Rechtbank Amsterdam, 15-09-2026 (13-185488-26)
Vervolgings-EAB Italie; samenloop van EAB's; voorrang; artikel 11 OLW: detentieomstandigheden voldoende; artikel 13 OLW; artikel 9 OLW: geen sprake van ne bis in idem; overlevering toestaan.
Judgment
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-185488-26 Datum uitspraak: 15 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 3 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2026 door the Ordinary Lawcourt of Catanzaro - Chambers of the investigating judge/judge of preliminary hearing, Italië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Tunesië) op [geboortedag] 1986, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieplaats], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouwen mrs. E.M.C. van Nielen en T.E. Korff, advocaten in Amsterdam, en door een tolk in de Franse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Tunesische nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Lawcourt of Catanzaro van 23 april 2026 met kenmerk 32/2026 R.M.C (2931/2024 R.G.N.R. Mod. 21 - 2235/2024 R.G. GIP Lawcourt of Catanzaro). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Italiaans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; moord en doodslag; zware mishandeling. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 5 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een algemeen reëel gevaar bestaat van een schending van grondrechten voor gedetineerden in Italië die een individuele celruimte hebben van 3 tot 4 m². De overige materiële detentieomstandigheden voldoen namelijk niet om het gebrek aan persoonlijke celruimte te compenseren. De verdediging heeft hiertoe een rapport van de Garante Nazionale dei diritti delle persone private della libertà personale (GNPL) van 7 april 2026 overgelegd waaruit onder meer volgt dat het de gemiddelde nationale overbevolking 138% bedraagt. De verdediging heeft hierbij onder andere verwezen naar dit citaat: “ Van de 189 onderzochte instellingen zijn er 4 ernstig overbevolkt (meer dan 200%), terwijl 61 een bezettingsgraad van meer dan 150% hebben; 101 instellingen hebben een bezettingsgraad tussen 100% en 150%, en slechts 23 instellingen opereren onder de wettelijk vastgestelde capaciteit. ” Daarnaast heeft de verdediging verwezen naar een rapport van Antigone met publicatiedatum 5 augustus 2026 dat met name ziet op de zomer in Italiaanse gevangenissen. Volgens het rapport creëren de structurele kenmerken van Italiaanse gevangenissen een ondraaglijk klimaat, hetgeen wordt verergerd door de extreme overbevolking. Daarnaast blijkt uit het rapport van Antigone dat de materiële detentieomstandigheden tekortschieten. Het is veel te warm in de cellen, de uren buiten cel vallen vaak samen met de heetste uren, tijdens de zomer worden activiteiten stopgezet, er is te weinig ventilatie en gedetineerden koken op cel bij een toilet. De verdediging verwijst in dit kader ook naar een rapport van Antigone van 11 mei 2026 over de detentieomstandigheden. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de verdediging overgelegde rapporten onvoldoende aanleiding vormen om terug te komen op de eerdere uitspraak van de rechtbank van 27 mei 2025. Wat betreft het rapport van het VN-comité dient te worden opgemerkt dat dit comité, in tegenstelling tot het CPT, de landen niet zelf fysiek bezoekt. Het rapport is gebaseerd op schriftelijke landrapportages. Desondanks bestaan zorgen over de Italiaanse detentiecentra vanwege overbevolking en worden duizenden gedetineerden ondergebracht in cellen met minder dan 4 vierkante meter persoonlijke celruimte. Deze rechtbank was bij haar oordeel van 27 mei 2025 reeds bekend met deze overbevolking. Uit het nieuwe rapport blijkt niet dat overbevolking enorm is toegenomen en evenmin dat er structureel minder dan 3 m² voor gedetineerden beschikbaar is. Al met al is geen sprake van objectieve gegevens op basis waarvan kan worden geoordeeld dat de gedetineerden in Italië in het algemeen het gevaar lopen om onmenselijk of vernederend te worden behandeld. Ten aanzien van het rapport van Antigone is van belang dat Antigone een andere rekenmethode hanteert bij het berekenen van de persoonlijke celruimte dan het HvJEU. De gegevens uit dit rapport kunnen daarom niet worden aangemerkt als objectief, nauwkeurig, actueel en naar behoren bijgewerkt. Oordeel van de rechtbank Bij uitspraak van 27 mei 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het tot dan toe aangenomen algemene gevaar dat gedetineerden in (tien) penitentiaire inrichtingen in Italië aan een onmenselijke en vernederende behandeling werden blootgesteld was weggenomen. De rechtbank had zich bij de vaststelling van dit gevaar gebaseerd op rapporten van Antigone . Nadien bleek echter dat deze organisatie bij de berekening van het aantal vierkante meters persoonlijke celruimte (exclusief sanitair) waarover gedetineerden beschikten, andere berekeningen aanhield (namelijk ook exclusief meubilair) dan de gebruikelijke, ook door de rechtbank gehanteerde en uit de arresten Muršić en Dorobantu voortvloeiende, methode om de persoonlijke celruimte in een meerpersonencel te berekenen waarover een gedetineerde kan beschikken, namelijk drie m² persoonlijke celruimte exclusief sanitaire voorzieningen maar inclusief meubilair. Een en ander betekende, aldus de rechtbank, dat volgens Antigone een gedetineerde over meer persoonlijke celruimte moest beschikken dan uit het Unierecht voortvloeide en dat daarom het eerder aangenomen reële gevaar, achteraf bezien, ten onrechte was gebaseerd op een dergelijke eis. De rechtbank overweegt dat het door de verdediging overgelegde rapport van GNPL weliswaar wijst op overbevolkingsproblemen in Italiaanse detentiecentra, maar dat dit rapport op dit moment onvoldoende is voor de vaststelling dat er een algemeen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in Italië. Niet is gebleken dat de overbevolking na de uitspraak van de rechtbank uit 2025 aanmerkelijk is toegenomen. Daarnaast is het zo dat het feit dat de zomer (zeer) onprettige omstandigheden met zich meebrengt door de hitte en dat gedetineerden ervoor kiezen om geen gebruik te maken van de uren in de buitenlucht, dit mede gezien de tijdelijkheid van die omstandigheden niet kan leiden tot een algemeen gevaar. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat, hoewel de rapporten zorgwekkende signalen bevatten, thans niet op grond van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in Italië een algemeen gevaar kan worden aangenomen dat gedetineerden in Italië wegens overbevolking een reëel risico lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Nu de rechtbank geen algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Italiaanse penitentiaire inrichtingen kan vaststellen, wordt het verweer verworpen. De rechtbank ziet in het licht van het voorgaande ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen. Artikel 11 OLW staat niet aan overlevering in de weg. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW van toepassing is omdat het derde feit deels op Nederlands grondgebied is gepleegd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW, omdat het onderzoek in Italië is aangevangen, het bewijs zich in Italië bevindt, de medeverdachten in Italië worden vervolgd, de poging tot moord de Italiaanse rechtsorde heeft geraakt en de slachtoffers zich in Italië bevinden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, de veronderstelling dat de feiten geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om deze weigeringsgrond toe te passen. Wat de verdediging heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 7 Artikel 9 OLW: ne bis in idem Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van overlap tussen de Nederlandse strafzaak en het derde feit in het EAB. Het gaat in beide zaken om dezelfde (vermeende) daders als in de Italiaanse zaak, met dezelfde posities/rollen binnen dat feitencomplex, hetzelfde slachtoffer, dezelfde pleegplaats (althans Nederland) en de pleegperiode valt in de periode die in het Italiaanse EAB wordt genoemd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW niet van toepassing is omdat uit de Nederlandse tenlastelegging blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland niet wordt vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie. Daarnaast hebben de Italiaanse autoriteiten bevestigd dat de opgeëiste persoon niet wordt vervolgd voor de feiten die in Nederland en Spanje hebben plaatsgevonden. Oordeel van de rechtbank Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van ‘dezelfde feiten’ als bedoeld in artikel 3 en 4 Kaderbesluit 2002/584/JBZ (en in artikel 9 OLW) moet worden beantwoord aan de hand van het autonome, Unierechtelijke begrip zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit begrip heeft alleen betrekking op de feiten zelf en omvat een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang. De gelijkheid van de materiële feiten wordt opgevat als een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats. Het is aan de nationale rechter (in casu: de rechtbank) om te na te gaan of er sprake is van vervolging voor dezelfde feiten. Uit de omschrijving van het feit in het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht van lidmaatschap van een criminele organisatie die is gericht op het plegen van terroristische moorden en aanslagen tegen politieke tegenstanders van het Iraanse Ayatollah regime. Als pleegperiode staat in het EAB als startdatum 2022 genoemd en ook zijn de pleegdata 17 en 18 maart 2024 genoemd. De opgeëiste persoon wordt zowel in Spanje als in Nederland verdacht van een poging tot het medeplegen van moord, maar niet is gebleken dat de verdenking in Italië overlap vertoont met deze feiten. De Italiaanse autoriteiten hebben bij berichten van 12 en 27 augustus 2026 bevestigd dat de opgeëiste persoon in Italië slechts wordt vervolgd voor feiten die op Italiaans grondgebied hebben plaatsgevonden. Zij hebben eveneens bevestigd dat de opgeëiste persoon niet vervolgd wordt voor de poging tot moord in Nederland. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De overige informatie leidt ook niet tot een ander oordeel nu uit de overgelegde Nederlandse tenlastelegging blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd voor een andere poging en voorbereiding tot moord dan in de zaak genoemd in het EAB. Daarnaast wordt de opgeëiste persoon in Nederland niet vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW doet zich niet voor. De rechtbank verwerpt het verweer. 8 Samenloop met Spaanse en Franse EAB’s Naast dit EAB is sprake geweest van een Spaans vervolgings-EAB met parketnummer 13-201497-24 en vier Franse EAB’s. In haar uitspraak van 18 september 2024 heeft de rechtbank de overlevering aan Spanje voor het Spaanse EAB toegestaan. Voorts heeft de rechtbank bij uitspraak van 30 april 2026 geoordeeld dat voorrang dient te worden gegeven aan het Spaanse EAB boven de Franse EAB’s met parketnummers 13-018785-26, 13-202919-24, 13-214496-24 en 13-214559-24, waarvoor de overlevering aan Frankrijk eveneens is toegestaan bij uitspraken van 18 september 2024 en 30 april 2026. De rechtbank stelt vast dat tot op heden geen sprake is geweest van een feitelijke overlevering aan Spanje op grond van het Spaanse EAB waarvoor de overlevering is toegestaan. Zowel de verdediging als de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat voorrang moet worden gegeven aan feitelijke overlevering naar Spanje alvorens een overlevering naar Italië en Frankrijk te kunnen laten effecturen. Gehoord deze standpunten alsmede onder verwijzing naar de omstandigheden zoals omschreven in de uitspraak met ECLI-nummer ECLI:NL:RBAMS:2024:5804, is de rechtbank van oordeel dat voorrang moet worden verleend aan het Spaanse EAB en dat overlevering aan Spanje als eerste moet plaatsvinden, nu in dit geval het onderzoeksbelang in Spanje het grootst is. In het Spaanse EAB is namelijk sprake van een (nog levend) slachtoffer en het feit is van de meest recente datum. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Ordinary Lawcourt of Catanzaro - Chambers of the investigating judge/judge of preliminary hearing, Italië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEPAALT dat VOORRANG dient te worden gegeven aan het Spaanse EAB met het parketnummer 13-201497-24. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. de Rooij, voorzitter, mrs. M. Westerman en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2025:3475. EHRM (Grote Kamer) 20 oktober 2016, 7334/13 (Muršić/Kroatië), § 110 en § 114. Hof van Justitie van de Europese Unie, 15 oktober 2019, C-128/18, ECLI:EU:C:2019:857, punt 85. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 42). HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 47). HvJ EU 29 april 2021, C-665/20 PPU, EU:C:2021:339, punt 71. HvJ EU 23 maart 2023, C-365/21, EU:C:2023:236, punt 38 en HvJ EU 21 september 2023, C-164/22, ECLI:EU:C:2023:684. Rb. Amsterdam 18 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5804. Ter publicatie aangeboden. Rb. Amsterdam 30 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4270.