# Rechtbank Den Haag, 29-12-2025 (SGR 23/5323)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2025:28173
- Date: 2025-12-29
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2025%3A28173
- Canonical: https://overview.legal/posts/425165
- Topics: Personal Data, Consent, Right of Access, Public Authority, Types of Special Categories of Personal Data

## Summary

Wiv. Inzageverzoek.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/5323 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. H. van Drunen), en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar aanvraag op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv). 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 december 2022 gedeeltelijk toegewezen. Met het bestreden besluit van 3 juli 2023 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het besluit van 23 december 2022 gedeeltelijk herroepen 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en als gemachtigde van verweerder mr. [naam 1] . 1.4. Ter zitting zijn door de gemachtigde van eiseres nadere stukken overgelegd. Naar aanleiding van deze stukken heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te doen. 1.5. Op 29 juli 2024 heeft verweerder een aanvullend inzagedossier aan eiseres verstrekt. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en [naam 2] . Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres heeft verzocht om kennisneming van bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) aanwezige gegevens over haar overleden zoon, de heer [naam 3] . Verweerder heeft de aanvraag aangemerkt als een aanvraag op grond van artikel 79 van de Wiv 2017. Op grond van dit artikel kan eenieder verzoeken om kennisneming van persoonsgegevens die over een overleden kind door of ten behoeve van de AIVD zijn verwerkt. Verweerder heeft aan eiseres een inzagedossier verstrekt. Bij het bestreden besluit is een aanvullend inzagedossier verstrekt. In beroep heeft verweerder nog een aanvullend inzagedossier aan eiseres verstrekt. Er zijn documenten deels verstrekt, deels in de vorm van een uittreksel verstrekt en geheel geweigerd. Een deel van de informatie is niet verstrekt omdat het persoonsgegevens van een derde betreft of omdat het geen betrekking heeft op de aanvraag. Ook is informatie geweigerd omdat verweerder actuele werkwijzen niet openbaar mag maken en om bronnen te beschermen. Wat zijn de regels? 3. De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak. Wat vindt eiseres in beroep? 4. Eiseres voert aan dat er nog steeds documenten ontbreken. Zo is het document [nummer] nog steeds niet beoordeeld. In een aantal documenten staat een aanname of vaststelling die ergens op gebaseerd moet zijn. Dat is echter in de stukken niet terug te vinden. In de verschillende “onderzoeksrapporten notificatie” wordt melding gemaakt van “het verslag”. Deze verslagen ontbreken. Ook ontbreken er voorstellen tot uitstel in verband met de notificatieverplichting. Eiseres stelt verder dat de inventarislijst, die bij het aanvullende besluit is gevoegd, onbruikbaar is. Bovendien mocht verweerder weliswaar een aantal documenten als uittreksel verstrekken, maar had hij wel rekening moeten houden met de voorkeur van de aanvrager. Dat heeft verweerder niet gedaan, want de betreffende uittreksels bevatten geen enkele context, geen enkele datering en feitelijk geen informatie. Verweerder weigert in bijna alle documenten passages omdat dit persoonsgegevens van derden zou betreffen, maar blijkt in die documenten ook passages te weigeren die op persoonsnamen na geen persoonsgegevens betreffen of namen van ministers die in een ander inzageverzoek wel openbaar zijn gemaakt. Verweerder weigert ten onrechte informatie door van de tapverslagen alleen de door haar zoon zelf uitgesproken woorden te verstrekken en het deel dat de gesprekspartner heeft uitgesproken niet te verstrekken. Bewerkingen van door derden uitgesproken teksten zijn geen persoonsgegevens van die derden. In andere documenten heeft verweerder passages geweigerd openbaar te maken die niet zouden zien op de aanvraag. Hierdoor maakt verweerder de documenten feitelijk onleesbaar. Soms geeft verweerder de context wel. Dat lijkt op willekeur. Onder verwijzing naar de AVG en de Wet politiegegevens en uitspraken die hierover zijn gedaan stelt eiseres dat het begrip persoonsgegeven veel breder is dan alleen naam, adres, geboortedatum etc. De context is daarom van belang. Verweerder weigert nu bij een groot aantal documenten de documentnummers te verstrekken. Daar is geen enkele reden toe, anders dan het lastig voor verzoekers te maken om op basis van die documenten nieuwe verzoeken te doen. Verweerder heeft ook ten onrechte geweigerd inzage te geven in informatie en documenten omdat die informatie een werkwijze van de AIVD zou betreffen. Het enkele feit dat het informatie betreft over een werkwijze, is geen grond voor weigering. Verweerder geeft in de toelichtingsformulieren al aan dat het in een aantal gevallen gaat om “niet operationele activiteiten van de dienst”. Niet in te zien valt waarom dergelijke informatie dan de nationale veiligheid zou raken, laat staan schaden. Uit de stukken blijkt ook niet welk telefoonnummer(s) afgeluisterd is/zijn. Nu het om (in ieder geval) de telefoon(s) van de zoon van eiseres gaat, zijn ook dit hem betreffende persoonsgegevens. Het telefoonnummer was openbaar. Bovendien zou een menselijke bron niet te achterhalen zijn door het bekend worden van dit telefoonnummer. Uit de tapverslagen blijkt dat tientallen personen dit nummer kenden en daarmee belden. Eiseres heeft ook verwezen naar een besluit in een andere zaak waarbij verweerder enkele documenten deels heeft verstrekt die ook in onderhavige zaak deels zijn verstrekt, zij het dat deels andere informatie is verstrekt. Bij dat besluit heeft verweerder informatie in die documenten geweigerd op grond van “persoonsgegevens van derden/P3” of “buiten reikwijdte verzoek NVT”. In onderhavig besluit is de weigering informatie te verstrekken echter gebaseerd op een andere grond, namelijk “bronbescherming”. Er moet van uit worden gegaan dat ook in andere documenten de weigeringsgrond “bronbescherming” onterecht is ongeroepen. Eiseres heeft verder een aantal formele punten aangevoerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit nagelaten de wettelijk voorgeschreven beroepsclausule op te nemen. Verweerder heeft bij de uitnodiging voor het horen ook niet gewezen op enige terinzagelegging van de stukken en geen gewichtige redenen gegeven om deze stukken niet ter inzage te leggen. Verweerder stelt ten onrechte dat interne documenten die zien op de zoekvraag of de zoekslagen niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank heeft de geheime stukken ingezien en zal mede op basis van deze stukken uitspraak doen. Eiseres heeft hiervoor aan de rechtbank toestemming verleend. Zoekslag 6. Aangezien is komen vast te staan dat er meer stukken met persoonsgegevens van de zoon van eiseres aanwezig waren bij verweerder dan in eerste instantie zijn verstrekt, stelt de rechtbank vast dat de bij het primaire besluit en in bezwaar door verweerder uitgevoerde zoekslag niet zorgvuldig was. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ter beoordeling staat of er, gelet op de meest recente zoekslag, nog reden is om aan te nemen dat er meer documenten met persoonsgegevens van de zoon van eiseres zijn. 6.1 Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er toch nog meer documenten met persoonsgegevens van haar zoon zouden zijn. De omstandigheid dat in de loop van de procedure steeds meer informatie is gevonden, is op zichzelf onvoldoende om ervan uit te gaan dat de voorbereiding van het besluit onvoldoende is geweest. Dat eiseres bepaalde stukken verwacht aan te treffen in het inzagedossier, wil, zoals verweerder terecht stelt, nog niet zeggen dat deze stukken daadwerkelijk zijn verwerkt door de AIVD en dat het archiefonderzoek onjuist of onvolledig is geweest. Verslagen bij de door eiseres genoemde documenten stelt verweerder niet te hebben aangetroffen. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Document [nummer] is niet verstrekt omdat de persoonsgegevens van de zoon van eiseres in dat document niet voorkomen. Het document valt dus buiten het verzoek. Inventarislijst 7. Niet valt in te zien dat de inventarislijst, zoals eiseres stelt, onbruikbaar zou zijn. Ieder document op de inventarislijst wordt genummerd. Het nummer op de inventarislijst correspondeert met het nummer linksboven op de documenten. Op de inventarislijst staat op de rij van het corresponderende nummer genoemd wat er is verstrekt en op welke gronden er is geweigerd, met eventueel een toelichting gegeven. Uittreksel 8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres juist meer informatie heeft gekregen doordat aan haar een uittreksel is verstrekt. De rechtbank ziet, na kennis te hebben genomen van de geheime stukken, geen grond voor de conclusie dat dit onjuist zou zijn. Weigeringsgronden 9. Na kennis te hebben genomen van de documenten oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verstrekking van de gevraagde documenten gedeeltelijk mocht worden geweigerd. 9.1 Artikel 79 van de Wiv 2017 geeft alleen recht op kennisneming van de persoonsgegevens die van een overleden echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager zijn verwerkt. In de Wiv wordt onder persoonsgegevens verstaan: gegevens die betrekking hebben op een identificeerbare of geïdentificeerde, individuele natuurlijke persoon. Verweerder heeft kennisneming van bepaalde passages geweigerd op de grond dat deze persoonsgegevens van derden bevatten (“P3”) of informatie bevatten die geen betrekking hadden op eiser (“NVT”). Verweerder heeft op de tweede zitting toegelicht dat hij moet bekijken of sprake is van persoonsgegevens van de betrokkene en dat wat daar buiten valt moet worden gelakt onder de vermelding “NVT”. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door de gesprekspartner in een getapt gesprek uitgesproken woorden geen persoonsgegevens van de zoon van eiseres en moet deze informatie daarom worden geweigerd. Dat is alleen anders als de gesprekspartner een persoonsgegeven van de zoon van eiseres noemt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de in de tapverslagen weggelakte informatie geen persoonsgegevens van de zoon van eiseres betreft. Weliswaar is het weglakken met de vermelding “NVT” niet helemaal consistent toegepast en is soms ten onrechte informatie weggelakt onder de vermelding “P3”, maar eiseres is hierdoor niet in haar belangen geschaad. Verweerder mocht de informatie immers weigeren. 9.2 De stelling van eiseres dat verweerder ten onrechte contextinformatie heeft geweigerd volgt de rechtbank niet. Verweerder hoeft deze informatie niet te verstrekken. Bij een verzoek op grond van de AVG kan het soms nodig zijn om inzage te geven in een document, omdat de context van het betreffende document van belang is om de juistheid van de persoonsgegevens te kunnen controleren. De Wiv heeft ten opzichte van de AVG echter een beperktere definitie van persoonsgegevens. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder, mede gelet op het bijzondere karakter van de gegevens die bij de AIVD en de MIVD worden verwerkt, ook op grond van de Wiv verplicht zou zijn om in bepaalde omstandigheden informatie over de context te geven. Dat verweerder soms ruimer is omgegaan met inzageverzoeken en (meer) contextinformatie heeft verstrekt, betekent niet dat verweerder dat bij alle aan eiser verstrekte documenten ook moest doen. Verweerder heeft toegelicht dat hij wel probeert context te geven, maar dat dit niet altijd kan. Het uitgangspunt is “geheim tenzij”. Als er teveel informatie wordt verstrekt kunnen werkwijzen en bronnen bekend worden. Verweerder mocht er daarom voor kiezen om (soms) contextinformatie te weigeren. Van willekeur is niet gebleken. Verweerder heeft erop gewezen dat het beoordelen van de documenten mensenwerk is en dat per document maatwerk wordt toegepast, waardoor het zo kan zijn dat er in het ene document meer context is vrijgegeven dan in het andere document. 9.3 Dat geldt ook voor de documentnummers die verweerder eerder wel heeft verstrekt en in het aanvullende inzagedossier heeft geweigerd. Verweerder stelt terecht dat documentnummers geen persoonsgegevens zijn, omdat deze zijn gekoppeld aan het document en niet aan een persoon. Verweerder mocht daarom stoppen met het vermelden van deze nummers, ook omdat er volgens verweerder koppelingen kunnen worden gemaakt die bijvoorbeeld kunnen leiden tot het bekend worden van brongegevens. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. 9.4 Verweerder heeft ook bepaalde persoonsgegevens geweigerd te verstrekken op grond van bronbescherming of actuele werkwijzen. De AIVD kan zijn wettelijke taak alleen binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen en moet zijn bronnen en actuele werkwijzen geheim kunnen houden. Het geven van inzicht daarin gaat namelijk ten koste van het goed functioneren van de AIVD en daarmee ten koste van de nationale veiligheid, ter bescherming waarvan de AIVD is opgericht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de geweigerde passages en stelt vast dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze mochten worden geweigerd. 9.5 Verweerder heeft gesteld dat afgetapte telefoonnummers nooit worden verstrekt, omdat het ten tijde van het bewerken van de stukken niet duidelijk is hoe de AIVD destijds de telefoonnummers verkregen heeft. Omdat niet uitgesloten kan worden dat deze verstrekt zijn door een (menselijke) bron of bronnen, worden de nummers zekerheidshalve niet verstrekt. Hiermee heeft verweerder voldoende onderbouwd waarom de telefoonnummers niet verstrekt worden. 9.6 Op grond van het feit dat in zeven documenten op andere gronden informatie is weggelakt dan in een ander dossier, kan niet worden vastgesteld dat in andere documenten de weigeringsgrond “bronbescherming” onterecht is ingeroepen. Verweerder heeft toegelicht dat de informatie eigenlijk helemaal niet aan eiseres verstrekt had hoeven worden, omdat het niet ging om persoonsgegevens van de zoon van eiseres. Een herbeoordeling van de documenten die zijn verstrekt zou leiden tot het lakken van meer passages dan eiseres nu heeft gehad en zou dus niet in het belang van eiseres zijn . Ontbreken rechtsmiddelenclausule 10. Met betrekking tot de beroepsgrond van eiseres dat onder het bestreden besluit geen rechtsmiddelenclausule stond overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiseres hierdoor niet in haar belang is geschaad. Zij heeft immers tijdig beroep ingesteld. Op de zaak betrekking hebbende stukken 11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de stukken over de zoekslag niet ter inzage hoefde te leggen voorafgaande aan de hoorzitting in bezwaar en ook niet aan de rechtbank hoefde over te leggen. Verweerder hoeft bij het bieden van inzicht in de gemaakte zoekslag niet verder te gaan dan in het besluit te beschrijven hoe en waar er is gezocht. Daarmee is niet verenigbaar dat stukken, die bij de verrichting van de zoekslag zijn gegenereerd maar geen persoonsgegevens van de zoon van eiseres bevatten, zouden worden beschouwd als op de zaak betrekking hebbende stukken waarin verweerder inzage moet geven. Redelijke termijn 12. Op de zitting heeft eiseres verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 12.1 Volgens vaste rechtspraak mogen de bezwaar- en beroepsfase samen in beginsel niet langer dan twee jaar duren. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond. 12.2 In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 31 januari 2023, bij de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift, en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank. De redelijke termijn is in deze procedure dus met -afgerond- 11 maanden overschreden. Deze overschrijding wordt aan de rechterlijke fase toegerekend. De schadevergoeding wordt vastgesteld op € 1.000,-. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep tegen het eerste bestreden besluit is gegrond omdat verweerder onvoldoende zorgvuldig had gezocht naar stukken die persoonsgegevens van de zoon van eiseres bevatten. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder heeft dit gebrek in beroep hersteld door een aanvullend inzagedossier te verstrekken. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen in stand. Dat betekent dat verweerder na deze uitspraak geen nieuwe gegevens meer hoeft te verstrekken. 14. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting en de nadere zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.267,50. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 1.000,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 2.267,50; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] e. persoonsgegevens: gegevens die betrekking hebben op een identificeerbare of geïdentificeerde, individuele natuurlijke persoon; […]. Artikel 76 1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager. […]. Artikel 79 1. Artikel 76 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag met betrekking tot persoonsgegevens die zijn verwerkt door of ten behoeve van een dienst ten aanzien van een overleden echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager. […]. Artikel 82 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 76 wordt in ieder geval afgewezen, indien: a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij: 1°.de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt, 2°.met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en 3°.de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek; b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt. 2. Indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, wordt bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing. Artikel 83 Artikel 82 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 79 met dien verstande dat in artikel 82 voor «de aanvrager» wordt gelezen: de overleden persoon. Artikel 84 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 80 wordt afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de nationale veiligheid zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld. 2. Een aanvraag wordt voorts afgewezen voor zover het belang van verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft, niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. het belang, dat de persoon of organisatie waarop de gegevens betrekking hebben erbij heeft om als eerste kennis te kunnen nemen van de gegevens; g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden. […] 4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 76 onderscheidenlijk 79, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 82 onderscheidenlijk 83. Artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:484. Artikel 1, aanhef en onder e, van de Wiv 2017. Uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1279 Uitspraak van de rechtbank Den Haag, 28 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2025:10457. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/425165 · 2026-10-02
