Rechtbank Noord-Holland, 24-09-2026 (HAA 26/1071)
Judgment
Decision
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de fictieve weigering van het college om een besluit te nemen op zijn verzoek om in de basisregistratie personen (brp) de vermeende inschrijving van zijn ex-partner op zijn adres ongedaan te maken. Of anderen dan de ingezetene of de betrokkene om wiens gegevens in de brp het gaat, kunnen worden aangemerkt als belanghebbende is van de omstandigheden afhankelijk. Indien niet blijkt dat die anderen een rechtstreeks belang hebben als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, bijvoorbeeld omdat zij daar enkel mogelijke hinder van ondervinden, zijn zij niet als belanghebbende aan te merken. Geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Beroep ongegrond.
Full text
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/1071 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit Haarlem, eiser (gemachtigde: mr. J. Sprakel), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (gemachtigde: M.J. Ferwerda). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de fictieve weigering van het college om een besluit te nemen op zijn verzoek om in de basisregistratie personen (brp) de vermeende inschrijving van zijn ex-partner op zijn adres ongedaan te maken. Het procesverloop en de door partijen ingenomen standpunten 2.1. Eisers gemachtigde heeft op 25 november 2025 een aanvraag (verzoek) gedaan om uitschrijving uit de brp van de ex-partner van eiser. Eiser stelt dat hij recent heeft ontdekt dat zijn partner nog steeds op zijn adres staat ingeschreven en dat zij daarbij ook als zijn partner staat geregistreerd. Ter zitting is door eiser toegelicht dat de ontdekking eiser is gebleken bij een bezoek aan Burgerzaken in verband met de aanvraag om een identiteitsbewijs. Er is toen niets in gang gezet, en hem is gezegd een advocaat te raadplegen. Eiser maakt zich zorgen dat zijn erfenis naar deze persoon gaat in plaats van zijn kinderen als dit zo blijft. Het klopt bovendien niet (meer) en dus dient de brp te worden aangepast. Eiser doet vanaf 2016 bij de belastingdienst aangifte als ongehuwd. Zijn ex-partner woont inmiddels niet meer in Nederland, maar met een nieuwe partner in het buitenland. Zij schijnt met die partner kinderen te hebben. De brp moet de werkelijke situatie weergeven, dus niet een registratie op zijn adres, en niet als zijn partner. 2.2. Op 14 januari 2026 heeft de medewerker van Burgerzaken per e-mail gevraagd om een machtiging van eiser waarin wordt aangegeven dat zij de gevraagde gegevens aan eisers gemachtigde mogen verstrekken. Een andere optie is dat eiser langskomt bij de publiekshal van de gemeente Haarlem; dan kunnen direct de gegevens in de brp worden geraadpleegd en wordt gekeken of de gevraagde aanpassingen kunnen worden uitgevoerd, zoals door het opstarten van een adresonderzoek. 2.3. De gemachtigde van eiser reageert – eveneens op 14 januari 2026 – dat de medewerker de vraag niet lijkt te snappen. Hij geeft aan dat de aanvraag niet ziet op het doen verstrekken van informatie, maar dat is gevraagd de brp te wijzigen. 2.4. De medewerker van burgerzaken reageert op 19 januari 2026 dat om een eventuele wijziging in de brp door te voeren, eerst de brp dient te worden geraadpleegd. Daarvoor is een schriftelijke machtiging nodig waarin expliciet wordt vermeld dat zij de betreffende gegevens namens eiser mogen inzien en indien nodig wijzigen. Ook wordt nogmaals gewezen op de mogelijkheid langs te komen; dan kunnen direct de gegevens in de brp worden geraadpleegd en kan worden bezien of de gevraagde wijzigingen kunnen worden uitgevoerd. 2.5. Op 26 januari 2026 stuurt de gemachtigde van eiser een machtiging van eiser, ook al is dat volgens hem niet nodig. Ook stelt hij het college in gebreke omdat de termijn om te beslissen op de aanvraag is verstreken. 2.6. Op 13 februari 2026 stelt de gemachtigde van eiser beroep in tegen de fictieve weigering van het college om een beslissing te nemen op de aanvraag tot aanpassing van de brp. Hij verzoekt de rechtbank het college opdracht te geven te beslissen en zich uit te laten over de te betalen dwangsommen. 2.7. Het college heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Daarin is -samengevat - gesteld dat het verzoek van 25 november 2025 niet kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eiser in dit geval bij gebrek aan een rechtstreeks en persoonlijk belang niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de uitschrijving van zijn adres van een derde/ander. Ook kon het college nog geen besluit op het verzoek nemen, omdat aan de vereisten om gegevens in de brp op te vragen of te raadplegen nog niet is voldaan (een uitdrukkelijk verzoek daartoe en de vaststelling van de identiteit van de verzoeker). Als na raadpleging en op aangeven van eiser van gerede twijfel sprake is zal een adresonderzoek volgen en aan de hand daarvan een ambtshalve besluit waarbij iemand kan worden uitgeschreven. Ten derde is het college van oordeel dat hij op grond van het vorenstaande niet in gebreke is wegens niet tijdig beslissen en zijn er geen dwangsommen verschuldigd. 2.8. De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam] , medewerker Burgerzaken. 2.9. In reactie op de aanzet van de rechtbank, om de stelling van eiser ten aanzien van de inschrijving van zijn ex-partner door het college te doen onderzoeken, heeft de gemachtigde van eiser de rechter op de zitting gewraakt. Hem is aanstonds verzocht de wrakingsgrond(en) te formuleren ter vastlegging in het proces-verbaal. Nadat de gemachtigde van eiser daarop zijn zaaksinhoudelijke betoog vervolgde is hij erop gewezen dat dat onverenigbaar is met de wraking. Daarop heeft hij de wraking ingetrokken. 2.10. Teneinde duidelijkheid te krijgen over hetgeen in de brp is opgenomen heeft eiser uiteindelijk ter zitting desgevraagd ingestemd (door dat in persoon te bevestigen) met het raadplegen van de brp, om vervolgens door het college te kunnen doen beoordelen of er een gegronde reden is voor een adresonderzoek en zo nodig een ambtshalve beslissing. Het onderzoek ter terechtzitting is op 8 juli 2026 gesloten. 2.11. Bij brief van 9 juli 2026 heeft het college de rechtbank en de gemachtigde van eiser geïnformeerd over de gevraagde raadpleging. Vastgesteld is dat dat de ex-partner van eiser sinds 2011 niet meer ingeschreven staat op het betreffende adres en er gelet hierop geen aanleiding is voor een nader adresonderzoek. Daarbij is ten overvloede opgemerkt dat er nog wel geregistreerd staat in de brp dat eiser nog gehuwd is met deze ex-partner. Aanpassing van deze registratie kan uitsluitend door het starten van een echtscheidingsprocedure bij de rechtbank waarvoor een advocaat verplicht is. Ook heeft het college de rechtbank een emailwisseling met de gemachtigde van eiser doen toekomen over de mogelijkheden van het verkrijgen van een uitdraai van de raadpleging. De rechtbank heeft vorenstaande informatie voor kennisgeving aangenomen. Daarin is geen aanleiding gezien het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. Door partijen is daarom ook niet verzocht. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4. De rechtbank stelt voorop dat het geschil tussen partijen zich gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting toespitst op de gestelde inschrijving van de ex op het adres van eiser. De mogelijke registratie van de ex van eiser in de brp als partner/gehuwde laat de rechtbank dus buiten beschouwing. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat melding van (wijzigingen van) feiten betreffende de burgerlijke staat in bepaalde omstandigheden door de ingezetene, desgevraagd in persoon, onder overlegging van geschriften die voor de bijhouding van de basisregistratie noodzakelijk zijn, dient te geschieden. Eiser kan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat het college registraties betreffende de burgerlijke staat vrijelijk zou kunnen doorhalen enkel op grond van de stelling dat de belastingdienst vanaf 2016 aangiften gedaan als ongehuwd heeft geaccepteerd. 5. Zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3862) volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3910 en 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1522 dat ook anderen dan de ingezetene of de betrokkene om wiens gegevens in de brp het gaat, in procedures daarover kunnen worden aangemerkt als belanghebbende. Uit de wetsgeschiedenis kan ook niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om alleen degene om wiens gegevens het gaat, als belanghebbende aan te merken bij de besluiten waartegen op grond van artikel 2.60 van de Wet brp bezwaar en beroep open staan (Kamerstukken II, 2011/12, 33 219, nr. 3, blz. 120). De kring van beroepsgerechtigden is dus niet beperkt tot de betrokkene, als bedoeld in de Wet brp. 6. Uit voornoemde uitspraken volgt dat van de omstandigheden afhankelijk is of anderen dan de ingezetene of de betrokkene om wiens gegevens in de brp het gaat, kunnen worden aangemerkt als belanghebbende. Indien niet blijkt dat die anderen een rechtstreeks belang hebben als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, bijvoorbeeld omdat zij daar enkel mogelijke hinder van ondervinden, zijn zij niet als belanghebbende aan te merken. 7. In dit geval verzoekt eiser om in de brp iemand anders (zijn ex-partner) van zijn adres uit te schrijven en stelt hij daarbij mogelijke erfrechtelijke gevolgen. De rechtbank stelt vast dat eiser dit betoog niet met stukken heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank komt de erfrechtelijke gevolgen als gevolg van de vermeende adresinschrijving van zijn ex-partner ook onwerkelijk voor. Het eerst ter zitting gestelde dat de vermeende inschrijving financiële gevolgen heeft in verband met de heffing van gemeentelijke belastingen is in dit geval evenmin onderbouwd. Bovendien is het bevreemdend dat eiser dit eerst na bijna 10 jaar zou zijn gebleken. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat in dit geval niet is gebleken van omstandigheden waaruit volgt dat eiser als belanghebbende dient te worden aangemerkt. De brief van 25 november 2025 is dus niet aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent dat het college ook niet te laat op een aanvraag kan hebben beslist zodat het college op die grond ook geen dwangsom verschuldigd kan zijn. 8. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat ook anderszins op het verzoek niet kon worden beslist merkt de rechtbank ten overvloede het volgende op. De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat het verzoek van eiser diende te worden gelijkgesteld met een melding aangaande een mogelijke onjuiste inschrijving op zijn adres. Enerzijds kan worden toegegeven dat het college in de emailwisseling aangaande het in behandeling kunnen nemen van die melding duidelijker had kunnen zijn over de noodzaak tot vaststelling van de identiteit van melder (afhankelijk van de wijze van melden via DigiD, per brief met een kopie van een identiteitsbewijs danwel door een verzoek in persoon ten overstaan van een medewerker Burgerzaken). Anderzijds staat vast dat de gemachtigde van eiser het verzoek uitdrukkelijk heeft beperkt tot het zonder omhaal direct wijzigen van de vermeende adresinschrijving, en er kennelijk bewust niet is ingegaan op het tot tweemaal toe gedane voorstel om (na afspraak of tijdens de vrije inloop) in direct contact te treden ter raadpleging van de gegevens in de brp en daarna direct te bezien of aanpassingen kunnen worden uitgevoerd of worden onderzocht. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank het college volgen in zijn standpunt dat het voor het college ook hierom niet mogelijk was om een besluit te nemen en het college niet in gebreke is geraakt. Hetgeen eiser veronderstelde ten aanzien van de inschrijving van zijn ex-partner is naar het oordeel van de rechtbank als gevolg van het vorenstaande ruim 7 maanden onnodig onopgehelderd gebleven. Ingaan op het contactverzoek had bovendien een procedure als deze, die niet als doel op zich mag worden beschouwd, kunnen voorkomen. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Algemene wet bestuursrecht Artikel 1:2 Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. (…) (…) Artikel 1:3 Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. (…) Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. (…) Daarbij is verwezen naar ECLI:NL:RVS:2023:1522 en ECLI:NL:RBROT:2024:5359. Daarbij kan overigens worden opgemerkt dat eiser de (on)juistheid van zijn stelling op mijn.overheid.nl na inloggen met Digid zelf had kunnen verifiëren via het pad identiteit-persoonsgegevens-adresgegevens-aantal bewoners (ingeschreven als bewoner). Zie de artikelen 2.44 en 2.46 van de Wet brp. Ter verdere informatie: zie bijvoorbeeld www.rechtspraak.nl-onderwerpen-familie en relaties-echtscheiding-procedure-echtscheiding inschrijven bij gemeente.