Rechtbank Gelderland, 25-09-2026 (ARN 24/5198)
Verzoek om op grond van artikel 15 van de AVG inzage te geven in en kopieën te verstrekken van persoonsgegevens die zijn verwerkt in documenten die zijn vermeld op de drie lijsten behorend bij het heroverwegingsbesluit.
Judgment
De rechtbank oordeelt dat het college aan zijn inzageplicht heeft voldaan en dat voor documenten die ten tijde van het bestreden besluit waren overgebracht naar de archiefbewaarplaats het bijzondere inzagerecht van artikel 45 van de UAVG, in samenhang met de Archiefwet, geldt. Het beroep is gegrond omdat eiser document B12 pas in de beroepsprocedure heeft ontvangen; de rechtsgevolgen blijven in stand en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Full text
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/5198 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar (gemachtigde: mr. M.B.J. Thijssen). en de Staat der Nederlanden , de minister van Justitie en Veiligheid Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college van 18 juni 2024 op het verzoek van eiser om op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) inzage te geven in en kopieën te verstrekken van zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt in de documenten die zijn vermeld op de drie lijsten behorend bij het ‘Besluit heroverweging oplegging beperkingen van openbaarheid op de archiefbescheiden van de gemeente Zevenaar betreffende de correspondentie met de enquêtecommissie’ (heroverwegingsbesluit). 1.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college heeft voldaan aan zijn verplichting om eiser inzage te geven in zijn persoonsgegevens. Voor de documenten A2, A3, A5, A9 en A10 bestaat geen recht op verstrekking van kopieën op grond van artikel 15 van de AVG, omdat deze documenten ten tijde van het bestreden besluit reeds waren overgebracht naar de archiefbewaarplaats en daarvoor het bijzondere inzagerecht van artikel 45 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG), in samenhang met de Archiefwet, geldt. Wel is sprake van een gebrek in het besluit, omdat eiser document B12 pas in de beroepsprocedure heeft ontvangen. De rechtbank vernietigt daarom het besluit voor zover daarbij geen inzage in document B12 is verleend, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde deel in stand blijven. Het gebrek is tijdens de beroepsprocedure immers hersteld. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de Staat tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 16 november 2023 heeft het college beslist op het inzageverzoek van eiser. Het college heeft eiser inzage gegeven door een overzicht te verstrekken van de persoonsgegevens die in de documenten op de drie lijsten bij het heroverwegingsbesluit staan en heeft eiser geïnformeerd over het doel van de verwerking, aan wie zijn gegevens verstrekt zijn, van wie deze afkomstig zijn en de bewaartermijn. Het college heeft geen kopieën van de documenten verstrekt en hieraan ten grondslag gelegd dat op sommige stukken een openbaarheidsbeperking rust en persoonsgegevens van derden bevatten. 2.1. Met het bestreden besluit van 18 juni 2024 heeft het college het bezwaar van eiser van 27 december 2023 gegrond verklaard. Onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 29 mei 2024 heeft het college een nadere toelichting gegeven op het besluit van 16 november 2023, aanvullend kopieën van enkele documenten verstrekt en het besluit van 16 november 2023 voor het overige in stand gelaten. 2.2. Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In beroep heeft eiser aanvankelijk aangevoerd dat het overzicht nog steeds onvolledig is en dat hij recht heeft op kopieën van alle documenten waarin zijn persoonsgegevens voorkomen. Eiser heeft de documenten nader aangeduid als A1 tot en met A11 en B12. 2.3. Het college heeft hierop gereageerd bij verweerschrift van 11 februari 2025 en alsnog een kopie van document B12 verstrekt, waarbij persoonsgegevens van derden zijn weggelakt. 2.4. De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 18 februari 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. Tijdens de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten welke documenten, aangeduid als A1 tot en met A11 in het overzicht, voor hem met name van belang zijn om inzage in te verkrijgen. Het college is in de gelegenheid gesteld om in overleg met het Streekarchivariaat de Liemers en Doesburg (streekarchivaris) te onderzoeken in hoeverre het mogelijk is of en zo ja, op welke wijze eiser inzage kan worden verleend in deze documenten, al dan niet in een gelakte versie. 2.5. Naar aanleiding daarvan heeft eiser op 3 maart 2025 meegedeeld dat zijn verzoek zich nog beperkt tot de documenten A2, A3, A5, A9 en A10 en dat hij op dezelfde wijze een kopie van deze documenten wenst te ontvangen als document B12, met behoud van de context en zo nodig met weglakking van persoonsgegevens van derden. 2.6. Het college heeft vervolgens op 1 april 2025 meegedeeld dat de documenten A2, A3, A5, A9 en A10 naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats bij het streekarchief zijn overgebracht en daar onder een openbaarheidsbeperking van 75 jaar bewaard blijven. Het college kan daarom geen kopieën meer verstrekken. Alleen de streekarchivaris zou daartoe bevoegd zijn, met inachtneming van de Archiefwet en de opgelegde openbaarheidsbeperkingen. Daarnaast heeft het college meegedeeld dat uit onderzoek van de streekarchivaris is gebleken dat sommige documenten geen persoonsgegevens van eiser bevatten en dat in andere documenten de persoonsgegevens van eiser zodanig verweven zijn met die van derden dat verstrekking niet mogelijk is zonder afbreuk te doen aan de rechten en vrijheden van anderen. 2.7. De rechtbank heeft op 8 augustus 2025 de behandeling aangehouden in afwachting van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over het heroverwegingsbesluit en de daarbij opgelegde openbaarheidsbeperkingen. 2.8. Bij brief van 18 mei 2026 heeft eiser verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 2.9. Nadat de Afdeling op 20 mei 2026 uitspraak heeft gedaan, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Eiser heeft gereageerd en de minister heeft niet gereageerd. 2.8. De rechtbank heeft daarna bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 18 september 2026. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Deze zaak gaat over de vraag of het college naar aanleiding van het inzageverzoek van eiser op grond van artikel 15 van de AVG heeft voldaan aan zijn verplichting om eiser inzage te geven in zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt in archiefbescheiden betreffende correspondentie met de enquêtecommissie. Een deel van deze archiefbescheiden is op grond van het heroverwegingsbesluit van 25 juli 2023 onder openbaarheidsbeperkingen vervroegd overgebracht naar het streekarchief, terwijl een ander deel in het gemeentearchief is gebleven of voor vernietiging is aangewezen. In geschil is met name of eiser recht heeft op kopieën van de documenten A2, A3, A5, A9 en A10, of dat het college mocht volstaan met het verstrekken van een overzicht van de daarin verwerkte persoonsgegevens. Daarbij speelt de vraag of voor deze documenten het inzagerecht van artikel 15 van de AVG nog geldt, of dat na de overbrenging naar de archiefbewaarplaats het bijzondere inzagerecht van artikel 45 van de UAVG, gelezen in samenhang met artikel 15 van de Archiefwet, van toepassing is. Heeft het college voldaan aan zijn verplichting om eiser inzage te geven in zijn persoonsgegevens? 4. Eiser voert aan dat het college niet heeft voldaan aan zijn inzagerecht. Hij stelt dat hij recht heeft op kopieën van de documenten A2, A3, A5, A9 en A10 waarin zijn persoonsgegevens zijn verwerkt. Volgens eiser kunnen deze documenten, net als document B12, met weglakking van persoonsgegevens van derden worden verstrekt. Dat de documenten inmiddels naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht, doet daar volgens eiser niet aan af, omdat hij zijn inzageverzoek heeft ingediend voordat de overbrenging plaatsvond. Verder stelt eiser dat het college, als zorgdrager van de archiefbescheiden, bevoegd is om te beslissen over inzage in archiefbescheiden waarop openbaarheidsbeperkingen rusten en dat zijn belangen onvoldoende zijn afgewogen ten opzichte van de belangen van derden. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat het overzicht onvolledig is. 4.1. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling op 20 mei 2026 uitspraak heeft gedaan over het heroverwegingsbesluit waarbij de documenten waarop eiser doelt onder openbaarheidsbeperkingen zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Daarbij heeft de Afdeling geoordeeld dat de opgelegde openbaarheidsbeperkingen in stand blijven. 4.2. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de documenten A2, A3, A5, A9 en A10 niet langer het inzagerecht van artikel 15 van de AVG geldt, maar het bijzondere inzagerecht van artikel 45, tweede lid, van UAVG. Vaststaat dat deze documenten op 21 mei 2024, dus vóór het nemen van de beslissing op bezwaar, zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats van het streekarchief en onder de openbaarheidsbeperkingen vallen die met de uitspraken van de Afdeling van 20 mei 2026 in stand zijn gebleven. Dat betekent dat het inzagerecht moet worden uitgeoefend met inachtneming van de Archiefwet en de daarop rustende openbaarheidsbeperkingen. Het college was daarom ten tijde van het bestreden besluit niet langer bevoegd om inzage in of kopieën van deze archiefbescheiden te verstrekken. Vanaf de overbrenging dient een verzoek om inzage in deze archiefbescheiden te worden beoordeeld door de beheerder van de archiefbewaarplaats met toepassing van artikel 45 van de UAVG, gelezen in samenhang met de Archiefwet. Dat eiser zijn verzoek heeft ingediend voordat de overbrenging heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Voor de beoordeling van het bestreden besluit is bepalend dat de documenten ten tijde van het nemen van dat besluit reeds waren overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 4.3. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat deze documenten, net als document B12, met weglakking van persoonsgegevens van derden verstrekt hadden kunnen worden, volgt de rechtbank hem niet. Nu deze stukken zich in de archiefbewaarplaats bevinden met daarop rustende openbaarheidsbeperkingen is het college immers niet meer bevoegd om kopieën te verstrekken of inzage te verlenen. 4.4. Voor zover eiser in beroep heeft aangevoerd dat het overzicht onvolledig is omdat meer documenten met zijn persoonsgegevens aan de enquêtecommissie zouden zijn verstrekt dan zijn opgenomen op de drie lijsten bij het heroverwegingsbesluit, stelt de rechtbank vast dat eiser deze beroepsgrond ter zitting heeft ingetrokken. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen bespreking meer. 4.5. Ten aanzien van document B12 stelt de rechtbank vast dat het college tijdens de beroepsprocedure, bij het verweerschrift van 11 februari 2025, alsnog een kopie van dit document heeft verstrekt, waarbij persoonsgegevens van derden zijn weggelakt. Daarmee heeft het college alsnog aan dit onderdeel van het inzageverzoek voldaan. Nu dit eerst in beroep is gebeurd, is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Ter zitting heeft het college ook erkend dat het beroep in zoverre gegrond is, omdat dit document niet reeds bij het bestreden besluit was verstrekt. De rechtbank volgt het college daarin. Nu het gebrek tijdens de beroepsprocedure is hersteld en eiser alsnog een kopie van document B12 heeft ontvangen, ziet de rechtbank aanleiding het bestreden besluit in zoverre te vernietigen en de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht geheel in stand te laten. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn 5. Eiser heeft bij brief van 18 mei 2026 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). 5.1. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een zaak waarbij het besluit is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, begint de redelijke termijn op het moment dat bezwaar is gemaakt tegen het besluit. De behandeling van de zaak tot en met de uitspraak in beroep mag maximaal twee jaar duren. De schadevergoeding bedraagt € 500 per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond. 5.2. Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid ten laste van het college respectievelijk de Staat worden uitgesproken. De regel die daarbij geldt is dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. 5.3. Het bezwaarschrift is door het college ontvangen op 27 december 2023. De rechtbank doet uitspraak op een moment dat de procedure afgerond ongeveer 33 maanden heeft geduurd. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee met ongeveer negen maanden overschreden. De schadevergoeding bedraagt € 500 voor ieder half jaar dat de termijn is overschreden. Dat betekent dat eiser aanspraak maakt op een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn van € 1.000. 5.4. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. 5.5. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase, gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift op 27 december 2023 tot het besluit op bezwaar van 18 juni 2024, ongeveer zes maanden heeft geduurd. De bezwaarfase heeft daarmee niet langer geduurd dan redelijk is. De voor de beroepsfase geldende termijn is met negen maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel ontstaan in de beroepsfase. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zij de behandeling van deze zaak heeft aangehouden in afwachting van de uitspraken van de Afdeling van 20 mei 2026 over het heroverwegingsbesluit en de daarop rustende openbaarheidsbeperkingen. De daarmee gemoeide vertraging komt voor rekening van de rechterlijke fase. De rechtbank zal daarom de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling aan eiser van een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het college daarbij geen inzage heeft verleend in document B12. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit geheel in stand te laten, omdat het college dit gebrek tijdens de beroepsprocedure heeft hersteld door alsnog een kopie van document B12 aan eiser te verstrekken. 6.1. Omdat het beroep gegrond is, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing op bezwaar van 18 juni 2024 voor zover daarbij geen inzage is verleend in document B12; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van de beslissing op bezwaar in stand blijven; draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187 aan eiser te vergoeden; veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 1000 aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026: griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Algemene Verordening Gegevensbescherming Artikel 15 1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie: a. a) de verwerkingsdoeleinden; b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens; c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken; f) dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit; g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens; h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene. 3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt. 4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen. Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming Artikel 45 1. Bij de verwerking van persoonsgegevens die deel uitmaken van archiefbescheiden als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995, die berusten in een archiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van die wet, zijn de artikelen 15, 16, 18, eerste lid, onderdeel a, en 20 van de verordening niet van toepassing. 2. Betrokkene heeft het recht om inzage te verkrijgen in de archiefbescheiden, tenzij verzoeken om inzage zodanig ongericht zijn dat deze in redelijkheid niet kunnen worden ingewilligd. 3. Betrokkene heeft het recht om, in geval van onjuiste persoonsgegevens, zijn eigen lezing aan de desbetreffende archiefbescheiden toe te voegen. Archiefwet Artikel 15 1. Bij de overbrenging van de in artikel 1, onder c 1° en 2°, bedoelde archiefbescheiden kan de zorgdrager, na advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats, slechts beperkingen aan de openbaarheid stellen voor een bepaalde termijn en met het oog op: a. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; b. het belang van de Staat of zijn bondgenoten; c. de onevenredige benadeling van een ander belang dan genoemd in onderdeel a of onderdeel b. Voor zover de beheerder van een archiefbewaarplaats een rijksarchivaris is als bedoeld in artikel 26, tweede lid, wordt het advies, bedoeld in de eerste volzin, gevraagd aan de algemene rijksarchivaris, bedoeld in artikel 25, eerste lid. De minister ziet af van het voeren van verweer, zie de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stc. 2014, 20210. Zie bijlage 6b Persoonlijke overzicht verwerking van persoonsgegevens - verstrekt bij het primaire besluit van 16 november 2023. Zie bijlage 1 Overzicht verwerkingen – bijlage bij brief van 24 augustus 2024. ECLI:NL:RVS:2026:2690 en ECLI:NL:RVS:2026:2695. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.3.