Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2025:28163 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 21-11-2025 (SGR 25/1701)

Judgment

Decision

De rechtbank: verklaart het beroep voor zover gericht tegen de vaststelling van de bestuurlijke dwangsom gegrond; verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige ongegrond; vernietigt het gedeelte van het bestreden besluit dat ziet op de toekenning van de bestuurlijke dwangsom. bepaalt dat deze uitspraak daarvoor in de plaats treedt en stelt de hoogte van de door verweerder aan eiser verschuldigde dwangsom vast op € 637,-; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

Sluiting van een horeca-inrichting voor drie maanden en beroep tegen weigering dwangsom vast te stellen - verweerder heeft de horeca-inrichting in redelijkheid kunnen sluiten - sluiting was noodzakelijk en evenredig - beroep tegen sluiting is ongegrond - beroep tegen niet toekennen bestuurlijke dwangsom is gegrond - de rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op 637 euro.

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/1701 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. D. Pieterse), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigden: mr. V. van Oudenhoven en [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de sluiting van zijn horeca-inrichting voor drie maanden en het beroep van eiser tegen de weigering een dwangsom vast te stellen. 1.1. Met het besluit van 1 juli 2024 heeft verweerder de horeca-inrichting van eiser voor drie maanden gesloten. Met het bestreden besluit van 22 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is de eigenaar van [handelsnaam] gevestigd aan [adres] , te [plaats] . Op 25 augustus 2023 is aan eiser een exploitatievergunning en een alcoholwetvergunning verleend voor een alcoholhoudende horeca-inrichting. Voorafgaand aan de vergunningverlening is eiser geïnformeerd over de overtredingen die door de vorige eigenaar, eisers oom, zijn gepleegd, waaronder het tewerkstellen van een niet-gecertificeerde portier op 24 en 25 december 2022. Hiervoor is een waarschuwing gegeven op 29 december 2022. In de exploitatievergunning is vastgelegd dat erfelijke belasting zou worden toegepast ten aanzien van de handhavingsgeschiedenis van de vorige eigenaar vanwege de terugkomende openbare orde incidenten op deze locatie en omdat eiser leidinggevende was ten tijde van de eerdere overtredingen. 2.1. Bij besluit van 22 november 2023 heeft verweerder de horeca-inrichting voor de eerste keer voor drie maanden gesloten omdat op 26 augustus 2023 en 1 oktober 2023 nogmaals is geconstateerd dat een tewerkgestelde beveiliger niet gecertificeerd was. Een laatste waarschuwing is gegeven op 7 september 2023. Op 25 mei 2024 is opnieuw geconstateerd dat een niet-gecertificeerde portier werkzaam was bij de horeca-inrichting. Omdat dit na de overtredingen van 26 augustus 2023 en 1 oktober 2023 de derde geconstateerde overtreding betrof binnen één jaar, heeft verweerder hierin aanleiding gezien om opnieuw over te gaan tot sluiting van de horeca-inrichting voor bezoekers voor de duur van drie maanden, van 3 juli 2024 tot en met 3 oktober 2024. Het beroep is gericht tegen dit besluit. Wat vindt eiser in beroep? 3. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd omdat verweerder heeft nagelaten het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (hierna: Adviescommissie) hierin integraal of gedeeltelijk over te nemen. Daarnaast stelt verweerder ten onrechte dat eiser heeft nagelaten om passende maatregelen te nemen om nieuwe overtredingen te voorkomen. Eiser heeft namelijk op 1 oktober 2023 een overeenkomst gesloten met een onderneming die beveiligingsdiensten verzorgt. Ook heeft de betreffende beveiliger voorafgaand aan de dienstbetrekking op verzoek van eiser zijn beveiligingspas getoond en een besluit gestuurd van Dienst Justis van 20 augustus 2021 waaruit volgt dat hij op 6 juli 2023 toestemming heeft gekregen van de korpschef om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. Eiser is niet ingelicht over de intrekking van de toestemming van de korpschef op 10 april 2024 en de beveiligingspas is nog steeds niet ingenomen. Eiser mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat de beveiliger hierover beschikte. Daarbij is ook van belang dat er geen andere mogelijkheid is om te verifiëren of de betreffende beveiliger over de benodigde toestemming beschikte. De benodigde toestemming kan namelijk uitsluitend worden ingetrokken als er nadien strafbare feiten worden gepleegd. Het verwerken van strafrechtelijke gegevens is echter niet toegestaan op grond van artikel 10 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Anders dan verweerder stelt, zijn deze gegevens niet publiekelijk inzichtelijk waardoor eiser afhankelijk is van de berichtgeving van de betreffende beveiliger. Verweerder stelt ook ten onrechte dat eiser deze gegevens had kunnen verkrijgen door te bellen met de politie. Dit soort gevoelige informatie wordt alleen aan derden verstrekt via een schriftelijk inzageverzoek. Vanwege eisers bedrijfsvoering en de beslistermijn kan van eiser niet worden gevergd dat hij voorafgaand aan iedere dienst van een beveiliger verifieert of hij nog beschikt over de benodigde toestemming. Tot slot, verzoekt eiser de rechtbank om de aan eiser verschuldigde dwangsom vast te stellen op een bedrag van € 1.217,- dan wel om de zaak terug te verwijzen naar verweerder. Wat is het oordeel van de rechtbank? Overnemen advies in het bestreden besluit 4. De rechtbank volgt eisers betoog niet dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat verweerder het advies van de Adviescommissie in het bestreden besluit niet integraal of gedeeltelijk heeft overgenomen. In het bestreden besluit is opgenomen dat verweerder zich met het advies kan verenigen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat verweerder het advies integraal, dus zonder enig voorbehoud, heeft overgenomen. Sluiting horeca-inrichting 5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de horeca-inrichting in redelijkheid heeft kunnen sluiten voor de duur van drie maanden. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen. 5.1. Verweerder heeft op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de Gemeente Den Haag (APV) de bevoegdheid een horeca-inrichting voor bepaalde tijd sluiten, indien naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting door de aanwezigheid van de horeca-inrichting nadelig wordt beïnvloed. Op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) is het niet toegestaan om illegale portiers (niet-gecertificeerde portiers of portiers zonder toestemming) in te schakelen voor het bewaken van de veiligheid bij horeca-inrichtingen. Het algemene uitgangspunt van het handhavingsbeleid voor horeca en alcoholverstrekkers is dat een horeca-inrichting voor de duur van drie maanden wordt gesloten wanneer driemaal binnen één jaar wordt geconstateerd dat daar een illegaal portier te werk is gesteld. Nu binnen één jaar driemaal is geconstateerd dat een illegale portier werkzaam is geweest bij de horeca-inrichting, staat vast dat de Wpbr is overtreden. Verweerder was dan ook bevoegd, en in beginsel gehouden , om handhavend op te treden. De vraag is vervolgens of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. 5.2. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat de sluiting van de horeca-inrichting van eiser noodzakelijk was om bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en herstel van de openbare orde te garanderen. Gelet op de zware verantwoordelijkheid van beveiligers voor het handelen in situaties waarin de (openbare)orde en veiligheid onder druk staat, worden alleen gecertificeerde beveiligers te werk gesteld. De noodzaak van de sluiting is een gegeven omdat een minder ingrijpend middel, namelijk eerdere waarschuwing en zelfs een eerdere sluiting, onvoldoende effect heeft gehad. 5.3. Dat de sluiting van de horeca-inrichting noodzakelijk wordt geacht, neemt niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. De mate van verwijtbaarheid van de ondernemer is een van de omstandigheden die daarbij moet worden meegewogen. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. 5.4. Naar het oordeel van de rechtbank is de sluiting van de horeca-inrichting voor de duur van drie maanden niet onevenwichtig. Verweerder heeft het algemeen belang van bescherming van de openbare orde en de veiligheid van bezoekers, personeel en passanten zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van eiser. Daarbij is van belang dat de horeca-inrichting al eerder gesloten is geweest vanwege soortgelijke overtredingen. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende maatregelen heeft genomen om nieuwe overtredingen te voorkomen. Dat eiser een beveiliger heeft ingeschakeld die werkte voor een beveiligingsbedrijf, dat hij aan de beveiliger heeft gevraagd zijn beveiligingspas en een document waar de benodigde toestemming uit blijkt te tonen, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden. De beveiliger was namelijk zowel eigenaar als enige werknemer van het door eiser ingeschakelde beveiligingsbedrijf. Gelet op de voorgeschiedenis had van eiser verwacht mogen worden dat hij extra voorzorgsmaatregelen nam. Eiser had bijvoorbeeld bij de gemeente en/of de horecapolitie na kunnen vragen of de betreffende beveiliger beschikte over de benodigde toestemming. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk was. Verweerder heeft er ter zitting nog op gewezen dat indien eiser meent dat hij onjuist is voorgelicht door de beveiliger, dat hij dit kan aanvoeren in een civielrechtelijke procedure. Dwangsom 6. Met toepassing van artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep van eiser mede geacht te zijn gericht tegen het niet toekennen van de bestuurlijke dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser. 6.1. Het beroep gericht tegen het niet toekennen van de bestuurlijke dwangsom is gegrond. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt. 6.2. Het primaire besluit is genomen op 1 juli 2024. Omdat advies is gevraagd aan de Adviescommissie zou verweerder gehouden zijn een beslissing op bezwaar te nemen binnen twaalf weken vanaf de dag na die waarop de bezwaartermijn is verstreken. De voorzitter van de Adviescommissie heeft de beslistermijn met zes weken verlengd bij brief van 13 augustus 2024. De beslistermijn eindigde daarmee op 16 december 2024. 6.3. Artikel 7:10, vierde lid, onder a, van de Awb bepaalt dat hierna verder uitstel mogelijk is voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen, de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften. Als gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid tot verder uitstel, bepaalt het vijfde lid dat het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling doet aan belanghebbenden. 6.4. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de beslistermijn is verlengd als gevolg van afspraken die zijn gemaakt tijdens de hoorzitting van 7 oktober 2024. Verweerder stelt dat tussen partijen is afgesproken om de zaak aan te houden. Eiser werd in de gelegenheid is gesteld om uiterlijk 14 oktober 2024 nadere stukken in te dienen. Verweerder zou uiterlijk 21 oktober 2024 op deze stukken reageren en vervolgens zou de Adviescommissie een advies uitbrengen. Eiser heeft op 9 en 10 oktober nadere stukken ingediend en namens verweerder is op 17 oktober 2024 gereageerd. Volgens verweerder is de beslistermijn hiermee verlengd met tien dagen en daarmee geëindigd op 27 december 2024. Verweerder stelt dat de ingebrekestelling van eiser van 18 december 2024 daarom prematuur is. Eiser daarentegen betwist dat hij tijdens de hoorzitting heeft ingestemd met aanhouding. 6.5. De rechtbank is van oordeel dat van een rechtsgeldige verlenging van de beslistermijn, zoals bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, onder a, van de Awb geen sprake kan zijn. Niet is immers gebleken dat verweerder van deze verlenging schriftelijk mededeling heeft gedaan. Dit is wel vereist gelet op artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb. De rechtbank overweegt dat dit vereiste nu juist in de wet is opgenomen om de discussies, zoals hier aan de orde, te voorkomen. Opname van de afspraak in een verslag van de hoorzitting, zonder dat dit verslag voorafgaand aan de beslissing op bezwaar aan eiser is gezonden, is onvoldoende. Het niet schriftelijk bevestigen van dergelijke verlengingen dient naar het oordeel van de rechtbank voor risico van verweerder te komen. Nu de beslistermijn eindigde op 16 december 2024, is de ingebrekestelling van 18 december 2024 wel tijdig en is de dwangsom overeenkomstig artikel 4:17, derde lid van de Awb, verschuldigd vanaf de dag waarop twee weken zijn verstreken na ontvangst van de schriftelijke ingebrekestelling. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep voor zover gericht tegen de beslissing op eisers bezwaar tegen de sluiting van de horeca-inrichting is ongegrond. Het beroep voor zover gericht tegen het niet toekennen van de bestuurlijke dwangsom is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft het niet toekennen van de bestuurlijke dwangsom. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb wordt de hoogte van de door verweerder verschuldigde dwangsom bij deze uitspraak vastgesteld op een bedrag van € 637,-. 8. Omdat het beroep voor zover gericht tegen het niet toekennen van de bestuurlijke dwangsom gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep voor zover gericht tegen de vaststelling van de bestuurlijke dwangsom gegrond; verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige ongegrond; vernietigt het gedeelte van het bestreden besluit dat ziet op de toekenning van de bestuurlijke dwangsom. bepaalt dat deze uitspraak daarvoor in de plaats treedt en stelt de hoogte van de door verweerder aan eiser verschuldigde dwangsom vast op € 637,-; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV in samenhang met artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, c en f, van de APV. Op grond van artikel 7 van de Wbpr. Gelet op de beginselplicht tot handhaving. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1251, r.o. 9. Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 7:13 van de Awb. Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb. Op grond van artikel 4:17, eerste tot en met het derde lid, van de Awb.

How it connects

2022 EDPB Annual Report 2021 Enhancing the depth and breadth of data protection 2 EDPB Annual Report 2021 2 ENHANCING THE DEPTH AND BREADTH OF DATA PROTECTION An Executive Summary of this report, which… May 12, 2022 Privacy Shield Mutual Assistance Between Member States for AI Oversight International Transfer
HDPA · 12/2026 The complainant, a foreign national, submitted a complaint to the Hellenic DPA through his authorized attorney, seeking his deletion from the Hellenic the National Registry of… 12/2026 ·Greece ·Art. 23 May 13, 2026 Right of Access Criminal Data Personal Data
Opinion 04/2019 Draft administrative arrangement following EDPB opinion 04/2019 for the transfer of personal data between each of the European Economic Area (“EEA”) Authorities set out in Appendix A and each of the non-EEA Authorities set out in Appendix B Draft January 7 , 201 9 Draft administrative a rrangement for the transfer of personal data between Each of t he European Economic Area (“ E EA ”) Authorities set out in Appendix… Opinion Jan 7, 2019 Personal Data Privacy Shield International Transfer