sprake  is  van samenloop  van  inbreuken.  Afhankelijk  van  de  regels  met  betrekking  tot  samenloop  kunnen  dergelijke gevallen tot een verschillende berekening van geldboeten leiden.
22. Kijkend naar de analyse van de tradities van de lidstaten met betrekking tot regels inzake samenloop zoals omschreven in de rechtspraak van het Hof, 5

en rekening houdend met de verschillende toepassingsgebieden en rechtsgevolgen, kunnen deze beginselen grofweg worden ondergebracht in de volgende drie categorieën:

- -samenloop van inbreuken (paragraaf 3.1.1) ,
- -eenheid van handelingen (paragraaf 3.1.2) ,
- -veelheid van handelingen (paragraaf 3.2) .
23. Deze verschillende categorieën van samenloop zijn niet met elkaar in strijd, maar hebben een verschillend toepassingsgebied en passen binnen een samenhangend algemeen systeem, zodat een logisch testschema kan worden opgesteld.
24. Daarom is het belangrijk om eerst vast te stellen


- a. of  de  omstandigheden  moeten  worden  beschouwd  als  één  ( paragraaf 3.1 )  of  meerdere inbreuk makende gedragingen ( paragraaf 3.2 ),
- b. in  het  geval  van  één  gedraging ( paragraaf 3.1 ),  of  die  gedraging  al  dan  niet  een  of  meer inbreuken oplevert, en
- c. in het geval van één gedraging die meerdere inbreuken oplevert, of de toerekening van de ene inbreuk de toerekening van een andere inbreuk uitsluit ( paragraaf 3.1.1 ) dan wel of zij naast elkaar moeten worden toegerekend ( paragraaf 3.1.2 ).

## SCHEMA

Levert één inbreuk oo

Geen samenloop

Voor één inbreuk wordt één boete opgelegd, met inachtneming van het

wettelijke maximum voor die inbreuk.

Inbreuken sluiten elkaar uit

(paragraaf 3.1.1)

Samenloop van wetten

Slechts één inbreuk wordt op de gedraging toegepast en de boete

wordt alleen op basis van die inbreuk berekend, met

inachtneming van het wettelijke afzonderlijke strafbare

gedragingen

<!-- image -->

Het geval betreft

## 3.1 - Eén inbreuk makende gedraging

25. Als eerste stap is het essentieel om vast te stellen of er sprake is van een en dezelfde inbreuk makende gedraging ('idem') of van meerdere inbreuk makende gedragingen om te kunnen bepalen welk inbreuk makend gedrag moet worden beboet. Daarom is het belangrijk om te begrijpen  welke omstandigheden worden  beschouwd  als  een  en  dezelfde  gedraging,  in  tegenstelling  tot  meerdere  gedragingen.  Het betreffende inbreuk makende gedrag moet per geval worden beoordeeld en vastgesteld. Zo kunnen in een bepaald geval 'dezelfde of daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten' een en dezelfde gedraging vormen.
26. De term 'verwerkingsactiviteit' is ingesloten in artikel 4, punt 2, AVG, waar 'verwerking' is gedefinieerd als 'een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens'.
27. Bij het beoordelen van 'dezelfde of daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten' mag niet worden vergeten dat de toezichthoudende autoriteit voor haar beoordeling van inbreuken rekening kan houden met alle verplichtingen die wettelijk voorgeschreven zijn voor de rechtmatige verrichting van de verwerkingsactiviteiten, met inbegrip van transparantieverplichtingen (bv. artikel 13 AVG). Dit wordt ook onderstreept door de formulering 'met betrekking tot dezelfde of  daarmee  verband  houdende verwerkingsactiviteiten', waaruit blijkt dat deze bepaling geldt voor alle inbreuken die betrekking hebben op en gevolgen kunnen hebben voor dezelfde of daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten.
28. De term 'daarmee verband houdend' verwijst naar het beginsel dat één enkele gedraging kan bestaan uit meerdere delen die uit één enkele wil worden verricht en die contextueel (met name met betrekking tot identiteit wat betreft betrokkene, doeleinde en aard), in ruimte en in tijd zo nauw met elkaar samenhangen dat zij, objectief gezien, als één coherente gedraging kunnen worden beschouwd. Er mag niet zonder meer worden uitgegaan van een afdoend verband, omdat de toezichthoudende autoriteit moet voorkomen dat zij inbreuk  maakt  op  de  beginselen  van  afschrikking  en  doeltreffende  handhaving  van  het  Europees  recht. Daarom moeten deze aspecten van samenhang met het oog op een afdoend verband per geval worden beoordeeld.

## Voorbeeld 1a - Dezelfde of daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten

Een financiële instelling verzoekt om een kredietcontrole van een kredietbeoordelingsbureau. De financiële instelling ontvangt de betreffende informatie en slaat deze op in haar systeem.

Hoewel de verzameling en de opslag van de kredietwaardigheidsgegevens door de financiële instelling allebei op zichzelf verwerkingsactiviteiten zijn, vormen zij een reeks verwerkingsactiviteiten die uit één enkele wil worden verricht en contextueel, in ruimte en in tijd op zodanige wijze met elkaar samenhangen dat  zij,  objectief  gezien,  als  één  coherente  gedraging  kunnen  worden  beschouwd.  Daarom  moeten  de verwerkingsactiviteiten van de financiële instelling worden beschouwd als 'daarmee verband houdend' en vormen zij dezelfde gedraging.

## Voorbeeld 1b - Dezelfde of daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten

Een gegevensmakelaar besluit een nieuwe verwerking uit te voeren: hij besluit - als derde partij - de transactiegeschiedenis van consumenten te verzamelen van tientallen detailhandelaren, zonder rechtsgrondslag, met het oog op het uitvoeren van psychometrisch onderzoek om toekomstig gedrag van

personen te kunnen voorspellen, met inbegrip van onder meer het politieke stemgedrag en de bereidheid om hun baan op te zeggen. Tegelijkertijd besluit de gegevensmakelaar deze procedure niet op te nemen in het  register  van  de  verwerkingsactiviteiten,  de  betrokkenen  niet  te  informeren  en  niet  in  te  gaan  op verzoeken van betrokkenen om  inzage in verband met de nieuwe verwerkingsactiviteiten. De verwerkingsactiviteiten in het kader van deze verwerking vormen een reeks verwerkingsactiviteiten die uit één enkele wil worden verricht en die contextueel, in ruimte en in tijd met elkaar samenhangen. Zij moeten als 'daarmee verband houdend' en als één enkele gedraging worden beschouwd. Het gaat hierbij ook om het niet opnemen van de verwerking in het register, het niet informeren van de betrokkenen en het niet instellen  van  procedures  om  uitvoering  te  geven  aan  het  recht  op  inzage  ten  aanzien  van  de  nieuwe verwerkingsactiviteiten.  Deze  verplichtingen  zijn  met  betrekking  tot  de  daarmee  verband  houdende verwerkingsactiviteiten niet nagekomen.

## Voorbeeld 1c - Niet dezelfde of daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten

i) Een gebouwendienst voert een antecedentenonderzoek van een sollicitant uit. Het antecedentenonderzoek  omvat  ook  de  politieke  gezindheid,  het  lidmaatschap  van  een  vakbond  en  de seksuele oriëntatie. ii) Vijf dagen later verzoekt de gebouwendienst aan zijn leveranciers (eenmanszaken) uitgebreide  informatie  over  hun  zakelijke  overeenkomsten  met  andere  instanties  bekend  te  maken, ongeacht of deze informatie enig belang heeft voor het contract met of de nalevingsverplichtingen van de gebouwendienst. iii) Weer een week later doet zich bij de gebouwendienst een inbreuk in verband met persoonsgegevens  voor.  Het  netwerk  van  de  gebouwendienst  is  gehackt  -  ondanks  de  bestaande adequate technische en organisatorische maatregelen - en de hacker verwerft toegang tot een systeem dat de persoonsgegevens verwerkt van burgers die een verzoek bij de gebouwendienst hadden ingediend. Hoewel de gegevens overeenkomstig de geldende normen naar behoren versleuteld waren, lukt het de hacker om ze met behulp van militaire decryptietechnologie te ontsleutelen. Hij verkoop de gegevens op het  darknet.  De  gebouwendienst  verzuimt  de  toezichthoudende  autoriteit  hiervan  in  kennis  te  stellen, hoewel hij  hiertoe verplicht is. De verwerkingsactiviteiten  waar  het in  dit geval om gaat, te weten  het antecedentenonderzoek, de verzoeken aan leveranciers om hun informatie bekend te maken en het niet melden van een inbreuk in verband met persoonsgegevens, hangen niet contextueel met elkaar samen. Daarom mogen zij niet worden beschouwd als 'daarmee verband houdend', maar vormen zij verschillende gedragingen.

29. Indien wordt vastgesteld dat de omstandigheden van het geval een en dezelfde gedraging vormen en één enkele inbreuk opleveren, kan de geldboete worden berekend op basis van die inbreuk en het wettelijke maximumbedrag dat daarvoor geldt. Indien de omstandigheden van het geval een en dezelfde gedraging vormen,  maar  die  gedraging  niet  slechts  één,  maar  meerdere  inbreuken  oplevert,  moet  echter  worden vastgesteld  of  de  toerekening  van  de  ene  inbreuk  de  toerekening  van  een  andere  inbreuk  uitsluit (paragraaf 3.1.1), of dat de inbreuken naast elkaar kunnen worden toegerekend (paragraaf 3.1.2). Indien de omstandigheden  van  het  geval  meerdere  gedragingen  vormen,  moeten  zij  worden  beschouwd  als  een veelheid van handelingen en overeenkomstig paragraaf 3.2 worden behandeld.

## 3.1.1 - Samenloop van inbreuken

30. Het beginsel van samenloop van inbreuken (in andere context ook wel 'eendaadse samenloop' 6  genoemd) geldt wanneer de toepassing van een bepaling de toepasbaarheid van een andere bepaling uitsluit of omvat. Met andere woorden, samenloop doet zich reeds voor op het abstracte niveau van wettelijke bepalingen. Dit


kan op grond van het specialiteitsbeginsel 7 , het subsidiariteitsbeginsel of het consumptiebeginsel, die vaak van toepassing zijn wanneer bepalingen hetzelfde rechtmatig belang beschermen. In dergelijke gevallen zou het onrechtmatig zijn om de overtreder tweemaal voor dezelfde overtreding te bestraffen 8 .

31. In een dergelijk geval van samenloop van inbreuken moet het bedrag van de geldboete alleen op basis van de  volgens  de  bovenstaande  regels  geselecteerde  inbreuk  worden  berekend  (de  inbreuk  waarvoor  de hoogste geldboete kan worden opgelegd) 9 .

## Specialiteitsbeginsel 10

32. Het specialiteitsbeginsel ( specialia generalibus derogant )  is  een rechtsbeginsel dat inhoudt dat een meer specifieke bepaling (afgeleid van dezelfde rechtshandeling of verschillende rechtshandelingen met dezelfde rechtskracht) voorrang krijgt boven een meer algemene bepaling, hoewel beide bepalingen hetzelfde doel hebben. De meer specifieke inbreuk wordt dan soms beschouwd als een 'gekwalificeerd type' van de minder specifieke. Voor een gekwalificeerd type van een inbreuk kan een hoger boeteniveau, een hoger wettelijk maximumbedrag of een langere verjaringstermijn gelden.
33. Specialiteit kan echter, soms door middel van uitlegging, ook van toepassing zijn indien een inbreuk vanwege de aard en systematiek als een kwalificatie van een kennelijk meer specifieke inbreuk wordt beschouwd, hoewel in de formulering ervan niet uitdrukkelijk een aanvullend element wordt genoemd.
34. Wanneer  daarentegen  met  twee  bepalingen  onafhankelijke  doelen  worden  nagestreefd,  vormt  dit  een onderscheidende factor die het opleggen van afzonderlijke geldboeten rechtvaardigt. Als een inbreuk op een bepaling bijvoorbeeld automatisch leidt tot een inbreuk op een andere bepaling, maar het omgekeerde niet het geval is, worden met deze inbreuken onafhankelijke doelen nagestreefd.
35. Deze specialiteitsbeginselen kunnen alleen van toepassing zijn indien en voor zover de met de betrokken inbreuken  nagestreefde  doelen  in  het  individuele  geval  daadwerkelijk  met  elkaar  overeenstemmen. Aangezien de beginselen inzake gegevensbescherming in artikel 5 AVG worden vastgesteld als overkoepelende concepten, kunnen zich situaties voordoen waarin andere bepalingen een concretisering van een dergelijk beginsel vormen, maar het beginsel in zijn geheel zich niet daartoe beperkt. Met andere woorden, in een bepaling wordt niet altijd het volledige toepassingsgebied van het beginsel gedefinieerd 11 . Daarom is er, afhankelijk van de omstandigheden 12 , in sommige gevallen sprake van een-op-eenoverlapping en kan de ene inbreuk de andere vervangen, terwijl in andere gevallen de doelen elkaar slechts gedeeltelijk overlappen en dus niet volledig met elkaar overeenstemmen. Voor zover zij niet met elkaar overeenstemmen, is er geen sprake van samenloop van inbreuken. In plaats daarvan kunnen zij naast elkaar worden toegepast bij de berekening van de geldboete.

7 Zoals bepaald in zaak C-10/18 P, Marine Harvest/Commissie.


9 Zoals bepaald in zaak C-10/18 P, Marine Harvest/Commissie.

10 Zoals bepaald in zaak C-10/18 P, Marine Harvest/Commissie.

11 Bindend besluit EDPB 1/2021 over het geschil dat is ontstaan over het ontwerpbesluit van de Ierse

toezichthoudende autoriteit betreffende WhatsApp Ireland op grond van artikel 65, lid 1, punt a), AVG (hierna 'Bindend besluit EDPB 1/2021' genoemd), punt 192.

12 Bindend besluit EDPB 1/2021, punt 193.

## Subsidiariteitsbeginsel

36. Naar een andere vorm van samenloop van inbreuken wordt vaak verwezen als het subsidiariteitsbeginsel. Dit is van toepassing wanneer een inbreuk wordt beschouwd als ondergeschikt aan een andere inbreuk. Dat kan zijn omdat subsidiariteit formeel in de wet is neergelegd of omdat er om materiële redenen sprake is van subsidiariteit 13 . Dat laatste kan het geval zijn wanneer de inbreuken hetzelfde doel hebben, maar de ene een lichtere beschuldiging van immoraliteit of wangedrag inhoudt (een administratieve inbreuk kan bijvoorbeeld ondergeschikt zijn aan een strafbaar feit).

## Consumptiebeginsel

37. Het consumptiebeginsel is van toepassing in gevallen waarin een inbreuk op een bepaling regelmatig leidt tot een inbreuk op een andere bepaling, vaak omdat de ene inbreuk noodzakelijkerwijs voorafgaat aan de andere.

## 3.1.2 - Eenheid van handelingen - artikel 83, lid 3, AVG

38. Net als bij samenloop van inbreuken is het beginsel van eenheid van handelingen (ook 'ideale samenloop' genoemd) van toepassing in gevallen waarin één gedraging onder meerdere wettelijke bepalingen valt, met het verschil dat de ene bepaling niet wordt uitgesloten of omvat door de toepasbaarheid van de andere, omdat zij niet binnen het toepassingsgebied van het specialiteitsbeginsel, het subsidiariteitsbeginsel of het consumptiebeginsel vallen en doorgaans verschillende doelen beogen.
39. Het beginsel van eenheid van handelingen werd nader gepreciseerd op het niveau van het afgeleid recht in artikel 83,  lid 3,  AVG  in  de  vorm  van  'eenheid  van  verwerking'.  Het  is  belangrijk  om  te  begrijpen  dat artikel 83, lid 3, AVG beperkt is wat de toepassing ervan betreft en niet van toepassing is op elk afzonderlijk geval waarin meervoudige inbreuken worden vastgesteld, maar alleen op de gevallen waarin meervoudige inbreuken  voortvloeien  uit  'dezelfde  of  daarmee  verband  houdende  verwerkingsactiviteiten'  zoals hierboven uitgelegd 14 . In die gevallen mag het totale bedrag van de administratieve geldboete niet hoger zijn dan het bedrag dat is vastgesteld voor de zwaarste inbreuk 15 .
40. In sommige speciale gevallen kan ook eenheid van handelingen worden verondersteld indien één enkele handeling meerdere malen inbreuk maakt op dezelfde wettelijke bepaling. Dit kan met name het geval zijn


14 Bindend besluit EDPB 1/2021, punt 320.

15 Artikel 83, lid 3, AVG luidt: 'Indien een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker opzettelijk of uit nalatigheid met betrekking tot dezelfde of daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten een inbreuk pleegt op meerdere bepalingen van deze verordening, is de totale geldboete niet hoger dan die voor de zwaarste inbreuk.'

wanneer omstandigheden een iteratieve en soortgelijke inbreuk op dezelfde wettelijke bepaling vormen en elkaar in ruimte en in tijd snel opvolgen.

## Voorbeeld 2 - Eenheid van handelingen

Een  verwerkingsverantwoordelijke  stuurt  zonder  enige  rechtsgrondslag  in  de  loop  van  een  dag  in verschillende ronden bundels marketing-e-mails naar groepen betrokkenen en maakt aldus met één eenheid van handelingen meerdere malen inbreuk op artikel 6, lid 1, AVG.

41. De formulering van artikel 83, lid 3, AVG lijkt niet rechtstreeks betrekking te hebben op dit laatste geval van eenheid van handelingen, aangezien geen inbreuk wordt gemaakt op 'meerdere bepalingen'. Er zou echter sprake zijn van ongelijke en oneerlijke behandeling als een overtreder die met één handeling inbreuk maakt op verschillende bepalingen die verschillende doelen beogen, zou worden bevoorrecht ten opzichte van een overtreder die meerdere malen met dezelfde handeling inbreuk maakt op dezelfde bepaling die hetzelfde doel  beoogt.  Om  inconsistentie  van  rechtsbeginselen  te  voorkomen  en  het  grondrecht  van  gelijke behandeling  volgens  het  Handvest  na  te  leven,  is  artikel 83,  lid 3,  AVG  in  dergelijke  gevallen  van overeenkomstige toepassing.
42. In  geval  van  eenheid  van  handelingen  mag  de  totale  geldboete  niet  hoger  zijn  dan  het  bedrag  dat  is vastgesteld  voor  de  zwaarste  inbreuk.  'Wat  betreft  de  interpretatie  van  artikel 83,  lid 3,  AVG,  wijst  het Comité erop dat het effet  utile -beginsel vereist dat alle instellingen volledig uitvoering geven aan de EUwetgeving' 16 . In dit verband mag artikel 83, lid 3, AVG niet zodanig worden uitgelegd dat 'het niet ter zake [zou]  doen  of  een  verwerkingsverantwoordelijke  één  of  talrijke  inbreuken  op  de  AVG  pleegt  […]  bij  het bepalen van de geldboete' 17 .
43. De term 'totale geldboete' impliceert dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening moet worden gehouden met alle gepleegde inbreuken 18 en de formulering '[geldboete] voor de zwaarste inbreuk' verwijst naar de wettelijke maximale geldboeten (bv. artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG). Dus '[h]oewel de geldboete zelf de wettelijke bovengrens van het hoogste boeteniveau niet mag overschrijden, wordt de overtreder toch uitdrukkelijk schuldig bevonden aan het overtreden van verscheidene bepalingen en moet met deze overtredingen  rekening worden gehouden bij het bepalen van de hoogte van de uiteindelijke geldboete  die  moet  worden  opgelegd' 19 .  Hoewel  dit  geen  afbreuk  doet aan  de  plicht  van  de toezichthoudende autoriteit die de geldboete oplegt om er rekening mee te houden dat de boete evenredig moet zijn, mogen de andere gepleegde inbreuken niet buiten beschouwing worden gelaten, maar moeten die inbreuken in aanmerking worden genomen bij het berekenen van de geldboete.

## 3.2 - Meerdere inbreuk makende gedragingen

44. Het  beginsel  van  veelheid  van  handelingen  (ook  'Realkonkurrenz',  'feitelijke  samenloop'  of  'toevallige samenloop' genoemd) beschrijft alle gevallen die niet onder de beginselen van samenloop van inbreuken (paragraaf 3.1.1) of artikel 83, lid 3, AVG (paragraaf 3.1.2) vallen.
45. De enige reden waarom deze inbreuken in één besluit worden behandeld, is omdat zij bij toeval op hetzelfde moment onder de aandacht van de toezichthoudende autoriteit zijn gekomen, zonder dat het om dezelfde

16 Bindend besluit EDPB 1/2021, punt 322.

17 Zie voetnoot 16, punt 323.

18 Zie voetnoot 16, punt 325.

19 Zie voetnoot 16, punt 326.

of  daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten in de zin van artikel 83, lid 3, AVG gaat. Bijgevolg wordt vastgesteld dat de overtreder inbreuk heeft gemaakt op meerdere wettelijke bepalingen en worden meerdere  geldboeten  opgelegd  overeenkomstig  de  nationale  procedure,  hetzij  in  hetzelfde  besluit  tot oplegging van een geldboete, hetzij in afzonderlijke besluiten. Bovendien geldt, aangezien artikel 83, lid 3, AVG niet van toepassing is, dat de totale geldboete hoger mag zijn dan die voor de zwaarste inbreuk (a contrario-redeneermethode). Gevallen van veelheid van handelingen geven geen aanleiding tot bevoorrechting van de overtreder met betrekking tot de boeteberekening. Dit doet echter geen afbreuk aan de verplichting om te blijven voldoen aan het algemene evenredigheidsbeginsel.

## Voorbeeld 3 - Veelheid van handelingen

Na een inspectie van de gegevensbescherming in de bedrijfsruimten van een verwerkingsverantwoordelijke stelt  de  toezichthoudende  autoriteit  vast  dat  de  verwerkingsverantwoordelijke  heeft  verzuimd  een procedure voor de beoordeling en voortdurende verbetering van de beveiliging van zijn website in te stellen, de in artikel 13 genoemde informatie aan werknemers te verstrekken met betrekking tot de verwerking van HR-gegevens en de toezichthoudende autoriteit in kennis te stellen van een recente inbreuk in verband met de gegevens van zijn leveranciers. Geen van de inbreuken wordt uitgesloten of omvat op grond van specialiteit, subsidiariteit of consumptie. Ook betreft het niet dezelfde verwerkingsactiviteit noch daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten: zij vormen geen eenheid van handelingen, maar een veelheid van handelingen. De toezichthoudende autoriteit zal dus concluderen dat de verwerkingsverantwoordelijke met verschillende gedragingen inbreuk heeft gemaakt op de artikelen 13, 32 en 33 AVG. Zij zal in haar besluit tot oplegging van een geldboete voor elk van de inbreuken een afzonderlijke geldboete opleggen, zonder dat er een wettelijk maximum geldt voor de som ervan.

## HOOFDSTUK 4 - UITGANGSBEDRAG VOOR DE BEREKENING

46. De  EDPB  is  van  mening  dat  de  berekening  van  administratieve  geldboeten  moet  beginnen  bij  een geharmoniseerd uitgangsbedrag 20 . Dit uitgangsbedrag vormt het begin voor de verdere berekening, waarbij alle  omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen en afgewogen, die resulteert in het uiteindelijke bedrag van de geldboete die moet worden opgelegd aan de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker.
47. De vaststelling van geharmoniseerde uitgangsbedragen in deze richtsnoeren belet niet en mag niet beletten dat de toezichthoudende autoriteiten elk geval beoordelen op basis van de intrinsieke kenmerken ervan. De aan een verwerkingsverantwoordelijke/verwerker opgelegde geldboete kan variëren van elk bedrag tot het wettelijke maximumboetebedrag, op voorwaarde dat de boete doeltreffend, afschrikkend en evenredig is. Het  bestaan  van  een  uitgangsbedrag  verandert  niets  aan  de  mogelijkheid  voor  de  toezichthoudende autoriteit om de geldboete te verlagen of te verhogen (tot het maximumbedrag) als de omstandigheden van het geval dat vereisen.

20 Op  voorwaarde  dat  de  richtsnoeren  voldoende  ruimte laten  om  een  administratieve  geldboete  aan  de omstandigheden van het geval aan te passen, aanvaardt het Hof van Justitie van de EU (hierna 'het Hof' genoemd) doorgaans dat berekeningen beginnen bij een abstract uitgangsbedrag. Met name in gevoegde zaken C-189/02 P, C202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C -213/02 P, Dansk Rørindustri, maar ook recenter in zaak T-15/02, BASF AG/Commissie, punten 120-121; 134, zaak C-227/14 P, LG Display Co. Ltd/Commissie, punt 53, en zaak T-26/02, Daiichi Pharmaceutical Co. Ltd/Commissie, punt 50.

48. De EDPB kijkt naar drie elementen om het uitgangsbedrag voor de verdere berekening te bepalen: de indeling van inbreuken volgens hun aard op grond van artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG, de zwaarte van de inbreuk  (zoals  besproken  in  paragraaf 4.2)  en  de  omzet  van  de  onderneming  als  relevant  element  om rekening mee te houden met het oog op het opleggen van een doeltreffende, afschrikkende en evenredige geldboete op grond van artikel 83, lid 1, AVG. Deze elementen worden uiteengezet in de paragrafen 4.1, 4.2 en 4.3.

## 4.1 - Indeling van inbreuken op grond van artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG

49. Bijna alle verplichtingen van verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers overeenkomstig de verordening worden in de bepalingen van artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG 21  volgens hun aard ingedeeld. De AVG voorziet in twee categorieën inbreuken: inbreuken die beboetbaar zijn op grond van artikel 83, lid 4, AVG enerzijds en inbreuken die beboetbaar zijn op grond van artikel 83, leden 5 en 6, AVG anderzijds. De eerste categorie inbreuken kan worden bestraft met een geldboete van maximaal 10 miljoen EUR of 2 % van de jaaromzet van de onderneming, indien dit cijfer hoger is, terwijl de tweede kan worden bestraft met een geldboete van maximaal 20 miljoen EUR of 4 % van de jaaromzet van de onderneming, indien dit cijfer hoger is.
50. Middels dit onderscheid heeft de wetgever een eerste indicatie gegeven van de zwaarte van de inbreuk in abstracte zin. Hoe zwaarder de inbreuk, des te hoger de geldboete waarschijnlijk zal zijn.

## 4.2 - Zwaarte van de inbreuk in elk individueel geval

51. Op grond van de AVG moet de toezichthoudende autoriteit naar behoren rekening houden met de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, met inachtneming van de aard, de omvang of het doel van de verwerking in  kwestie  alsmede  het  aantal  getroffen  betrokkenen  en  de  omvang  van  de  door  hen  geleden  schade (artikel 83, lid 2, punt a), AVG); de opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk (artikel 83, lid 2, punt b), AVG); en de categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft (artikel 83, lid 2, punt g), AVG). In het kader van deze richtsnoeren duidt de EDPB deze factoren aan als de zwaarte van de inbreuk.
52. De toezichthoudende autoriteit moet deze factoren beoordelen in het licht van de omstandigheden van het specifieke geval en - op basis van die analyse - de zwaarte van de inbreuk vaststellen zoals aangegeven in punt 60. In dit verband kan de toezichthoudende autoriteit ook onderzoeken of de betrokken gegevens direct identificeerbaar  waren.  Deze  factoren  worden  in  deze  richtsnoeren  afzonderlijk  besproken,  maar  zijn  in werkelijkheid  echter  vaak  met  elkaar  verbonden  en  moeten  worden  beschouwd  met  betrekking  tot  alle feitelijke omstandigheden.

## 4.2.1 - Aard, ernst en duur van de inbreuk

53. Artikel 83, lid 2, punt a), AVG heeft een ruim toepassingsgebied en schrijft voor dat de toezichthoudende autoriteit een volledig onderzoek verricht van alle elementen waaruit de inbreuk bestaat en die geschikt zijn om de inbreuk te onderscheiden van andere soortgelijke inbreuken. Bij deze beoordeling moet derhalve rekening worden gehouden met de volgende specifieke factoren:
- a) De aard van de inbreuk , beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. In die zin is deze analyse specifieker dan de abstracte indeling van artikel 83, leden 4 en 6, AVG. De  toezichthoudende  autoriteit  kan  nagaan  welk  belang  de  geschonden  bepaling  moet beschermen  en  welke  plaats  deze  bepaling  heeft  in  het  kader  voor  gegevensbescherming.


Daarnaast  kan  de  toezichthoudende  autoriteit  onderzoeken  in  hoeverre  de  inbreuk  een belemmering vormde voor de doeltreffende toepassing van de bepaling en de verwezenlijking van het doel dat erdoor moet worden beschermd.

- b) De ernst van de inbreuk , beoordeeld op basis van de specifieke omstandigheden. Zoals vermeld in artikel 83, lid 2, punt a), AVG gaat het hierbij om de aard van de verwerking, maar ook 'de omvang of het doel van de verwerking in kwestie alsmede het aantal getroffen betrokkenen en de omvang van de door hen geleden schade' vormen een indicatie van de ernst van de inbreuk.
- i. De aard  van  de  verwerking ,  met  inbegrip  van  de  context  waarin  de  verwerking functioneel plaatsvindt (bv. zakelijke activiteit, non-profit, politieke partij enz.) en alle kenmerken van de verwerking 22 . Wanneer de aard van de verwerking grotere risico's met  zich  meebrengt,  bv.  wanneer  het  doel  is  om  toezicht  te  houden,  persoonlijke eigenschappen  te  beoordelen  of  besluiten  of  maatregelen  te  nemen  met  negatieve gevolgen voor de betrokkenen, kan de toezichthoudende autoriteit, afhankelijk van de context  van  de  verwerking  en  de  rol  van  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de verwerker, overwegen meer gewicht aan deze factor toe te kennen. Voorts kan een toezichthoudende autoriteit meer gewicht aan deze factor toekennen wanneer er sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke (bv. wanneer de betrokkenen werknemers, leerlingen of patiënten zijn) of wanneer de verwerking kwetsbare betrokkenen, met name kinderen, betreft.
- ii. De omvang  van  de  verwerking , onder  verwijzing naar de  lokale, nationale of grensoverschrijdende omvang van de verrichte verwerking en de relatie tussen deze informatie en de feitelijke omvang van de verwerking met betrekking tot de toewijzing van middelen door de verwerkingsverantwoordelijke. Met dit element wordt gewezen op een reële risicofactor die verband houdt met het feit dat het voor de betrokkene en de toezichthoudende autoriteit moeilijker is om onrechtmatige gedragingen tegen te gaan naarmate de omvang van de verwerking toeneemt. Hoe groter de omvang van de verwerking, des te meer gewicht de toezichthoudende autoriteit aan deze factor kan toekennen.
- iii. Het doel van de verwerking kan ertoe leiden dat de toezichthoudende autoriteit meer gewicht aan deze factor toekent. De toezichthoudende autoriteit kan ook in aanmerking nemen of de verwerking van persoonsgegevens onder de zogenoemde kernactiviteiten van de verwerkingsverantwoordelijke valt. Hoe centraler de plaats van de verwerking binnen de kernactiviteiten van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, hoe ernstiger  onregelmatigheden  bij  die  verwerking  zullen  zijn.  De  toezichthoudende autoriteit kan in dat geval meer gewicht aan deze factor toekennen. Er kunnen echter omstandigheden zijn waarin de verwerking van persoonsgegevens minder centraal staat in de kernactiviteiten van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, maar toch


aanzienlijke  gevolgen  heeft  voor  de  beoordeling  (dit  is  bijvoorbeeld  het  geval  bij  de verwerking  van  persoonsgegevens  van  werknemers,  indien  door  de  inbreuk  de waardigheid van die werknemers in belangrijke mate wordt aangetast).

- iv. Het aantal betrokkenen dat  daadwerkelijk  maar ook mogelijkerwijs wordt getroffen. Hoe hoger het aantal getroffen betrokkenen, des te meer gewicht de toezichthoudende autoriteit aan deze factor kan toekennen. In veel gevallen kan ook in aanmerking worden genomen  dat  de  inbreuk  een  'systemische'  connotatie  heeft  en  daarom,  zelfs  op verschillende tijdstippen, gevolgen kan hebben voor nog meer betrokkenen die geen klacht of melding bij de toezichthoudende autoriteit hebben ingediend. De toezichthoudende autoriteit kan in dat kader, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, rekening houden met de verhouding tussen het aantal getroffen betrokkenen en het totale aantal betrokkenen (bv. het aantal burgers, klanten of werknemers) om te beoordelen of de inbreuk systemisch van aard is.
- v. De omvang van de schade die is geleden en de mate waarin het gedrag van invloed kan zijn  op  de  individuele  rechten  en  vrijheden.  De  verwijzing  naar  de  'omvang'  van  de geleden schade is derhalve bedoeld om de aandacht van de toezichthoudende autoriteit te  vestigen  op  de  geleden  of  waarschijnlijke  schade  als  bijkomende,  afzonderlijke parameter met betrekking tot het aantal betrokkenen (bijvoorbeeld in gevallen waarin het aantal door de onrechtmatige verwerking getroffen personen hoog is, maar de door hen geleden schade gering is). Volgens overweging 75 AVG heeft de omvang van de geleden  schade  betrekking  op  lichamelijke,  materiële  of  immateriële  schade.  De beoordeling  van  de  schade  moet  in  ieder  geval  worden  beperkt  tot  wat  functioneel noodzakelijk is om tot een juiste beoordeling van de zwaarte van de inbreuk te komen zoals  vermeld  in  punt 60,  zonder  dat  er  sprake  mag  zijn  van  overlappingen  met  de activiteiten  van  rechterlijke  instanties  die  belast  zijn  met  het  vaststellen  van  de verschillende vormen van individuele schade.
- c) De duur van de inbreuk , wat betekent dat een toezichthoudende autoriteit over het algemeen meer gewicht zal toekennen aan een inbreuk met een langere duur. Hoe langer de duur van de inbreuk, des te meer gewicht de toezichthoudende autoriteit aan deze factor kan toekennen. Onverminderd het nationale recht geldt dat, indien een bepaalde gedraging ook illegaal was binnen het vorige regelgevingskader, zowel de periode na de datum waarop de AVG van kracht is  geworden  als  de  voorafgaande  periode  in  aanmerking  kunnen  worden  genomen  bij  het bepalen van de geldboete, rekening houdend met de voorwaarden van dat kader.
54. De toezichthoudende autoriteit kan gewicht toekennen aan de bovengenoemde factoren, afhankelijk van de omstandigheden  van  het  geval.  Als  zij  niet  bijzonder  relevant  zijn,  kunnen  zij  ook  als  neutraal  worden beschouwd.

## 4.2.2 - Opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk

55. In zijn vorige richtsnoeren stelde de EDPB: 'In het algemeen omvat 'opzet' zowel kennis als moedwil met betrekking tot de kenmerken van een strafbaar feit, terwijl 'onopzettelijk' betekent dat er geen opzet was om de inbreuk  te  veroorzaken,  hoewel  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker  de  in  de  wet

voorgeschreven zorgplicht heeft geschonden.' 23 Onopzettelijk in die zin kan niet worden gelijkgesteld met niet-vrijwillig.

## Voorbeeld 4 - Voorbeelden van opzet en nalatigheid (uit WP 253) 24

'Omstandigheden  die  wijzen  op  een  opzettelijke  inbreuk  kunnen  onrechtmatige  verwerking  zijn  die uitdrukkelijk is toegestaan door de hiërarchie van het topmanagement van de verwerkingsverantwoordelijke, of ondanks het advies van de functionaris voor gegevensbescherming of in strijd met bestaand beleid, bijvoorbeeld het verkrijgen en verwerken van gegevens over werknemers bij een concurrent met de bedoeling die concurrent in diskrediet te brengen op de markt. Andere voorbeelden zijn:

- -het wijzigen van persoonsgegevens om een misleidende (positieve) indruk te geven dat doelstellingen zijn gehaald - wij hebben dit gezien in het kader van doelstellingen voor wachttijden in ziekenhuizen;
- -de  handel in persoonsgegevens voor marketingdoeleinden, d.w.z. de verkoop van gegevens alsof de betrokkenen  daartoe  hun  toestemming  hebben  gegeven  (opt-in),  terwijl  het  standpunt  van  de betrokkenen over het gebruik van hun gegevens niet werd nagetrokken of terzijde werd geschoven.

Andere omstandigheden, zoals het niet lezen en naleven van bestaande beleidsregels, menselijke fouten, het niet controleren van persoonsgegevens in gepubliceerde informatie, het niet tijdig toepassen van technische updates, het niet goedkeuren van beleidsregels (in plaats van ze simpelweg niet toe te passen) kunnen wijzen op nalatigheid.'

56. De opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk (artikel 83, lid 2, punt b), AVG) moet worden beoordeeld met inachtneming van de objectieve aspecten van het gedrag die uit de feiten van het geval zijn afgeleid. De EDPB benadrukte dat algemeen wordt toegegeven dat opzettelijke inbreuken, 'die blijk geven van minachting voor de  bepalingen  van  de  wet,  ernstiger  zijn  dan  onopzettelijke  inbreuken' 25 . In  geval  van  een  opzettelijke inbreuk  zal  de  toezichthoudende  autoriteit  waarschijnlijk  meer  gewicht  aan  deze  factor  toekennen. Afhankelijk  van  de  omstandigheden  van  het  geval  kan  de  toezichthoudende  autoriteit  ook  gewicht toekennen aan de mate van nalatigheid. In het beste geval kan nalatigheid als neutraal worden beschouwd.

## 4.2.3 - Categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft

57. Wat betreft de eis om rekening te houden met de categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft (artikel 83, lid 2, punt g), AVG), worden in de AVG duidelijk de soorten gegevens vermeld die  bijzondere  bescherming  nodig  hebben  en  ten  aanzien  waarvan  derhalve  strenger  moet  worden opgetreden in verband met geldboeten. Het gaat hierbij in ieder geval om de in de artikelen 9 en 10 AVG bedoelde  soorten  gegevens  en  gegevens  buiten  het  toepassingsgebied  van  deze  artikelen  waarvan  de verspreiding onmiddellijk schade of leed voor de betrokkene tot gevolg zou hebben 26 (bv. locatiegegevens, gegevens over privécommunicatie, nationale identificatienummers of financiële gegevens zoals transactieoverzichten  of  creditcardnummers) 27 . Over  het  algemeen  geldt  dat  om  hoe  meer  van  deze categorieën gegevens het gaat of hoe gevoeliger de gegevens, des te meer gewicht de toezichthoudende autoriteit aan deze factor kan toekennen.

23 Richtsnoeren WP 253, blz. 12.

24 Deze voorbeelden zijn rechtstreeks overgenomen uit de richtsnoeren WP 253, blz. 12.

25 Richtsnoeren WP 253, blz. 12.

26 Zie voetnoot 25, blz. 16.


58. Verder is de hoeveelheid gegevens over elke betrokkene van belang, gezien het feit dat de inbreuk op het recht op privacy en bescherming van persoonsgegevens zwaarder wordt met de toename van de hoeveelheid gegevens over elke betrokkene.

## 4.2.4 - Indeling van de zwaarte van de inbreuk en vaststelling van het passende uitgangsbedrag

59. Op basis van de beoordeling van de bovenstaande factoren (de paragrafen 4.2.1 tot en met 4.2.3) wordt de zwaarte van de inbreuk als geheel bepaald. Deze beoordeling is geen mathematische berekening waarin de bovengenoemde  factoren  afzonderlijk  worden  beschouwd,  maar  eerder  een  grondige  evaluatie  van  de concrete  omstandigheden  van  het  geval,  waarin  alle  bovengenoemde  factoren  onderling  met  elkaar verbonden zijn. Daarom moet bij het beoordelen van de zwaarte van de inbreuk worden gekeken naar de inbreuk als geheel.
60. Op basis van de evaluatie van de hierboven beschreven factoren wordt bepaald of het gaat om een inbreuk van een i) lage, ii) gemiddelde of iii) hoge zwaarte. Deze categorieën staan los van de vraag of er al dan niet een geldboete kan worden opgelegd.
3. -Bij het berekenen van de administratieve geldboete voor inbreuken van een lage zwaarte zal  de toezichthoudende autoriteit het uitgangsbedrag voor de verdere berekening vaststellen op een punt tussen de 0 en 10 % van het toepasselijke wettelijke maximumbedrag.
4. -Bij het berekenen van de administratieve geldboete voor inbreuken van een gemiddelde zwaarte zal de toezichthoudende autoriteit het uitgangsbedrag voor de verdere berekening vaststellen op een punt tussen de 10 en 20 % van het toepasselijke wettelijke maximumbedrag.
5. -Bij het berekenen van de administratieve geldboete voor inbreuken van een hoge zwaarte zal de toezichthoudende autoriteit het uitgangsbedrag voor de verdere berekening vaststellen op een punt tussen de 20 en 100 % van het toepasselijke wettelijke maximumbedrag.
61. In  de  regel  geldt  dat  hoe  zwaarder  de  inbreuk  is  binnen  de  betreffende  categorie,  des  te  hoger  het uitgangsbedrag waarschijnlijk zal zijn.
62. De bereiken waarbinnen het uitgangsbedrag wordt bepaald, worden voortdurend geëvalueerd door de EDPB en zijn leden, en kunnen zo nodig worden aangepast.

Voorbeeld 5a - Kwalificatie van de zwaarte van een inbreuk (hoge zwaarte) Na  talrijke  klachten  van  klanten  van  een  telefoonmaatschappij  over  ongevraagde  oproepen  te hebben onderzocht, stelde de toezichthoudende autoriteit vast dat de telefoonmaatschappij zonder geldige rechtsgrondslag de contactgegevens van haar klanten gebruikte voor telemarketingdoeleinden (inbreuk op artikel 6 AVG). In het bijzonder had de telefoonmaatschappij de  namen  en  geregistreerde  telefoonnummers  van  haar  klanten  voor  marketingdoeleinden aangeboden aan derden. De telefoonmaatschappij ging hiertoe over ondanks dat de functionaris voor gegevensbescherming dit had afgeraden, zonder enige moeite te doen om de praktijk tegen te gaan of klanten een mogelijkheid te bieden om bezwaar te maken. De praktijk was al in mei 2018 begonnen  en  nog  steeds  aan  de  gang  ten  tijde  van  het  onderzoek.  De  telefoonmaatschappij  in kwestie  was  landelijk  actief  en  alle  4 miljoen  klanten  waren  slachtoffer  van  de  praktijk.  De toezichthoudende autoriteit stelde vast dat al die klanten regelmatig ongevraagd waren opgebeld door derden, zonder dat zij doeltreffende middelen hadden om daar iets tegen te doen.

De toezichthoudende autoriteit kreeg de taak om de zwaarte van deze inbreuk te beoordelen. Om te beginnen  merkte  de  toezichthoudende  autoriteit  op  dat  een  inbreuk  op  artikel 6  AVG  wordt genoemd bij de inbreuken van artikel 83, lid 5, AVG en derhalve in het hogere niveau van artikel 83 AVG valt. Vervolgens maakte de toezichthoudende autoriteit een beoordeling van de omstandigheden van het geval. In dat verband kende  de toezichthoudende autoriteit  een  groot gewicht toe aan de aard van de inbreuk , aangezien de geschonden bepaling (artikel 6 AVG) de basis vormt voor de rechtmatigheid van de gegevensverwerking als geheel. Als deze bepaling niet wordt nageleefd, geschiedt de verwerking als geheel niet rechtmatig. Daarnaast kende de toezichthoudende autoriteit een groot gewicht toe aan de duur van de inbreuk , die aanving bij de inwerkingtreding van de AVG en ten tijde van het onderzoek nog niet was beëindigd. Het feit dat de telefoonmaatschappij landelijk actief was, leidde tot een hoger gewicht voor de omvang van de verwerking . Het aantal betrokkenen werd als zeer hoog beschouwd (4 miljoen, afgezet tegen een totale bevolking van 14 miljoen mensen), terwijl de omvang van de schade die zij hadden geleden als  middelmatig  werd  beschouwd (immateriële schade, in de vorm van hinder). Bij  deze laatste beoordeling  werd  rekening  gehouden  met de  categorieën  van  gegevens  waarop  de  inbreuk betrekking heeft (naam en telefoonnummer). De zwaarte van de inbreuk nam echter toe vanwege het feit dat de inbreuk was gepleegd tegen het advies van de functionaris voor gegevensbescherming in en bijgevolg als opzettelijk werd beschouwd.

Al  het  bovenstaande  in  aanmerking  genomen  (ernstig,  lange  duur,  groot  aantal  betrokkenen, landelijke omvang, opzettelijk, tegenover middelmatige schade), concludeert de toezichthoudende autoriteit dat het gaat om een inbreuk van hoge zwaarte . De toezichthoudende autoriteit zal het uitgangsbedrag voor de verdere berekening vaststellen op een punt tussen de 20 en 100 % van het wettelijke maximumbedrag dat is opgenomen in artikel 83, lid 5, AVG.

## Voorbeeld 5b - Kwalificatie van de zwaarte van een inbreuk (gemiddelde zwaarte)

Een toezichthoudende autoriteit ontving van een ziekenhuis een melding van een inbreuk in verband met  persoonsgegevens.  Uit  deze  melding  bleek  dat  verschillende  personeelsleden  delen  van patiëntendossiers met gezondheidsgegevens hadden kunnen inzien waartoe zij - op basis van hun afdeling - geen toegang hadden moeten hebben. Het ziekenhuis had gewerkt aan procedures om de toegang tot patiëntendossiers te reguleren en had strenge maatregelen genomen voor beperkte toegang. Daardoor had het personeel van een afdeling alleen toegang tot medische informatie die van  belang  is  voor  die  specifieke  afdeling.  Daarnaast  had  het  ziekenhuis  geïnvesteerd  in privacybewustzijn onder zijn personeelsleden. Zoals gebleken is, waren er echter problemen met de monitoring van autorisaties. Personeelsleden die naar een andere afdeling verhuisden, hadden nog steeds toegang tot de patiëntendossiers van hun 'oude' afdeling en het ziekenhuis beschikte niet over procedures om de huidige functie van het personeelslid in overeenstemming te brengen met zijn autorisatie. Uit intern onderzoek van het ziekenhuis bleek dat ten minste 150 personeelsleden (van de 3 500) een onjuiste autorisatie hadden, wat van invloed was op ten minste 20 000 van de 95 000 patiëntendossiers. Het ziekenhuis kon aantonen dat in ten minste 16 gevallen personeelsleden hun autorisatie hadden gebruikt om patiëntendossiers in te zien. De toezichthoudende autoriteit is van oordeel dat er sprake is van een inbreuk op artikel 32 AVG.

Bij het beoordelen van de zwaarte van de inbreuk merkte de toezichthoudende autoriteit eerst op dat een inbreuk op artikel 32 AVG wordt genoemd bij de inbreuken van artikel 83, lid 4, AVG en derhalve  in  het  lagere  niveau  van  artikel 83  AVG  valt.  Vervolgens  maakte  de  toezichthoudende autoriteit  een  beoordeling  van  de  omstandigheden  van  het  geval.  In  dat  verband  nam  de toezichthoudende autoriteit in overweging dat het aantal door de inbreuk getroffen betrokkenen

weliswaar  slechts  16  bedroeg,  maar  dat  dit  er  onder  de  omstandigheden  van  het  geval  20 000 hadden kunnen zijn en zelfs 95 000 gezien de systemische aard van de kwestie. Voorts deelde de toezichthoudende autoriteit de inbreuk in als nalatig van aard, maar in geringe mate, hetgeen in de omstandigheden van dit specifieke geval als neutrale factor werd beschouwd vanwege het feit dat het ziekenhuis geen beleid inzake autorisaties had vastgesteld terwijl het dit wel had moeten doen, maar anderzijds het nodige had gedaan om strenge maatregelen te nemen om toegang te beperken. Deze evaluatie werd niet beïnvloed door het feit dat ander beleid inzake gegevensbescherming en beveiliging met succes was uitgevoerd, zoals de AVG voorschrijft. Tot slot kende de toezichthoudende autoriteit  een  groot  gewicht  toe  aan  het  feit  dat  de  patiëntendossiers  gezondheidsgegevens bevatten. Dit is een bijzondere categorie van gegevens overeenkomstig artikel 9 AVG.

Al het bovenstaande in aanmerking genomen (aard van de verwerking en bijzondere categorie van gegevens tegenover het aantal daadwerkelijk en mogelijkerwijs getroffen betrokkenen), concludeert de toezichthoudende autoriteit dat het gaat om een inbreuk van een zwaarte . De toezichthoudende autoriteit zal het uitgangsbedrag voor de verdere berekening vaststellen op een punt tussen de 10 en 20 % van het wettelijke maximumbedrag dat is opgenomen in artikel 83, lid 4, AVG.

## Voorbeeld 5c - Kwalificatie van de zwaarte van een inbreuk (lage zwaarte)

Een  toezichthoudende  autoriteit  heeft  talrijke  klachten  ontvangen  over  de  manier  waarop  een webwinkel omgaat met het recht van inzage van zijn betrokkenen. Volgens de klagers neemt de afhandeling van hun verzoeken om inzage tussen de vier en zes maanden in beslag, wat langer is dan toegestaan op grond van de AVG. De toezichthoudende autoriteit onderzoekt de klachten en stelt vast dat de webwinkel in 5 % van de gevallen maximaal drie maanden te laat op verzoeken om inzage reageert. In totaal heeft de winkel jaarlijks circa 1 000 verzoeken om inzage ontvangen en bevestigd  dat  950 van  die  verzoeken  op  tijd  werden  afgehandeld.  Bovendien  had  de  webwinkel beleid  ingevoerd  om  te  waarborgen  dat  alle  verzoeken  om  inzage  correct  en  volledig  werden afgehandeld. Niettemin concludeerde de toezichthoudende autoriteit dat de webwinkel inbreuk had gemaakt op artikel 12, lid 3, AVG en besloot zij een geldboete op te leggen.

Bij de berekening van de hoogte van de op te leggen geldboete kreeg de toezichthoudende autoriteit de taak om de zwaarte van deze inbreuk te beoordelen. Om te beginnen merkte de toezichthoudende autoriteit op dat een inbreuk op artikel 12 AVG wordt genoemd bij de inbreuken van artikel 83, lid 5,  AVG en  derhalve  in  het  hogere  niveau  van  artikel 83  AVG  valt.  Vervolgens  maakte  de toezichthoudende autoriteit een beoordeling van de omstandigheden van het geval. In dat verband voerde de toezichthoudende autoriteit een zorgvuldige analyse uit van de aard van de inbreuk . Hoewel het tijdige recht op inzage in persoonsgegevens een van de hoekstenen van de rechten van de betrokkenen is, was de toezichthoudende autoriteit van mening dat de ernst van de inbreuk in dat opzicht beperkt was, gezien het feit dat alle verzoeken uiteindelijk en met beperkte vertraging werden afgehandeld. Met betrekking tot het doel van de verwerking stelde de toezichthoudende autoriteit vast dat de verwerking van persoonsgegevens geen kernactiviteit van de webwinkel was, maar nog altijd een belangrijke nevenactiviteit bij het vervullen van het doel om online goederen te verkopen.  De  toezichthoudende  autoriteit  oordeelde  dat  hierdoor  de  zwaarte  van  de  inbreuk toenam. Anderzijds werd de omvang van de schade die de betrokkenen hadden geleden, minimaal geacht, aangezien alle verzoeken om inzage binnen zes maanden werden afgehandeld.

Al  het  bovenstaande  in  aanmerking  genomen  (aard  van  de  inbreuk,  doel  van  de  verwerking  en omvang van de schade), concludeert de toezichthoudende autoriteit dat het gaat om een inbreuk van een lage mate zwaarte. De toezichthoudende autoriteit zal het uitgangsbedrag voor de verdere

berekening vaststellen op een punt tussen de 0 en 10 % van het wettelijke maximumbedrag dat is opgenomen in artikel 83, lid 5, AVG.

## 4.3 - Omzet van de onderneming met het oog op het opleggen van een doeltreffende, afschrikkende en evenredige geldboete

63. Op  grond  van  de  AVG  moet  elke  toezichthoudende  autoriteit  ervoor  zorgen  dat  de  administratieve geldboeten  die  worden  opgelegd  in  elk  individueel  geval  doeltreffend,  evenredig  en  afschrikkend  zijn (artikel 83,  lid 1,  AVG).  De  toepassing  van  deze  beginselen  van  het  recht  van  de  Europese  Unie  kan  in individuele gevallen verstrekkende gevolgen hebben, aangezien de uitgangsbedragen voor het berekenen van administratieve boeten in de AVG net zo goed voor micro-ondernemingen als voor multinationals gelden. Om een geldboete op te leggen die in alle gevallen doeltreffend, evenredig en afschrikkend is, wordt van de toezichthoudende  autoriteiten  verwacht  dat  zij  de  administratieve  geldboeten  aanpassen  binnen  het volledige beschikbare bereik tot aan het wettelijke maximumboetebedrag. Dit kan leiden tot aanzienlijke verhogingen of verlagingen van het bedrag van de geldboete, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
64. De EDPB is van oordeel dat het eerlijk is om in de hierna te bepalen uitgangsbedragen een onderscheid naar de omvang van de onderneming tot uiting te laten komen en houdt daarom rekening met de omzet van de onderneming 28 . De EDPB houdt zich aan de voorschriften van artikel 83 AVG, de AVG als geheel en de vaste rechtspraak van het Hof waarin wordt gesteld dat de omzet van een onderneming een indicatie kan vormen van de omvang en economische macht van een onderneming 29 . Dit ontslaat de toezichthoudende autoriteit echter  niet  van  haar  verantwoordelijkheid  om  aan  het  einde  van  de  berekening  te  beoordelen  of  de geldboete  doeltreffend,  afschrikkend  en  evenredig  is  (zie  hoofdstuk 7).  Dit  laatste  punt  omvat  alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van bijvoorbeeld de accumulatie van meerdere inbreuken, verhogingen en verlagingen vanwege verzwarende en verzachtende omstandigheden en financiële/sociaaleconomische omstandigheden. Het is evenwel aan de toezichthoudende autoriteit om erop toe te zien dat dezelfde  omstandigheden  niet  tweemaal  worden  meegeteld.  Met  name  mogen  toezichthoudende autoriteiten, overeenkomstig hoofdstuk 7, de verhogingen of verlagingen in verhouding tot de omzet van de onderneming niet herhalen. In plaats daarvan moeten zij hun evaluatie van het passende uitgangsbedrag herzien.
65. Om  de  hierboven  uiteengezette  redenen  kan  de  toezichthoudende  autoriteit  overwegen  om  het uitgangsbedrag overeenkomstig de zwaarte van de inbreuk aan te passen in gevallen waarin deze inbreuk is gepleegd door een onderneming met een jaaromzet van niet meer dan 2 miljoen EUR, een jaaromzet van niet meer dan 10 miljoen EUR of een jaaromzet van niet meer dan 50 miljoen EUR 30 .




- -Voor ondernemingen  met  een  jaaromzet  van  ≤ 2 miljoen EUR kunnen  de  toezichthoudende autoriteiten overwegen om de berekening voort te zetten op basis van een bedrag tussen de 0,2 en 0,4 % van het vastgestelde uitgangsbedrag.
- -Voor ondernemingen  met  een  jaaromzet  van  2 miljoen EUR  tot  10 miljoen EUR kunnen  de toezichthoudende autoriteiten overwegen om de berekening voort te zetten op basis van een bedrag tussen de 0,3 en 2 % van het vastgestelde uitgangsbedrag.
- -Voor ondernemingen  met  een  jaaromzet  van  10 miljoen EUR  tot  50 miljoen EUR kunnen  de toezichthoudende autoriteiten overwegen om de berekening voort te zetten op basis van een bedrag tussen de 1,5 en 10 % van het vastgestelde uitgangsbedrag.
66. Om  dezelfde  redenen  kan de toezichthoudende  autoriteit overwegen  om  het  uitgangsbedrag  in overeenstemming te brengen met de zwaarte van de inbreuk in gevallen waarin deze inbreuk is gepleegd door een onderneming met een jaaromzet van niet meer dan 100 miljoen EUR, een jaaromzet van niet meer dan 250 miljoen EUR of een jaaromzet van niet meer dan 500 miljoen EUR 31 .
- -Voor ondernemingen  met  een  jaaromzet  van  50 miljoen EUR  tot  100 miljoen EUR kunnen  de toezichthoudende autoriteiten overwegen om de berekening voort te zetten op basis van een bedrag tussen de 8 en 20 % van het vastgestelde uitgangsbedrag.
- -Voor ondernemingen  met  een  jaaromzet  van  100 miljoen EUR  tot  250 miljoen EUR kunnen  de toezichthoudende autoriteiten overwegen om de berekening voort te zetten op basis van een bedrag tussen de 15 en 50 % van het vastgestelde uitgangsbedrag.
- -Voor ondernemingen  met  een  jaaromzet  van  250 miljoen EUR  tot  500 miljoen EUR kunnen  de toezichthoudende autoriteiten overwegen om de berekening voort te zetten op basis van een bedrag tussen de 40 en 100 % van het vastgestelde uitgangsbedrag.
- -Voor ondernemingen met een jaaromzet van meer dan 500 miljoen EUR kunnen de toezichthoudende autoriteiten overwegen om de berekening voort te zetten zonder het vastgestelde uitgangsbedrag  aan  te  passen.  Dergelijke  ondernemingen  komen  immers  al  boven  het  statische wettelijke maximum uit, waardoor de omvang van de onderneming reeds tot uitdrukking komt in het dynamische wettelijke maximum dat wordt gebruikt voor het bepalen van het uitgangsbedrag voor verdere berekening op basis van de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk.
67. In de regel geldt dat hoe hoger de omzet van de onderneming is binnen het toepasselijke niveau, des te hoger het uitgangsbedrag waarschijnlijk zal zijn. Dit laatste geldt in het bijzonder voor de grootste ondernemingen, waarvoor de categorie van uitgangsbedragen het breedst is.
68. Bovendien is de toezichthoudende autoriteit niet verplicht om deze aanpassing toe te passen als het met het oog op een doeltreffende, afschrikkende en evenredige geldboete niet noodzakelijk is om het uitgangsbedrag aan te passen.
69. Er wordt nogmaals op gewezen dat deze cijfers de uitgangsbedragen voor de verdere berekening zijn, en geen  vaste  bedragen  (prijskaartjes)  voor  inbreuken  op  bepalingen  van  de  AVG.  De  toezichthoudende autoriteit heeft de vrijheid om gebruik te maken van het volledige boetebereik vanaf elk bedrag tot aan het

31 Deze cijfers worden toegevoegd ter overbrugging van de kloof tussen de hoogste drempelwaarde van het vorige punt en de in artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG vastgestelde omzetdrempel.

wettelijke maximumboetebedrag,  waarbij  zij ervoor zorgt dat de geldboete is afgestemd  op de omstandigheden van het geval, zoals vereist door het Hof van Justitie wanneer een abstract uitgangsbedrag wordt gebruikt.

## Voorbeeld 6a - De vaststelling van het uitgangsbedrag voor de verdere berekening

Een supermarktketen met een omzet van 450 miljoen EUR heeft inbreuk gemaakt op artikel 12 AVG. De toezichthoudende autoriteit oordeelde op basis van een zorgvuldige analyse van de omstandigheden  van  het  geval  dat  het  ging  om  een  inbreuk  van  een  lage  zwaarte.  Om  het uitgangsbedrag voor de verdere berekening te bepalen, stelt de toezichthoudende autoriteit eerst vast dat artikel 12 AVG wordt genoemd in artikel 83, lid 5, punt b), AVG en dat er, op basis van de omzet van de onderneming (450 miljoen EUR), een wettelijk maximumboetebedrag van 20 miljoen EUR geldt.

Op basis van de door de toezichthoudende autoriteit vastgestelde zwaarte (laag) moet rekening worden gehouden met een uitgangsbedrag van tussen de 0 en 2 miljoen EUR (tussen 0 en 10 % van het toepasselijke wettelijke maximumbedrag, zie punt 60).

De toezichthoudende autoriteit is van mening dat een aanpassing naar beneden tot 90 % van het uitgangsbedrag gerechtvaardigd is op basis van de omvang van de onderneming, die een omzet heeft  van  450 miljoen EUR.  Dit  bedrag  vormt  de  basis  voor  de  verdere  berekening,  die  een eindbedrag  moet  opleveren  dat  niet  hoger  is  dan  het  toepasselijke  wettelijke  maximum  van 20 miljoen EUR.

## Voorbeeld 6b - De vaststelling van het uitgangsbedrag voor de verdere berekening

Een startende datingapp met een omzet van 500 000 EUR bleek gevoelige persoonsgegevens van zijn  klanten  aan verschillende  gegevensmakelaars te hebben verkocht voor analyse en daardoor inbreuk  te  hebben  gemaakt  op  artikel 9  en  artikel 5,  lid 1,  punt a),  AVG.  De  toezichthoudende autoriteit oordeelde op basis van een zorgvuldige analyse van de omstandigheden van het geval dat het ging om een inbreuk van een hoge zwaarte. Om het uitgangsbedrag voor de verdere berekening te  bepalen,  stelt  de  toezichthoudende  autoriteit  eerst  vast  dat  de  artikelen 9  en 5  AVG  worden genoemd in artikel 83, lid 5, punt a), AVG en dat er, op basis van de omzet van de onderneming (500 000 EUR), een wettelijk maximumboetebedrag van 20 000 000 EUR geldt.

Op basis van de door de toezichthoudende autoriteit vastgestelde zwaarte (hoog) moet rekening worden gehouden met een uitgangsbedrag van tussen de 4 000 000 en 20 000 000 EUR (tussen 20 en 100 % van het toepasselijke wettelijke maximumbedrag, zie punt 60).

De toezichthoudende autoriteit is van mening dat een aanpassing naar beneden tot 0,25 % van het uitgangsbedrag gerechtvaardigd is op basis van de omvang van de onderneming, die een omzet heeft van 500 000 EUR. Dit bedrag vormt de basis voor de verdere berekening, die een eindbedrag moet opleveren dat niet hoger is dan het toepasselijke maximum van 20 miljoen EUR.

## HOOFDSTUK 5 - VERZWARENDE EN VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN

## 5.1 - Vaststelling van verzwarende en verzachtende factoren

70. Volgens de structuur van de AVG moet de  toezichthoudende autoriteit, nadat zij een beoordeling heeft gemaakt van de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, de opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk en de categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft, rekening houden met de overige verzwarende en verzachtende factoren zoals genoemd in artikel 83, lid 2, AVG.
71. Met  betrekking  tot  de  beoordeling  van  deze  elementen  geldt  dat  verhogingen  of  verlagingen  van  een geldboete niet vooraf aan de hand van tabellen of percentages kunnen worden bepaald. Er wordt nogmaals op gewezen dat de daadwerkelijke kwantificering van de geldboete afhankelijk is van alle elementen die in de loop van het onderzoek zijn verzameld en van verdere overwegingen die ook verband houden met eerdere ervaringen van de toezichthoudende autoriteit op het gebied van geldboeten.
72. Voor de duidelijkheid moet worden opgemerkt dat elk criterium van artikel 83, lid 2, AVG - ongeacht of het wordt beoordeeld krachtens hoofdstuk 4 of dit hoofdstuk - slechts eenmaal in aanmerking mag worden genomen in het kader van de algehele beoordeling van artikel 83, lid 2, AVG.

## 5.2 - De door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker genomen maatregelen om de door betrokkenen geleden schade te beperken

73. Een eerste stap om te bepalen of zich verzwarende of verzachtende omstandigheden hebben voorgedaan, bestaat in de beoordeling van artikel 83, lid 2, punt c), dat betrekking heeft op 'de door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker genomen maatregelen om de door betrokkenen geleden schade te beperken'.
74. Zoals vermeld in de richtsnoeren WP 253 zijn verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers reeds verplicht 'technische en organisatorische maatregelen te nemen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen, effectbeoordelingen inzake gegevensbescherming uit te voeren en de risico's voor de rechten en vrijheden van personen die voortvloeien uit de verwerking van persoonsgegevens, te beperken'. In het geval van een inbreuk dient de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker echter 'al het mogelijke te doen om de gevolgen van de inbreuk voor de betrokkene(n) te beperken' 32 .
75. Het nemen van passende maatregelen om de door de betrokkenen geleden schade te beperken kan als verzachtende factor worden beschouwd, waardoor het bedrag van de geldboete wordt verlaagd.
76. De genomen maatregelen moeten met name worden beoordeeld met betrekking tot de tijdigheid, d.w.z. het moment  waarop  ze  door  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker  worden  uitgevoerd,  en  de doeltreffendheid ervan. In die zin worden maatregelen die uit eigen beweging worden uitgevoerd voordat de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker  verneemt  dat  de  toezichthoudende  autoriteit  een onderzoek gaat starten, eerder als verzachtende factor beschouwd dan maatregelen die daarna worden uitgevoerd.

32 Richtsnoeren WP 253, blz. 13.

## 5.3 - Mate van verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker

77. Overeenkomstig artikel 83, lid 2, punt d), moet worden beoordeeld in welke mate de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker verantwoordelijk is, rekening houdend met de maatregelen die hij heeft uitgevoerd ingevolge de artikelen 25 en 32 AVG. In de richtsnoeren WP 253 staat dat '[d]e vraag die de toezichthoudende autoriteit dan moet beantwoorden, is in hoeverre de verwerkingsverantwoordelijke 'heeft gedaan wat van hem mocht worden verwacht' gelet op de aard, het doel of de omvang van de verwerking, gezien in het licht van de verplichtingen die door de verordening worden opgelegd' 33 .
78. Met betrekking tot dit criterium moet met name een beoordeling worden gemaakt van het restrisico voor de vrijheden en rechten van de betrokkenen, de veroorzaakte schade voor de betrokkenen en de blijvende schade nadat de verwerkingsverantwoordelijke maatregelen heeft genomen, alsook van de robuustheid van de krachtens de artikelen 25 en 32 AVG genomen maatregelen.

79. In dit verband kan de toezichthoudende autoriteit ook onderzoeken of de betrokken gegevens direct identificeerbaar waren en/of beschikbaar waren zonder technische bescherming 34 . Er moet echter in gedachten  worden  gehouden  dat  het  bestaan  van  dergelijke  bescherming  niet  noodzakelijkerwijs  een verzachtende factor vormt (zie punt 82). Dit hangt af van alle omstandigheden van het geval.

80. Om de  bovengenoemde  elementen  naar  behoren  te  beoordelen,  moet  de  toezichthoudende  autoriteit rekening  houden  met  alle  door  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker  verstrekte  relevante documentatie, bv. in het kader van de uitoefening van zijn recht van verdediging. In het bijzonder kan uit dergelijke documentatie blijken wanneer de maatregelen werden getroffen en op welke wijze zij werden uitgevoerd, of er contact is geweest tussen de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker (indien van toepassing) dan wel of er contact is geweest met de functionaris voor gegevensbescherming of betrokkenen (indien van toepassing).
81. Gezien de grotere mate van verantwoording krachtens de AVG in vergelijking met Richtlijn 95/46/EG 35 is het waarschijnlijk dat de mate van verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker als een verzwarende of een neutrale factor zal worden beschouwd. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden, waarin  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker  verder  is  gegaan  dan  de  op  hem  rustende verplichtingen, wordt dit als een verzachtende factor beschouwd.

## 5.4 - Eerdere inbreuken door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker

82. Eerdere inbreuken zijn inbreuken die reeds waren vastgesteld voordat het besluit wordt meegedeeld. In geval  van  samenwerking  krachtens  hoofdstuk VII  AVG  zijn  eerdere  inbreuken  die  welke  reeds  waren vastgesteld voordat het ontwerpbesluit (in de zin van artikel 60 AVG) wordt meegedeeld.
83. Overeenkomstig artikel 83, lid 2,  punt e),  AVG  moet  bij  het  besluit  over  de  vraag  of  een  administratieve geldboete wordt opgelegd en over de hoogte daarvan rekening worden gehouden met alle eerdere relevante inbreuken  door  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker.  Woorden  van  gelijke  strekking  zijn opgenomen in overweging 148 AVG.

33 Zie voetnoot 32, blz. 14.

34 Zie voetnoot 33, blz. 15-16.

35 Zie voetnoot 33, blz. 13.

## 5.4.1 - Tijdschema

84. In de eerste plaats moet rekening worden gehouden met het tijdstip waarop de eerdere inbreuk plaatsvond, aangezien een eerdere inbreuk van minder belang wordt naarmate er meer tijd is verstreken tot de inbreuk die  thans  wordt  onderzocht.  Dus  hoe  langer  geleden  de  inbreuk  werd  gepleegd,  hoe  minder  belang  de toezichthoudende  autoriteiten  eraan  toekennen.  Deze  beoordeling  wordt  aan  de  toezichthoudende autoriteit overgelaten, onverminderd de toepasselijke nationale en Europese wetgeving en beginselen.
85. Toch kunnen inbreuken die lange tijd geleden zijn gepleegd, nog steeds van belang zijn bij de beoordeling van de 'staat van dienst' van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker. Daarom worden er hiervoor geen vaste verjaringstermijnen vastgesteld. Volgens sommige nationale wetten mag de toezichthoudende autoriteit eerdere inbreuken echter niet meer in aanmerking nemen na een vastgestelde periode. Evenzo is het krachtens bepaalde nationale wetten verplicht om dossiers na een bepaalde periode te wissen, waardoor de optredende toezichthoudende autoriteiten geen rekening met die precedenten kunnen houden.
86. Om dezelfde reden moet worden opgemerkt dat inbreuken op de AVG, omdat die recenter zijn, als relevanter moeten worden beschouwd dan inbreuken op de nationale bepalingen die zijn vastgesteld ter uitvoering van Richtlijn  95/46/EG  (indien  de  nationale  wetgeving  toelaat  dat  de  toezichthoudende  autoriteit  dergelijke inbreuken in aanmerking neemt).

## 5.4.2 - Onderwerp

87. Voor de toepassing van artikel 83, lid 2, punt e), AVG kunnen eerdere inbreuken met betrekking tot hetzelfde of een ander onderwerp dan dat van de inbreuk die wordt onderzocht, als 'relevant' worden beschouwd.
88. Hoewel  alle eerdere inbreuken een indicatie kunnen  geven van de  algemene houding van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker ten aanzien van de naleving van de AVG, moet aan inbreuken met betrekking tot hetzelfde onderwerp meer belang worden gehecht. Zij liggen namelijk dichter bij de inbreuk die thans wordt onderzocht, met name wanneer de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker eerder  dezelfde  inbreuk  heeft  gepleegd  (herhaalde  inbreuken).  Inbreuken  met  betrekking  tot  hetzelfde onderwerp moeten dus als relevanter worden beschouwd dan eerdere inbreuken met betrekking tot een ander onderwerp.
89. Zo  moet  het  feit  dat  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker  in  het  verleden  niet  tijdig  heeft gereageerd op betrokkenen die hun rechten uitoefenen, als relevanter worden beschouwd wanneer het bij de onderzochte inbreuk eveneens gaat om het uitblijven van een reactie op betrokkenen die hun rechten uitoefenen dan wanneer het gaat om een inbreuk in verband met persoonsgegevens.
90. Er moet echter terdege rekening worden gehouden met eerdere inbreuken met betrekking tot een ander onderwerp, maar die op dezelfde wijze werden gepleegd, aangezien zij kunnen wijzen op aanhoudende problemen binnen de organisatie van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker. Dit is bijvoorbeeld het geval bij inbreuken die zich voordoen omdat het advies van de functionaris voor gegevensbescherming in de wind is geslagen.

## 5.4.3 - Andere overwegingen

91. Indien  wordt  gekeken  naar  een  eerdere  inbreuk  op  de  nationale  bepalingen  ter  uitvoering  van  Richtlijn 95/46/EG, moeten de toezichthoudende autoriteiten rekening houden met het feit dat de voorschriften in de richtlijn en in de AVG kunnen verschillen (indien de nationale wetgeving toelaat dat de toezichthoudende autoriteit dergelijke inbreuken in aanmerking neemt).

92. Bij de beoordeling van de relevantie van een eerdere inbreuk moet de toezichthoudende autoriteit rekening houden met de status van de procedure waarin de eerdere inbreuk werd vastgesteld - met name de door de toezichthoudende autoriteit of de rechterlijke instantie getroffen maatregelen - overeenkomstig het nationale recht.
93. Eerdere inbreuken kunnen ook in aanmerking worden genomen  wanneer  zij door een andere toezichthoudende autoriteit werden vastgesteld met betrekking tot dezelfde verwerkingsverantwoordelijke/verwerker. Zo kan de leidende toezichthoudende autoriteit die een inbreuk behandelt  via  het  samenwerkingsmechanisme  (éénloketmechanisme)  overeenkomstig  artikel 60  AVG, rekening  houden  met  inbreuken  die eerder in lokale gevallen zijn vastgesteld  door  een  andere toezichthoudende autoriteit met betrekking tot dezelfde verwerkingsverantwoordelijke/verwerker. Evenzo kunnen eerder door de leidende toezichthoudende autoriteit vastgestelde inbreuken in aanmerking worden genomen wanneer een andere autoriteit een bij haar ingediende klacht moet behandelen in gevallen met enkel lokale gevolgen krachtens artikel 56, lid 2, AVG. Indien er geen leidende toezichthoudende autoriteit is (bijvoorbeeld  wanneer  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker  niet  in  de  Europese  Unie  is gevestigd), kunnen toezichthoudende autoriteiten ook rekening houden met inbreuken die eerder door een andere toezichthoudende autoriteit zijn vastgesteld met betrekking tot dezelfde verwerkingsverantwoordelijke/verwerker.
94. Het bestaan van eerdere inbreuken kan bij de berekening van de geldboete als een verzwarende factor worden beschouwd. Het aan deze factor toe te kennen gewicht moet worden bepaald in het licht van de aard en de frequentie van de eerdere inbreuken. Het feit dat zich eerder geen inbreuken hebben voorgedaan, kan echter niet als een verzachtende factor worden beschouwd, aangezien de naleving van de AVG de norm is. Als er geen eerdere inbreuken zijn, kan deze factor als neutraal worden beschouwd.

## 5.5 - De mate waarin er met de toezichthoudende autoriteit is samengewerkt om de inbreuk te verhelpen en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan te beperken

95. Op grond van artikel 83, lid 2, punt f), AVG moet de toezichthoudende autoriteit rekening houden met de mate  waarin  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker  met  de  toezichthoudende  autoriteit samenwerkt om de inbreuk te verhelpen en de mogelijke negatieve gevolgen van de inbreuk te beperken.
96. Voordat nader wordt ingegaan op de mate waarin de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker met de toezichthoudende autoriteit samenwerkt, moet eraan worden herinnerd dat op de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker een algemene verplichting tot medewerking rust krachtens artikel 31 AVG en dat een gebrek aan medewerking kan leiden tot het opleggen van de in artikel 83, lid 4, punt a),  AVG  bedoelde  geldboete.  Daarom  moet  worden  bedacht  dat  de  gewone  verplichting  tot samenwerking bindend is en dus als neutraal moet worden beschouwd (en niet als verzachtende factor).
97. Indien de samenwerking met de toezichthoudende autoriteit echter tot gevolg heeft gehad dat de negatieve gevolgen  voor  de  rechten  van  de  personen  die  zich  anders  hadden  voorgedaan,  werden  beperkt  of vermeden, kan de toezichthoudende autoriteit dit als een verzachtende factor beschouwen in de zin van artikel 83, lid 2, punt f), AVG, waardoor de geldboete lager wordt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker 'in de onderzoeksfase in dat specifieke geval op bijzondere wijze [heeft] gereageerd op de verzoeken van de toezichthoudende autoriteit, waardoor de gevolgen voor de rechten van personen aanzienlijk zijn beperkt' 36 .

36 Richtsnoeren WP 253, blz. 15.

## 5.6 - De wijze waarop de toezichthoudende autoriteit kennis heeft gekregen van de inbreuk

98. Overeenkomstig artikel 83, lid 2, punt h), AVG kan de wijze waarop de toezichthoudende autoriteit kennis heeft gekregen van de inbreuk, een relevante verzwarende of verzachtende factor zijn. Bij de beoordeling hiervan kan bijzonder gewicht worden  toegekend  aan de vraag of, en zo ja, in hoeverre, de verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker  de  inbreuk  uit  eigen  beweging  heeft  gemeld  voordat  de toezichthoudende  autoriteit  kennis  kreeg  van  de  inbreuk  als  gevolg  van  bijvoorbeeld  een  klacht  of  een onderzoek.  Deze  omstandigheid  is  niet  van  belang  wanneer  voor  de  verwerkingsverantwoordelijke  een specifieke  meldingsplicht  geldt  (zoals  in  het  geval  van  inbreuken  in  verband  met  persoonsgegevens overeenkomstig artikel 33) 37 . In dergelijke gevallen moet deze melding als neutraal worden beschouwd 38 .
99. Indien de toezichthoudende autoriteit kennis kreeg van de inbreuk als gevolg van bijvoorbeeld een klacht of een onderzoek, moet dit element in de regel ook als neutraal worden beschouwd. De toezichthoudende autoriteit kan dit als een verzachtende omstandigheid beschouwen indien de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de inbreuk uit eigen beweging heeft gemeld, voordat de toezichthoudende autoriteit kennis kreeg van de zaak.

## 5.7 - Naleving van maatregelen die eerder met betrekking tot dezelfde aangelegenheid zijn genomen

100. In  artikel 83,  lid 2,  punt i),  AVG  wordt  bepaald  dat  bij  het  besluit  over  de  vraag  of  een  administratieve geldboete wordt opgelegd en over de hoogte daarvan rekening moet worden gehouden met 'de naleving van de in artikel 58, lid 2, genoemde  maatregelen, voor zover die eerder ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in kwestie met betrekking tot dezelfde aangelegenheid zijn genomen'.
101. In  tegenstelling  tot  artikel 83,  lid 2,  punt e),  AVG  heeft  deze  beoordeling  uitsluitend  betrekking  op maatregelen die de toezichthoudende autoriteiten zelf eerder aan dezelfde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker hebben opgelegd met betrekking tot dezelfde aangelegenheid 39 .
102. In  dit  verband kan de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker redelijkerwijs verwachten dat door eerder aan hem opgelegde maatregelen na te leven, wordt voorkomen dat een inbreuk met betrekking tot dezelfde  aangelegenheid  in  de  toekomst  plaatsvindt.  Aangezien  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de verwerker verplicht is eerder genomen maatregelen na te leven, mag dit op zich niet als verzachtende factor worden  beschouwd.  Om  als  verzachtende  factor  te  kunnen  gelden,  is  er  bij  de  uitvoering  van  eerdere maatregelen  juist  een  grotere  inzet  van  de  verwerkingsverantwoordelijke  of  de  verwerker  vereist,  bv. aanvullende maatregelen die verder gaan dan die welke de toezichthoudende autoriteit heeft opgelegd.
103. Omgekeerd kan de niet-naleving van eerder opgelegde corrigerende maatregelen worden beschouwd als een verzwarende factor of als een andere inbreuk op zich, ingevolge artikel 83, lid 5, punt e), en artikel 83, lid 6, AVG. Daarom moet er goed op worden gelet dat hetzelfde niet-conforme gedrag niet kan leiden tot een situatie waarin dat tweemaal wordt bestraft.

37  Er moet worden benadrukt dat een inbreuk in verband met persoonsgegevens niet hoeft te betekenen dat er sprake

is van een inbreuk op de AVG.

38 Dit wordt onderstreept door de richtsnoeren WP 253, blz. 16.

39 Zie voetnoot 38.

## 5.8 - Het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes of goedgekeurde certificeringsmechanismen

104. In  artikel 83,  lid 2,  punt j),  AVG  staat  dat  het  aansluiten  bij  gedragscodes  krachtens  artikel 40  AVG  of goedgekeurde certificeringsmechanismen krachtens artikel 42 AVG een relevante factor kan vormen.
105. Zoals in de richtsnoeren WP 253 wordt herhaald, kan de aansluiting bij gedragscodes krachtens artikel 40 AVG of goedgekeurde certificeringsmechanismen krachtens artikel 42 AVG in sommige omstandigheden een verzachtende factor vormen. Goedgekeurde gedragscodes bevatten overeenkomstig artikel 40, lid 4, AVG 'mechanismen die het [toezichthoudend] orgaan in staat stellen het verplichte toezicht uit te oefenen op de naleving van de bepalingen van de code'. Bepaalde vormen van sancties voor niet-conform gedrag kunnen worden opgelegd via de toezichtregeling, overeenkomstig artikel 41, lid 4, AVG, met inbegrip van schorsing of uitsluiting van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in kwestie uit de codegemeenschap. De toezichthoudende autoriteit kan weliswaar rekening houden met eerder opgelegde sancties in het kader van de zelfregulering, maar de bevoegdheden van het toezichthoudend orgaan zijn op grond van artikel 41, lid 4, AVG '[o]nverminderd de taken en bevoegdheden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit', hetgeen betekent  dat  de  toezichthoudende  autoriteit  niet  verplicht  is  rekening  te  houden  met  sancties  van  het toezichthoudend orgaan 40 .
106. Anderzijds geldt dat indien de niet-naleving van de gedragscode of certificering rechtstreeks relevant is voor de inbreuk, de toezichthoudende autoriteit dit als een verzwarende omstandigheid kan beschouwen.

## 5.9 - Andere verzwarende en verzachtende omstandigheden

107. Artikel 83, lid 2, punt k), AVG laat de toezichthoudende autoriteit ruimte om rekening te houden met andere verzwarende of verzachtende factoren die van toepassing zijn op de omstandigheden van het geval. In het individuele geval kunnen veel elementen een rol spelen, die niet allemaal kunnen worden gecodificeerd of vermeld en waarmee rekening moet worden gehouden om ervoor te zorgen dat de toegepaste sanctie in elk individueel geval doeltreffend, evenredig en afschrikkend is.
108. In artikel 83, lid 2, punt k), AVG worden voorbeelden genoemd van 'elke andere op de omstandigheden van de zaak toepasselijke verzwarende of verzachtende factor', d.w.z. gemaakte financiële winsten, of vermeden verliezen, die al dan niet rechtstreeks uit de inbreuk voortvloeien. Deze bepaling wordt van fundamenteel belang geacht voor het aanpassen van het bedrag van de geldboete aan het specifieke geval. In die zin moet zij  worden  uitgelegd  als  een  voorbeeld  waarin  het  beginsel  van  eerlijkheid  en  rechtvaardigheid  wordt toegepast op het individuele geval.
109. De werkingssfeer van deze bepaling, die per definitie open is, moet zich uitstrekken tot alle gemotiveerde overwegingen ten aanzien van de sociaal-economische context waarin de verwerkingsverantwoordelijke of de  verwerker  actief  is,  die  met  betrekking  tot  de  juridische  context  en  die  met  betrekking  tot  de marktcontext 41 .
110. In het bijzonder kan economisch voordeel van de inbreuk een verzwarende omstandigheid zijn indien uit informatie met betrekking tot het geval blijkt dat er als gevolg van de inbreuk op de AVG winst is gemaakt.

40 Richtsnoeren WP 253, blz. 17.

41 De EDPB heeft over deze kwestie een besluit genomen in Bindend besluit EDPB 3/2022 over het door de Ierse toezichthoudende autoriteit voorgelegde geschil over Meta Platforms Ireland Limited en de Facebook Service van die onderneming (artikel 65 AVG) (hierna 'Bindend besluit EDBP 3/2022' genoemd), punt 368.

111. Uitzonderlijke omstandigheden die tot belangrijke veranderingen in de sociaal-economische context kunnen leiden (b.v. het uitbreken van een ernstige pandemiecrisis, waardoor de wijze waarop persoonsgegevens worden  verwerkt,  ingrijpend  kan  veranderen),  kunnen  ook  in  aanmerking  worden  genomen  krachtens artikel 83, lid 2, punt k), AVG.

NB: De voorbeelden in dit hoofdstuk illustreren de gevolgen die verzwarende en verzachtende omstandigheden kunnen hebben voor de hoogte van de geldboete. De in deze denkbeeldige gevallen genoemde verhogingen of verlagingen mogen niet worden beschouwd als precedenten of indicaties van percentages voor gebruik in praktijkgevallen.

## Voorbeeld 7a - Het afwegen van verzwarende en verzachtende omstandigheden

Een  sportvereniging  maakte  bij  de  ingang  van  een  van  haar  locaties  gebruik  van  camera's  met gezichtsherkenning om haar klanten bij binnenkomst te identificeren. Omdat de sportvereniging dit deed in strijd met artikel 9 AVG (verwerking van biometrische gegevens zonder geldige uitzondering), besloot de toezichthoudende autoriteit die bevoegd is om de inbreuk te onderzoeken, een geldboete op  te  leggen.  Rekening  houdend  met  alle  relevante  omstandigheden  van  het  geval,  was  de toezichthoudende autoriteit van mening dat dit een inbreuk van een hoge zwaarte was. Omdat de jaaromzet  van  de  sportvereniging  150 miljoen EUR  bedroeg,  werd  een  uitgangsbedrag  van 2 000 000 EUR (het hoogste in de categorie) passend geacht.

Dezelfde  sportvereniging  had  twee  jaar  eerder  echter  een  boete  gekregen  voor  het  gebruik  van vingerafdruktechnologie bij de draaihekken op een andere locatie. De toezichthoudende autoriteit besloot dit mee te wegen als een recidive (artikel 83, lid 2, punt e), AVG). Daarmee kende zij gewicht toe aan het feit dat dit vrijwel dezelfde aangelegenheid betrof en de inbreuk slechts twee jaar eerder werd  begaan.  Vanwege  deze  verzwarende  factor  besloot  de  toezichthoudende  autoriteit  de geldboete  in  dit  specifieke  geval  te  verhogen  tot  2 600 000 EUR 42 ,  waarmee  het  toepasselijke wettelijke maximumbedrag van 20 miljoen EUR niet werd overschreden.

NB: De voorbeelden in dit hoofdstuk illustreren de gevolgen die verzwarende en verzachtende omstandigheden kunnen hebben voor de hoogte van de geldboete. De in deze denkbeeldige gevallen genoemde verhogingen of verlagingen mogen niet worden beschouwd als precedenten of indicaties van percentages voor gebruik in praktijkgevallen.

## Voorbeeld 7b - Het afwegen van verzwarende en verzachtende omstandigheden

Bij de exploitant van een platform voor autoverhuur op korte termijn deed zich een datalek voor, waardoor de persoonsgegevens van zijn klanten gedurende korte tijd kwetsbaar waren. Rekening houdend  met  alle  relevante  omstandigheden  van  het  geval,  oordeelde  de  toezichthoudende autoriteit dat de tekortkomingen van de exploitant bij de beveiliging van zijn platform een inbreuk op  artikel 32  AVG  vormden  van  een  lage  zwaarte.  Omdat  de  jaaromzet  van  de  exploitant 255 miljoen EUR bedroeg, werd een uitgangsbedrag van 260 000 EUR passend geacht.

42  Hieruit blijkt dat de categorieën voor de uitgangsbedragen geen beperking vormen voor de mogelijkheden van de toezichthoudende autoriteiten om rekening te houden met verzwarende en verzachtende omstandigheden tot een bedrag  dat  hoger  of  lager  is  dan  de  categorieën.  Zoals  ook  wordt  vermeld  in  paragraaf 4.3,  zijn  deze  cijfers  de uitgangsbedragen voor de verdere berekening, en geen vaste bedragen (prijskaartjes) voor inbreuken op bepalingen van de AVG. De toezichthoudende autoriteit behoudt de vrijheid om gebruik te maken van het volledige boetebereik vanaf een punt boven de 0 EUR tot aan het wettelijke maximumboetebedrag, waarbij zij ervoor zorgt dat de geldboete is afgestemd op de omstandigheden van het geval.

De gecompromitteerde persoonsgegevens omvatten kopieën van rijbewijzen en identiteitsbewijzen. Daarom moesten alle door het datalek getroffen klanten deze documenten opnieuw aanvragen om de kans op identiteitsdiefstal te beperken. Toen de exploitant de betrokkenen op de hoogte bracht van dit incident, bood hij hun hulp aan bij het opnieuw aanvragen van deze documenten bij de juiste openbare instellingen en creëerde hij een systeem om alle kosten van de aanvraag te vergoeden. De toezichthoudende  autoriteit  beschouwde  dit  als  'maatregelen  om  de  door  betrokkenen  geleden schade  te  beperken'  (artikel 83,  lid 2,  punt c),  AVG),  hetgeen  een  matigend  effect  had  op  de geldboete.  Gezien  de  proactieve  houding  en  de  doeltreffendheid  van  de  maatregelen  van  de exploitant,  besloot  de  toezichthoudende  autoriteit  de  geldboete  te  verlagen  tot  225 000 EUR 43 , waarmee ook in dit geval het toepasselijke wettelijke maximumbedrag van 10 miljoen EUR niet werd overschreden.

De  voorbeelden  in  dit  hoofdstuk  illustreren  de  gevolgen  die  verzwarende  en  verzachtende omstandigheden kunnen hebben voor de hoogte van de geldboete. De in deze denkbeeldige gevallen genoemde verhogingen of verlagingen mogen niet worden beschouwd als precedenten of indicaties van percentages voor gebruik in praktijkgevallen.

## Voorbeeld 7c - Het afwegen van verzwarende en verzachtende omstandigheden

Een klein kredietbeoordelingsbureau bleek inbreuk te hebben gemaakt op verschillende bepalingen ter bescherming van de rechten van betrokkenen, met name omdat het zijn klanten een vergoeding aanrekende  voor  de  uitoefening  van  hun  recht  van  inzage.  Het  bureau  deed  dit  bij  alle toegangsverzoeken,  niet  alleen  bij  die  welke  worden  genoemd  in  artikel 12,  lid 5,  punt a),  AVG. Rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het geval, oordeelde de toezichthoudende autoriteit dat het ging om inbreuken van een hoge zwaarte. Omdat de jaaromzet van het bureau 35 miljoen EUR bedroeg, werd een uitgangsbedrag van 100 000 EUR passend geacht.

De toezichthoudende autoriteit beschouwde het feit dat het bureau van de inbreuk kon profiteren echter als een verzwarende omstandigheid (artikel 83, lid 2, punt k), AVG). Teneinde de winst als gevolg  van  de  inbreuk  te  compenseren  en  tegelijkertijd  te  zorgen  voor  een  doeltreffende, afschrikkende en evenredige geldboete in dit geval, besloot de toezichthoudende autoriteit de boete te verhogen tot 130 000 EUR, waarmee  het  toepasselijke wettelijke  maximumbedrag  van 20 miljoen EUR niet werd overschreden.

De  voorbeelden  in  dit  hoofdstuk  illustreren  de  gevolgen  die  verzwarende  en  verzachtende omstandigheden kunnen hebben voor de hoogte van de geldboete. De in deze denkbeeldige gevallen genoemde verhogingen of verlagingen mogen niet worden beschouwd als precedenten of indicaties van percentages voor gebruik in praktijkgevallen.

## Voorbeeld 7d - Het afwegen van verzwarende en verzachtende omstandigheden

Van een onderneming werd vastgesteld dat zij inbreuk maakt op bepalingen van de AVG, met name omdat zij haar database voor commerciële prospectie aan partners verkoopt. Die database bevat de persoonsgegevens van mensen die geen toestemming hebben verleend om te worden benaderd voor commerciële doeleinden.

43 Zie voetnoot 42.

Rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het geval, oordeelde de toezichthoudende autoriteit dat het ging om inbreuken van een gemiddelde zwaarte. Omdat de jaaromzet van de onderneming 45 miljoen EUR bedroeg, werd een uitgangsbedrag van 150 000 EUR passend geacht.

Bovendien was de autoriteit van mening dat het een inbreuk betrof waar de verwerkingsverantwoordelijke voordeel van had. Omdat hij de mensen niet om toestemming vroeg voor de doorgifte van hun gegevens met het oog op het toesturen van gerichte reclame, kon hij vervolgens veel meer gegevens doorverkopen. De toezichthoudende autoriteit beschouwde het feit dat de onderneming van de inbreuk kon profiteren daarom als een verzwarende omstandigheid (artikel 83, lid 2, punt k), AVG).

Teneinde de winst als gevolg van de inbreuk te compenseren en tegelijkertijd te zorgen voor een doeltreffende,  afschrikkende  en  evenredige  geldboete  in  dit  geval,  besloot  de  toezichthoudende autoriteit de boete te verhogen tot 200 000 EUR, waarmee het toepasselijke wettelijke maximumbedrag van 20 miljoen EUR niet werd overschreden.

## HOOFDSTUK 6 - WETTELIJK MAXIMUMBEDRAG EN AANSPRAKELIJKHEID VAN RECHTSPERSONEN

## 6.1 - Vaststelling van het wettelijke maximumbedrag

112. Zoals  reeds  vermeld  in  de  richtsnoeren  WP 253,  krijgen  specifieke  inbreuken  in  de  AVG  geen  specifiek prijskaartje. De AVG bevat in plaats daarvan algemene maximumbedragen 44  en volgt daarmee de algemene traditie van het EU-recht inzake sancties dat reeds in andere rechtshandelingen is vastgelegd 45 .
113. De bedragen in artikel 83,  leden 4  tot  en  met 6,  AVG  vormen  het  wettelijke  maximum  en  verbieden  de toezichthoudende  autoriteiten  om  geldboeten  op  te  leggen  die  hoger  uitkomen  dan  de  toepasselijke maximumbedragen.  Om  het  juiste  wettelijke  maximumbedrag  te  bepalen,  moet  in  voorkomend  geval rekening  worden  gehouden  met  artikel 83,  lid 3,  AVG 46 (zie  paragraaf 3.1.2).  Elke  toezichthoudende autoriteit moet er derhalve voor zorgen dat deze maximumbedragen bij het berekenen van geldboeten aan de hand van deze richtsnoeren niet worden overschreden. Afhankelijk van het individuele geval kunnen verschillende maximumbedragen van belang worden.

## 6.1.1 - Statische maximumbedragen

114. In artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG zijn als regel statische bedragen vastgesteld en wordt onderscheid gemaakt tussen inbreuken van verschillende categorieën verplichtingen krachtens de AVG. Zoals hierboven toegelicht, voorziet artikel 83, lid 4, AVG in geldboeten van maximaal 10 miljoen EUR voor inbreuken op de in  dat  lid  beschreven  verplichtingen,  terwijl  artikel 83,  leden 5  en 6,  AVG  voorzien  in  geldboeten  van maximaal 20 miljoen EUR voor inbreuken op de in die leden beschreven verplichtingen.

## 6.1.2 - Dynamische maximumbedragen

115. In het geval van een onderneming 47  kan het boetebereik verschuiven naar een hoger maximumbedrag dat gebaseerd is op de omzet 48 . Dit op de omzet gebaseerde maximumbedrag is dynamisch en wordt afgestemd op de betrokken onderneming om de beginselen van doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikking te realiseren.
116. Meer bepaald voorziet artikel 83, lid 4, AVG in een maximumbedrag van 2 % en voorzien artikel 83, leden 5 en 6, in een maximumbedrag van 4 % van de totale jaaromzet in het voorgaande boekjaar. Volgens de tekst van de AVG moet worden uitgegaan van het statische maximumbedrag of het dynamische, op de omzet gebaseerde  maximumbedrag,  'indien  dit  cijfer  hoger  is'.  Bijgevolg  zijn  deze  op  de  omzet  gebaseerde maximumbedragen uitsluitend van toepassing indien zij in het individuele geval hoger zijn dan het statische

44  Overweging 150 AVG, tweede zin: 'In deze verordening dienen inbreuken te worden benoemd, evenals maxima en criteria voor de vaststelling van de daaraan verbonden administratieve geldboeten, die per afzonderlijk geval dienen te worden bepaald door de bevoegde toezichthoudende autoriteit, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van de specifieke situatie, met inachtneming van met name de aard, de ernst en de duur van de inbreuk en van de gevolgen ervan en de maatregelen die zijn genomen om naleving van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening te waarborgen en de gevolgen van de inbreuk te voorkomen of te beperken.'





maximumbedrag. Dat is het geval wanneer  de totale jaaromzet van de onderneming in het voorgaande boekjaar meer dan 500 miljoen EUR bedraagt 49 .

## Voorbeeld 8a - Dynamisch maximum

Een kredietbeoordelingsbureau verzamelt en verkoopt zonder rechtsgrondslag alle kredietwaardigheidsgegevens van alle EU-burgers aan reclame- en detailhandelsbedrijven. De wereldwijde jaaromzet  van  het  kredietbeoordelingsbureau  in  het  voorgaande  jaar  bedraagt  3 miljard EUR.  Het kredietbeoordelingsbureau heeft hier onder andere inbreuk gemaakt op artikel 6, wat kan worden bestraft met  een  geldboete  op  grond  van  artikel 83,  lid 5,  AVG.  Het  statische  maximumbedrag  bedraagt 20 miljoen EUR. Het dynamische maximumbedrag bedraagt 120 miljoen EUR (4 % van 3 miljard EUR). De geldboete kan maximaal 120 miljoen EUR bedragen, aangezien dit dynamische maximumbedrag hoger is dan het statische maximumbedrag van 20 miljoen EUR. Bijgevolg mag de geldboete meer bedragen dan het  statische  maximumbedrag  van  20 miljoen EUR,  maar  niet  meer  dan  het  toepasselijke  wettelijke maximumbedrag van 120 miljoen EUR.

## Voorbeeld 8b - Statisch maximum

Een detailhandelaar van zonnebrillen beheert een webwinkel waar klanten een bestelling kunnen plaatsen. Via het bestelformulier verwerkt de detailhandelaar ook persoonsgegevens, waaronder de bankgegevens. De detailhandelaar voorziet niet in een versleutelde internetverbinding, zodat derden de persoonsgegevens tijdens de transactie zouden kunnen onderscheppen. De detailhandelaar maakt inbreuk op artikel 32, lid 1, AVG  en  kan  worden  beboet  op  grond  van  artikel 83,  lid 4,  AVG.  De  wereldwijde  jaaromzet  van  de detailhandelaar in het voorgaande jaar bedraagt 450 miljoen EUR. In dit geval is het statische maximum van 10 miljoen EUR hoger dan het dynamische maximum van 9 miljoen EUR (= 2 % van 450 miljoen EUR), zodat het maximum van 10 miljoen EUR van toepassing is. De geldboete mag dus niet meer bedragen dan het wettelijke maximumbedrag van 10 miljoen EUR.

Voorbeeld 8c - Verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers die geen onderneming zijn Een gemeente heeft een onlinesysteem waar burgers zich kunnen registreren om een afspraak te maken, bijvoorbeeld voor het aanvragen van een paspoort of toestemming voor een huwelijk. De gemeente is de enige verwerkingsverantwoordelijke voor dit onlinesysteem. Helaas wordt geconstateerd dat het systeem ook op permanente basis de verzamelde gegevens verzendt naar externe servers van een verwerker in een derde land zonder adequate bescherming, waar zij worden opgeslagen. Er is niet gezorgd voor adequate waarborgen met betrekking tot de doorgifte aan het derde land. Met uitzondering van de doorgifte worden de  gegevens  verzameld  en  verwerkt  op  basis  van  geldige  toestemming.  De  gemeente  heeft  inbreuk gemaakt  op  artikel 44  AVG  door  bijzondere  categorieën  van  persoonsgegevens  zonder  passende waarborgen door te geven aan een derde land zonder adequate bescherming. Daarom kan zij worden beboet  op  grond  van  artikel 83,  lid 5.  Omdat  de  gemeente  niet  voldoet  aan  de  definitie  van  een onderneming, is het statische wettelijke maximumbedrag van toepassing. De boete mag dus niet meer bedragen dan 20 miljoen EUR. Dit is echter alleen het geval als de lidstaat waarin de gemeente zich bevindt, geen specifieke regels heeft vastgesteld betreffende de vraag of en in hoeverre administratieve boeten kunnen  worden  opgelegd  aan  in  die  lidstaat  gevestigde  overheidsinstanties  en  overheidsorganen (artikel 83, lid 7, AVG).

49 2 % van 500 miljoen is 10 miljoen (het in artikel 83, lid 4, AVG voorziene statische maximumbedrag) en 4 % van 500 miljoen is 20 miljoen (het in artikel 83, lid 5, AVG voorziene statische maximumbedrag).

## 6.2 - Bepaling van de omzet van de onderneming en aansprakelijkheid van rechtspersonen

117. Om de juiste omzet te bepalen voor het dynamische maximumbedrag is het belangrijk te begrijpen wat wordt bedoeld met de begrippen 'onderneming' en 'omzet' in de zin van artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG. In dit verband moet maximale aandacht worden geschonken aan de overwegingen van de AVG, die door de EUwetgever zijn opgesteld als houvast voor de interpretatie van de AVG.

## 6.2.1 - Omschrijving van een onderneming en aansprakelijkheid van rechtspersonen

118. Met betrekking tot de term 'onderneming' geeft de EU-wetgever een expliciete nadere verduidelijking. In overweging 150 AVG wordt gesteld: 'Wanneer de administratieve geldboeten worden opgelegd aan een onderneming, moet een onderneming in die context worden gezien als een onderneming overeenkomstig de artikelen 101 en 102 van het VWEU.'
119. In artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG wordt, gezien overweging 150, derhalve uitgegaan van het begrip 'onderneming'  overeenkomstig  de  artikelen 101  en 102  VWEU 50 ,  onverminderd  artikel 4,  punt 18,  AVG (waarin een definitie van een onderneming wordt gegeven) en artikel 4, punt 19, AVG (waarin een concern wordt  gedefinieerd).  Het  eerstgenoemde  begrip  wordt  voornamelijk  gebruikt  in  hoofdstuk V  AVG,  in  de formulering  'groepering  van  ondernemingen  die  gezamenlijk  een  economische  activiteit  uitoefenen'. Daarnaast wordt de term in algemene zin gebruikt, niet als de adressaat van een bepaling of verplichting.
120. Bijgevolg kan in gevallen waarin de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker (een onderdeel van) een onderneming in de zin van de artikelen 101 en 102 VWEU is, de gecombineerde omzet van die onderneming als geheel worden gebruikt om de dynamische bovengrens van de geldboete te bepalen (zie paragraaf 6.2.2) en  om  ervoor  te  zorgen  dat  de  resulterende  geldboete  in  overeenstemming  is  met  de  beginselen  van doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikking (artikel 83, lid 1, AVG) 51 .
121. Het  Hof  heeft  inmiddels  uitgebreide  rechtspraak  over  het  begrip  'onderneming'  opgebouwd.  De  term 'onderneming'  '[omvat]  elke  eenheid  […]  die  een  economische  activiteit  uitoefent,  ongeacht  haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd' 52 . In het kader van het mededingingsrecht worden 'ondernemingen'  daarom  gelijkgesteld  aan  economische  eenheden  en  niet  aan  juridische  eenheden. Verschillende  ondernemingen  die  tot  dezelfde  groep  behoren,  kunnen  een  economische  eenheid  en derhalve een onderneming in de zin van de artikelen 101 en 102 VWEU vormen 53 .
122. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof kan de term 'onderneming' in de artikelen 101 en 102 VWEU verwijzen naar een economische eenheid, ook al bestaat die economische eenheid uit verschillende natuurlijke of rechtspersonen. Of verschillende entiteiten een economische eenheid vormen hangt vooral af van de vraag of de individuele entiteit vrij is in haar beslissingsbevoegdheid dan wel of een leidende entiteit,




53 Zaak C-516/15 P, Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 48.

namelijk de moedermaatschappij, beslissende invloed uitoefent over de andere entiteiten 54 . De criteria om dit  vast  te  stellen  zijn  gebaseerd  op  de  economische,  juridische  en  organisatorische  banden  tussen  de moedermaatschappij en de dochteronderneming, bijvoorbeeld het bedrag van de deelneming, personele en organisatorische relaties, instructies en het bestaan van bedrijfscontracten 55 .

123. Overeenkomstig de doctrine van economische eenheid zijn artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG gebaseerd op het beginsel van rechtstreekse aansprakelijkheid van rechtspersonen, wat inhoudt dat alle handelingen die worden verricht of nagelaten door natuurlijke personen die bevoegd zijn namens een onderneming te handelen, aan die onderneming worden toegerekend en worden beschouwd als een handeling en inbreuk die rechtstreeks door de onderneming zelf worden gepleegd 56 . Dat bepaalde werknemers zich niet aan die gedragscode hebben gehouden, volstaat niet om deze toerekening te verstoren 57 . Zij wordt daarentegen alleen verstoord wanneer de natuurlijk persoon uitsluitend voor zijn eigen doeleinden of voor de doeleinden van  derden  handelt,  waardoor  hij  zelf  een  afzonderlijke  verwerkingsverantwoordelijke  wordt  (d.w.z.  de natuurlijke  persoon  heeft  buiten  zijn  toegestane  bevoegdheid  gehandeld) 58 .  Dit  rechtsbeginsel  van  de Europese  Unie  en  toepassingsgebied  van  aansprakelijkheid  van  rechtspersonen  prevaleert  en  mag  niet worden  ondermijnd  door  het  te  beperken  tot  de  handelingen  van  bepaalde  functionarissen  (zoals  de belangrijkste managers) middels tegenstrijdige nationale wetgeving. Het is niet van belang welke natuurlijke persoon  voor  rekening  van  welke  entiteit  handelde.  De  toezichthoudende  autoriteit  en  de  nationale rechterlijke  instanties  mogen  derhalve  niet  worden  verplicht  om  bij  het  onderzoek  of  in  het  besluit  tot oplegging van de geldboete een natuurlijke persoon te achterhalen of te identificeren 59 .
124. In  het  specifieke  geval  waarin  een  moedermaatschappij  100 %  van  de  aandelen  of  bijna  100 %  van  de aandelen in handen heeft van een dochteronderneming die inbreuk heeft gemaakt op artikel 83 AVG, en dus beslissende invloed kan uitoefenen op het gedrag van haar dochteronderneming, bestaat er een vermoeden dat de moedermaatschappij die beslissende invloed ook daadwerkelijk uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming (het zogenoemde Akzo-vermoeden) 60 . Dit geldt ook wanneer de moedermaatschappij de  aandelen  in  het  totale kapitaal niet direct in  handen  heeft,  maar  indirect  via  een  of  meer

54 Ter verduidelijking: de 'beslissingsbevoegdheid' die moet worden beoordeeld om vast te stellen of een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent over andere entiteiten in de groep heeft te maken met de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot het gedrag van de dochteronderneming 'op de markt'. Dit is anders dan, en staat volledig los van, de invloed die een moedermaatschappij al dan niet heeft op de betrokken verwerking en met name de bevoegdheid om besluiten te nemen met betrekking tot 'het doel van en de middelen voor' de verwerking. Dergelijke zaken moeten worden beoordeeld in het kader van een eventueel onderzoek naar de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke en zijn niet relevant voor de beoordeling van beslissende invloed om vast te stellen of er sprake is van één enkele economische eenheid.



57 Zaak C-501/11 P, Schindler Holding e.a./Commissie, punt 114; het is daarom belangrijk voor ondernemingen dat hun nalevingsmanagementsysteem niet slechts een 'papieren schild' is, maar ook echt doeltreffend is in de praktijk.


59 Zaak  C-338/00  P,  Volkswagen/Commissie,  punten 97  en 98;  elke  tegenstrijdige  nationale  wetgeving  is  niet  in overeenstemming met de AVG en het beginsel van doeltreffendheid, en mag dan ook niet worden toegepast. 60  Zaak C-97/08 P, Akzo Nobel en anderen/Commissie, punten 59 en 60.

dochterondernemingen 61 . Er kan bijvoorbeeld ook een keten van dochterondernemingen zijn, waarbij één entiteit 100 % of bijna 100 % van de aandelen in handen heeft van een tussenliggende entiteit die 100 % of bijna  100 %  van  de  aandelen  in  handen  heeft  van  een  andere  entiteit,  en  zo  verder.  Ook  kan  een moedermaatschappij 100 % of bijna 100 % van de aandelen in handen hebben van twee entiteiten die elk ongeveer 50 % van een entiteit in handen hebben, waardoor de moedermaatschappij beslissende invloed over al deze entiteiten heeft. In die situatie hoeft de toezichthoudende autoriteit alleen aan te tonen dat de dochteronderneming direct of indirect volledig of bijna volledig eigendom is van de moedermaatschappij om te vermoeden - als praktijkervaringsregel - dat de moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent.

125. Het Akzo-vermoeden is echter geen absoluut vermoeden, maar kan door ander bewijsmateriaal worden weerlegd 62 .  Om het vermoeden te weerleggen, moet(en) de onderneming(en) bewijs met betrekking tot de organisatorische, economische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij overleggen waarmee kan worden aangetoond dat zij niet een economische eenheid vormen, hoewel zij 100 % of bijna 100 % van de aandelen in handen hebben. Om vast te stellen of een dochteronderneming zich autonoom gedraagt, moet rekening worden gehouden met alle relevante factoren betreffende de banden waarmee de dochteronderneming verbonden is met de moedermaatschappij, die per geval kunnen verschillen en derhalve niet in een uitputtende lijst kunnen worden opgesomd.
126. Indien  de  moedermaatschappij  daarentegen  niet  al  of  bijna  al  het  kapitaal  in  handen  heeft,  moet  de toezichthoudende autoriteit aanvullende feiten aantonen om het bestaan van een economische eenheid te rechtvaardigen.  In  een  dergelijk  geval  moet  de  toezichthoudende  autoriteit  niet  alleen  aantonen  dat  de moedermaatschappij het vermogen heeft om beslissende invloed uit te oefenen op de dochteronderneming, maar  ook  dat  zij  die  beslissende  invloed  daadwerkelijk  heeft  uitgeoefend,  zodat  zij  op  elk  moment  de keuzevrijheid van de dochteronderneming kan sturen en haar gedrag kan bepalen. De aard van de instructie of het soort instructie is niet van belang bij de vaststelling van de invloed van de moedermaatschappij.
127. De geldboete wordt opgelegd 63 aan de (gezamenlijke) verwerkingsverantwoordelijke(n)/verwerker(s) en de bevoegde  toezichthoudende  autoriteit  heeft  de  mogelijkheid  om  de  moedermaatschappij  hoofdelijk aansprakelijk 64 te stellen voor de betaling van de geldboete.

## 6.2.2 - Bepaling van de omzet

128. De  omzet  wordt  overgenomen  uit  de  jaarrekening  van  een  onderneming,  die  wordt  opgesteld  onder verwijzing naar het fiscaal jaar en een overzicht geeft van het afgelopen boekjaar van een onderneming of een  concern  (geconsolideerde  jaarrekening).  Omzet  wordt  gedefinieerd  als  de  som  van  alle  verkochte goederen en diensten. De netto-omzet is het bedrag met betrekking tot de verkoop van goederen en de

61  De zaken T-38/05, Agroexpansión/Commissie en C-508/11 P, Eni/Commissie, punt 48.


63 Het besluit waarin de geldboete wordt opgelegd, wordt gericht aan en bezorgd bij de verwerkingsverantwoordelijke(n)/verwerker(s) als de pleger(s) van de inbreuk en kan daarnaast worden gericht aan en bezorgd  bij  andere  rechtspersonen  van  de  enkele  economische  eenheid  die  hoofdelijk  aansprakelijk  zijn  voor  de geldboete.

64 Bindend besluit EDPB 1/2021, punt 290.

verlening van diensten, na aftrek van kortingen en belasting over de toegevoegde waarde (btw) en andere rechtstreeks met de omzet verbonden belastingen 65 .

129. De omzet wordt overgenomen uit de presentatie van de winst-en-verliesrekening 66 . De netto-omzet omvat de inkomsten uit de verkoop, verhuur en leasing van producten en de inkomsten uit de verkoop van diensten met aftrek van in mindering van de koopsom komende bedragen (bv. rabatten, prijsverlagingen) en btw.
130. Indien  de  onderneming  verplicht  is  een  geconsolideerde  jaarrekening  op  te  stellen 67 ,  dan  is  deze geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij die aan het hoofd van de groep staat van belang om de gezamenlijke omzet van de onderneming weer te geven 68 . Indien er geen jaarrekening is, moeten andere documenten worden verkregen en gebruikt waaruit de wereldwijde jaaromzet van de onderneming in het betreffende boekjaar kan worden afgeleid.
131. In artikel 83, leden 4 tot en met 6, AVG staat dat de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar moet worden gebruikt. Wat betreft de vraag op welke gebeurtenis de term 'voorgaande' betrekking heeft, moet  de  rechtspraak  van  het  Hof  ook  worden  toegepast  voor  geldboeten  krachtens  de  AVG,  zodat  de relevante gebeurtenis het besluit van de toezichthoudende autoriteit tot oplegging van de geldboete is en niet  het  tijdstip  van  de  inbreuk  noch  de  rechterlijke  beslissing 69 .  In  geval  van  grensoverschrijdende verwerking  is  het  relevante  besluit  tot  oplegging  van  een  geldboete  niet  het  ontwerpbesluit,  maar  het definitieve besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit 70 . Indien de medebesluitvormingsprocedure van artikel 60 met betrekking tot het ontwerpbesluit tegen het einde van een kalenderjaar start, zodat het definitieve besluit waarschijnlijk niet in datzelfde kalenderjaar zal worden vastgesteld, berekent de leidende toezichthoudende autoriteit een voorgestelde geldboete op basis van de meest actuele financiële informatie die beschikbaar is op de datum waarop het ontwerpbesluit aan de betrokken toezichthoudende autoriteiten wordt toegezonden om hun mening te geven. Die informatie wordt later bijgewerkt, zoals voorgeschreven, voordat het definitieve nationale besluit door de leidende toezichthoudende autoriteit wordt afgerond en vastgesteld.

## HOOFDSTUK 7 - DOELTREFFENDHEID, EVENREDIGHEID EN AFSCHRIKKEND EFFECT

132. De  in  artikel 83,  leden 4  tot  en  met 6,  AVG  bedoelde  administratieve  boete  die  wordt  opgelegd  voor inbreuken op de AVG moet in elk individueel geval doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Met andere woorden,  het  bedrag  van  de  opgelegde  geldboete  wordt  afgestemd  op  de  gemaakte  inbreuk,  waarbij


(hierna de 'EG-concentratieverordening' genoemd).





70 Bindend besluit EDPB 1/2021, punt 298.

rekening  wordt  gehouden  met  de  specifieke  context.  De  EDPB  is  van  oordeel  dat  het  de  taak  van  de toezichthoudende autoriteiten is om na te gaan of het bedrag van de geldboete aan deze eisen voldoet, dan wel of er verdere aanpassingen van het bedrag nodig zijn.

133. Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 4 omvat de evaluatie in dit hoofdstuk de gehele opgelegde geldboete en alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van bijvoorbeeld de accumulatie van meerdere inbreuken, verhogingen en verlagingen vanwege verzwarende en verzachtende omstandigheden en financiële/sociaaleconomische omstandigheden. Het is evenwel aan de toezichthoudende autoriteit om erop toe te zien dat dezelfde omstandigheden niet tweemaal worden meegeteld.
134. Indien deze aanpassingen een verhoging van de geldboete betekenen, mag de verhoogde geldboete per definitie niet meer bedragen dan het in hoofdstuk 6 beschreven wettelijke maximumbedrag.

## 7.1 - Doeltreffendheid

135. In het algemeen kan een geldboete als doeltreffend worden beschouwd indien ermee wordt bereikt wat ermee wordt beoogd. Het kan hierbij gaan om het herstellen van de naleving van de regels, het bestraffen van onrechtmatig gedrag, of beide 71 . Bovendien wordt in overweging 148 AVG benadrukt dat administratieve geldboeten moeten worden opgelegd '[m]et het oog op een krachtiger handhaving van de regels van deze verordening'. De op basis van deze richtsnoeren opgelegde boete moet daarom hoog genoeg zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken.
136. Zoals artikel 83, lid 2, AVG voorschrijft, moet de toezichthoudende autoriteit in elke zaak de doeltreffendheid van de geldboete beoordelen. Daartoe moet  naar  behoren  rekening  worden  gehouden  met  de omstandigheden  van  het  geval,  en  met  name  met  de  hierboven  gemaakte  beoordeling 72 ,  waarbij  in gedachten wordt gehouden dat de geldboete ook evenredig en afschrikkend moet zijn, zoals hieronder wordt uiteengezet.

## 7.2 - Evenredigheid

137. Het beginsel van evenredigheid houdt in dat genomen maatregelen niet verder gaan dan wat passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere passende maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen 73 .
138. Hieruit  volgt  dat  de  bedragen  van  de  geldboeten  niet  onevenredig  mogen  zijn  aan  de  nagestreefde doelstellingen (d.w.z. de naleving van de regels betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met  verwerking van persoonsgegevens  en  de  regels betreffende het vrije verkeer van

71 Richtsnoeren WP 253, blz. 6.

72 Zoals ook vermeld in overweging 148 AVG: 'met de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, met het opzettelijke karakter van de inbreuk, met schadebeperkende maatregelen, met de mate van verantwoordelijkheid, of met eerdere relevante inbreuken, met de wijze waarop de inbreuk ter kennis van de toezichthoudende autoriteit is gekomen, met de naleving van de maatregelen die werden genomen tegen de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, met de aansluiting bij een gedragscode en met alle andere verzwarende of verzachtende factoren'.


persoonsgegevens) en dat de opgelegde geldboete evenredig moet zijn aan de inbreuk, in zijn geheel gezien, met inachtneming van met name de ernst ervan 74 .

139. Daarom moet de toezichthoudende autoriteit nagaan of het bedrag van de geldboete evenredig is aan zowel de zwaarte van de inbreuk als de omvang van de onderneming waartoe de entiteit die de inbreuk heeft gemaakt, behoort 75 , en of de opgelegde geldboete derhalve niet verder gaat dan wat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen die met de AVG worden nagestreefd.
140. Als  een  specifieke  afgeleide  van  het  beginsel  van  evenredigheid  kan  de  toezichthoudende  autoriteit overwegen - overeenkomstig het nationale recht - de geldboete verder te verlagen op basis van het beginsel van onvermogen om te betalen. Voor een dergelijke verlaging zijn uitzonderlijke omstandigheden vereist. Overeenkomstig de richtsnoeren van de Europese Commissie voor de berekening van geldboeten 76 moet  er  aan  de  hand  van  objectief  bewijs  worden  aangetoond  dat  het  opleggen  van  een  boete  de levensvatbaarheid van de betrokken onderneming onherroepelijk in gevaar zou brengen. Voorts moeten de risico's worden geanalyseerd in een specifieke sociale en economische context.
- a) Economische levensvatbaarheid: de onderneming is verplicht gedetailleerde financiële gegevens te verstrekken (van de afgelopen vijf jaar, alsook prognoses voor het huidige en de komende twee jaar),  zodat  de  toezichthoudende autoriteit  kan onderzoeken hoe belangrijke factoren zoals de solvabiliteit,  de  liquiditeit  en  de  winstgevendheid  zich  in  de  toekomst  waarschijnlijk  zullen ontwikkelen.  De  Europese  gerechten  hebben  verklaard  dat  de  enkele  omstandigheid  dat  een onderneming zich in een slechte financiële situatie bevindt, of zal bevinden na een hoge boete, niet aan de eis voldoet 'aangezien de erkenning van een dergelijke verplichting zou neerkomen op het verschaffen van een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel aan de ondernemingen die het minst zijn  aangepast  aan  de  eisen  van  de  markt' 77 .  Bij  de  beoordeling  van  het  vermogen  van  de onderneming  om  de  geldboete  te  betalen,  wordt  ook  rekening  gehouden  met  eventuele herstructureringsplannen en de stand van zaken van de uitvoering daarvan, de betrekkingen met externe financiële partners/instellingen zoals banken en de betrekkingen met aandeelhouders 78 .
- b) Bewijs van waardeverlies: een boeteverlaging kan slechts worden toegekend indien het opleggen van de geldboete de economische levensvatbaarheid van een onderneming in gevaar zou brengen en de activa van de onderneming daardoor al of bijna al hun waarde zouden verliezen 79 . Een direct oorzakelijk verband tussen de geldboete en het aanzienlijke verlies aan waarde van de activa moet worden  aangetoond.  Het  wordt  niet  automatisch  aanvaard  dat  faillissement  of  insolventie

74 Zie voetnoot 73.


76

Zie met betrekking tot dit beginsel bijvoorbeeld Richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, punt a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (2006/C 210/02).


in zaak C-308/04 P, SGL Carbon/Commissie, punt 105, en zaak T-429/10 (gevoegde zaken T-426/10, T-427/10, T-428/10,

T-429/10, T-438/12, T-439/12, T-440/12, T-441/12), Global Steel Wire/Commissie, punten 492-493.

78

Zie zaak T-429/10 (gevoegde zaken T-426/10, T-427/10, T-428/10, T-429/10, T-438/12, T-439/12, T-440/12, T-

441/12), Global Steel Wire/Commissie, punten 521 tot en met 527.


onvermijdelijk tot een aanzienlijk verlies van waarde van de activa zal leiden. Voorts kan er geen sprake  van  zijn  dat  de  geldboete  de  economische  levensvatbaarheid  van  een  onderneming  in gevaar heeft gebracht indien die onderneming zelf had besloten haar activiteiten te beëindigen en al  haar  activa  te  verkopen.  De  onderneming  moet  bewijzen  dat  zij  de  markt  waarschijnlijk  zal verlaten en dat haar activa zullen worden  ontmanteld  of verkocht tegen aanmerkelijk gereduceerde prijzen, zonder alternatieven voor de onderneming (of haar activa) om de activiteiten voort  te  zetten.  Dit  betekent  dat  de  toezichthoudende  autoriteit  van  de  onderneming  moet verlangen dat zij aantoont dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de onderneming (of haar activa) in handen van een andere onderneming/eigenaar zullen komen en de activiteiten zullen worden voortgezet.

- c) Specifieke sociale en economische context: de specifieke economische context kan in aanmerking worden genomen indien de betrokken sector een cyclische crisis doormaakt (bv. te kampen heeft met overcapaciteit of dalende prijzen) of indien ondernemingen moeilijk kapitaal of krediet kunnen verkrijgen  als  gevolg  van  de  heersende  economische  omstandigheden.  De  specifieke  sociale context  doet  zich  waarschijnlijk  voor  in  het  kader  van  hoge  en/of  stijgende  werkloosheid  op regionaal niveau of op bredere schaal. Deze kan ook worden beoordeeld door te kijken naar de gevolgen  die  de  betaling  van  de  geldboete  kan  hebben  met  betrekking  tot  de  stijging  van  de werkloosheid  of  de  verslechtering  van  de  economische  situatie  van  de  sectoren  die  aan  de betrokken onderneming leveren of haar producten afnemen 80 .
141. Indien  aan  de  criteria  is  voldaan,  kunnen  de  toezichthoudende  autoriteiten  rekening  houden  met  het onvermogen van de onderneming om te betalen en de geldboete dienovereenkomstig verlagen.

## 7.3 - Afschrikkend effect

142. Tot  slot  is  een  afschrikkende  geldboete  een  boete  die  een  werkelijk  afschrikkend  effect  heeft 81 .  In  dat verband kan onderscheid worden gemaakt tussen algemene afschrikking (anderen ervan weerhouden in de toekomst  dezelfde  inbreuk  te  plegen)  en  specifieke  afschrikking  (degene  aan  wie  de  geldboete  wordt opgelegd ervan weerhouden dezelfde inbreuk nogmaals te plegen) 82 .  Bij het opleggen van een geldboete houdt de toezichthoudende autoriteit rekening met zowel algemene als specifieke afschrikking.
143. Een geldboete is afschrikkend wanneer de boete een particulier ervan weerhoudt om de in het EU-recht opgenomen doelstellingen en regelingen te schenden. Hierbij is niet alleen de aard en de hoogte van de geldboete van belang, maar ook de kans dat de boete wordt opgelegd. Degene die een inbreuk pleegt, moet vrezen dat de geldboete ook daadwerkelijk aan hem zal worden opgelegd. In dit opzicht overlappen het criterium van de afschrikking en dat van de doeltreffendheid elkaar 83 .
144. De toezichthoudende autoriteiten kunnen overwegen de geldboete te verhogen indien zij het bedrag niet voldoende afschrikkend achten. In sommige omstandigheden kan de toepassing van een afschrikkingsfactor gerechtvaardigd zijn 84 . Deze factor kan door de toezichthoudende autoriteit worden bepaald, teneinde de doelen van de afschrikking te weerspiegelen zoals hierboven uiteengezet.




83 Conclusie van advocaat-generaal Kokott in gevoegde zaken C-387/02, C-391/02 en C-403/02, Silvio Berlusconi e.a., punt 89.


## HOOFDSTUK 8 - FLEXIBILITEIT EN REGELMATIGE EVALUATIE

145. De bovenstaande hoofdstukken bevatten een beschrijving van een algemene methode voor de berekening van geldboeten en moeten verdere harmonisatie en transparantie van de praktijken van toezichthoudende autoriteiten  op  het  gebied  van  geldboeten  vergemakkelijken.  Deze  algemene  methode  mag  echter  niet worden opgevat als een vorm van automatische of rekenkundige berekening. De individuele vaststelling van een geldboete moet altijd gebaseerd zijn op een menselijke beoordeling van alle relevante omstandigheden van het geval en moet doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn met betrekking tot dat specifieke geval.
146. Er moet in gedachten worden gehouden dat deze richtsnoeren niet kunnen vooruitlopen op alle mogelijke bijzonderheden van een geval  en in dit verband niet kunnen voorzien in uitputtende richtsnoeren voor toezichthoudende autoriteiten. Daarom worden deze richtsnoeren regelmatig geëvalueerd om te toetsen of de toepassing ervan daadwerkelijk resulteert in de verwezenlijking van de doelstellingen van de AVG. De EDPB  kan  deze  richtsnoeren  herzien  op  basis  van  de  verdere  ervaringen  van  de  toezichthoudende autoriteiten met de dagelijkse toepassing ervan in de praktijk, en het kan deze richtsnoeren op enig moment voor de toekomst intrekken, wijzigen, beperken, aanpassen of vervangen.

## BIJLAGE - TABEL TER ILLUSTRATIE VAN DE RICHTSNOEREN 04/2022 VOOR DE BEREKENING VAN ADMINISTRATIEVE GELDBOETEN KRACHTENS DE AVG

## Leeswijzer

- -Deze tabel moet worden gelezen in samenhang met de richtsnoeren in hun geheel en is niet bedoeld als  volledige  samenvatting  van  de  richtsnoeren  of  als  alternatief  voor  het  bestuderen  van  de richtsnoeren in hun geheel.
- -Deze tabel dient uitsluitend ter illustratie en vormt geen volledige of afdoende weergave van het standpunt van de EDPB inzake de berekening van administratieve geldboeten.
- -De tabel omvat twee stappen: de eerste verduidelijkt het bereik voor het uitgangsbedrag op basis van de zwaarte en de tweede verduidelijkt het bereik voor het uitgangsbedrag na aanpassing op basis van de omvang van de onderneming.
- -De  als  uitgangsbedrag  gebruikte  getallen  komen  enerzijds  overeen  met  de  aanbeveling  van  de Commissie betreffende kmo's en met hoe de in die aanbeveling genoemde omzet zich verhoudt tot de omzet die afkomstig is uit artikel 83 AVG 85 .  Anderzijds, als het gaat om de zwaarte van de inbreuk, zijn de getallen gebaseerd op inzichten van de huidige praktijken op het gebied van geldboeten en uitvoerige interne tests met modellen voor geldboeten gedurende meerdere jaren. De EDPB is ervan overtuigd  dat  deze  uitgangsbedragen  recht  doen  aan  de  beginselen  van  doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikking, zoals voorgeschreven in artikel 83, lid 1, AVG.
- -De EDPB is zich er echter zoals altijd van bewust dat de berekening van een administratieve geldboete niet alleen een kwestie van rekenen is, en dat praktijkgevallen en toepassing onvermijdelijk zullen leiden tot een verdere aanscherping van de uitgangsbedragen in deze tabel. Daartoe wordt in de richtsnoeren vermeld dat de tabel en de getallen in de tabel steeds nauwlettend door de EDPB zullen worden geëvalueerd en indien nodig zullen worden aangepast.
- -Ook wordt er nogmaals op gewezen dat deze cijfers de uitgangsbedragen voor de verdere berekening zijn,  en  geen  vaste  bedragen (prijskaartjes). De toezichthoudende autoriteit heeft de vrijheid om gebruik  te  maken  van  het  volledige  boetebereik  vanaf  elk  bedrag  tot  en  met  het  wettelijke maximumboetebedrag.
- -In de eerste stap geldt dat hoe zwaarder de inbreuk is binnen de betreffende categorie, des te hoger het uitgangsbedrag waarschijnlijk zal zijn.
- -In de tweede stap zijn de percentages leidend bij het bepalen van het definitieve uitgangsbedrag, terwijl aanpassingen naar beneden mogelijk zijn tot aan een bepaald percentage van het in stap 1 vastgestelde uitgangsbedrag. Dit betekent dat het in stap 2 gekozen percentage wordt gebruikt als vermenigvuldigingsfactor voor het in stap 1 bepaalde uitgangsbedrag. Hoe hoger de omzet van de onderneming is binnen het toepasselijke niveau, des te hoger het uitgangsbedrag waarschijnlijk zal zijn in stap 2.
- -De bedragen in de tweede stap geven slechts een beeld van het allerlaagste en allerhoogste bedrag dat in de categorie kan worden toegepast. Het uiteindelijke uitgangsbedrag zal ergens tussen deze


twee uitersten uitkomen. Aan de hand van de bereiken in de tweede stap kan de zaakbehandelaar dus controleren of het uiteindelijke uitgangsbedrag toegestaan is.

- -In stap 2 is er geen aanpassing voor ondernemingen met een omzet van 500 miljoen EUR of meer, omdat die ondernemingen boven het statische wettelijke maximumbedrag zullen uitkomen en de omvang van de onderneming dus al wordt weerspiegeld in het dynamische wettelijke maximumbedrag dat in stap 1 wordt gebruikt om het uitgangsbedrag voor de verdere berekening te bepalen.
- -De toepassing van de methode, met inbegrip van het gebruik van de tabellen, wordt geïllustreerd met twee voorbeelden aan het einde van deze bijlage.

## Stap 1: berekening van het uitgangsbedrag op basis van de zwaarte

NB. Hoe zwaarder de inbreuk is binnen de betreffende categorie, des te hoger het uitgangsbedrag waarschijnlijk zal zijn in deze eerste stap.

|                               | Lage zwaarte    | Lage zwaarte                              | Gemiddelde zwaarte   | Gemiddelde zwaarte                        | Hoge zwaarte    | Hoge zwaarte                              |
|-------------------------------|-----------------|-------------------------------------------|----------------------|-------------------------------------------|-----------------|-------------------------------------------|
|                               | Statisch bereik | Dynamisch bereik bij een omzet > 500 mln. | Statisch bereik      | Dynamisch bereik bij een omzet > 500 mln. | Statisch bereik | Dynamisch bereik bij een omzet > 500 mln. |
| Artikel 83, lid 4, AVG        | 0-1 mln.        | 0-0,2 %van de jaaromzet                   | 1 mln.- 2 mln.       | 0,2-0,4 %van de jaaromzet                 | 2 mln.- 10 mln. | 0,4-2 %van de jaaromzet                   |
| Artikel 83, leden 5 en 6, AVG | 0-2 mln.        | 0-0,4 %van de jaaromzet                   | 2 mln.- 4 mln.       | 0,4-0,8 %van de jaaromzet                 | 4 mln.- 20 mln. | 0,8-4 %van de jaaromzet                   |

## Stap 2: aanpassing van het uitgangsbedrag op basis van de omvang van de onderneming (alleen van toepassing op ondernemingen waarop het statische wettelijke bereik van toepassing is)

NB. Hoe hoger de omzet van de onderneming is binnen het toepasselijke niveau, des te hoger het uitgangsbedrag waarschijnlijk zal zijn in deze tweede stap.

## Artikel 83, lid 4, AVG

|                                 | Lage zwaarte                   | Gemiddelde zwaarte             | Hoge zwaarte                   |
|---------------------------------|--------------------------------|--------------------------------|--------------------------------|
| Ondernemingen met een omzet van | 40-100 %van het uitgangsbedrag | 40-100 %van het uitgangsbedrag | 40-100 %van het uitgangsbedrag |

|                                                                     | Lage zwaarte                    | Gemiddelde zwaarte              | Hoge zwaarte                    |
|---------------------------------------------------------------------|---------------------------------|---------------------------------|---------------------------------|
| 250 miljoen EUR tot 500 miljoen EUR                                 | 0-1 mln.                        | 400 000-2 mln.                  | 800 000-10 mln.                 |
| Ondernemingen met een omzet van 100 miljoen EUR tot 250 miljoen EUR | 15-50 %van het uitgangsbedrag   | 15-50 %van het uitgangsbedrag   | 15-50 %van het uitgangsbedrag   |
| Ondernemingen met een omzet van 100 miljoen EUR tot 250 miljoen EUR | 0-500 000                       | 150 000-1 mln.                  | 300 000-5 mln.                  |
| Ondernemingen met een omzet van 50 miljoen EUR tot 100 miljoen EUR  | 8-20 %van het uitgangsbedrag    | 8-20 %van het uitgangsbedrag    | 8-20 %van het uitgangsbedrag    |
| Ondernemingen met een omzet van 50 miljoen EUR tot 100 miljoen EUR  | 0-200 000                       | 80 000-400 000                  | 160 000-2 mln.                  |
| Ondernemingen met een omzet van 10 miljoen EUR tot 50 miljoen EUR   | 1,5-10 %van het uitgangsbedrag  | 1,5-10 %van het uitgangsbedrag  | 1,5-10 %van het uitgangsbedrag  |
| Ondernemingen met een omzet van 10 miljoen EUR tot 50 miljoen EUR   | 0-100 000                       | 15 000-200 000                  | 30 000-1 mln.                   |
| Ondernemingen met een omzet van 2 miljoen EUR tot 10 miljoen EUR    | 0,3-2 %van het uitgangsbedrag   | 0,3-2 %van het uitgangsbedrag   | 0,3-2 %van het uitgangsbedrag   |
| Ondernemingen met een omzet van 2 miljoen EUR tot 10 miljoen EUR    | 0-20 000                        | 3 000-40 000                    | 6 000-200 000                   |
| Ondernemingen met een omzet tot 2 miljoen EUR                       | 0,2-0,4 %van het uitgangsbedrag | 0,2-0,4 %van het uitgangsbedrag | 0,2-0,4 %van het uitgangsbedrag |
| Ondernemingen met een omzet tot 2 miljoen EUR                       | 0-4 000                         | 2 000-8 000                     | 4 000-40 000                    |

## Artikel 83, leden 5 en 6, AVG

|                                                                     | Lage zwaarte                   | Gemiddelde zwaarte             | Hoge zwaarte                   |
|---------------------------------------------------------------------|--------------------------------|--------------------------------|--------------------------------|
| Ondernemingen met een omzet van 250 miljoen EUR tot 500 miljoen EUR | 40-100 %van het uitgangsbedrag | 40-100 %van het uitgangsbedrag | 40-100 %van het uitgangsbedrag |
| Ondernemingen met een omzet van 250 miljoen EUR tot 500 miljoen EUR | 0-2 mln.                       | 800 000-4 mln.                 | 1,6 mln.-20 mln.               |
| Ondernemingen met een omzet van 100 miljoen EUR tot 250 miljoen EUR | 15-50 %van het uitgangsbedrag  | 15-50 %van het uitgangsbedrag  | 15-50 %van het uitgangsbedrag  |
| Ondernemingen met een omzet van 100 miljoen EUR tot 250 miljoen EUR | 0-1 mln.                       | 300 000-2 mln.                 | 600 000-10 mln.                |
| Ondernemingen met een omzet van 50 miljoen EUR tot 100 miljoen EUR  | 8-20 %van het uitgangsbedrag   | 8-20 %van het uitgangsbedrag   | 8-20 %van het uitgangsbedrag   |
| Ondernemingen met een omzet van 50 miljoen EUR tot 100 miljoen EUR  | 0-400 000                      | 160 000-800 000                | 320 000-4 mln.                 |
| Ondernemingen met een omzet van 10 miljoen EUR tot 50 miljoen EUR   | 1,5-10 %van het uitgangsbedrag | 1,5-10 %van het uitgangsbedrag | 1,5-10 %van het uitgangsbedrag |
| Ondernemingen met een omzet van 10 miljoen EUR tot 50 miljoen EUR   | 0-200 000                      | 30 000-400 000                 | 60 000-2 mln.                  |
| Ondernemingen met een omzet van 2 miljoen EUR tot 10 miljoen EUR    | 0,3-2 %van het uitgangsbedrag  | 0,3-2 %van het uitgangsbedrag  | 0,3-2 %van het uitgangsbedrag  |
| Ondernemingen met een omzet van 2 miljoen EUR tot 10 miljoen EUR    | 0-40 000                       | 6 000-80 000                   | 12 000-400 000                 |

|                                               | Lage zwaarte                    | Gemiddelde zwaarte              | Hoge zwaarte                    |
|-----------------------------------------------|---------------------------------|---------------------------------|---------------------------------|
| Ondernemingen met een omzet tot 2 miljoen EUR | 0,2-0,4 %van het uitgangsbedrag | 0,2-0,4 %van het uitgangsbedrag | 0,2-0,4 %van het uitgangsbedrag |
| Ondernemingen met een omzet tot 2 miljoen EUR | 0-8 000                         | 4 000-16 000                    | 8 000-80 000                    |

## Stapsgewijze aanpak voor het toepassen van hoofdstuk 4 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, met inbegrip van de tabellen

## Voorbeeld A

Een  socialemediabedrijf  met  een  omzet  van  200 miljoen EUR  bleek  gevoelige  gegevens  van  zijn gebruikers  aan  verschillende  gegevensmakelaars  te  hebben  verkocht.  In  dit  voorbeeld  heeft  het bedrijf alleen inbreuk gemaakt op artikel 9 AVG. De toezichthoudende autoriteit oordeelde op basis van  een  analyse  van  alle  relevante  omstandigheden  van  het  geval  krachtens  artikel 83,  lid 2, punten a), b) en g), dat het ging om een inbreuk van een hoge zwaarte.

Daarna  moet  de  toezichthoudende  autoriteit  het  uitgangsbedrag  voor  de  verdere  berekening bepalen. Artikel 9 wordt genoemd in artikel 83, lid 5, punt a), AVG, op grond waarvan het wettelijke maximumbedrag 20 miljoen EUR of 4 % van de jaaromzet bedraagt. In dit geval is de omzet van de onderneming lager dan 500 miljoen EUR, wat betekent dat het statische maximumbedrag en bereik van toepassing zijn. Daarom moet worden uitgegaan van een uitgangsbedrag tussen 20 en 100 % van het toepasselijke wettelijke maximumbedrag, d.w.z. tussen 4 miljoen EUR en 20 miljoen EUR. Gezien het feit dat hoe zwaarder de inbreuk is binnen de betreffende categorie, des te hoger het uitgangsbedrag waarschijnlijk zal zijn, besluit de toezichthoudende autoriteit dat het uitgangsbedrag op basis van de zwaarte van de inbreuk zoals vermeld in stap 1, 10 miljoen EUR moet bedragen.

In stap 2 wordt het in stap 1 vastgestelde uitgangsbedrag aangepast op basis van de omvang van de onderneming. De onderneming heeft een jaaromzet van 200 miljoen EUR en valt daarom binnen het bereik van 100 miljoen EUR en 250 miljoen EUR. Dit betekent dat het uitgangsbedrag zal worden aangepast tot een bedrag tussen de 15 en 50 % van het uitgangsbedrag. Gezien het feit dat hoe hoger  de  omzet  van  de  onderneming  is  binnen  het  toepasselijke  niveau,  des  te  hoger  het uitgangsbedrag waarschijnlijk zal zijn, besluit de toezichthoudende autoriteit dat een aanpassing naar beneden tot 40 % van het in stap 1 vastgestelde uitgangsbedrag gerechtvaardigd is op basis van de omvang van de onderneming. In dit geval bedraagt het uitgangsbedrag na de aanpassing dus 4 miljoen EUR.

Om te waarborgen dat dit  uitgangsbedrag in overeenstemming is met  de richtsnoeren,  kan het worden gecontroleerd aan de hand van de bereiken in de relevante tabel. Aangezien artikel 83, lid 5, AVG  van  toepassing  is,  de  onderneming  een  omzet  heeft tussen de 100 miljoen EUR  en 250 miljoen EUR  en  er  sprake  is  van  een  hoge  zwaarte,  moet  het  uitgangsbedrag  tussen  de 600 000 EUR  en  10 miljoen EUR  bedragen.  De  toezichthoudende  autoriteit  concludeert  dat  een

uitgangsbedrag  van  4 miljoen EUR  binnen  het  bereik  van  600 000 EUR  en  10 miljoen EUR  valt. Derhalve is het uitgangsbedrag in overeenstemming met de richtsnoeren.

Hierna gaat de toezichthoudende autoriteit verder met de berekening van de geldboete op basis van het resterende deel van de richtsnoeren.

## Voorbeeld B

Een  hotelketen  met  een  omzet  van  2 miljard EUR  heeft  inbreuk  gemaakt  op  artikel 12  AVG.  De toezichthoudende autoriteit oordeelde op basis van een analyse van de omstandigheden van het geval krachtens artikel 83, lid 2, punten a), b) en g), dat het ging om een inbreuk met een gemiddelde zwaarte.

Daarna  moet  de  toezichthoudende  autoriteit  het  uitgangsbedrag  voor  de  verdere  berekening bepalen.  Eerst  stelt  de  toezichthoudende  autoriteit  vast  dat  artikel 12  AVG  wordt  genoemd  in artikel 83, lid 5, punt b), AVG. De omzet van de onderneming bedraagt 2 miljard EUR. Dit is meer dan 500 miljoen EUR,  dus  het  dynamische  maximumbedrag  is  van  toepassing.  Dit  betekent  dat  het wettelijke  maximumbedrag  gelijk  is  aan  4 %  van  de  jaaromzet  van  de  onderneming,  die 80 miljoen EUR bedraagt. Er is sprake van een gemiddelde zwaarte en er moet dus worden uitgegaan van een uitgangsbedrag tussen de 10 en 20 % van het toepasselijke wettelijke maximumbedrag, d.w.z. tussen de 0,4 en 0,8 % van de jaaromzet, wat neerkomt op een uitgangsbedrag tussen de 8 miljoen EUR en 16 miljoen EUR.

Gezien het feit dat hoe zwaarder de inbreuk is binnen de betreffende categorie, des te hoger het uitgangsbedrag waarschijnlijk  zal  zijn,  oordeelt  de  toezichthoudende  autoriteit  dat,  vanwege  de zwaarte van de inbreuk, het uitgangsbedrag 12 miljoen EUR moet bedragen, ofwel 15 % van het toepasselijke wettelijke maximumbedrag en 0,6 % van de jaaromzet van de onderneming.

Aangezien de onderneming een jaaromzet heeft van meer dan 500 miljoen EUR en het dynamische wettelijke  maximumbedrag  van  toepassing  is,  wordt  de  omvang  van  de  onderneming  reeds weerspiegeld in het dynamische wettelijke maximumbedrag  dat wordt gebruikt om  het uitgangsbedrag te bepalen. Bijgevolg worden er geen verdere aanpassingen toegepast.

Hierna gaat de toezichthoudende autoriteit verder met de berekening van de geldboete op basis van het resterende deel van de richtsnoeren.

---

## Footnotes

1. Verwijzingen naar 'lidstaten' in dit document moeten worden gelezen als verwijzingen naar 'lidstaten van de EER' (waarbij EER staat voor Europese Economische Ruimte).

3. Zie bijvoorbeeld gevoegde zaken C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C-213/02 P, Dansk Rørindustri A/S e.a./Commissie, punt 172, en zaak T-91/11, InnoLux Corp./Commissie, punt 88.

5. Zie met name de diepgaande analyse in de conclusie van advocaat-generaal Tanchev in zaak C-10/18 P, Marine Harvest.

6. Zie bijvoorbeeld Oostenrijks Verwaltungsgerichtshof, Ra 2018/02/0123, punt 9.

8. Zie bijvoorbeeld Oostenrijks Verwaltungsgerichtshof, Ra 2018/02/0123, punt 7.

13. Het idee van formele subsidiariteit vloeit indirect ook voort uit artikel 35, lid 2, van Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging  in  de  Unie,  tot  wijziging  van  Verordening  (EU)  nr. 910/2014  en  Richtlijn  (EU)  2018/1972  en  tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 ('NIS 2-richtlijn'), hoewel het conflict eerder op procedureel dan op materieel niveau wordt opgelost. In het artikel is bepaald dat indien de toezichthoudende autoriteiten als bedoeld in artikel 55 of 56  van  Verordening  (EU)  2016/679  een  administratieve  geldboete  op  grond  van  artikel 58,  lid 2,  punt i),  AVG opleggen,  de  bevoegde  autoriteiten  geen  administratieve  geldboete  op  grond  van  artikel 34  van  de  NIS 2-richtlijn opleggen voor een inbreuk als bedoeld in artikel 35, lid 1 van de NIS 2-richtlijn die voortvloeit uit dezelfde gedraging als die waarvoor de administratieve geldboete uit hoofde van artikel 58, lid 2, punt i), AVG is opgelegd, voor zover de in artikel 35, lid 1, van de NIS 2-richtlijn bedoelde inbreuk indirect als ondergeschikt aan een geldboete op basis van de AVG wordt beschouwd wanneer het om dezelfde gedraging gaat.

21. Zie in dit verband ook de richtsnoeren WP 253, blz. 9.

22. Een voorbeeld is dat de EDPB, bij zijn analyse van het element met betrekking tot de 'aard van de inbreuk', in zijn Besluit  01/2020  over  het  geschil  dat  is  ontstaan  over  het  ontwerpbesluit  van  de  Ierse  toezichthoudende  autoriteit betreffende Twitter International Company op grond van artikel 65, lid 1, onder a), AVG (hierna 'Bindend besluit EDPB 01/2020' genoemd) opmerkt dat bij de 'betrokken verwerking' sprake was van communicatie door betrokkenen die er bewust voor hebben gekozen het publiek van die communicatie te beperken, en aanbeveelt dit aspect in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de aard van de verwerking. Zie in dit verband ook Bindend besluit EDPB 01/2020, punt 186.

27. De verspreiding van privécommunicatie en locatiegegevens kan onmiddellijk schade of leed voor de betrokkene tot gevolg hebben, hetgeen wordt benadrukt door de bijzondere bescherming die door de EU-wetgever wordt verleend aan privécommunicatie in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten en Richtlijn 2002/58/EG, en door het Hof voor locatiegegevens in bepaalde gevallen, zie gevoegde zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a., punt 117, en de daarin aangehaalde rechtspraak.

28. Zie ook Bindend besluit EDPB 1/2021, punten 411 en 412: '[Voor zover] de omzet van een onderneming niet alleen relevant is voor het bepalen van het maximumboetebedrag overeenkomstig artikel 83,leden 4 tot en met 6, AVG, maar zo nodig ook in aanmerking kan worden genomen [als een van de relevante elementen] voor de berekening van de geldboete  zelf,  om  ervoor  te  zorgen  dat  de  geldboete  doeltreffend,  evenredig  en  afschrikkend  is  als  bedoeld  in artikel 83, lid 1, AVG.' De omzet van de betrokken onderneming wordt nader besproken in paragraaf 6.2 van deze richtsnoeren.

29. Dit is door het Gerecht vastgesteld in zaak T-25/06, Alliance One International, Inc./Europese Commissie, punt 211, onder verwijzing naar andere rechtspraak, zoals zaak T-9/99, HFB en anderen/Commissie, punten 528 en 529, en zaak T-175/05, Akzo Nobel en anderen/Commissie , punt 114.

30. Deze omzetcijfers zijn gebaseerd op de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen. Bij het bepalen van de uitgangsbedragen baseert de EDPB zich op de jaaromzet van de onderneming alleen (zie hoofdstuk 6).

45. Met name artikel 23,  lid 2,  van  Verordening  (EG)  nr. 1/2003  van  de  Raad  van  16 december  2002  betreffende  de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag.

46. Zie ook Bindend besluit EDPB 1/2021, punt 326.

47. Zie met betrekking tot de term 'onderneming' paragraaf 6.2.1 van deze richtsnoeren.

48. Zie met betrekking tot de term 'omzet' paragraaf 6.2.2 van deze richtsnoeren.

50. Zoals reeds verduidelijkt  in  de richtsnoeren  WP 253 en  later bevestigd door de  EDPB in  Endorsement 1/2018 op 25 mei  2018.  Zie  ook  Bindend  besluit  EDPB  1/2021,  punt 292,  en  regionale  rechtbank  LG  Bonn,  zaak 29  OWi  1/20, 11 november 2020, punt 92.

51. Zie Bindend besluit EDPB 1/2021, punten 412 en 423, en ook de zaken C-286/13 P, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Europese Commissie, punt 149, en C-189/02 P, Dansk Rørindustri en anderen/Commissie, punt 258.

52. Zaak C-41/90, Klaus Höfner en Fritz Elser/Macrotron GmbH, punt 21. Zie bijvoorbeeld ook gevoegde zaken C-159/91 en  C-160/91,  Poucet  en  Pistre/Assurances  générales  de  France,  punt 17;  zaak  C-364/92,  SAT  Fluggesellschaft mbH/Eurocontrol, punt 18; gevoegde zaken C-180 tot en met 184/98, Pavlov en anderen, punt 74; en zaak C-138/11, Compass-Datenbank GmbH/Republik Österreich, punt 35.

55. Zie  zaak C-90/09 P, General Química en anderen/Commissie. Het belangrijkste criterium om dit vast te stellen is 'beslissende invloed', hetgeen moet  worden  bepaald  op  basis van feitelijk bewijsmateriaal (economische, organisatorische en juridische banden). Bovendien bestaat er een weerlegbaar vermoeden van invloed in het geval van een volledige dochteronderneming. Zie zaak C-97/08 P, Akzo Nobel en anderen/Commissie en gevoegde zaken C-293/13 en 294/13 P, Fresh Del Monte.

56. Zie gevoegde zaken C-100 tot en met 103/80, SA Musique Diffusion française en anderen/Commissie, punt 97, en zaak C-338/00 P, Volkswagen/Commissie, punten 93 tot en met 98.

58. Zie met name de Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen 'verwerkingsverantwoordelijke' en 'verwerker' in de AVG (hierna 'EDPB-richtsnoeren 07/2020' genoemd), punt 19.

62. Zie  onder  andere  zaak  C-595/18  P,  The  Goldman  Sachs  Group/Commissie,  ECLI:  EU:  C:  2021:73,  punt 32,  onder vermelding van zaak C 611/18 P, Pirelli &amp; C./Commissie, niet gepubliceerd, punt 68, en aldaar aangehaalde rechtspraak.

65. Zie  bv.  artikel 2,  punt 5,  van  Richtlijn  2013/34/EU  van  het  Europees  Parlement  en  de  Raad  van  26 juni  2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (hierna 'Richtlijn 2013/34/EU' genoemd), dat van toepassing is op ondernemingen met beperkte aansprakelijkheid, of gelijksoortige toepasselijke wetgeving en artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen

66. Zie bv. bijlage V of VI bij artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2013/34/EU onder 'netto-omzet', of gelijksoortige toepasselijke wetgeving.

67. Zie bijvoorbeeld artikel 21 en volgende van Richtlijn 2013/34/EU, of gelijksoortige toepasselijke wetgeving.

68. Zie zaak C-58/12 P, Groupe Gascogne SA/Europese Commissie, ECLI:EU:C:2013:770, punten 54-55.

69. Regionale rechtbank LG Bonn, zaak 29 OWi 1/20, 11 november 2020, punt 95, onder verwijzing naar zaak C-637/13 P, Badezimmerkartell Laufen Austria, punt 49, en zaak C-408/12 P, YKK e.a., punt 90.

73. Zaak T-704/14, Marine Harvest/Commissie, punt 580, onder verwijzing naar zaak T -332/09, Electrabel/Commissie, punt 279.

75. Zie in die zin zaak C-387/97, Commissie/Griekenland, punt 90, en zaak C-278/01, Commissie/Spanje, punt 41, waarin de geldboete zodanig moest worden vastgesteld dat zij 'in overeenstemming is met de omstandigheden en evenredig is aan zowel de vastgestelde inbreuk als de draagkracht van de betrokken lidstaat'.

77. Zie gevoegde zaken C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C-213/02 P, Dansk Rørindustri en anderen/Commissie, punt 327, onder vermelding van gevoegde zaken 96/82 tot en met 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, NV IAZ International Belgium en anderen/Commissie, punten 54 en 55. Dit werd meer recentelijk herhaald

79. Zie  gevoegde  zaken  T-236/01,  T-239/01,  T-244/01  tot  en  met  T-246/01,  T-251/01  en  T-252/01,  Tokai  Carbon  en anderen/Commissie, punt 372, en zaak T-64/02, Heubach/Commissie, punt 163. Zie zaak T-393/10 INTP, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie, punten 293 en 294.

80. Zie zaak C-308/04 P, SGL Carbon/Commissie, punt 106.

81. Zie de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in zaak C-304/02, Commissie/Franse Republiek, punt 39.

82. Zie onder andere zaak C-511/11 P, Versalis Spa/Commissie, punt 94.

84. Zie in het bijzonder zaak C-289/04 P, Showa Denko/Commissie, punten 28-39.

85. Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 1422).

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/38085 · 2026-08-22
