Rechtbank Amsterdam, 23-09-2026 (C/13/760575 / HA ZA 24-1324)
Judgment
Decision
De rechtbank in het incident ex art. 118 Rv 8.1. wijst de vordering af, 8.2. veroordeelt SBK c.s. in de proceskosten van € 1.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SBK c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 8.3. veroordeelt SBK c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 8.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 8.2 en 8.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, in het incident ex art. 843a Rv 8.5. gebiedt Fortenova c.s. om een afschrift van de hieronder vermelde bescheiden te verstrekken aan SBK c.s. door deze bij akte in het geding te brengen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 14 oktober 2026: - (iv) informatiepakket voor geïnteresseerde kopers met uitzondering van het financieel model, op de wijze zoals overwogen in rov.7.31, - (v) het businessplan van oktober 2023, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.36, - (vi) de drie indicatieve biedingen voor herfinanciering, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.42, - (vii) de e-mail van HPS waarin zij aangeeft mogelijk na november 2024 weer te herfinancieren, - (viii) het advies van de Londense adviseur inzake de reacties van de circa 100 benaderde financiële instellingen, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.50, - (xvii) de reacties van de 100 benaderde financiële instellingen op het verzoek tot herfinanciering van de Fortenova-groep, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.74, - (xviii) het volledige rapport van een onbekende Londense adviseur inzake de totstandkoming van het businessplan, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.78, - (xix) het rapport van KPMG van juli 2023, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.82, 8.6. houdt de beslissing aan voor wat betreft de gevraagde inzage in de in 7.38 genoemde informatie, 8.7. wijst het meer of anders gevorderde af, 8.8. compenseert de kosten in het incident in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt, in de hoofdzaak 8.9. beveelt Fortenova c.s. om op grond van artikel 22 Rv in de onder 8.5 genoemde akte tevens een nadere toelichting te geven met betrekking tot de volgende stukken: - (iv) het financieel model, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.32, - (v) het businessplan van oktober 2023, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.37, - (x) de financial projections van 12 juli 2023, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.54, 8.10. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. Rechtbank Amsterdam 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8366. Het arrest is inmiddels gewezen: HvJ EU 12 maart 2026, C-465/24, ECLI:EU:C:2026:187 (SBK/Art Limited Liability Company tegen Fortenova Group STAK Stichting en Open Pass Limited), zie onder 3.19. Gerecht 30 april 2025, zaak T-102/23, ECLI:EU:T:2025:416, punt 174 e.v. Zaak C-452/25 P. HvJ EU 12 maart 2026, C-465/24, ECLI:EU:C:2026:187 (SBK/Art Limited Liability Company tegen Fortenova Group STAK Stichting en Open Pass Limited). Met haar processtuk is in de eis in reconventie steeds bedoeld de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie tevens incident ex art. 118 Rv tevens incident ex art. 843a/195 tevens akte uitlating HvJ-uitspraak van SBK c.s. Randnummer 787 van de conclusie van SBK c.s. die de eis in reconventie bevat zal bij de bespreking van deze vordering worden weergegeven. Randnummer 804 van de conclusie van SBK c.s. die de eis in reconventie bevat zal bij de bespreking van deze vordering worden weergegeven. HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:485. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736. HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, NJ 1995, 564 m.nt. [persoon 12] . Art. 12a Rv (oud) kwam overeen met art. 118 Rv. HR 12 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2035, NJ 1996/437. Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht), Stb. 2024, 62 en Inwerkingtredingsbesluit Stb. 2024,
72. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251 (Semtex), r.o. 3.4.1.
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
Ondernemingsrecht - in hoofdzaak willen eisers vastgesteld zien dat herstructurering van onderneming waarbij partij die onder de aan Rusland opgelegde sancties viel, uit de eigendomsstructuur werd verwijderd, rechtmatig was - incidentele vorderingen van gedaagde: 1) om derde partijen op te mogen roepen (tussenkomst) en 2) om inzage in stukken.
Full text
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/760575 / HA ZA 24-1324 Vonnis in incidenten van 23 september 2026 in de zaak van 1. de stichting FORTENOVA GROUP STAK STICHTING , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FORTENOVA GROUP TOPCO B.V. , 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FORTENOVA GROUP MIDCO B.V. , 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FORTENOVA GROUP HOLDCO B.V. , 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FORTENOVA GROUP B.V. (voorheen: Iter Bidco B.V.), 6. de stichting FORTENOVA STAK STICHTING (voorheen: Iter Stichting), allen gevestigd in Amsterdam, advocaten mrs. P. Sluijter, J.W. de Groot en B. Wanders, 7. de vennootschap naar buitenlands recht OPEN PASS LIMITED , gevestigd te Sliema (Malta), 8. [eiser 8] , wonende te [plaats 1] (Kroatië), advocaten mrs. J.W. de Groot en R.G.J. de Haan, eisende partijen in de hoofdzaak in conventie, verwerende partijen in de hoofdzaak in reconventie, verwerende partijen in het incident, tegen 1. de vennootschap naar buitenlands recht SBK ART LLC , gevestigd te Moskou (Russische Federatie), 2. [gedaagde 2] , wonende te [plaats 2] (Verenigde Arabische Emiraten), 3. [gedaagde 3] , wonende te [plaats 1] (Kroatië), advocaat: mrs. E.J.H. Zandbergen en G.M. Unval, gedaagde partijen in de hoofdzaak in conventie, eisende partijen in de hoofdzaak in reconventie, eisende partijen in het incident. Partijen worden hierna STAK, TopCo, MidCo, HoldCo, Fortenova Group, Fortenova Stak, Open Pass, [eiser 8] , SBK, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd. Eiseressen 1 tot en met 4 in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk STAK c.s. genoemd, eiseressen 5 en 6 worden gezamenlijk Group c.s. genoemd, eisers 7 en 8 worden Open Pass c.s. genoemd en alle eisers gezamenlijk worden Fortenova c.s. genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk SBK c.s. genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. Fortenova c.s. wil in deze zaak in rechte vastgesteld zien dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens gedaagden bij de herstructurering van haar onderneming, waarin gedaagden een belang hadden. Volgens Fortenova c.s. kwam haar bedrijf in gevaar omdat er een partij (SBK) in de eigendomsstructuur zat die onder de aan Rusland opgelegde sancties viel. Dat gaf problemen met zowel afnemers als financiers. Om dat te verhelpen waren maatregelen nodig om SBK uit de eigendomsstructuur te verwijderen. Daartoe diende de MidCo sale. Die is op rechtmatige wijze voorbereid en uitgevoerd. Fortenova c.s. beoogt met deze procedure een (Nederlandse) declaratoire uitspraak te verkrijgen om daarmee het volgens haar excessieve procedeergedrag van SBK c.s. in te perken en voor eens en voor altijd te laten vaststellen dat Fortenova c.s. niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s. en dat aan bepaalde, in verband met de herstructurering genomen besluiten geen gebreken kleven. 1.2. SBK c.s. betwist de vordering en heeft een eis in reconventie ingesteld die het spiegelbeeld is van de vordering in conventie; zij stelt dat jegens haar juist wel onrechtmatig is gehandeld en vordert schadevergoeding. De belangrijkste verwijten zijn dat STAK en TopCo volgens SBK c.s. een voordelige bieding van Ardoise op MidCo hebben verijdeld door de instemming met die bieding te koppelen aan een wijziging in de governance die Open Pass een machtspositie gaf die voor Ardoise onaanvaardbaar was, zodat zij zich terugtrok. Verder verwijt zij STAK en TopCo dat zij tot de MidCo sale zijn overgegaan terwijl deze niet nodig was en dat zij de waardering van MidCo neerwaarts hebben beïnvloed door het businessplan neerwaarts bij te stellen. De bestuurders van TopCo is volgens SBK c.s. hiervan een persoonlijk ernstig verwijt te maken. SBK c.s. verwijt KPMG dat businessplan zonder nader onderzoek als uitgangspunt voor haar waardering van MidCo te hebben genomen. Hierdoor was de opbrengst van de MidCo sale en dus haar opbrengst veel te laag en heeft zij een schade van ruim 340 miljoen euro geleden, aldus SBK c.s. 1.3. In het eerdere vonnis in incident is beslist dat de rechtbank bevoegd is en is het beroep op litispendentie afgewezen. De hoofdzaak werd aangehouden in afwachting van een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). 1.4. In dit vonnis gaat het om de incidentele vordering van gedaagden om een aantal bestuurders en een accountant in het geding te mogen roepen op grond van artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en om inzageverzoeken in de zin van artikel 843a/ 195 Rv. 2. De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in incident van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8366, - de akte overlegging productie tevens houdende uitlating gevolgen HvJ EU-uitspraak van STAK c.s. en Group c.s., - de akte uitlating gevolgen van arrest Hof van Justitie van Open Pass c.s., - het vonnis van 10 juni 2026 waarin in de hoofdzaak een mondelinge behandeling is bepaald, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie tevens incident ex art. 118 Rv tevens incident ex art. 843a/195 tevens akte uitlating HvJ-uitspraak van SBK c.s., met producties, - de conclusie van antwoord in incident ex art. 118 Rv en art. 843a Rv (oud)/artt. 194 en 195 Rv van Fortenova c.s., met producties, - het mailbericht van de rechtbank aan partijen van 13 augustus 2026, - het mailbericht van de rechtbank aan partijen van 20 augustus 2026, waarin een mondelinge behandeling in de incidenten is bepaald, - het verkorte proces-verbaal van de zitting van 11 september 2026, met de daarin genoemde stukken. 2.2. Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen. 3 De feiten 3.1. In 2017 kwam de Kroatische Agrokor-groep in financiële problemen. Met haar schuldeisers is een settlement plan overeengekomen. Hierbij heeft een herstructurering en doorstart van de groep plaatsgevonden en zijn o.a. de vorderingen van Agrokor omgezet in kapitaal. De Fortenova-groep is ontstaan als gevolg van deze herstructurering. Schuldeisers verkregen, via STAK, certificaten van aandelen ( depositary receipts, afgekort DRs) en converteerbare obligaties ( convertible bonds, afgekort CBs) uitgegeven door TopCo. 3.2. STAK en TopCo staan aan het hoofd van de Fortenova-groep. STAK heeft DRs uitgegeven in TopCo. TopCo houdt op haar beurt alle aandelen in MidCo, en MidCo houdt alle aandelen in HoldCo. HoldCo is de enige aandeelhouder van het Kroatische Fortenova Grupa d.d. en laatstgenoemde is de operationele houdstermaatschappij voor alle zakelijke activiteiten van de Fortenova-groep. 3.3. Onder de schuldeisers van Agrokor waren ook twee Russische banken (afgekort Sberbank en VBTE). Sberbank heeft SBK opgericht voor het houden van haar 41,8% belang in de Fortenova-groep; in april 2022 heeft zij haar DRs en CBs overgedragen aan SBK. VBTE houdt 7,27% van de door Stichting uitgegeven DRs (en CBs). De overige DRs worden gehouden door 582 andere partijen, waaronder Open Pass met een belang van 27,59% en [gedaagde 3] met een belang van circa 0,063%. 3.4. Fortenova Group (voorheen Iter BidCo) is een Nederlandse vennootschap, opgericht op 15 september 2023 met het oog op verwerving van de aandelen van TopCo in MidCo. Fortenova STAK (voorheen Iter Stichting) is eveneens opgericht op 15 september 2023 met het oog op de transactie. 3.5. Open Pass is onderdeel van een groep vennootschappen en is primair actief in Kroatië. Aandeelhouder van Open Pass is [eiser 8] . 3.6. Op 21 juli 2022 is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1270 van de Raad tot uitvoering van Verordening (EU) Nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 Sberbank toegevoegd aan de in bijlage I bij Verordening 269/2014 opgenomen lijst (hierna: sanctielijst). SBK, als 100% dochter van Sberbank, viel indirect ook onder deze sancties. 3.7. In ditzelfde jaar heeft Open Pass een verzoek gedaan tot het wijzigen van de statuten van STAK. STAK is daarna overgegaan tot bijeenroeping van de DR Holders op respectievelijk 18 augustus, 30 augustus en 8 september 2022 om de voorstellen van Open Pass in stemming te brengen. In de oproepingsberichten heeft STAK erop gewezen dat DR Holders die onderworpen waren aan sanctiewetgeving op die grond waren uitgesloten van het uitoefenen van hun vergader- en stemrechten. 3.8. Op 3 november 2022 heeft Sberbank aan Fortenova c.s. laten weten dat zij haar belang in SBK heeft verkocht en overgedragen aan [gedaagde 2] . 3.9. Op 16 december 2022 is SBK aan de sanctielijst toegevoegd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2476 van de Raad. 3.10. Op 12 januari 2023 is het voorstel tot Statutenwijziging aangenomen. 3.11. Op 26 april 2023 heeft Fortenova-groep een brief gestuurd naar alle DR Holders. Hierin staat onder andere: “As you know, sanctioned persons account for 49.9% of Fortenova STAK’s total equity structure. This situation is continuing to cause actual and threatens to cause future difficulties for the Group (…) (…) It is therefore clear that Fortenova STAK’s equity structure is no longer sustainable – neither in the long-run, nor even in the short-run. A solution must be found which safeguards the sustainability and value of the Group’s business operation, respects the interests of all the equity holders (whether sanctioned or not), the Group’s millions of customers, over 45,000 employees and other stakeholders. The proposed way to progress from the current status quo is to potentially conduct a carve-out sale of the MidCo to a non-sanctioned investor or group of investors with the proceeds of such sale to be disbursed to the current Fortnova STAK equity holders. (…) To optimize the proceeds of such a potential sale in the interest of TopCo and its equity holders and under the constrained circumstances the Group finds itself in, a global investment bank ( rb: Lazard) has been engaged with the assignment of conducting a sales process for potentially 100% of the shares in MidCo and will shortly start reaching out to potential third party investors in connection with that process. Any final decision on the sale of MidCo will be subject to a decision of the TopCo board and a vote of the DR Holders of Fortenova STAK.” 3.12. Op 12 juni 2023 heeft Fortenova-groep ook een brief gestuurd naar alle DR Holders. Hierin staat: “(…) Unfortunately no potentially interested party submitted a non-binding offer on or around the aforementioned deadline. Some of these parties have indicated since, that the fact that the current capital structure contains sanctioned holders, is prohibitive for considering any kind of offer. We have considered this outcome and have to conclude that a sale of MidCo to a third party is not feasible at present. As a result, alternative options are considered with the aim of finding a solution which will safeguard the sustainability and the value of the Group’s business operation and respects the interests of all stakeholders (…) as much as possible. In this context we refer to our letter of 26 April 2023 in which we invited you to suggest and provide proposals for alternative solutions. Although we received some response to this outreach, no proposals for alternative solutions haven been made and we have decided that we will now actively reach out to our largest non-sanctioned holders of depositary receipts and convertible bonds to explore solutions. Notwithstanding, we still invite other non-sanctioned holders of depositary receipts and convertible bonds to contact us should they have a proposal for a solution.” 3.13. In de bestuursvergadering van 5 juli 2023 werd de aanvang van het onderzoek naar de DR Holder Solution besproken. Op 7 juli 2023 heeft de Fortenova-groep dertien DR Holders benaderd voor een overleg op 12 juli 2023 om de noodzaak tot en de voorgestelde structuur van de verkoop van MidCo toe te lichten. 3.14. In de periode daarna kreeg de DR Holder Solution meer vorm en na onderhandelingen heeft Open Pass op 16 oktober 2023 een binding offer uitgebracht. Op 28 november 2023 heeft het bestuur van TopCo in een te Amsterdam gehouden bestuursvergadering unaniem goedkeuring gegeven voor de MidCo Sale. 3.15. Het bestuur van STAK heeft na het besluit van 28 november 2023 een oproeping gedaan voor een DR Holders-vergadering van STAK te houden op 8 december 2023 in het [locatie] . Op de agenda van 8 december 2023 stond het nemen van het besluit tot goedkeuring van de verkoop van MidCo. 3.16. Op 19 december 2023 heeft een tweede DR Holders-vergadering plaatsgevonden, eveneens in het [locatie] . Hierbij is de goedkeuring van de MidCo Sale ter stemming voorgelegd aan de DR Holders. De MidCo Sale is daarbij met een meerderheid van 97% van de aanwezigen en in aanmerking komende DRs goedgekeurd. 3.17. Op 28 december 2023 zijn de SPA en de Relationship Agreement ondertekend door TopCo, Group c.s. en Open Pass. 3.18. Het Gerecht van de Europese Unie heeft in SBK’s beroep tegen de sanctionering geoordeeld dat de overname van SBK door [gedaagde 2] heeft plaatsgevonden, maar dat deze in de EU niet wordt erkend. SBK heeft tegen dit oordeel hoger beroep ingesteld. 3.19. Het HvJ EU heeft op 12 maart 2026 de volgende uitspraak gedaan: “Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht: Artikel 1, onder f), van verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2022/1354 van de Raad van 4 augustus 2022, moet aldus worden uitgelegd dat de bevriezing van tegoeden in de zin van deze bepaling een persoon of entiteit, of een met die persoon of die entiteit verbonden persoon of entiteit, waarvan de naam is opgenomen in bijlage I bij verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening 2022/1354, absoluut en onvoorwaardelijk belet de rechten uit te oefenen om deel te nemen aan een vergadering van houders van certificaten van aandelen op grond van de certificaten waarvan die persoon of die entiteit houder is, en om tijdens die vergadering te stemmen.” 4 Het geschil in de hoofdzaak in conventie 4.1. Fortenova c.s. vordert te verklaren voor recht dat: De besluiten van de DR Holders vergadering d.d. 8 december 2023 en 19 december 2023 om goedkeuring te verlenen voor het aangaan van de MidCo Sale en de besluiten van het bestuur van TopCo d.d. 28 november 2023 en 28 december 2023 om goedkeuring te verlenen aan de MidCo Sale en de transactiedocumentatie daartoe aan te gaan, rechtsgeldig zijn, Fortenova c.s. met het aangaan en effectueren van de MidCo Sale door uitvoering te geven aan de voornoemde besluiten niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s., Fortenova c.s. met het aangaan en effectueren van de MidCo Sale door het nakomen van de reeds aangegane overeenkomsten met betrekking tot de transactie niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s. 4.2. Group c.s. vordert te verklaren voor recht dat: Group c.s. met het aangaan en effectueren van de MidCo Sale niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s., Group c.s. met het aangaan en effectueren van de MidCo Sale door het nakomen van de reeds aangegane overeenkomsten met betrekking tot de transactie niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s. 4.3. Open Pass vordert te verklaren voor recht dat: vi. Open Pass (i) door in de certificaathoudersvergaderingen haar stemrecht uit te oefenen voor het besluit om tot de MidCo Sale over te gaan en (ii) met het aangaan en nakomen van de door haar aangegane overeenkomsten en andere verrichte rechtshandelingen inzake de MidCo Sale, niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s., 4.4. [eiser 8] vordert te verklaren voor recht dat: vii. Hij, noch in zijn hoedanigheid van (indirect) aandeelhouder van Open Pass, noch als niet-uitvoerend bestuurder van Fortenova Grupa d.d., noch op enige andere wijze of in enig andere capaciteit, onrechtmatig handelt en heeft gehandeld of op enige andere grondslag aansprakelijk is jegens SBK c.s., in verband met het aangaan en effectueren van de MidCo Sale of enige daarmee samenhangende transactie. 4.5. Alle eisers individueel en gezamenlijk vorderen viii. Gedaagden te veroordelen in de proceskosten plus de wettelijke rente over deze kosten, een en ander zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 4.6. Fortenova c.s. legt hieraan ten grondslag dat SBK c.s. een waaier aan procedures heeft geïnitieerd die Fortenova c.s. in gevaar brengt. Fortenova c.s. heeft er dan ook belang bij om vast te laten stellen dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens SBK c.s. door uitvoering te geven aan de MidCo Sale. 4.7. SBK c.s. bestrijdt de vorderingen in conventie en vordert veroordeling van eisers in de kosten van het geding. in reconventie 4.8. SBK c.s. vordert in reconventie de MidCo Sale te vernietigen, althans voor recht te verklaren dat de MidCo Sale buitengerechtelijk is vernietigd, alsmede voor zover de gevolgen van de MidCo Sale bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt, Fortenova Group, Fortenova Stak en [eiser 8] , althans een of meer van hen, te verplichten tot voldoening aan SBK c.s. van de voordelen die zij ten laste van SBK c.s. hebben genoten; voor recht te verklaren dat de besluitvorming inzake de Governancewijziging, de MidCo Sale alsmede de overige in haar processtuk vermelde onderwerpen niet rechtsgeldig is; voor recht te verklaren dat de governancewijziging alsmede MidCo Sale, alsmede de overige in haar processtuk vermelde gedragingen van eisers of van een of meer van hen, onrechtmatig zijn; voor recht te verklaren dat eisers, althans een of meer van hen, hoofdelijk aansprakelijk althans aansprakelijk zijn voor de door SBK c.s., althans een of meer van hen, geleden schade uit hoofde van de in haar processtuk beschreven gedragingen; eisers, althans een of meer van hen, hoofdelijk te veroordelen althans te veroordelen tot vergoeding van de door SBK c.s., althans een of meer van hen, geleden schade ter grootte van: Primair o EUR 340.735.556 inzake de door SBK gehouden CBs en EUR 162.953 inzake de door [gedaagde 3] gehouden CBs; vermeerderd met o inzake de door SBK en [gedaagde 3] gehouden DRs: 41,82% van de door Fortenova STAK uitgegeven certificaten van aandelen in het kapitaal van Fortenova Group (schadevergoeding in natura), waarbij op de uitkeringen aan SBK en [gedaagde 3] uit hoofde van deze aldus te verkrijgen certificaten in mindering wordt gebracht (a) enig bedrag dat zij daadwerkelijk ontvangen uit hoofde van bovenvermelde schadevergoeding inzake hun CBs alsmede (b) een bedrag van EUR 43.299.462; althans een bedrag gelijk aan 41,82% van (i) de bedragen die op enig moment (zolang de Fortenova-groep nog niet volledig aan een onafhankelijke derde wordt verkocht) worden uitgekeerd op de door Fortenova STAK uitgegeven certificaten van aandelen in het kapitaal van Fortenova Group alsmede van (ii) de bedragen die bij een dergelijke verkoop aan een onafhankelijke derde als koopsom worden betaald inzake de door Fortenova STAK uitgegeven certificaten van aandelen in het kapitaal van Fortenova Group, waarbij op deze van tijd tot tijd aan SBK en [gedaagde 3] te betalen bedragen in mindering wordt gebracht (a) enig bedrag dat zij daadwerkelijk ontvangen uit hoofde van bovenvermelde schadevergoeding inzake hun CBs alsmede (b) een bedrag van EUR 43.299.462; althans een in goede justitie te bepalen bedrag, althans een bedrag op te maken bij staat; Subsidiair o een in goede justitie te bepalen bedrag, althans een bedrag op te maken bij staat, Primair en subsidiair o zulks steeds onder de verplichting om, zolang SBK op de EU-sanctielijst is geplaatst, enig bedrag aan schadevergoeding te betalen aan de huidige escrow-rekening ten gunste van SBK, gehouden bij Erste&Steiermärkische Bank d.d. in Kroatië, dan wel op enige andere bij rechterlijke uitspraak te bepalen escrow-rekening, zulks onder gehoudenheid van eisers, althans een of meer van hen, om steeds bewijs van betaling aan te leveren; met veroordeling van eisers in de kosten in reconventie. 5 Het geschil in de incidenten Het incident ex art. 118 Rv 5.1. SBK c.s. vordert in het incident ex artikel 118 Rv, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: bij (tussen)vonnis SBK c.s. toe te staan om de in randnummer 787 vermelde (rechts)personen op te doen roepen in onderhavige zaak, teneinde tegen (elk van) hen de aldaar vermelde vorderingen te kunnen instellen op de aldaar vermelde gronden, zulks tegen een roldatum gelegen tenminste twee maanden na het tussenvonnis daartoe. Het incident ex art. 843a/195 Rv 5.2. SBK c.s. vordert in het incident ex artikel 843a/195 Rv, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij (tussen)vonnis eisers, althans een of meer van hen, te gebieden om een afschrift van de in randnummer 804 van haar conclusie vermelde documenten en bescheiden te verstrekken aan SBK c.s. binnen twee weken na het daartoe gewezen (tussen)vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 50.000 per dag, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, dat dit gebod niet of niet volledig is nagekomen. 5.3. Fortenova c.s. bestrijdt de beide incidentele vorderingen. 6 De beoordeling van het incident ex art. 118 Rv 6.1. De (rechts)personen die SBK c.s. wil oproepen in deze procedure zijn genoemd in randnummer 787 van de conclusie van SBK c.s. die de eis in reconventie bevat. Dit randnummer luidt, voor zover hier van belang en met weglating van voetnoten, als volgt. “787. SBK c.s. wenst de volgende personen op te roepen en wel op de volgende gronden: (i) de huidige en voormalige statutair bestuurders van TopCo, zijnde TMF Netherlands (tevens in hoedanigheid van statutair bestuurder van STAK, BidCo en BidCo STAK), TMF Management, [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] . Zij zijn op grond van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk voor de onrechtmatige daden van TopCo (en in het geval van TMF Netherlands ook van STAK, BidCo en BidCo STAK). Zij hebben immers als bestuurder namens de betreffende rechtspersoon de in dit processtuk vermelde rechtshandelingen verricht. Voor zover zij die niet zelf in die hoedanigheid hebben verricht, hebben zij geen maatregelen getroffen om die rechtshandelingen van de betreffende rechtspersoon tegen te gaan. Aldus is er om deze redenen sprake van een persoonlijk ernstig verwijt. Aldus dient voor recht te worden verklaard dat zij hoofdelijk aansprakelijk, althans aansprakelijk, zijn voor de door SBK c.s. geleden schade en voorts dienen zij tot schadevergoeding te worden veroordeeld; (ii) KPMG. KPMG is aansprakelijk omdat zij (a) wist dat haar waarderingsrapport zou worden gebruikt door TopCo en Grupa om daarmee te kunnen oordelen over het bindende bod van mede-Certificaathouder Open Pass, (b) terwijl haar waarderingsrapport uitgaat van het door de Fortenova-groep opgestelde neerwaarts aangepaste businessplan, (c) zij de opdracht kreeg dat neerwaarts aangepaste businessplan niet te valideren of verifiëren en (d) zij dit ook niet heeft gedaan. Aldus wist zij of behoorde zij te weten dat de MidCo Sale zou worden goedgekeurd op basis van haar waarderingsrapport, terwijl haar waarderingsrapport was gebaseerd op het niet-gevalideerde door de Fortenova-groep neerwaarts aangepaste businessplan, zodat zij daarmee meewerkte aan een verkoop van MidCo tegen een te lage waardering (…) Deze gedragingen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, zijn een schending van haar zorgplicht jegens de Certificaathouders (en SBK in het bijzonder) en leiden tot aansprakelijkheid van KPMG. Aldus dient voor recht te worden verklaard dat KPMG hoofdelijk aansprakelijk, althans aansprakelijk, is voor de door SBK c.s. geleden schade en dient KPMG tot schadevergoeding te worden veroordeeld.” Standpunt SBK 6.2. SBK c.s. wenst tegen de in het geding te roepen (rechts)personen vorderingen in te stellen die overeenkomen dan wel samenhangen met de rechtsvorderingen die SBK c.s. in reconventie instelt tegen Fortenova c.s. Volgens SBK c.s. is sprake van samenhangende vorderingen in conventie en reconventie en is de proceseconomie gediend met afdoening van die vorderingen in dezelfde procedure. Voor een beroep op artikel 118 Rv, welk beroep ook gedaagde kan doen, geldt niet de eis of de oproeping “noodzakelijk” is, maar of deze “zinvol” is. Zij verwijst onder andere naar HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:485, rov. 3.1.3 en HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, rov. 3.14; HR 12 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2035, NJ 1996/437, rov 3.3. 6.3. Wat de in het geding te roepen bestuurders betreft stelt SBK c.s. dat voor vorderingen op hen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid en/of onrechtmatige groepsdaad oproeping ex artikel 118 Rv zinvol is, nu het grotendeels dezelfde rechtsfeiten betreft en de samenhang zeer groot is. Bovendien vereist een oordeel over bestuurdersaansprakelijkheid alsmede onrechtmatige groepsdaad in casu een oordeel over de onrechtmatige daden van TopCo en/of STAK, omdat zonder onrechtmatige daden van TopCo en/of STAK geen sprake kan zijn van aansprakelijkheid van bestuurders van TopCo en/of STAK en evenmin van onrechtmatige groepsdaad van derden. 6.4. Om volledig zicht te krijgen op het geschil en daarover op verantwoorde wijze een oordeel te vormen is het volgens SBK c.s. ook nodig de waarderingsdeskundige KPMG in het geding te roepen. Bovendien is er ook jegens deze waarderingsdeskundige sprake van samenhang en van dezelfde rechtsfeiten. 6.5. Volgens SBK c.s. is de proceseconomie gediend met afdoening van de vorderingen jegens de in het geding te roepen personen in deze procedure, omdat zij betrokken zijn bij het zeer groot aantal door SBK c.s. gestelde rechtsfeiten en een afzonderlijke procedure tijdrovend en kostbaar is. SBK c.s. wijst ook op het risico van tegenstrijdige beslissingen als in dit geding zou worden geoordeeld over de gestelde onrechtmatige daden van TopCo en/of STAK en in een separate procedures over de vorderingen op de derden (bestuurders en waarderingsdeskundige) die zij in het geding zou willen roepen. 6.6. Verder stelt SBK c.s. dat de vorderingen in reconventie samenhangen met de vorderingen in conventie; zij zijn daarvan het spiegelbeeld. Fortenova c.s. heeft negatieve verklaringen voor recht gevorderd en daarmee de kring van personen jegens wie in reconventie de spiegelbeeldige vordering kan worden ingesteld beperkt. Dat heeft tot gevolg dat diverse betrokkenen buiten schot blijven. Als SBK c.s. de procedure was begonnen had zij deze kunnen dagvaarden. Deze gang van zaken zou afbreuk doen aan haar procesautonomie. Zij zou worden beperkt in haar recht om in dezelfde procedure vorderingen tegen de derden in te stellen, tenzij alsnog de volgens SBK c.s. relevante personen in het geding worden geroepen. Standpunt Fortenova c.s. 6.7. Volgens Fortenova c.s. miskent SBK c.s. dat volgens artikel 136 Rv een eis in reconventie slechts kan worden ingesteld tegen de eiser in conventie. Oproeping van een derde is de uitzondering. Uit de rechtspraak blijkt dat artikel 118 Rv kan worden toegepast in drie categorieën gevallen: (i) verplichte oproeping bij processueel ondeelbare rechtsverhoudingen, (ii) verplicht herstel van processuele gebreken, en (iii) facultatieve oproeping. Alleen dat laatste is hier aan de orde. Facultatieve oproeping houdt in dat derden kunnen worden opgeroepen als dat noodzakelijk of zinvol is. De rechtvaardiging kan zijn gelegen in de belangen van die derden of de proceseconomie. 6.8. SBK c.s. stelt zelf dat bestuurdersaansprakelijkheid en aansprakelijkheid van een waarderingsdeskundige enkel denkbaar is in het geval dat TopCo aansprakelijk zou worden gehouden. Daarmee is volgens Fortenova c.s. direct duidelijk dat het voor de beoordeling van de vorderingen in conventie noch in reconventie zinvol is de door SBK c.s. genoemde derden bij de onderhavige procedure te betrekken. SBK c.s. stelt dat zonder het verweer van KPMG “onvoldoende volledig zicht op het geschil bestaat”, maar dat duidt meer op bewijsgaring dan op een noodzaak de TopCo bestuurders en KPMG als procespartij te moeten aanmerken, en voor bewijsgaring is artikel 118 Rv niet bedoeld. 6.9. SBK c.s. stelt ook als belang het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken. Maar dat risico bestaat volgens Fortenova c.s. niet, omdat de vraag van eventuele aansprakelijkheid van de TopCo bestuurders en KPMG pas aan de orde komt in het geval dat TopCo aansprakelijk is. SKB c.s. heeft niet concreet gesteld welke rechtshandelingen van welke rechtspersoon een persoonlijk ernstig verwijt van de bestuurders oplevert. Bovendien is bestuurdersaansprakelijkheid pas relevant als de vennootschap zelf geen verhaal biedt en er is op dit moment geen enkele reden om dat aan te nemen. 6.10. Volgens Fortenova c.s. heeft KPMG, zoals gebruikelijk is, haar waardering opgesteld op basis van de informatie die haar opdrachtgever haar ter beschikking stelt. Het is daarbij niet de taak van een waarderingsdeskundige alle financiële informatie die binnen de groep van Fortenova beschikbaar is ‘vanaf de bron’ te controleren. Als KPMG onregelmatigheden had geconstateerd, zou zij aan de bel hebben getrokken. Ook had KPMG in de totstandkoming van de transactie een beperkte rol. 6.11. Het oproepen van bestuurders en KPMG zou tot vertraging van de procedure leiden, gezien de oproepingstermijn en het door de derden te voeren verweer. Ook kunnen nieuwe vragen van bevoegdheid en toepasselijk recht rijzen. Het oproepen van bestuurders en KPMG is nuttig noch noodzakelijk en daarom in strijd met de goede procesorde. 6.12. Fortenova c.s. bespreekt enkele uitspraken waarop SBK c.s. zich heeft beroepen en acht deze niet vergelijkbaar met de onderhavige situatie. Oordeel rechtbank 6.13. Artikel 118 Rv luidt als volgt: Oproepingen van derden als partij in het geding geschieden met inachtneming van de voor dagvaarding geldende termijnen. Indien de oproeping niet geschiedt bij hetzelfde exploot waarmee de gedaagde is gedagvaard, wordt het exploot, waarmee de gedaagde is gedagvaard, met de oproeping aan de derde betekend. Artikel 111, tweede lid, aanhef en onderdelen g, h, i, j en k, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 128, tweede, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. 6.14. De Hoge Raad heeft in een arrest van 20 maart 2020 als volgt overwogen: “3.1.3 Opmerking verdient dat een gedaagde jegens wie een vof uitsluitend op eigen naam een vordering heeft ingesteld en die een eis in reconventie wenst in te stellen (mede) tegen een of meer afzonderlijke vennoten van die vof, de rechter kan verzoeken de gelegenheid te geven op de voet van art. 118 Rv die vennoot of vennoten in het geding te betrekken. Voor het geven van die gelegenheid zal aanleiding kunnen bestaan indien sprake is van samenhangende vorderingen in conventie en reconventie en de proceseconomie gediend is met afdoening van die vorderingen in dezelfde procedure.” 6.15. Uit dit oordeel kan niet worden afgeleid dat in dit geval oproeping van bestuurders of KPMG moet plaatvinden. In het door de Hoge Raad berechte geval gold dat op grond van artikel 18 WvK elk der vennoten hoofdelijk verbonden is voor de verbintenissen van de VOF, wat betekent dat die verbintenissen ook op hen persoonlijk rusten. Dat is een verschil met de situatie in deze zaak. SBK c.s. stelt terecht dat zonder onrechtmatige daden van TopCo en/of STAK geen sprake kan zijn van aansprakelijkheid van hun bestuurders. Het omgekeerde is echter niet het geval. Ook als TopCo en/of STAK onrechtmatig zouden hebben gehandeld geldt datzelfde niet automatisch voor hun bestuurders, daarvoor is immers vereist dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook vloeit uit onrechtmatig handelen van TopCo en/of STAK niet voort dat ook de door hen ingeschakelde waarderingsdeskundige KPMG onrechtmatig heeft gehandeld. Of dit het geval is vergt een afzonderlijk onderzoek van de op KPMG rustende verplichtingen en de vraag of zij die naar behoren is nagekomen. 6.16. In een arrest van 28 maart 2014 overwoog de Hoge Raad over artikel 118 Rv: “… die bepaling is bedoeld voor gevallen waarin het voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil noodzakelijk is (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv, p. 18-20) of zinvol is (vgl. HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, NJ 1995/564 en HR 12 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2035, NJ 1996/437) om de derde als partij in het geding te betrekken.” 6.17. In het arrest van 14 oktober 1994 overwoog de Hoge Raad: “De eiser die een noodweg vordert, kan volstaan met het dagvaarden van de eigenaren over wier percelen hij de gevorderde noodweg wenst te doen lopen. Het tegen de vordering gevoerde verweer dat andere percelen meer in aanmerking komen om met een noodweg ten behoeve van eisers perceel te worden belast, kan wel aanleiding geven tot oproeping van derden als partij in het geding overeenkomstig art. 12a Rv. en, naar gelang van de aard van het geval, leiden tot afwijzing van de vordering tegen de oorspronkelijke gedaagden, maar niet tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn vordering.” 6.18. Ook het arrest van 12 april 1996 gaat over de beoordeling van een noodweg. In dat geval overwoog de Hoge Raad: “Het hof heeft in het onderhavige geval evenwel kennelijk geoordeeld dat het in de gegeven omstandigheden zich ook zonder zulk een oproeping op verantwoorde wijze een oordeel kon vormen met betrekking tot de belangen waarmee het op de voet van art. 5:57 BW rekening diende te houden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.” 6.19. Oproeping van de Topco-bestuurders en KPMG is in dit geval niet noodzakelijk voor de beslissing van de rechtsbetrekking in geschil (het eerste geval genoemd onder 6.16); SBK c.s. stelt dat ook niet. Ook van herstel van een procesrechtelijk gebrek is geen sprake. Dus is te beoordelen of de oproeping van derden in het geding zinvol is (het tweede geval genoemd onder 6.16). De door de Hoge Raad beoordeelde situatie van de noodweg (zie 6.17 en 6.18) verschilt van onderhavig geval. In dat geval ging het om het verweer dat andere percelen meer in aanmerking zouden komen om met een noodweg ten behoeve van eisers perceel te worden belast. Dat vereist de vergelijking van twee posities en een keuze tussen die twee. Dat maakt dat het in het geding roepen van die andere partij die mogelijk meer in aanmerking komt om een noodweg te dulden zinvol kan zijn, al is dat niet zonder meer geboden. In dit geval is geen sprake van een dergelijke keuze: het is niet zo dat de aansprakelijkheid van de bestuurders of KPMG afdoet aan de aansprakelijkheid van TopCo en/of STAK of andersom. Ook is het niet zo dat het in het geding roepen van de bestuurders en KPMG nodig is om op verantwoorde wijze een oordeel te vormen over de aansprakelijkheid van TopCo en/of STAK. Dat maakt het oproepen van de bestuurders en KPMG niet zinvol. 6.20. De rechtbank volgt SBK c.s. niet in haar onder 6.6 weergegeven redenering, te weten dat de gang van zaken (zonder dat zij aanvullend personen in het geding kan roepen) afbreuk zou doen aan haar procesautonomie. SBK c.s. heeft er zelf voor gekozen een vordering in reconventie in te stellen in plaats van een eigen dagvaarding uit te brengen. Het instellen van een vordering in reconventie heeft voor- en nadelen in vergelijking met een eigen dagvaarding, onder andere op het gebied van griffierecht en de gelijktijdige behandeling van conventie en reconventie. De procesautonomie van SBK c.s. brengt in dit geval mee dat zij onder afweging van de voor- en nadelen een keuze kon maken tussen een vordering in reconventie (alleen jegens eisers in conventie) en een eigen dagvaarding (tegen wie zij maar wilde). SBK c.s. heeft gekozen voor het instellen van een vordering in reconventie, en heeft daarmee de beperkingen die dat meebrengt aanvaard. 6.21. Bij de beoordeling weegt verder de goede procesorde mee. Volgens SBK c.s. is de proceseconomie gediend met afdoening van de vorderingen jegens de in het geding te roepen personen in deze procedure, omdat zij betrokken zijn bij het zeer grote aantal door SBK c.s. gestelde rechtsfeiten en een afzonderlijke procedure tijdrovend en kostbaar is. Volgens Fortenova c.s. is het oproepen van de derden juist in strijd met de goede procesorde, omdat dit tot vertraging en complicering van de procedure zal leiden. De rechtbank ziet een zeker proceseconomisch voordeel in het gelijk behandelen van de zaak tegen Fortenova c.s. en de vorderingen tegen de derden die SBK c.s. in het geding zou willen roepen, maar dit weegt (veel) minder zwaar dan de door Fortenova c.s. aangevoerde bezwaren, namelijk dat dit de procedure zal compliceren en vertragen, wat dus juist in strijd is met de goede procesorde. Als het SBK c.s. zou worden toegestaan de derden in het geding te roepen zoals zij vordert, zou dat tot gevolg hebben dat deze zaak niet op de zitting van 10 november 2026 behandeld kan worden, omdat enkele van de op te roepen personen in het buitenland verkeren, terwijl zij ook nog de gelegenheid moeten krijgen zich te stellen en een conclusie van antwoord te nemen en er voldoende voorbereidingstijd voor de zitting moet zijn. 6.22. Deze incidentele vordering wordt dus afgewezen met veroordeling van SBK c.s. in de kosten in dit incident. De kosten van Fortenova c.s. worden begroot op: - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten van € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.495,00 6.23. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 7 Beoordeling van de inzagevorderingen 7.1. SBK c.s. baseert haar inzagevorderingen primair op artikel 194 en 195 Rv (nieuw), subsidiair op artikel 843a Rv (oud), meer subsidiair op artikel 23 lid 4 van de administratievoorwaarden van STAK. 7.2. De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is in werking getreden met ingang van 1 januari 2025. Artikel XIIA van deze wet luidt als volgt: “Ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet met een dagvaarding aanhangig zijn dan wel met een verzoekschrift zijn ingediend, blijft het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.” 7.3. SBK c.s. stelt dat haar inzageverzoek zowel voor de conventie als de reconventie relevant is. Omdat de vordering in reconventie als nieuwe zaak moet worden gezien is volgens haar daarop het nieuwe recht van toepassing. 7.4. Fortenova c.s. betwist dat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is. Uit artikel 138 Rv volgt niet dat een reconventionele vordering een “nieuwe zaak” betreft. Dat het nieuwe bewijsrecht wel van toepassing zou zijn als SBK c.s. zelf een dagvaarding had uitgebracht en dat dit in een eventueel hoger beroep van toepassing zal zijn, doet niet af aan de heldere regel van overgangsrecht zoals hiervoor vermeld. 7.5. De rechtbank volgt het betoog van SBK c.s. niet. Uit het geciteerde artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht kan worden afgeleid dat het moment van aanhangig maken van een zaak bij dagvaarding of verzoekschrift bepalend is voor het toepasselijke recht. Weliswaar wordt een zaak in reconventie in bepaalde opzichten als een aparte zaak beschouwd, maar deze is niet bij dagvaarding aanhangig gemaakt, dus geldt dat de dagvaarding in conventie bepalend is voor het toepasselijke bewijsrecht. De hoofdzaak (in conventie) is vóór 1 januari 2025 aanhangig gemaakt. Het inzageverzoek moet dus worden beoordeeld op basis van artikel 843a Rv (oud). Artikel 843a Rv (oud) 7.6. Artikel 843a Rv vormt een uitzondering op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander hoeft af te geven. Artikel 843a Rv voorziet dus niet in een onbeperkt recht op afschrift van bescheiden jegens degene die deze tot zijn beschikking heeft, maar stelt het recht op afschrift afhankelijk van een aantal cumulatieve vereisten, te weten: (i) de eiser moet een rechtmatig belang hebben en (ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij zijn. Bovendien (iv) dient de aangesproken partij over de bescheiden te beschikken of deze onder zijn berusting te hebben. Als aan die voorwaarden is voldaan, bestaat op grond van artikel 843a lid 4 Rv evenwel geen gehoudenheid tot verstrekking als daarvoor gewichtige redenen bestaan of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verstrekking is gewaarborgd. Artikel 23 lid 4 van de administratievoorwaarden van STAK 7.7. SBK c.s. beroept zich subsidiair op artikel 23 lid 4 onder a en b van de administratievoorwaarden van STAK. Op grond van artikel 23 lid 4 sub a van de administratievoorwaarden van STAK was SBK gerechtigd om op te vragen bij STAK of TopCo: “financial statements, management accounts” (dus interne cijfers), en “any information related to it”. Op grond van sub b had SBK ook recht op “any information related to Company’s and its Subsidiaries business, management and operation” . Volgens SBK c.s. is artikel 23 lid 4 in 2024 verwijderd uit de administratievoorwaarden van STAK en werd daarmee beoogd het informatierecht van SBK aanzienlijk te beperken, zo niet volledig op te heffen. Het verwijderen van dit informatierecht was onrechtmatig, omdat het in strijd was met artikel 2:8 BW. Bovendien is dit misbruik van recht, nu deze verwijdering met geen ander doel is verricht dan om het informatierecht van SBK te beperken of uit te sluiten. Ook was het uitsluiten van het vergader- en stemrecht van SBK inzake de besluitvorming tot verwijdering van dit artikel onrechtmatig, omdat besluitvorming over die verwijdering niet op enige wijze leidt tot wijziging van de door SBK gehouden certificaten of van de waarde daarvan. SBK c.s. stelt dat zij daarom nog steeds het recht heeft om op grond van dit artikel de door haar gewenste informatie op te vragen. 7.8. Fortenova c.s. wijst er op dat het Hof Amsterdam op 25 november 2025 in kort geding heeft geoordeeld dat “… artikel 23 lid 4 (oud) van de administratievoorwaarden niet [kan] dienen als grondslag voor toewijzing van SBK’s vordering.” Het Hof kwam tot dat oordeel omdat artikel 23 lid 4 was vervallen voordat SBK aanspraak ging maken op informatie. 7.9. De rechtbank stelt vast dat SBK haar vordering baseert op een bepaling in de administratievoorwaarden die is vervallen. Haar betoog dat de wijziging van de informatievoorwaarden onrechtmatig was omdat zij ten onrechte van stemming daarover was uitgesloten faalt, gezien de uitspraak van het HvJ EU over de omvang van het vergader- en stemrecht van een certificaathouder nadat sancties van toepassing zijn geworden, zie onder 3.19. Dat een bij meerderheid van stemmen aanvaarde wijziging van de administratievoorwaarden in strijd zou zijn met hetgeen in de rechtspersoon door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd of dat dit misbruik van recht zou opleveren is niet in te zien. De maatstaf voor de verdere beoordeling van de inzagevorderingen is dus uitsluitend artikel 843a Rv. Daarbij kan het feit dat SBK c.s. houdster was van ruim 41% van de certificaten en dat zij voorheen recht had op de informatie zoals bedoeld onder 7.7 een rol spelen. 7.10. SBK c.s. heeft verzocht op de inzagevorderingen eerst en vooraf te beslissen. Dat gebeurt in dit vonnis, maar dat leidt op sommige onderdelen van de vordering nog niet tot een eindbeslissing. Algemene verweren tegen de inzagevorderingen 7.11. Fortenova c.s. voert als algemeen verweer dat geen sprake is van een rechtsbetrekking. Zij wijst op de uitspraak van het Hof Amsterdam van 5 juli 2024, waarin is geoordeeld dat “onvoldoende aannemelijk [is] dat de aan de vordering [van SBK c.s.] ten grondslag gelegde onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen.” Ook wijst zij op het arrest in hoger beroep in kort geding van 25 november 2025, waarin het Hof Amsterdam heeft aangenomen dat een aanzienlijk deel van de verlangde bescheiden (die ook nu weer worden verzocht) gelet op de betrokken beursgenoteerde partijen een sterk vertrouwelijk karakter hebben en dat gewichtige redenen zich daarom tegen het verstrekken van afschrift of het geven van inzage verzetten. 7.12. De Hoge Raad heeft in het Semtex-arrest het volgende overwogen: “Ook buiten het terrein van inbreuk op intellectuele eigendomsrechten en het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen heeft als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen.” 7.13. De kern van het geschil in de hoofdzaak is dat SBK c.s. stelt dat STAK en het bestuur van TopCo in het kader van de MidCo sale onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door in strijd met het vennootschappelijk belang van TopCo een lucratieve deal met Ardoise te dwarsbomen teneinde Open Pass in de gelegenheid te stellen MidCo tegen een (te) lage prijs in handen te krijgen. Zij hebben daartoe als bewijsstuk in het geding gebracht de brief van Ardoise, waarin deze bezwaar maakt tegen de voorgenomen wijzigingen in de governance, waarin wordt aangevoerd dat deze niet in het belang zijn van de vennootschap. Volgens SBK c.s. zijn deze wijzigingen ook de oorzaak geweest van het mislukken van de Ardoise-deal. Verder berusten de vorderingen van SBK c.s. op de stellingen dat van een acute financieringsnood geen sprake was, dat de belangstellenden die zijn benaderd voor een overname een te somber beeld is geschetst en dat de waardering van MidCo ten onrechte neerwaarts is bijgesteld, waardoor Open Pass die als enige mogelijke overnemende partij was overgebleven, de vennootschap voor een te lage prijs kon verwerven. Naar het oordeel van de rechtbank passen deze verwijten in de gang van zaken zoals die zich heeft voorgedaan. SBK c.s. kan deze verwijten nu nog niet voldoende onderbouwen, maar uit hetgeen Fortenova c.s. heeft gesteld kan evenmin met zekerheid worden afgeleid dat deze verwijten ongegrond zijn. Met toepassing van het aangehaalde criterium van de Hoge Raad is dat voldoende om aan te kunnen nemen dat een rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv bestaat. Daarbij komt dat een inzageverzoek er ook toe dient - zoals SBK c.s. terecht stelt - om te kunnen bepalen of, en zo ja, in hoeverre onrechtmatig is gehandeld. Of ook van een rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv sprake is ten aanzien van een specifiek onderdeel van de inzagevordering, zal hierna bij die onderdelen nader ter sprake komen. Uit het voorgaande volgt dat Group c.s. niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat het SBK c.s. niet werkelijk te doen is om de gedachte dat te weinig voor haar belang zou zijn betaald en dat zij deze procedure net als alle overige procedures in feite alleen voert als reactie op het feit dat zij gesanctioneerd is. 7.14. Het vertrouwelijke karakter van gevorderde documenten kan gezien de beursnotering van betrokkenen een gewichtige reden zijn om inzage te weigeren. Daarbij zal moeten worden beoordeeld of de gevorderde informatie op dit moment nog steeds vertrouwelijk is en bij beursgenoteerde ondernemingen, of deze nu nog van invloed zou kunnen zijn op de beurskoers. Ter zitting heeft Fortenova c.s. op dit punt aangevoerd dat het enkele feit dat een beursgenoteerde onderneming destijds belangstelling heeft gehad voor Fortenova al bedrijfsvertrouwelijk en koersgevoelig is. Of het vertrouwelijke karakter van de gevorderde informatie en de koersgevoeligheid daarvan op dit moment nog aan inzage in de weg staat zal waar nodig per individueel gevorderd document worden beoordeeld. 7.15. Fortenova c.s. verzoekt de rechtbank om, mochten de inzagevorderingen (deels) worden toegewezen, in ieder geval passende maatregelen te treffen om de inzage zodanig in te kleden dat de vertrouwelijkheid van de opgevraagde stukken wordt gewaarborgd en dat deze in lijn is met de geldende privacywetgeving. Hierop komt de rechtbank waar nodig terug. Beoordeling per gevorderd document 7.16. De documenten waarvan SBK c.s. inzage vordert zijn genoemd in randnummer 804 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie tevens incident ex art. 118 Rv tevens incident ex art. 843a/195 tevens akte uitlating HvJ-uitspraak van SBK c.s., waarbij de vordering ook is toegelicht. Fortenova c.s. voert verweer tegen inzage van elk door SBK c.s. gevorderd document. De vordering zal hierna per verzocht document worden besproken, waarbij de door SBK c.s. gehanteerde nummering wordt aangehouden. SBK c.s. heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat vorderingen ix, xi en xii inmiddels al zijn “opgelost”, deze vorderingen worden dus beschouwd als ingetrokken. (i) rapporten adviseurs 7.17. SBK vordert (i) de rapporten van de meerdere adviseurs die zijn ingeschakeld voor mogelijke scenario’s voor STAK, TopCo, MidCo en HoldCo en de impact daarvan op de shareholder value (dus de waarde van de investeringen van de certificaathouders zoals SBK). 7.18. Het bestaan van deze rapporten volgt volgens SBK c.s. uit de Minutes of the meeting of the Management Board of Fortenova Group Topco van 25 april 2023. Daarin is vermeld: “Grupa has consulted various advisors on multiple possible scenarios and their impact on shareholder value and the Management Board has been updated on the outcome thereof;” Uit deze rapporten blijkt volgens SBK c.s. onder andere wat de waarde van MidCo is en dus wat de schade voor SBK is. Ook kan daaruit blijken of STAK, TopCo, MidCo en HoldCo bij de besluitvorming voldoende alternatieve scenario’s hebben betrokken. 7.19. Volgens Fortenova c.s. kan uit de passage in de notulen waar SBK c.s. naar verwijst niet worden afgeleid dat er ook rapporten van die adviseurs zijn en voor zover Fortenova c.s. bekend bestaan de verzochte rapporten niet. 7.20. De rechtbank acht met de passage uit de notulen niet aangetoond dat de adviseurs rapporten hebben uitgebracht. Omdat niet kan worden aangenomen dat de gevorderde bescheiden bestaan, wordt deze vordering afgewezen. (ii) Deloitte-waarderingsrapport 7.21. SBK c.s. vordert (ii) het Deloitte-waarderingsrapport inzake de Fortenova-groep waartoe opdracht is gegeven door [persoon 6] en waarvan de kosten zijn voldaan door Grupa. Het bestaan van dit rapport baseert SBK c.s. op de Minutes of the meeting of the Management Board of Fortenova Group Topco van 25 april 2023, waarin is vermeld: “In the meantime, the trustee under the Notes sent a reservation of rights letter (Annex 6). The trustee under the notes has started a review process of the Group and has instructed Deloitte UK (at Grupa’s cost) to perform such review (likely with a view to accelerate the Notes and to enforce over the shares in MidCo and/or Grupa, i.e. effectively acquiring the entire business operations of the Group if and when the Notes become due and payable).” Uit dit rapport blijkt wat volgens de adviseurs de waarde van MidCo is en dus wat de opbrengst voor SBK zou moeten zijn. SBK c.s. heeft belang bij deze informatie, omdat het voor haar lastig is haar schade te beoordelen nu de daarvoor benodigde informatie zich in het domein van Fortenova c.s. bevindt. Deze informatie vormt daarom een noodzakelijk bewijsmiddel voor SBK c.s. 7.22. Fortenova c.s. stelt dat voor zover ooit daadwerkelijk een ‘rapport’ is opgesteld - dit is eisers niet bekend - dit dus is opgesteld voor en ten behoeve van de toenmalige trustee under the notes, niet Fortenova c.s. De trustee under the notes is de administratieve partij die indertijd de financiering van € 1,2 miljard aan Fortenova Grupa beheerde. Fortenova c.s. heeft dit stuk niet terug kunnen vinden in haar administratie. 7.23. De rechtbank kan uit de aangehaalde passage uit de notulen van de bestuursvergadering van Topco niet afleiden dat Fortenova c.s. moet beschikken over het gevorderde rapport. Dit werd immers niet aan haar uitgebracht. Daarom wordt deze vordering afgewezen. Dat Grupa, een derde, hierover mogelijk wel beschikt maakt voor de hier te maken beoordeling naar oud recht (artikel 843a Rv) geen verschil. (iii) objectieve criteria 7.24. SBK c.s. vordert (iii) de lijst met objectieve criteria die zijn gebruikt om potentiële kopers te benaderen. 7.25. In de Minutes of the meeting of the Management Board of Fortenova Group Topco van 25 april 2023 staat hierover: “TopCo in this respect has taken notice of Grupa's decision (attached hereto as Annex 8), as further elaborated upon by [persoon 7] during the meeting, to instruct Lazard to initiate a value discovery process by testing a prospective sale of 100% of the shares in the share capital of MidCo, approaching potential investors selected on objective criteria, under the following indicative and anticipated process structure, main steps and timeframe.” Volgens SBK c.s. geven deze objectieve criteria aan in hoeverre de besturen van Fortenova c.s. voldaan hebben aan haar zorgvuldigheidsplichten en derhalve aansprakelijk zijn voor de door SBK geleden schade. 7.26. Fortenova c.s. stelt dat een jurist in dienst van Grupa ter vergadering heeft toegelicht hoe het proces omtrent het identificeren van potentiële kopers van MidCo zal worden aangepakt. Daarbij is gezegd dat “objective criteria” zullen worden gebruikt, maar dat betekent niet dat er een onderliggend document is opgesteld waarin al die criteria staan vermeld, laat staan dat dat document in het bezit zou zijn van Fortenova c.s. SBK c.s. heeft ook geen belang bij deze vordering omdat zij al beschikt over een document waaruit precies volgt hoe Lazard te werk is gegaan bij het vinden van potentiële kopers: productie 136 zijdens SBK c.s.: Overzicht verkoopproces van 11 december 2023, p. 5, onder ‘26 april 2023’. Daar is het volgende vermeld: “Reach out to 15 third-party equity investors with an outreach email describing the opportunity (without disclosing the name of the company) and a proposal to sign an NDA in order to receive further materials. 11 Financial Investors and 4 Strategic Players were approached by Lazard − “Financial investors” list was chosen based on their investment experience: (i) in the CEE region and (ii) in Retail segment. − “Strategic players” included companies with multi-country presence in grocery retail in the CEE region, but not directly in the countries of operations of the Group.” 7.27. De rechtbank kan op basis van de aangehaalde notulen niet vaststellen dat er een document zou moeten zijn met de ter vergadering genoemde objectieve criteria, laat staan dat dat meer gedetailleerde criteria zouden zijn dan de criteria die Lazard in haar rapport heeft vermeld en dat Fortenova c.s. daarover zou moeten beschikken. Omdat niet kan worden aangenomen dat het gevorderde document bestaat, wordt de vordering afgewezen. (iv) informatiepakket voor geïnteresseerde kopers 7.28. SBK c.s. vordert (iv) alles dat op of omstreeks april-juni 2023 aan geïnteresseerde potentiële kopers is toegezonden, zoals de presentatie (inclusief transactiestructuur) van Lazard, een financieel model en een disclosure memo van Akin Gump. 7.29. SBK c.s. stelt dat uit de presentatie en de transactiestructuur blijkt in hoeverre aan potentiële kopers onnodig een te negatief beeld is geschetst, opdat er geen of weinig biedingen zouden worden ontvangen (zoals ook is gebeurd). SBK c.s. heeft belang bij deze informatie, omdat daaruit zal blijken in hoeverre (de bestuurders van) STAK, TopCo, MidCo en HoldCo aansprakelijk zijn voor het torpederen van de mogelijkheid om een hogere verkoopopbrengst te realiseren. SBK c.s. beschikt wel over een conceptpresentatie van Lazard van april 2023, maar weet niet zeker of dit dezelfde is als de presentatie die aan potentiële kopers is verzonden. Indien dit kan worden bevestigd, hoeft deze presentatie uiteraard niet nogmaals te worden overgelegd. Verder is het financieel model uiteraard van belang voor de waardering van MidCo, omdat dit als bewijsmiddel kan fungeren voor de door SBK c.s. geleden schade. Uit het disclosure memo van Akin Gump blijkt in hoeverre aan potentiële kopers onnodig een te negatief beeld is geschetst, opdat er geen of weinig biedingen zouden worden ontvangen (zoals ook is gebeurd). SBK c.s. heeft wederom belang bij deze informatie, omdat daaruit zal blijken in hoeverre (de bestuurders van) STAK, TopCo, MidCo en HoldCo aansprakelijk zijn voor het torpederen van de mogelijkheid om een hogere verkoopopbrengst te realiseren. STAK, TopCo, MidCo en HoldCo hebben op 18 september 2025 hun productie 41 overgelegd die een document bevat dat is omschreven als ‘disclosure memo van Akin Gump van 24 maart 2023’. Indien kan worden bevestigd dat dit de versie is die aan potentiële kopers is verzonden, hoeft de finale versie uiteraard niet nogmaals te worden overgelegd. STAK en TopCo hebben eerder geweigerd deze informatie te verstrekken met een beroep op vertrouwelijke informatie, maar hebben inmiddels wel concepten van de presentatie en het disclosure memo verstrekt, zodat niet valt in te zien waarom dit niet tevens voor de definitieve versies hiervan alsmede voor het financieel model mogelijk is. Vertrouwelijk kan dit financieel model bovendien niet zijn, nu de drie waarderingsrapporten (op basis van het verlaagde businessplan) reeds inzage geven in de (daarin vermelde) financiële ontwikkelingen van de Fortenova-groep. Van belang is om te kunnen constateren of het financieel model aansluit bij het later verlaagde businessplan en mogelijk zelfs ongunstiger is dan dat businessplan. 7.30. Fortenova c.s. stelt dat SBK c.s. geen belang heeft bij de vordering, omdat zij al beschikt over een (groot) deel van de gevorderde documenten: de presentatie en het disclosure memo van Akin Gump zijn in Frankrijk in het kader van een inzageprocedure verstrekt door Lazard (de auteur van de presentatie). SBK c.s. stelt dat het gaat om conceptversies van de genoemde stukken, maar de inhoud van de stukken bevat geen aanwijzing dat het zou gaan om een conceptversie. Het is onduidelijk waarom eisers zouden moeten bevestigen dat een door Lazard met SBK c.s. gedeeld stuk, de definitieve versie is. Het Hof Amsterdam wees bij arrest van 25 november 2025 in kort geding een eerdere vordering tot inzage van ‘de aan potentiële kopers verstrekte presentatie, financieel model en sanctiememo van Akin Gump’ af op grond van een onvoldoende belang, alsook op grond van het sterk vertrouwelijke karakter van de stukken. Dit oordeel is volgens Fortenova c.s. terecht en zou ook hier gevolgd moeten worden. Voor de stukken die nog niet bij SBK c.s. bekend zijn - het financieel model en ‘alles dat op of omstreeks april-juni 2023 met potentiële kopers is gedeeld’ - geldt dat, voor zover dat is na te gaan aan de hand van deze (veel te) generieke omschrijving, het gaat om zeer vertrouwelijke gegevens, die de ontvangers enkel hebben ontvangen onder geheimhouding en na ondertekening van een non-disclosure agreement (NDA). Hierbij geldt overigens dat de gevoeligheid ook ziet op de potentiële kopers aan wie de informatie verstrekt is. Sommige van deze partijen zijn beursgenoteerd, iets wat ook het Hof Amsterdam expliciet heeft meegewogen. Deze gegadigden zijn uitgegaan van, en mogen vertrouwen op, vertrouwelijkheid en dreigen nu ook te worden meegesleept in de visexpedities van SBK c.s. Ook deze gewichtige reden verzet zich daarom tegen inzage. De omschrijving ‘alles dat op of omstreeks april-juni 2023 met potentiële kopers is gedeeld’ is uiteraard ontoereikend. Bovendien geldt dat in het geheel niet is onderbouwd wat het belang van deze documenten zou zijn voor SBK; onder (v) van de CvA wordt enkel ingegaan op de presentatie, het financieel model en het disclosure memo van Akin Gump. Het belang dat SBK c.s. zou hebben, is dan ook geheel onduidelijk en in ieder geval is dit (onderdeel van de vordering) onvoldoende bepaald, aldus steeds Fortenova c.s. 7.31. De rechtbank stelt vast dat Fortenova c.s. hier niet het verweer voert dat zij niet over de gevorderde bescheiden beschikt. De rechtbank acht het belang bij het verkrijgen van deze stukken voldoende onderbouwd. Of SBK c.s. al dan niet terecht meent dat zij een concept-versie van de presentatie (inclusief transactiestructuur) van Lazard en het disclosure memo van Akin Gump heeft kan in het midden blijven; er mag vanuit worden gegaan dat Fortenova c.s. over de definitieve versie beschikt en van haar kan worden gevergd dat zij die ter inzage geeft. Het verweer dat de vordering te onbepaald is wordt afgewezen. Ook al kan SBK c.s. slechts een deel van de documenten bij naam noemen, wat zij vraagt is voldoende bepaald, het gaat om het gehele informatiepakket dat aan belangstellenden is toegezonden. Het is mogelijk dat dit alleen uit de expliciet genoemde documenten bestaat, het informatiepakket kan ook meer omvat hebben. Dat de gegevens zijn verstrekt onder een NDA heeft tot gevolg dat het de ontvangers niet toegestaan was de gegevens aan anderen te openbaren, maar dit staat aan een inzagevordering niet in de weg. Ook het feit dat de ontvangers beursgenoteerd zijn is geen omstandigheid die zich verzet tegen toewijzing van het inzageverzoek. Het gaat om het informatiepakket dat aan alle geïnteresseerde kopers is verzonden, waarvan een deel beursgenoteerd is. Omdat niet wordt verzocht om de lijst van geadresseerden, is niet in te zien welke (al dan niet beursgenoteerde) ontvanger benadeeld zou kunnen worden door het ter inzage geven van deze informatie. Voor zover het informatiepakket wel namen van geadresseerden zou bevatten, mogen deze worden zwart gemaakt. 7.32. Het Hof heeft een eerder verzoek afgewezen op grond van het sterk vertrouwelijke karakter van de stukken. Gezien de stukken waarover SBK c.s. reeds beschikt kan dit slechts gelden voor het financieel model. De rechtbank kan de bedrijfsgevoeligheid op dit moment nog onvoldoende beoordelen en zal het inzageverzoek daarom zekerheidshalve afwijzen voor zover dit het financieel model betreft. In plaats daarvan wordt Fortenova c.s. op grond van artikel 22 Rv bevolen om nader toe te lichten waarom het financieel model op dit moment nog steeds zo vertrouwelijk is dat dit ook nu nog - al dan niet gecombineerd met een bevel als bedoeld in artikel 28 Rv (oud) - aan inzage in de weg staat. In deze toelichting kan niet worden volstaan met algemeenheden, maar dient de bedrijfsgevoeligheid concreet te worden onderbouwd. Daarbij dient te worden betrokken welke informatie inmiddels openbaar is gemaakt in jaarverslagen en andere openbare informatie. Na de inhoudelijke behandeling zal de rechtbank beslissen of op grond van artikel 22 Rv een bevel zal worden gegeven het financieel model alsnog geheel of gedeeltelijk in het geding te brengen, al dan niet gecombineerd met een bevel als bedoeld in artikel 28 lid 1 onder b Rv (oud). (v) het businessplan van oktober 2023 7.33. SBK c.s. vordert (v) het businessplan van oktober 2023 dat aan de waarderingsdeskundigen is verstrekt, alsmede de initiële top-down targets, de daarop gebaseerde bottom-up budgetten van de werkmaatschappijen en de iteratieve tussenversies van het businessplan die daarop steeds volgen. 7.34. SBK c.s. stelt dat uit de gevorderde documenten volgt hoe en op grond waarvan het businessplan neerwaarts is aangepast en aldus heeft geleid tot lage waarderingen in de waarderingsrapporten. SBK c.s. heeft belang bij deze informatie, omdat zij deze als bewijsmiddel nodig heeft voor haar stelling dat de bestuurders van STAK, TopCo, MidCo, HoldCo en/of Grupa zonder zakelijke reden het businessplan neerwaarts hebben bijgesteld teneinde een goedkopere verkoop aan Open Pass te rechtvaardigen, hetgeen heeft geleid tot schade aan de zijde van SBK c.s. Indien wordt bevestigd dat het businessplan louter bestaat uit SBK c.s. producties 200 en 203, hoeft het businessplan uiteraard niet nogmaals te worden overgelegd (maar nog steeds wel de initiële top-down targets, de daarop gebaseerde bottom-up budgetten van de werkmaatschappijen en de iteratieve tussenversies). 7.35. Fortenova c.s. wijst erop dat het Hof Amsterdam een eerdere inzagevordering met betrekking tot het businessplan en de onderliggende stukken afwees op grond van onvoldoende aannemelijkheid van de gestelde onrechtmatige daad. Deze afwijzingsgrond geldt ook voor de huidige vordering van SBK c.s. Daar komt bij dat het businessplan en de onderliggende stukken bedrijfsvertrouwelijk en zeer gevoelig zijn. Zij geven immers inzicht in de bedrijfsstrategie: waar de kracht van het concern ligt, waar de zwaktes liggen, op welke onderdelen groei of juist krimp verwacht wordt, waarop wordt ingezet in de toekomst et cetera. Het kan redelijkerwijs niet van Fortenova c.s. worden gevraagd te accepteren dat deze informatie op straat komt te liggen. Temeer nu SBK c.s. reeds heeft aangetoond de vertrouwelijkheid van informatie niet te respecteren. Bovendien heeft SBK in beginsel geen belang bij inzage in tussenversies van documenten. 7.36. De rechtbank acht het belang bij het verkrijgen van het businessplan van oktober 2023 voldoende onderbouwd. Het plan vormde immers het uitgangspunt voor de waardering van MidCo die ten grondslag lag aan de MidCo sale. De verwijten van SBK c.s. zien juist op die waardering. De rechtbank kan de bedrijfsgevoeligheid van dit stuk op dit moment nog onvoldoende beoordelen en zal het inzageverzoek daarom zekerheidshalve slechts beperkt toewijzen: het businessplan dient in het geding te worden gebracht voor zover het informatie bevat die niet meer bedrijfsgevoelig is. 7.37. Verder wordt Fortenova c.s. op grond van artikel 22 Rv bevolen om nader toe te lichten of het businessplan van oktober 2023 meer behelst dan producties 200 en 203 van Fortenova c.s., en zo ja, welke onderdelen van het businessplan van oktober 2023 op dit moment nog steeds zo vertrouwelijk zijn dat deze ook nu nog - al dan niet gecombineerd met een bevel als bedoeld in artikel 28 Rv (oud) - aan inzage in de weg staan. In deze toelichting kan niet worden volstaan met algemeenheden, maar dient de bedrijfsgevoeligheid concreet te worden onderbouwd. Daarbij dient te worden betrokken welke informatie inmiddels openbaar is gemaakt in jaarverslagen en andere openbare informatie. Na de inhoudelijke behandeling zal de rechtbank beslissen of op grond van artikel 22 Rv een bevel zal worden gegeven het businessplan van oktober 2023 alsnog geheel of gedeeltelijk in het geding te brengen, al dan niet gecombineerd met een bevel als bedoeld in artikel 28 lid 1 onder b Rv (oud). 7.38. De rechtbank houdt haar beslissing aan voor zover het verzoek ziet op de initiële top-down targets, de daarop gebaseerde bottom-up budgetten van de werkmaatschappijen en de iteratieve tussenversies. Of rechtmatig belang bestaat bij toewijzing van dit deel van het verzoek zal nader worden beoordeeld nadat de bescheiden ten aanzien waarvan inzage wordt bevolen in het geding zijn gebracht en partijen zich hierover ter zitting hebben kunnen uitlaten. (vi) de drie indicatieve biedingen voor herfinanciering 7.39. SBK c.s. vordert (vi) de drie indicatieve biedingen voor herfinanciering. 7.40. SBK c.s. stelt dat uit deze biedingen blijkt of voor deze biedingen vereist was dat SBK uit de eigendomsstructuur diende te verdwijnen. Zij stelt dat zij belang heeft bij deze informatie, omdat zij deze als bewijsmiddel nodig heeft ter onderbouwing van haar stelling dat geen sprake was van een noodzaak tot verkoop. (De bestuurders van) STAK, TopCo, MidCo en HoldCo hebben aldus onbehoorlijk bestuurd door onnodig (en onder onnodige druk) de MidCo Sale door te drukken en een te lage prijs te realiseren, nu die (vermeende) druk heeft geresulteerd in een te lage verkoopprijs. 7.41. Fortenova c.s. beroept zich op het vertrouwelijke karakter van de indicatieve biedingen waar SBK c.s. op doelt. Er is vertrouwelijkheid overeengekomen met de bewuste financiële instellingen en dat vormt een gewichtige reden die zich tegen inzage verzet. De biedingen waren daarnaast indicatief en zijn niet uitgemond in definitieve biedingen. Ook is het debat over de herfinancieringsmogelijkheden al uitvoerig gevoerd in eerdere procedures. Daarbij is eerder al een e-mail van [persoon 8] overgelegd en is een e-mail van Unicredit voorgelezen ter zitting en is, onder meer tijdens een mondelinge behandeling ten overstaan van het Hof Amsterdam, uitgebreid uiteengezet waar Fortenova tegenaan liep tijdens de herfinanciering. Het Hof Amsterdam vond deze uitleg toereikend en heeft alle inzagevorderingen van SBK c.s. afgewezen, zoals ook eerdere inzagevorderingen met betrekking tot de herfinanciering waren afgewezen door het Hof Amsterdam. Niet valt in te zien waarom het oordeel nu anders zou moeten zijn. 7.42. De rechtbank acht voor de vraag of de verkoop van MidCo noodzakelijk was de opstelling van de mogelijke financiers van belang. Daarom heeft SBK c.s. een rechtmatig belang bij de gevorderde bescheiden. Anderzijds waren de indicatieve biedingen bedrijfsvertrouwelijk en is niet uit te sluiten dat zij dat (ondanks het tijdsverloop sindsdien) nu nog zijn. Daarvan uitgaand en gezien het doel dat SBK c.s. met de gevorderde stukken beoogt, zal rechtbank de vordering beperkt toewijzen door te bepalen dat in de aanbieding alle bedragen en percentages zwart gemaakt mogen worden. (vii) de e-mail van HPS inzake mogelijke herfinanciering 7.43. SBK c.s. vordert (vii) de e-mail van HPS waarin zij aangeeft mogelijk na november 2024 weer te herfinancieren. 7.44. SBK c.s. stelt dat uit deze e-mail blijkt welke voorwaarden HPS stelde aan deze herfinanciering en of het voor HPS vereist was dat SBK uit de eigendomsstructuur diende te verdwijnen. SBK c.s. heeft hierbij hetzelfde belang als bij punt (vi) hiervoor vermeld. 7.45. Fortenova c.s. voert hier hetzelfde verweer als onder (vi), namelijk dat gaat om een vertrouwelijk document, zodat gewichtige redenen zich tegen inzage verzetten. Wel merkt zij op dat de email van HPS uit twee zinnen bestond, waarin HPS zakelijk weergegeven aangaf dat zij overwoog de financiering te verlengen maar dat zij niets toe kan zeggen, ook niet qua voorwaarden. Dit is ook uitgebreid besproken ter zitting van 19 juni 2024. SBK c.s. is dus bekend met de inhoud van de e-mail, zodat belang bij de vordering ontbreekt. 7.46. De rechtbank zal deze inzagevordering toewijzen. Fortenova c.s. heeft eerder de strekking van de e-mail geopenbaard, zodat zij zich nu niet meer op gewichtige redenen kan beroepen. Dat de e-mail al is besproken op de zitting op 19 juni 2024 en dat de strekking daarvan toen is weergegeven doet niet af aan het belang van SBK c.s., immers de relevantie van de e-mail voor de onderbouwing van het standpunt van SBK c.s. is niet betwist en een inzagevordering dient om een relevant bewijsstuk te verkrijgen waarvan een partij het bestaan weet, maar waarover die partij niet beschikt. (viii) het advies van de Londense adviseur inzake de reacties 7.47. SBK c.s. vordert (viii) het advies van de Londense adviseur inzake de reacties van de circa 100 benaderde financiële instellingen. 7.48. SBK c.s. verwijst naar het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 19 juni 2024. De hierop betrekking hebbende passage luidt als volgt: “ [persoon 4] (in het Engels, zakelijk weergegeven): We hebben een externe adviseur in Londen ingehuurd en ongeveer 100 verschillende financiële instellingen benaderd. De adviseur vertelde ons dat de feedback was dat we geen gesanctioneerde partijen in onze structuur mogen hebben. We hebben deze feedback op veel operationele gebieden van ons bedrijf gekregen. De afgelopen 2 ½ jaar overleefden we van maand tot maand en hadden we te maken met verschillende problemen als gevolg van onze structuur. We hebben de afgelopen 2 ½ jaar verschillende pogingen gedaan om dit probleem op te lossen. (…) Nu hebben we geen opties meer.” SBK c.s. stelt dat uit het advies waarvan zij inzage vordert blijkt welke en dus ook wat voor soort financiële instellingen zijn benaderd en of het voor hen vereist was dat SBK uit de eigendomsstructuur diende te verdwijnen. SBK c.s. stelt dat zij hierbij hetzelfde belang heeft als bij punten (vi) en (vii) hiervoor vermeld. 7.49. Fortenova c.s. beroept zich erop dat de adviezen van de Londense adviseur vrijwel uitsluitend vertrouwelijke informatie bevatten, afkomstig van partijen waarmee geheimhouding is overeengekomen. lnzagevorderingen die zagen op soortgelijke documenten zijn tot op heden dan ook steeds afgewezen. Verder onderbouwt SBK c.s. niet wat zij beoogt te bewijzen met deze informatie, anders dan de volgens Fortenova c.s. geheel ongefundeerde stelling dat er partijen waren die bereid zouden zijn geweest Fortenova te herfinancieren. Die stelling is onvoldoende onderbouwd. SBK c.s. mist belang bij haar vordering, althans er zijn gewichtige redenen die zich tegen inzage verzetten. 7.50. Zoals overwogen acht de rechtbank voor de vraag of de verkoop van MidCo noodzakelijk was de opstelling van de mogelijke financiers van belang. In het verlengde daarvan heeft SBK c.s. een rechtmatig belang bij de hier gevorderde bescheiden. Anderzijds waren de adviezen bedrijfsvertrouwelijk en is niet uit te sluiten dat zij dat (ondanks het tijdsverloop sindsdien) nu nog zijn. Daarvan uitgaand en gezien het doel dat SBK c.s. met de gevorderde stukken beoogt, zal rechtbank de vordering beperkt toewijzen door te bepalen dat in de stukken alle namen en bedrijfsgegevens van de benaderde financiers zwart gemaakt mogen worden, evenals alle bedrijfsvertrouwelijke informatie, met uitzondering van de passages waarin redenen worden opgegeven om al dan niet te willen financieren. (x) de financial projections van 12 juli 2023 7.51. SBK c.s. vordert (x) de financial projections van 12 juli 2023 die zijn gedeeld met Certificaathouders en/of Open Pass. 7.52. SBK c.s. stelt dat uit deze stukken volgt welke financiële cijfers van de Fortenova-groep vlak na het mislukken van de Lazard Sale zijn gedeeld met Certificaathouders en/of Open Pass. SBK c.s. heeft belang bij deze informatie, omdat zij deze als bewijsmiddel nodig heeft ter onderbouwing van haar stelling dat (de bestuurders van) STAK, TopCo, MidCo en HoldCo de MidCo Sale onvoldoende zorgvuldig hebben uitgevoerd en dat zij onvoldoende hebben onderhandeld in het voordeel van STAK, TopCo, MidCo en HoldCo en de Certificaathouders. SBK c.s. vermoedt dat deze financial projections van 12 juli 2023 aanzienlijk gunstiger zijn dan het enkele maanden later plotseling sterk verlaagde businessplan. Deze financial projections dateren immers van (uiterlijk) 12 juli 2023, terwijl Open Pass kort daarna (op 21 juli 2023) haar niet-bindende bod uitbracht en de latere plotselinge verlaging van het businessplan dus lijkt te zijn ingestoken om dat lage bod te rechtvaardigen. 7.53. Fortenova c.s. stelt dat de financial projections onder strikte geheimhouding en na ondertekening van een NDA zijn gedeeld met de genoemde partijen. De inhoud hiervan is zeer (bedrijfs)gevoelig. In die zin geldt voor deze vordering hetzelfde verweer als hierboven uiteengezet onder (v). Dit vormt een gewichtige reden die zich tegen inzage verzet. Bovendien onderbouwt SBK c.s. volgens Fortenova c.s. op onvoldoende wijze dat deze informatie voldoende relevantie heeft voor haar bewijspositie. 7.54. De rechtbank kan de bedrijfsgevoeligheid op dit moment nog onvoldoende beoordelen en zal het inzageverzoek daarom zekerheidshalve afwijzen voor zover het deze stukken betreft. In plaats daarvan wordt Fortenova c.s. op grond van artikel 22 Rv bevolen om nader toe te lichten waarom de financial projections van 12 juli 2023 op dit moment nog steeds zo vertrouwelijk zijn dat dit ook nu nog - al dan niet gecombineerd met een bevel als bedoeld in artikel 28 Rv (oud) - aan inzage in de weg staat. In deze toelichting kan niet worden volstaan met algemeenheden, maar dient de bedrijfsgevoeligheid concreet te worden onderbouwd. Daarbij dient te worden betrokken welke informatie inmiddels openbaar is gemaakt in jaarverslagen en andere openbare informatie. Na de inhoudelijke behandeling zal de rechtbank beslissen of op grond van artikel 22 Rv een bevel zal worden gegeven deze stukken alsnog geheel of gedeeltelijk in het geding te brengen, al dan niet gecombineerd met een bevel als bedoeld in artikel 28 lid 1 onder b Rv (oud). (xiii) de notulen van de bestuursvergadering van TopCo van 27 november 2023 7.55. SBK c.s. vordert (xiii) de notulen van de vergadering/bijeenkomst van het bestuur van TopCo van 27 november 2023. 7.56. Volgens SBK c.s. blijkt uit deze notulen in nader detail de gang van zaken bij de verkoop van MidCo. 7.57. Fortenova c.s. beroept zich op het vertrouwelijk karakter van deze notulen. De vergadering stond onder begeleiding van advocaten van TopCo ( [persoon 9] en [persoon 10] ). Vrijwel het volledige document en wat daarin naar voren komt, behelst juridische advisering, of is zodanig verweven met juridische advisering dat het ook geprivilegieerd is. Los van het feit dat het (overgrote deel) van het document daarmee valt onder het verschoningsrecht van de raadslieden van eisers, is de inhoud ook dermate bedrijfsgevoelig - zoals mag worden verwacht bij een bestuursvergadering - dat ook op deze grond geen inzage kan worden gegeven. Bovendien is het daadwerkelijke besluit tot het aangaan van de Transaction Support Agreement genomen op 28 november 2023 en over dat besluit beschikt SBK c.s. Er bestaan daarmee gewichtige redenen die zich tegen inzage verzetten. 7.58. De rechtbank is van oordeel dat Fortenova c.s. het belang bij de hier gevraagde informatie onvoldoende heeft toegelicht. De rechtbank wijst dit deel van het verzoek daarom af. (xiv) de brief aan het Ministerie van Financiën 7.59. SBK c.s. vordert (xiv) de brief aan het Ministerie van Financiën waarin Fortenova c.s. verklaart inzake de verkoop van MidCo aan BidCo te vertrouwen op de opinie van de Europese Commissie uit 2021. 7.60. SBK c.s. stelt dat op grond van de sanctiebepalingen de verkoop van MidCo een ontheffing van het Ministerie vereist, maar dat die nimmer is verkregen. Daarom is van belang welke exacte feiten en gronden Fortenova c.s. aan het Ministerie heeft meegedeeld om de verkoop zonder ontheffing uit te voeren en daarmee SBK’s indirecte belang in MidCo te mogen vervreemden, zulks temeer nu bij een onjuiste of onvolledige weergave aan het ministerie de verkoop van MidCo niet had mogen plaatsvinden. 7.61. Fortenova c.s. wijst erop dat eerder een identieke vordering is afgewezen door het Hof Amsterdam omdat onvoldoende aannemelijk was dat de aan de vordering ten grondslag gelegde onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen. Dit oordeel geldt voor alle bescheiden waarop SBK c.s. aanspraak maakt, dus ook deze. Het belang dat SBK c.s. stelt te hebben bij inzage is ook niet te volgen: de sanctiebepalingen waar SBK c.s. aan refereert strekken niet ter bescherming van gesanctioneerde partijen, maar beogen juist het tegenovergestelde. Dus ontbreekt relativiteit. 7.62. De rechtbank is met Fortenova c.s. van oordeel dat relativiteit ontbreekt, omdat de sanctieregels niet strekken ter bescherming van een gesanctioneerde partij. Dat betekent dat de gevorderde bescheiden niet kunnen leiden tot een succesvolle vordering uit onrechtmatige daad. Daarom heeft SBK c.s. geen belang bij deze vordering en zal deze worden afgewezen. (xv) de escrow-overeenkomst 7.63. SBK c.s. vordert (xv) de escrow-overeenkomst met Erste&Steiermärkische Bank te Kroatië alwaar het aan SBK toekomend escrow-bedrag van € 159 miljoen volgens mededeling vanuit eisers is gestort alsmede een recent bankafschrift inzake die escrow. 7.64. Het belang dat SBK c.s. hierbij stelt te hebben is te kunnen vaststellen of STAK, TopCo, MidCo en HoldCo de belangen van SBK inzake de escrow voldoende behartigen en met name om te kunnen beoordelen of eventuele kosten die op de escrow verhaald worden redelijk zijn. 7.65. Fortenova c.s. stelt dat zij de escrow-overeenkomst al aan SBK c.s. heeft verstrekt, dus ontbreekt het aan belang bij deze vordering. SBK c.s. heeft ook geen belang bij inzage in een recent bankafschrift: de escrow-rekening is niet rentedragend dus het bij SBK c.s. bekende bedrag is ‘statisch’. 7.66. De rechtbank stelt vast dat SBK c.s. niet stelt dat Fortenova c.s. jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld of dat zij op enige andere grond een vordering heeft met betrekking tot de escrow-overeenkomst. Daarom ontbreekt voor dit gevorderde stuk een rechtsbetrekking en wordt de vordering afgewezen. (xvi) de berekening en het bewijs van storting 7.67. SBK c.s. vordert (xvi) de berekening van de op 5 augustus 2025 door TopCo meegedeelde contingent value rights (CVR), de berekening van het aan SBK toekomende deel hiervan en bewijs dat dit aan SBK toekomende deel op de SBK-escrow rekening is gestort. 7.68. SBK c.s. stelt dat zij belang heeft bij deze informatie om haar rechtspositie vast te kunnen stellen. Contractueel komt dit bedrag SBK c.s. toe en zij heeft er belang bij om na te gaan of daaraan op correcte wijze uitvoering wordt gegeven. 7.69. Fortenova c.s. stelt dat op het moment van indienen van haar conclusie de CVR nog niet is uitbetaald. Bovendien is onduidelijk wat SBK c.s. bedoelt met 'de berekening van de CVR'. Op het moment dat de betalingen worden gedaan, zullen alle rechthebbenden geïnformeerd worden over de omvang. Er is geen reden om SBK c.s. eerder of meer te informeren dan de andere CB Holders. Fortenova c.s. betwist de relevantie van deze informatie voor de gestelde onrechtmatige gedragingen; een belang ontbreekt. 7.70. De rechtbank wijst de vordering af, omdat niet is in te zien welke relevantie de gevorderde bescheiden (indien al beschikbaar) hebben voor de gestelde onrechtmatige gedragingen, zodat SBK c.s. daarbij geen rechtmatig belang heeft. (xvii) de reacties van de 100 benaderde financiële instellingen 7.71. SBK c.s. vordert (xvii) de reacties van de 100 benaderde financiële instellingen op het verzoek tot herfinanciering van de Fortenova-groep. 7.72. SBK c.s. voert aan dat het zo goed als onmogelijk is dat dat alle 100 benaderde financiële instellingen enkel mondeling op dat verzoek hebben gereageerd. In ieder geval heeft Unicredit op of omstreeks 17 juni 2024 een e-mail inzake herfinanciering aan de Fortenova-groep gestuurd, aangezien de raadsman van eisers deze e-mail tijdens de mondelinge behandeling van 19 juni 2024 gedeeltelijk heeft voorgelezen. SBK c.s. heeft belang bij deze informatie, omdat daaruit blijkt of de 100 benaderde banken inderdaad niet wilden herfinancieren vanwege de sanctionering van SBK, of dat zij niet wilden herfinancieren om geheel andere redenen (zoals de overleverage) of dat zij wel wilden herfinancieren maar dat STAK, TopCo, MidCo en HoldCo die voorwaarden te duur of anderszins niet wenselijk vonden. 7.73. Volgens Fortenova c.s. moet deze vordering worden afgewezen op dezelfde gronden als de vorderingen (vi), (vii) en (viii). SBK c.s. mist op dezelfde gronden rechtmatig belang bij inzage, althans er zijn gewichtige redenen die zich tegen inzage verzetten. Daar komt bij dat Fortenova c.s. niet beschikt over alle reacties van benaderde financiële instellingen. De door Fortenova c.s. ingeschakelde adviseur onderhield het directe contact met de benaderde instellingen, dit is waarschijnlijk (deels) telefonisch verlopen. Fortenova c.s. kan dus ook feitelijk niet voldoen aan de vordering. 7.74. De rechtbank stelt vast dat Fortenova c.s. in ieder geval beschikt over de reacties van een aantal benaderde financiële instellingen. Het gestelde belang ziet op de opgegeven reden om niet te willen herfinancieren: was dat vanwege de sanctionering van SBK, of om andere redenen? SBK c.s. heeft bij kennisneming van deze berichten daarom een beperkt belang en de inzagevordering zal dan ook beperkt worden toegewezen en wel als volgt. Fortenova c.s. wordt bevolen deze berichten ter inzage te geven, maar daarin mogen alle namen en bedrijfsgegevens van de benaderde financiers zwart gemaakt worden, evenals alle bedrijfsvertrouwelijke informatie, met uitzondering van de passages waarin redenen worden opgegeven om al dan niet te willen financieren. (xviii) het volledige rapport inzake de totstandkoming van het businessplan 7.75. SBK c.s. vordert (xviii) het volledige rapport van een onbekende Londense adviseur inzake de totstandkoming van het businessplan. 7.76. SBK c.s. vordert dit omdat de deurwaarder Modero slechts 4 pagina’s van dit volledige rapport van 41 pagina’s heeft weergegeven, waarbij voorts niet valt in te zien waarom niet dat volledige rapport reeds is overgelegd. SBK c.s. heeft belang bij deze informatie, nu hieruit in nader detail blijkt hoe het neerwaarts aangepaste business plan tot stand is gekomen, terwijl dat businessplan bepalend was voor de uitkomst van de waarderingsrapporten; 7.77. Fortenova c.s. stelt dat het rapport waarop gedoeld wordt is opgesteld in het kader van haar verdediging tegen de ongefundeerde aantijgingen van SBK c.s. dat het bewuste businessplan op onrechtmatige wijze tot stand zou zijn gekomen of door haar zou zijn beïnvloed. Dit rapport bevat deels dezelfde gevoeligheid als het businessplan zelf, zoals hierboven onder (v) uiteengezet, en is daarmee (bedrijfs)gevoelig. Dit vormt op zichzelf een gewichtige reden die zich tegen inzage verzet. Eisers hebben met het oog op het voorgaande gekozen voor een wijze van overlegging waarbij de conclusies van het rapport - via een akte van constatering van een deurwaarder - met SBK c.s. en de rechtbank werden gedeeld, zonder dat de bedrijfsgevoelige informatie in het rapport ook openbaar zou worden. Met het niet volledig delen van het rapport werd ook het risico geaccepteerd dat het Hof Amsterdam aan het overgelegde rapport beperkte waarde zou hechten. Het is aan Fortenova c.s. deze afweging te maken en haar verdediging vorm te geven. Het kan niet zo zijn dat de situatie wordt omgedraaid en dat SBK c.s. recht zou hebben op volledige inzage in een document dat nota bene is opgesteld om stellingen van SBK c.s. te weerleggen in een juridische procedure. Daar komt bij dat het tijdstip van het opstellen van het rapport - ruim na de besluitvorming - maakt dat het rapport geen rol heeft gespeeld bij de besluitvorming. In die zin ontbreekt de relevantie voor SBK c.s., dus heeft zij geen belang bij haar vordering. Het rapport is bovendien reeds uitvoerig onderwerp van debat geweest bij het hoger beroep van het kort geding van december 2023. SBK c.s. maakte in deze procedure bezwaar tegen het niet overleggen van het volledige rapport. Het Hof Amsterdam wees dit bezwaar expliciet van de hand: “Ook al is het businessplan zelf niet overgelegd en zijn er de nodige vraagtekens te plaatsen bij het overleggen van enkel een akte van constatering ter zake van een rapport van een ‘niet bij naam genoemd extern financieel adviesbureau te Londen’, uit de waarderingsrapporten blijkt voldoende duidelijk wat de uitgangspunten van het businessplan waren. SBK c.s. is dan ook in staat geweest gemotiveerd kritiek te leveren op die uitgangspunten. Het bezwaar dat het businessplan niet ter beschikking is gesteld, wordt daarom verworpen,” SBK c.s. heeft volgens Fortenova c.s. geen enkele steekhoudende reden aangevoerd waarom dit oordeel onjuist is. Fortenova c.s. heeft ter zitting als reden waarom zij voor de constructie met het proces-verbaal van constatering heeft gekozen opgegeven dat als het rapport zelf zou worden verstrekt, zij verwacht dat SBK c.s. bij de opsteller van dat rapport inzageverzoeken zal doen. Ook heeft zij gewezen op de verklaringen die [persoon 4] en [persoon 11] over de totstandkoming van het businessplan hebben afgelegd. Hierdoor is SBK c.s. al voldoende van de gang van zaken op de hoogte, aldus Fortenova c.s. 7.78. Het rapport geeft blijkens de daaruit wel verstrekte citaten een overzicht van de gang van zaken die hebben geleid tot de vaststelling van het businessplan dat ten grondslag heeft gelegen aan de waardebepaling waarop de prijs voor de MidCo sale is gebaseerd. Daarom heeft SBK c.s. een rechtmatig belang bij kennisname van de inhoud van het rapport en niet slechts bij kennisname van de samenvatting daarvan. Dat hierover ook verklaringen van betrokkenen zijn afgelegd, maakt dat niet anders. Dat het rapport is opgemaakt nadat de besluitvorming had plaatsgevonden evenmin. SBK c.s. heeft er geen rechtmatig belang bij te weten van wie het rapport afkomstig is en gezien haar procedurele opstelling is begrijpelijk en gerechtvaardigd dat Fortenova c.s. de opsteller van het rapport niet bekend wil maken. Dit leidt ertoe dat Fortenova c.s. zal worden bevolen het rapport volledig ter inzage te geven, met dien verstande dat zij alle informatie waaruit kan worden afgeleid wie de opsteller van het rapport is zwart mag maken. (xix) het waarderingsrapport van KPMG van juli 2023 7.79. SBK c.s. vordert (xix) het waarderingsrapport van KPMG van juli 2023. Dit betreft de waardering van MidCo door KPMG op grond van het originele businessplan, zulks vlak voordat dit businessplan neerwaarts werd aangepast. 7.80. SBK c.s. stelt dat zij belang heeft bij deze informatie, nu dit waarderingsrapport uit juli 2023 een waardering van MidCo aangeeft zonder de (volgens SBK c.s. onterechte) neerwaartse aanpassingen. 7.81. Fortenova c.s. stelt dat SBK c.s. al beschikt over het definitieve waarderingsrapport van KPMG. Dit is het rapport dat geformaliseerd is en waar KPMG een handtekening onder heeft gezet. Eerdere conceptversies zijn niet dragend geweest voor hetgeen waarover SBK c.s. klaagt en kunnen qua inhoud onvolledig of onjuist zijn. De beslissing om MidCo te verkopen is genomen op grond van de definitieve versie van het rapport. SBK c.s. heeft daarom geen rechtmatig belang bij inzage (iets wat zij ook onvoldoende onderbouwd heeft). Ter zitting heeft Fortenova c.s. opgemerkt dat uit het feit dat het rapport van 30 september 2023 een update is van het rapport van juli 2023 kan worden afgeleid dat het rapport van juli 2023 een conceptversie betrof. 7.82. De rechtbank acht het belang door SBK c.s. voldoende onderbouwd. Dat het rapport van juli 2023 een conceptversie betreft is voorshands niet aannemelijk. De aanduiding van het rapport als ‘an update’ wijst eerder op het tegendeel. Dat het rapport van juli 2023 een concept was kan alleen worden aangenomen als dit in dat rapport ondubbelzinnig is vermeld. Dit leidt ertoe dat Fortenova c.s. zal worden bevolen het rapport van juli 2023 ter inzage te geven, met dien verstande dat indien dit rapport ondubbelzinnig vermeldt dat het een concept is, de inzage beperkt is tot de passages van het rapport waaruit kan worden afgeleid dat het een concept betreft. Dwangsom 7.83. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om aan de veroordeling van Fortenova c.s. een dwangsom te verbinden. Wijze van ter inzage geven 7.84. De rechtbank acht het voor de voorbereiding van de mondelinge behandeling nodig dat niet alleen SBK c.s. maar ook de rechtbank tijdig van de ter inzage te geven stukken kennis kan nemen. Daarom zal worden bepaald dat Fortenova c.s. inzage dient te geven door de stukken waarvan inzage wordt toegestaan bij akte op de door de rechtbank bepaalde roldatum in het geding te brengen. Bij de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad bestaat gezien deze beslissing geen belang, zodat deze wordt afgewezen. Kosten 7.85. Omdat de inzageverzoeken deels worden toegewezen en deels afgewezen zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd. In de hoofdzaak 7.86. In deze zaak is een mondelinge behandeling gepland op 10 november 2026. SBK c.s. heeft verzocht de gelegenheid te krijgen bij nadere conclusie dan wel akte, haar verweer en reconventionele eis aan te vullen voor zover de uit de inzagevordering verkregen gegevens haar daartoe aanleiding geven. 7.87. De rechtbank ziet geen aanleiding dit toe te staan; het staat SBK c.s. vrij haar eis te wijzigen met inachtneming van hetgeen daarover bepaald in het vonnis waarin de mondelinge behandeling is bepaald. Hetgeen zij na kennisneming van de ter inzage ontvangen bescheiden heeft op te merken kan zij verwerken in haar betoog ter zitting. 7.88. In de hoofdzaak zullen op artikel 22 Rv gebaseerde bevelen worden gegeven zoals hiervoor bij de bespreking van de inzagevorderingen is vermeld. 7.89. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 8 Beslissing De rechtbank in het incident ex art. 118 Rv 8.1. wijst de vordering af, 8.2. veroordeelt SBK c.s. in de proceskosten van € 1.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SBK c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 8.3. veroordeelt SBK c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 8.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 8.2 en 8.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, in het incident ex art. 843a Rv 8.5. gebiedt Fortenova c.s. om een afschrift van de hieronder vermelde bescheiden te verstrekken aan SBK c.s. door deze bij akte in het geding te brengen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 14 oktober 2026: - (iv) informatiepakket voor geïnteresseerde kopers met uitzondering van het financieel model, op de wijze zoals overwogen in rov.7.31, - (v) het businessplan van oktober 2023, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.36, - (vi) de drie indicatieve biedingen voor herfinanciering, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.42, - (vii) de e-mail van HPS waarin zij aangeeft mogelijk na november 2024 weer te herfinancieren, - (viii) het advies van de Londense adviseur inzake de reacties van de circa 100 benaderde financiële instellingen, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.50, - (xvii) de reacties van de 100 benaderde financiële instellingen op het verzoek tot herfinanciering van de Fortenova-groep, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.74, - (xviii) het volledige rapport van een onbekende Londense adviseur inzake de totstandkoming van het businessplan, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.78, - (xix) het rapport van KPMG van juli 2023, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.82, 8.6. houdt de beslissing aan voor wat betreft de gevraagde inzage in de in 7.38 genoemde informatie, 8.7. wijst het meer of anders gevorderde af, 8.8. compenseert de kosten in het incident in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt, in de hoofdzaak 8.9. beveelt Fortenova c.s. om op grond van artikel 22 Rv in de onder 8.5 genoemde akte tevens een nadere toelichting te geven met betrekking tot de volgende stukken: - (iv) het financieel model, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.32, - (v) het businessplan van oktober 2023, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.37, - (x) de financial projections van 12 juli 2023, op de wijze zoals overwogen in rov. 7.54, 8.10. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. Rechtbank Amsterdam 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8366. Het arrest is inmiddels gewezen: HvJ EU 12 maart 2026, C-465/24, ECLI:EU:C:2026:187 (SBK/Art Limited Liability Company tegen Fortenova Group STAK Stichting en Open Pass Limited), zie onder 3.19. Gerecht 30 april 2025, zaak T-102/23, ECLI:EU:T:2025:416, punt 174 e.v. Zaak C-452/25 P. HvJ EU 12 maart 2026, C-465/24, ECLI:EU:C:2026:187 (SBK/Art Limited Liability Company tegen Fortenova Group STAK Stichting en Open Pass Limited). Met haar processtuk is in de eis in reconventie steeds bedoeld de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie tevens incident ex art. 118 Rv tevens incident ex art. 843a/195 tevens akte uitlating HvJ-uitspraak van SBK c.s. Randnummer 787 van de conclusie van SBK c.s. die de eis in reconventie bevat zal bij de bespreking van deze vordering worden weergegeven. Randnummer 804 van de conclusie van SBK c.s. die de eis in reconventie bevat zal bij de bespreking van deze vordering worden weergegeven. HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:485. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736. HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, NJ 1995, 564 m.nt. [persoon 12] . Art. 12a Rv (oud) kwam overeen met art. 118 Rv. HR 12 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2035, NJ 1996/437. Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht), Stb. 2024, 62 en Inwerkingtredingsbesluit Stb. 2024, 72. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251 (Semtex), r.o. 3.4.1.