# Rechtbank Den Haag, 26-08-2026 (NL26.46325)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:25390
- Date: 2026-08-26
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A25390
- Canonical: https://overview.legal/posts/425193
- Topics: Personal Data, Consent, Notification Obligation

## Summary

Bewaring op grond van artikel 59b. Grondslag, onderduikrisico, lichter middel, opvangbehoeften.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.46325 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [x] , eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk). Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 1.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (met behulp van een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 2. De maatregel van vreemdelingenbewaring is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a én b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op grond van die bepalingen kan de minister een vreemdeling in bewaring stellen die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw 2000 voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op: - vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling (de a-grondslag) ; of - het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico (de b-grondslag). De a-grondslag is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), voordoen. De b-grondslag is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid van het Vb 2000, voordoen. 2.1. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. Berust de maatregel op een onjuiste grondslag? 3. Eiser betoogt dat de minister de maatregel ten onrechte baseert op de a-grondslag. Daartoe stelt eiser dat vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit niet noodzakelijk is, omdat deze al door de minister zijn vastgesteld in het besluit van 20 november 2025. Dat besluit is genomen op eisers eerdere, eerste asielaanvraag. Daar komt bij dat de minister in de maatregel benadrukt dat eiser moet terugkeren naar Marokko. Het is duidelijk dat de minister ervan uitgaat dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft. 3.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. In het besluit van 20 november 2025 gaat de minister uit van eisers opgegeven identiteit en nationaliteit, maar dat betekent niet dat hiermee de identiteit en nationaliteit van eiser ook vaststaan. Daarbij is van belang dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit te staven, deze zijn dus niet vastgesteld. Tijdens eisers eerste asielaanvraag was ook nog geen onderzoek verricht naar eisers identiteit en nationaliteit. Eiser is na zijn asielaanvraag namelijk met onbekende bestemming vertrokken. Om die reden is eisers asielaanvraag buitenbehandelinggesteld in het besluit van 20 november 2025. De minister baseert de maatregel terecht op de a-grondslag. 4. Eiser betoogt dat de minister de maatregel ten onrechte baseert op de b-grondslag. Daartoe stelt eiser dat het niet duidelijk is welke (noodzakelijke) gegevens nog moeten worden verkregen voor zijn asielaanvraag. Daarbij vindt eiser van belang dat hij tijdens het gehoor voorafgaand de inbewaringstelling uitvoerig is gehoord over zijn asielmotieven. 4.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn namelijk voldoende om aan te nemen dat in eisers geval sprake is van een onderduikrisico. Dat licht de rechtbank hieronder verder toe in punten 7.1. en 7.2. Met de vaststelling dat sprake is van een onderduikrisico, is ook gegeven dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van eisers asielaanvraag. De rechtbank wijst in dat kader op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 2016 en 22 augustus 2019. Dat eiser bevraagd is over zijn vrees bij terugkeer naar Marokko doet hier niet aan af. De minister baseert de maatregel terecht op de b-grondslag. 5. Eiser voert aan dat de maatregel vooral lijkt te zijn gericht op terugkeer naar Marokko. Dit is echter niet aan de orde, omdat het gaat om een maatregel op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Om die reden is onvoldoende kenbaar met welk doel de maatregel is opgelegd. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is juist dat de minister in de maatregel meerdere keren stelt dat sprake is van het frustreren van vertrek en het realiseren van terugkeer naar Marokko. Ook heeft de minister beoordeeld of sprake is van zicht op uitzetting. Dat is onterecht, omdat uitzetting niet aan de orde is, zoals de minister ook ter zitting heeft erkend. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding voor het oordeel de maatregel onrechtmatig te achten, aangezien voldoende duidelijk is dat de maatregel is gebaseerd op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen? 6. In de maatregel vermeldt de minister als gronden dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 6.1. De minister heeft grond j tijdens de zitting laten vallen. 7. Eiser betwist de gronden b, c, h, p, r en s. Daarbij voert eiser onder meer aan dat een individuele motivering van de gronden ontbreekt. 7.1. Wat eiser aanvoert, slaagt niet. Dat licht de rechtbank als volgt toe. Eiser betwist grond a niet. Die grond is feitelijk juist. Grond b is ook feitelijk juist. Het besluit van 20 november 2025 omvatte namelijk een terugkeerbesluit, maar eiser heeft hier geen gevolg aan gegeven omdat hij de Europese Unie niet heeft verlaten. Eiser voert aan dat hij niet eerder bekend was met dit besluit, maar dit slaagt niet. Uit een rapport van bevindingen in het dossier blijkt namelijk dat het besluit ter inzage is gelegd op het Aanmeldcentrum in Ter Apel, omdat er geen gemachtigde bekend was en eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Dit is conform het destijds geldende beleid. Daarmee is het besluit op de correcte wijze bekend gemaakt. Dat eiser niet bekend is geraakt met de inhoud van het besluit, komt voor zijn risico. Verder is grond c ook feitelijk juist, omdat eiser niet beschikt over identificerende documenten en geen aantoonbare activiteiten heeft ondernomen om hier alsnog over te bezitten. Eiser voert aan dat hij nooit verschillende persoonsgegevens heeft verstrekt of vragen niet (correct) heeft beantwoord. Ook voert eiser aan dat niet van hem verwacht kan worden dat hij contact opneemt met de Marokkaanse autoriteiten omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Dit slaagt niet, omdat wat eiser aanvoert niet afdoet aan de feitelijke juistheid van grond c. 7.2. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat niet aan het vereiste van individueel motiveren is voldaan. De minister heeft de gronden namelijk gemotiveerd aan de hand van de feiten en omstandigheden van eisers geval. Daarbij merkt de rechtbank op dat aan het vereiste van individueel motiveren ook wordt voldaan als de motivering algemeen is in die zin dat deze ook bij - veel - andere vreemdelingen aan de orde kan zijn. 7.3. De rechtbank oordeelt dat de minister de gronden a, b en c terecht ten grondslag legt aan de maatregel. Deze gronden samen kunnen de maatregel al dragen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er een risico bestaat op onderduiken. Wat eiser aanvoert over de overige gronden behoeft geen bespreking. Moet de minister volstaan met een lichter middel? 8. Eiser voert aan dat de minister moet volstaan met een lichter middel dan de bewaring, bijvoorbeeld een meldplicht of vrijheidsbeperkende maatregel. 8.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit punten 7.1. en 7.2. volgt dat in eisers geval sprake is van een onderduikrisico. Daarom is in beginsel een lichter middel niet aangewezen. De minister motiveert dit ook voldoende in de maatregel. Daarbij betrekt de minister dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand de inbewaringstelling heeft verklaard dat ze hem moeten laten gaan zodat hij naar Italië kan reizen en, als hij vrij wordt gelaten, niet meer terugkeert naar Nederland. De minister wijst er in de maatregel terecht op dat eiser na zijn eerdere, eerste asielaanvraag met onbekende bestemming is vertrokken en verder is gaan reizen door Europa. Daarom hoeft de minister niet te volstaan met een lichter middel dan de bewaring. Bijzondere opvangbehoeften als bedoeld in artikel 5.9 van het Vb 2000 9. Eiser voert verder aan dat hij last heeft van zijn schouder en kampt met psychische problemen. Volgens eiser blijkt uit de maatregel niet dat de minister deze omstandigheden heeft betrokken. Daarbij wijst eiser op artikel 5.9 van het Vb 2000, waaruit volgt dat de minister moet bezien of iemand bijzondere opvangbehoeften heeft. 9.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft eisers verklaring dat hij last heeft van zijn schouder en kampt met medische problemen betrokken bij de oplegging van de maatregel. In de maatregel licht de minister toe dat er medische zorg aanwezig is in het detentiecentrum. De veiligheid voor het leven en voor de gezondheid van eiser is hiermee voldoende gewaarborgd. Gesteld noch gebleken is dat deze zorg voor eiser ontoereikend is. Van bijzondere opvangbehoeften is dus niet gebleken. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb 2000. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000. Vergelijk ook ABRvS 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3442. ECLI:NL:RVS:2016:2852 en ECLI:NL:RVS:2019:2844. Zie paragraaf C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die luidde vóór 12 juni 2026. Vergelijk ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5262 en 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5663. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/425193 · 2026-10-02
