# Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-09-2026 (25/1601 en 25/1602)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Identifier: ECLI:NL:GHARL:2026:5745
- Date: 2026-09-01
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2026%3A5745
- Canonical: https://overview.legal/posts/425173
- Topics: Personal Data, Processing, Retention Period, Public Authority, Liability, Storage Limitation

## Summary

IB/PVV. Uitgaven voor specifieke zorgkosten.

## Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 25/1601 en 25/1602 uitspraakdatum: 1 september 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 juni 2025, nummers ARN 24/1123 en 24/6875, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding Zaaknummer BK-ARN 25/1601 1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.523. Bij beschikking is € 351 aan belastingrente berekend. 1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2020 en de beschikking belastingrente ongegrond verklaard. Zaaknummer BK-ARN 25/1602 1.3. Aan belanghebbende is over het jaar 2021 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.295. Bij beschikking is € 112 aan belastingrente berekend. 1.4. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2021 gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.071. De belastingrentebeschikking is verminderd tot € 103. 1.5. Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende en haar gemachtigden mr. C.D. Rameckers en mr. J.R.R. Oevering, alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende lijdt aan [ziekte1] en [ziekte2] . Belastingjaar 2020 2.2. Belanghebbende heeft op 27 juli 2021 aangifte IB/PVV 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.414. In de aangifte heeft zij een aftrek wegens specifieke zorgkosten aangegeven van € 14.597. Dat bedrag is als volgt opgebouwd: Medicijnen € 150 Uitgaven vervoer € 8.960 Extra uitgaven kleding en beddengoed € 300 Genees- en heelkundige hulp € 2.000 € 11.410 Verhoging over € 9.410 € 3.764 Totaal € 15.174 Af: drempel € 577 Aftrekbaar € 14.597 2.3. De Inspecteur heeft bij brief van 17 november 2022 belanghebbende verzocht om een toelichting te geven op de door haar in haar aangifte in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten. 2.4. Belanghebbende heeft daarop verschillende stukken aan de Inspecteur overgelegd, waaronder een herberekening van door haar te claimen totale kostenaftrek (€ 15.701,07; voor verhoging/drempel). Het verschil met de eerder door haar geclaimde kostenaftrek wordt vooral veroorzaakt door hogere uitgaven voor genees- en heelkundige hulp (€ 6.163,87). Dat bedrag correspondeert met de zorgkosten die door de zorgverzekeraar niet zijn vergoed en door die laatste op belanghebbende zijn verhaald. 2.5. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 4 juli 2023 bericht dat hij zal afwijken van de door haar ingediende aangifte. Volgens de Inspecteur is niet aannemelijk dat de in aftrek geclaimde kosten van medicijnen en genees- en heelkundige hulp voor aftrek in aanmerking komende zorgkosten zijn. Ten aanzien van de opgevoerde vervoerskosten acht de Inspecteur niet aannemelijk dat belanghebbende bij meerdere ziekenhuisafspraken op een dag tussen deze afspraken telkens op en neer zou zijn gereden tussen de plaatsen van de ziekenhuizen (Amsterdam, Rotterdam en Haarlem) en haar woonadres in [woonplaats] . De Inspecteur heeft de voor aftrek in aanmerking komende vervoerskosten bepaald op € 0,35 x 11.519 kilometer, uitgaande van één vervoersbeweging per dag waarop belanghebbende een afspraak had, dus op € 4.032. De Inspecteur heeft de aftrekbare specifieke zorgkosten van belanghebbende als volgt vastgesteld: Medicijnen € 0 Uitgaven vervoer € 4.032 Extra uitgaven kleding en beddengoed € 300 Genees- en heelkundige hulp € 0 € 4.332 Verhoging over € 9.410 € 1.733 Totaal € 6.065 Af: drempel € 577 Aftrekbaar € 5.488 De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende voor 2020 vastgesteld op € 29.523. 2.6. Met dagtekening 21 juli 2023 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 aan belanghebbende opgelegd conform zijn brief van 4 juli 2023. Deze aanslag is in bezwaar en beroep gehandhaafd. Belastingjaar 2021 2.7. Belanghebbende heeft op 30 maart 2022 aangifte IB/PVV 2021 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.322. In de aangifte heeft zij een aftrek aan specifieke zorgkosten aangegeven van € 7.378. Dat bedrag is als volgt opgebouwd: Medicijnen € 100 Hulpmiddelen € 60 Uitgaven vervoer € 5.500 Genees- en heelkundige hulp € 10 € 5.670 Verhoging over € 5.660 € 2.264 Totaal € 7.934 Af: drempel € 556 Aftrekbaar € 7.378 2.8. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 11 september 2023 verzocht om een toelichting te geven op de door haar in haar aangifte in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten. 2.9. Belanghebbende heeft daarop verschillende stukken aan de Inspecteur overgelegd ter onderbouwing van de door haar geclaimde aftrekbare specifieke zorgkosten. Op basis van deze stukken stelt belanghebbende dat zij € 8.719,80 aan specifieke zorgkosten in aftrek had mogen brengen (voor verhoging/drempel). 2.10. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 23 januari 2024 bericht dat hij zal gaan afwijken van de door haar ingediende aangifte. De Inspecteur heeft vermeld dat hij de door belanghebbende in aftrek gebrachte kosten van medicijnen en hulpmiddelen niet in aftrek zal aanvaarden. Voorts heeft hij de in de aangifte opgevoerde vervoerskosten gecorrigeerd. De Inspecteur heeft de aftrek voor specifieke zorgkosten als volgt bepaald: Medicijnen € 0 Hulpmiddelen € 0 Uitgaven vervoer (€ 8.933 x € 0,396) € 3.538 Genees- en heelkundige hulp € 7 € 3.545 Verhoging € 1.416 Totaal € 4.961 Af: drempel € 556 Aftrekbaar € 4.405 De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2021 vastgesteld op € 29.295. 2.11. De aanslag IB/PVV 2021 is met dagtekening 13 februari 2024 overeenkomstig de brief van 23 januari 2024 aan belanghebbende opgelegd. 2.12. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur vragen aan belanghebbende gesteld. Door belanghebbende zijn vervolgens aanvullende stukken verstrekt, waaronder – ter onderbouwing van de opgevoerde kostenaftrek voor hulpmiddelen - een factuur van Medipoint ten bedrage van € 60,94 voor elleboogkrukken. 2.13. In de toelichting op zijn uitspraak op bezwaar van 2 juli 2024 heeft de Inspecteur aangegeven dat hij akkoord gaat met de opgevoerde parkeerkosten (€ 110) en met de in aftrek gebrachte vervoerskosten naar de apotheek, die hij heeft geschat op € 50 nu op dit punt geen berekening of stukken zijn overgelegd. De hogere geclaimde vervoerskosten heeft de Inspecteur niet in aftrek aanvaard. Dat geldt ook voor de kosten van de elleboogkrukken omdat deze van aftrek zijn uitgesloten op grond van artikel 6.18, eerste lid, sub h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en artikel 39a, sub c, van de Uitvoeringsregeling IB 2001. In de uitspraak op bezwaar is dit als volgt geformaliseerd: Medicijnen € 0 Hulpmiddelen € 0 Uitgaven vervoer € 3.698 Genees- en heelkundige hulp € 7 € 3.705 Verhoging over € 3.698 € 1.480 Totaal € 5.185 Af: drempel € 556 Aftrekbaar € 4.629 De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning nader vastgesteld op € 29.071. De beschikking belastingrente is daarbij verminderd tot € 103. 3 Geschil 3.1. Voor zowel 2020 als 2021 is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek aan specifieke zorgkosten dan de Inspecteur heeft toegestaan. 3.2. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. Zij stelt dat de door haar ingediende aangiften moeten worden gevolgd, waarbij de volgende specifieke zorgkosten alsnog in aftrek moeten worden toegestaan: IB/PVV 2020 o Medicijnkosten o De aftrek voor vervoerskosten moet worden verhoogd tot € 4.800 in plaats van de nu toegestane € 4.032 o Kosten voor heel- en geneeskundige hulp. IB/PVV 2021 o Medicijnkosten Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat de door haar geclaimde medicijnkosten van producten van de Kruidvat (€ 43) niet meer in geschil zijn, in die zin dat aftrek daarvan niet is toegestaan. o De aftrek voor vervoerskosten moet worden verhoogd tot € 5.500 in plaats van de nu toegestane € 3.698. 3.3. De Inspecteur beantwoordt de in 3.1 gestelde vraag ontkennend. 3.4. Belanghebbende stelt voorts dat het opvragen van de (tijdstippen van de) specifieke afspraken met de ziekenhuizen niet van haar kan worden gevergd en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, nu op voorhand duidelijk is dat die informatie voor de belastingheffing van geringe betekenis is. Voorts meent zij dat het in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat haar aangiften IB/PVV voor de jaren 2017, 2019, 2022, 2023 en 2024 telkens zijn gecorrigeerd. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd bestreden. 3.5. Tot slot verzoekt belanghebbende om vergoeding van immateriële schade indien de redelijke termijn wordt overschreden. 4 Beoordeling van het geschil Persoonsgebonden aftrek 4.1. Op grond van artikel 6.1, lid 1 en 2, van de Wet IB 2001 bestaat de persoonsgebonden aftrek – voor zover hier van belang – uit het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten, daaronder begrepen de uitgaven voor specifieke zorgkosten, voor zover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het maken van die kosten. Tot de persoonsgebonden aftrekposten behoren onder meer de uitgaven voor specifieke zorgkosten (artikel 6.1, lid 2, sub d, van de Wet IB 2001). Dit zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan door een belastingplichtige voor onder andere medicijnen, genees- en heelkundige hulp, vervoer, extra kleding en beddengoed (zie artikel 6.17, lid 1, Wet IB 2001). Bepaalde zorgkosten zijn in artikel 6.18 Wet IB 2001 uitgezonderd van aftrek. Bewijslast 4.2. De bewijslast dat sprake is van een direct verband tussen bepaalde uitgaven voor specifieke zorgkosten en de door een belastingplichtige ontvangen zorg rust op de belastingplichtige, aangezien hij een ‘aftrekpost’ claimt. Daarbij geldt de zogenoemde vrije bewijsleer. 4.3. Belanghebbende heeft gesteld dat zij niet meer stukken aan kan leveren ter onderbouwing van de door haar geclaimde aftrek voor specifieke zorgkosten dan zij heeft gedaan. Zij is feitelijk in bewijsnood, hetgeen zij (mede) wijt aan het tijdsverloop tussen de in geschil zijnde jaren en de onderhavige procedure terwijl de fiscale wetgeving voor particulieren geen bewaartermijn kent voor stukken. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, doet dat echter niet eraan af dat de bewijslast voor de aftrek van de specifieke zorgkosten op belanghebbende blijft rusten (vgl. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8992, r.o. 3.5). Aftrek van kosten voor heelkundige en geneeskundige hulp 4.4. Artikel 6.17, lid 1, sub a, van de Wet IB 2001 bepaalt dat als uitgaven voor specifieke zorgkosten kwalificeren de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen. 4.5. Belanghebbende heeft gesteld dat zij voor het jaar 2020 recht heeft op aftrek van kosten die zien op genees- en heelkundige hulp. Uit het op dat jaar betrekking hebbende zorgoverzicht volgt dat de zorgverzekeraar een bedrag van € 6.163,87 niet heeft vergoed maar op belanghebbende heeft verhaald. Belanghebbende heeft dit bedrag via automatische incasso’s betaald. Belanghebbende heeft gesteld dat deze kosten van zorgverleners – die in zijn algemeenheid zijn gespecificeerd als ‘apothekers’ of ‘tandartsen’ – zorgkosten zijn die verband houden met haar ziektes. Dat is echter niet verder onderbouwd met stukken zoals facturen, nota’s of anderszins. De Inspecteur heeft, bij gebrek aan wetenschap, betwist dat dit specifieke zorgkosten zijn die voor aftrek in aanmerking komen. 4.6. Het Hof oordeelt als volgt. Uit de enkele vermelding van de zorgkosten op het door belanghebbende verstrekte zorgoverzicht is niet op te maken wat de aard van de in rekening gebrachte kosten is. Het is daarmee, zonder nadere onderbouwing die echter ontbreekt, niet te achterhalen waarom de zorgverzekeraar deze kosten niet heeft vergoed maar op belanghebbende heeft verhaald. Dat maakt ook dat bij gebrek aan nadere onderbouwing niet kan worden beoordeeld of deze zorgkosten op grond van de Wet IB 2001 voor aftrek in aanmerking komen, of dat zij van aftrek zijn uitgezonderd. Daarom kan niet anders worden geconcludeerd dan dat belanghebbende, op wie – zoals gezegd – de bewijslast rust, er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hier sprake is van specifieke zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen. Het gelijk op dit punt is aan de zijde van de Inspecteur. Medicijnkosten 4.7. Artikel 6.17, lid 1, sub d, van de Wet IB 2001 regelt dat als uitgaven voor specifieke zorgkosten kwalificeren de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts. Tot deze farmaceutische hulpmiddelen behoren medicijnen die op recept zijn voorgeschreven en alternatieve geneesmiddelen voor zover zij door een arts zijn voorgeschreven. 4.8. Belanghebbende heeft voor het belastingjaar 2020 een bedrag van € 150 en voor het belastingjaar 2021 een bedrag van € 100 aan medicijnkosten in aftrek geclaimd. Van deze kosten heeft zij (gedeeltelijk) bankafschriften overgelegd waarop is vermeld dat de apotheker bedragen automatisch incasseert. Belanghebbende heeft ten aanzien van deze automatische afschrijvingen van de apotheek echter geen stukken verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat het gaat om medicijnen die op voorschrift van een arts zijn verstrekt. Gelet daarop, is belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de door haar geclaimde aftrek voor medicijnkosten ziet op specifieke zorgkosten die op grond van de Wet IB 2001 voor aftrek in aanmerking komen. Vervoerskosten 4.9. Op grond van artikel 6.17, lid 1, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001 behoren tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten die uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor vervoer voor het verkrijgen van genees- en heelkundige hulp, farmaceutische hulpmiddelen en andere hulpmiddelen als bedoeld in sub a, d en e van dat lid. Het gaat om kosten die rechtstreeks ten gevolge van de ziekte of invaliditeit zijn gemaakt. Indien een rechtstreeks verband met de ziekte of invaliditeit aanwezig is, moet worden bepaald of en zo ja, in hoeverre de in een kalenderjaar door de zieke of gehandicapte gemaakte kosten van vervoer overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als de belastingplichtige (vgl. HR 15 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3847). 4.10. Belanghebbende heeft gesteld dat zij meer kilometers heeft gereden van en naar de ziekenhuizen dan waarmee de Inspecteur bij het bepalen van de aftrek voor vervoerskosten rekening heeft gehouden. Dat heeft volgens belanghebbende te maken met het feit dat de Inspecteur bij meerdere afspraken op dezelfde dag in hetzelfde ziekenhuis (twee, drie of vier afspraken) ervan is uitgegaan dat sprake is geweest van één reisbeweging. Belanghebbende stelt echter dat zij in een dergelijk geval tussen de afspraken naar huis is gereden in [woonplaats] en vervolgens weer terug is gereden voor de volgende afspraak, ook bij bezoeken aan ziekenhuizen in Amsterdam, Haarlem en Rotterdam. Deze ziekenhuizen liggen alle op een tot anderhalf uur rijden (enkele reis) van haar woonplaats. De Inspecteur betwist dat, nu ziekenhuizen volgens hem in de regel afspraken achterelkaar proberen te plannen. Verder maakt de afstand tussen de woonplaats en de plaatsen van de ziekenhuizen dat een dergelijk heen-en-weerreizen in zijn visie niet aannemelijk is. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aangegeven dat in 2021 de ritten naar de ziekenhuizen ook per taxi hebben plaatsgevonden die in de aangifte ook als aftrekbare vervoerskosten zijn geclaimd. Daarmee zou 5.500 kilometer gemoeid zijn. 4.11. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende – tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat zij meer aftrekbare vervoerskosten heeft gemaakt dan het bedrag van de kosten dat door Inspecteur in aftrek is toegestaan. Hoewel het niet is uitgesloten dat belanghebbende, zoals zij ter zitting heeft gesteld, na een afspraak in een van de ziekenhuizen in Rotterdam, Amsterdam en Haarlem naar aanleiding van de testuitslagen door het desbetreffende ziekenhuis is verzocht om op dezelfde dag terug te keren voor een nadere behandeling en zij daarom vanuit haar woonplaats opnieuw naar het desbetreffende ziekenhuis is gereden, is het eveneens goed denkbaar dat afspraken – zoals vervolgafspraken – wel vooraf aansluitend op één dag zijn gepland, zoals de Inspecteur betoogt. Om hierover duidelijk te krijgen had het op de weg van belanghebbende gelegen om met nader objectief en verifieerbaar bewijs te komen. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat zij de afspraaktijden met de ziekenhuizen niet kan aanleveren omdat de desbetreffende ziekenhuizen die gegevens niet meer kunnen verstrekken. Die omstandigheid – wat daarvan overigens zij – is echter een omstandigheid die in het kader van een aanspraak op aftrek van specifieke zorgkosten voor rekening van belanghebbende komt. Dat dit niet zou stroken met de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, vermag het Hof niet in te zien. Een en ander betekent dat belanghebbende ook op het punt van de vervoerskosten niet erin is geslaagd te voldoen aan de op haar rustende bewijslast. Evenredigheidsbeginsel 4.12. Belanghebbende is voorts van mening dat de Inspecteur het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden omdat de aangiften van belanghebbende vanaf 2017 telkens zijn uitgeworpen voor controle. De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat hij het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Belanghebbende claimt ieder jaar aftrek van relatief hoge specifieke zorgkosten bij een relatief beperkt inkomen. Naar aanleiding van de bevindingen bij de eerste controle die hebben geleid tot het (gedeeltelijk) ‘schrappen’ van de opgevoerde specifieke zorgkosten, zijn ook de aangiften voor latere jaren ‘uitgeworpen’. 4.13. In dit verband is het volgende van belang. Indien een belastingplichtige in zijn aangifte een aftrekpost opvoert en bij de aanslagregeling wordt geconstateerd dat hij op die aftrek (gedeeltelijk) geen recht heeft, is het niet onrechtmatig indien de inspecteur vervolgens onderzoek gaat doen naar eerdere en/of latere jaren. Dat geldt in beginsel ook indien die constatering ertoe leidt dat gegevens van de belastingplichtige worden opgeslagen in een bestand en zelfs indien die gegevensverwerking op zichzelf beschouwd onrechtmatig is. De rechtmatigheid van het besluit van de inspecteur om een aangifte te controleren wordt in beginsel niet aangetast door de manier waarop informatie over de belastingplichtige is verwerkt. Dat kan anders zijn indien de controle van de aangifte voortvloeit uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat jegens de belastingplichtige leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. Indien de rechter tot de bevinding komt dat zo’n uitzonderlijke situatie aan de orde is, is het niet uitgesloten dat hij daaraan de slotsom verbindt dat de controle van de aangifte van de belastingplichtige heeft plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van hetgeen bij die controle aan het licht is gekomen onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In dat uitzonderlijke geval komt aan de inspecteur niet de bevoegdheid toe om de aangifte van de belastingplichtige te corrigeren naar aanleiding van die bij de controle aan het licht gekomen punten. Indien een belastingplichtige gemotiveerd stelt dat de hier bedoelde uitzonderlijke situatie zich in zijn geval heeft voorgedaan, dient de inspecteur aan de belastingplichtige en de rechter de gegevens te verstrekken die voor de beoordeling hiervan van belang kunnen zijn (HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, r.o. 5.3). 4.14. In dit geval heeft de Inspecteur – onweersproken – gesteld dat de controle in 2020 (over het belastingjaar 2019) was ingegeven doordat een deel van het door belanghebbende genoten loon niet was aangegeven in de aangifte, terwijl dat loon wel in de vooraf ingevulde aangifte was vermeld. Vervolgens zijn bij die controle ook de in die aangifte opgevoerde specifieke zorgkosten beoordeeld en (neerwaarts) gecorrigeerd. 4.15. Als – zoals hier - uit een controle voortvloeit dat een geclaimde aftrekpost hoger is dan waarop een belastingplichtige (volgens de Inspecteur) recht heeft, is het in beginsel niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel – of enig ander beginsel – als een aangifte voor een later jaar waarin wederom een dergelijke aftrekpost is opgenomen wordt ‘uitgeworpen’ en gecontroleerd (zie 4.13). Hier zijn geen omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk geworden, die tot het oordeel leiden dat de ‘uitworp’ en controle van de aangiften IB/PVV 2020 en 2021 van belanghebbende hebben plaatsgevonden onder de uitzonderlijke, bijzondere omstandigheden als bedoeld in het in 4.13 genoemde arrest van de Hoge Raad. Het beroep van belanghebbende op schending van het evenredigheidsbeginsel treft derhalve geen doel. Belastingrente 4.16. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen inzake de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu de belastingaanslagen niet worden verminderd, heeft dit ook te gelden voor de beschikkingen inzake de belastingrente. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond. Vergoeding immateriële schade 4.17. Belanghebbende heeft in het hogerberoepschrift een (voorwaardelijk) verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Noch in bezwaar en beroep noch in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof: bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier. De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De raadsheer, (G.J. van de Lagemaat) (R. den Ouden) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/425173 · 2026-10-02
