Skip to content
Case Law · Rechtbank Rotterdam ·ECLI:NL:RBROT:2026:12655 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Rotterdam, 24-09-2026 (11988261 VZ VERZ 25-7044)

Arbeidsrecht. Werkgever heeft bij niet voortzetten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een verboden onderscheid gemaakt.

Judgment

Summary

Aan werknemer wordt een billijke vergoeding toegekend. Verder heeft werknemer recht op transitievergoeding, aanzegvergoeding en achterstallig loon.

Full text

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11988261 VZ VERZ 25-7044 datum uitspraak: 24 september 2026 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [verzoeker] , woonplaats: [woonplaats], verzoeker, gemachtigden: mr. J.C. Kotteman en F.Th.E. Rietbergen (Legal Advice Wanted B.V.), tegen [verweerster] , handelend onder de naam [handelsnaam], vestigingsplaats: [woonplaats], verweerster, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘[verweerster]’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift van [verzoeker] (ontvangen op 28 november 2025), met bijlagen; het deurwaardersexploot van 11 mei 2026; de mail van 18 juni 2026 namens [verzoeker]. 1.2. Op 29 april 2026 was een zitting gepland waarvoor beide partijen zijn opgeroepen. Daarbij is [verzoeker] verschenen met [naam 1] en [naam 2], beiden van Legal Advice Wanted B.V. Van de kant van [verweerster] is niemand verschenen zonder enig bericht van verhindering. Er is ook geen verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan het plannen van de zitting had een gemachtigde zich gesteld namens [verweerster], maar die heeft zich later weer onttrokken. Het bericht over onttrekking was op het moment van de zitting niet bekend bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft conform het procesreglement een nieuwe datum voor een zitting bepaald en [verzoeker] gelegenheid gegeven [verweerster] voor die zitting op te roepen met een deurwaardersexploot. 1.3. Op 2 juni 2026 is de zaak besproken tijdens een zitting met [verzoeker] en [naam 1] voornoemd. Ondanks oproeping voor de zitting met een deurwaardersexploot is [verweerster], zonder enig bericht, niet verschenen. 1.4. [verzoeker] is in de gelegenheid gesteld zijn verzoeken na de zitting schriftelijk verder toe te lichten en de eindafrekening te overleggen. De kantonrechter heeft van de kant van [verzoeker] een mail van 18 juni 2026 ontvangen. Vervolgens heeft de kantonrechter [verweerster] in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren, maar van haar kant is geen reactie ontvangen. 2 Waar gaat de zaak over? 2.1. [verzoeker] is bij [verweerster] in dienst geweest als schoonmaker van 27 september 2024 tot 26 september 2025. In zijn arbeidsovereenkomst is bepaald een loon van € 1.261,00 per maand, exclusief 8% vakantiegeld, op basis van een 20-urige werkweek. Zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is niet verlengd door de werkgever. Dat is aan hem meegedeeld op 2 september 2025. Kort daarvoor, op 27 augustus 2025, heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. Hij vindt dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld rondom zijn verzuim. [verzoeker] stelt ook dat er sprake is geweest van discriminatie bij het beëindigen van het dienstverband. Hij wil dat [verweerster] wordt veroordeeld aan hem een aantal vergoedingen en achterstallig loon te betalen, met wettelijke verhoging, rente en proceskosten. 2.2. [verzoeker] verzoekt in het verzoekschrift: Primair I. Voor recht te verklaren dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en [verweerster] op grond van artikel 7:673 lid 9 sub a BW te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding ter hoogte van € 24.824 bruto; Subsidiair II. Voor recht te verklaren dat [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker] en [verweerster] op grond van artikel 6:162 BW te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van € 24.824 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag; Zowel primair als subsidiair III. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW ter hoogte van € 453,96 bruto; IV. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de aanzegvergoeding ex artikel 7:668 lid 3 BW naar rato van de periode van 26 augustus 2025 tot 2 september 2025 (7 dagen); V. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het achterstallig loon berekend op basis van de werkelijke arbeidsomvang (ex artikel 7:610b BW) en tot nabetaling van het loon over de dagen die ten onrechte als vakantiedagen zijn aangemerkt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over dit loon en over de aanzegvergoeding; VI. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 2.500,00 wegens schending van de AVG en artikel 6:106 BW; VII. [verweerster] te veroordelen aan [verzoeker] te betalen de wettelijke rente over de onder II t/m V gevorderde bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening; VIII. [verweerster] te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde en het griffierecht daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat dit verschuldigd is; IX. Deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 2.3. [verzoeker] heeft zijn verzoeken tijdens de procedure gewijzigd. Daarop wordt onder de beoordeling teruggekomen. De (gewijzigde) verzoeken van [verzoeker] worden hierna beoordeeld. 3 De beoordeling Billijke vergoeding 3.1. [verweerster] moet [verzoeker] een billijke vergoeding betalen van € 5.000,00. Hierna wordt uitgelegd waarom. 3.2. [verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] voor bepaalde tijd niet voortgezet. Het staat een werkgever in beginsel vrij om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege eindigt niet voort te zetten, maar het niet voortzetten wordt in dit geval vermoed te zijn ingegeven door een verboden onderscheid in de zin van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz). Het gaat om de autisme-indicatie van [verzoeker]. Dat sprake is van verboden onderscheid is af te leiden uit de mail van 2 september 2025 van [verweerster], waarin zij haar redenen meedeelt om de arbeidsovereenkomst niet voort te zetten. Daarin refereert zij aan zijn indicatie. De kantonrechter stelt daarom vast dat bij de beëindiging van het dienstverband sprake is geweest van discriminatie. Dat levert ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever op, in welk verband de kantonrechter een billijke vergoeding aan [verzoeker] zal toekennen (artikel 7:673 lid 9 onder a BW). De andere gedragingen die [verzoeker] heeft genoemd in het kader van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever blijven buiten beschouwing, omdat hij niet heeft uitgelegd dat en waarom het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van dat handelen. 3.3. Vooropgesteld wordt dat het bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding er om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Bij het bepalen van de billijke vergoeding moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval en de vergoeding moet daarbij aansluiten. Ook met de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De Hoge Raad heeft een niet-limitatieve lijst van gezichtspunten geformuleerd die van belang kunnen zijn bij de begroting van de billijke vergoeding. Hierbij is het uitgangspunt dat de billijke vergoeding geen specifiek punitief karakter heeft, maar er wel een afschrikwekkende werking van mag uitgaan. 3.4. De kantonrechter weegt in dit geval mee dat er sprake is van een vrij kort dienstverband van één jaar en dat [verzoeker] onbetwist stelt dat zijn dienstverband voor nog een jaar op gelijke wijze zou zijn voortgezet zonder het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster]. Hoewel [verzoeker] per oktober 2025 een andere baan heeft, stelt hij inkomensschade te hebben omdat hij daar minder uren (namelijk 32 uur/week) werkt dan bij [verweerster] en een lager uurloon heeft. Hij heeft zijn inkomensverlies over oktober 2025 tot en met september 2026 concreet becijferd op basis van de verschillen tussen het brutoloon en de arbeidsduur. Opvallend is dat [verzoeker] in het verzoekschrift stelt dat hij gemiddeld 35 uur per week werkte bij [verweerster] en dat dit in de mail van 18 juni 2026 – waarin voor het eerst een concrete berekening van het inkomensverlies is gemaakt – is veranderd in gemiddeld 38 uur per week. De kantonrechter weegt verder de aard van het ernstig verwijtbaar handelen mee. Dat heeft een opwaarts effect voor de hoogte van de billijke vergoeding. In totaal wordt uitgekomen op een bedrag van € 5.000,00. De kantonrechter meent dat met deze vergoeding recht wordt gedaan aan de inkomensschade van [verzoeker] en de andere omstandigheden van dit geval. 3.5. De verzochte verklaring voor recht over ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] wordt afgewezen. [verzoeker] heeft daar geen (afzonderlijk) belang bij omdat zijn verzoek om een billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] wordt toegewezen. 3.6. Aan het subsidiair verzochte wordt niet toegekomen, want het primair verzochte wordt toegewezen. Transitievergoeding 3.7. [verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding, want zijn arbeidsovereenkomst is niet verlengd op initiatief van de werkgever (artikel 7:673 lid 1 onder a en 3 BW). Hij verzoekt een bedrag van € 453,96 aan hem toe te kennen. Dat bedrag is op basis van artikel 7:673 lid 2 BW berekend als volgt: € 1.261,00 plus 8% gedeeld door 3. Dat bedrag is toewijsbaar en wordt dan ook toegewezen. Aanzegvergoeding 3.8. [verzoeker] heeft recht op een aanzegvergoeding, want [verweerster] heeft hem niet op tijd meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst niet verlengt (artikel 7:668 lid 3 BW). [verweerster] had dat uiterlijk één maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst moeten meedelen en dus uiterlijk op 26 augustus 2025 (artikel 7:668 lid 1 onder a BW), maar heeft dat pas gedaan in de mail van 2 september 2025. Dat is zeven dagen te laat. De aanzegvergoeding is gelijk aan de hoogte van het loon van [verzoeker] over de periode van de vertraging. [verzoeker] heeft de aanzegvergoeding zelf niet concreet becijferd, maar wel de gegevens aangedragen om de rekensom te maken. Wat onder loon moet worden verstaan, is bepaald in het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding. Het gaat dan om het bruto-uurloon vermenigvuldigd met de overeengekomen arbeidsduur per maand. In dit geval is dat € 14,58 x 20 x 52 / 12 = € 1.263,60 voor een maand. De aanzegvergoeding moet naar rato van de vertraging en dus over zeven dagen worden berekend. De rekensom is dan: € 1.263,60 / 31 x 7 = € 285,33. Dat bedrag wordt toegewezen. 3.9. De wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW is niet toewijsbaar over de aanzegvergoeding, want die vergoeding kwalificeert niet als loon. Achterstallig loon 3.10. De kantonrechter wijst een bedrag van € 1.394,87 bruto aan niet uitbetaalde vakantie-uren toe en wijst de eis tot uitbetaling van achterstallig loon voor het overige af. Het oordeel wordt hierna verder uitgelegd. 3.11. [verzoeker] stelt in het kader van achterstallig loon dat hij een feitelijke arbeidsomvang had van gemiddeld 38 uur per week, hoewel in zijn arbeidsovereenkomst 20 uur per week staat. Uit de loonstroken over juni en augustus 2025, die [verzoeker] heeft overgelegd, leidt de kantonrechter af dat [verzoeker] in die periode inderdaad meer heeft gewerkt dan 20 uur per week, maar ook dat die gewerkte uren zijn uitbetaald. [verzoeker] heeft niet geconcretiseerd hoeveel uren volgens hem niet zijn uitbetaald en over welke periode, ook niet nadat hij in de gelegenheid is gesteld een nadere schriftelijk toelichting te geven. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat er gewerkte uren niet zijn uitbetaald. 3.12. Verder stelt [verzoeker] dat [verweerster] zijn ziektedagen eenzijdig en zonder zijn toestemming heeft aangemerkt als vakantiedagen. Hij wil volledige doorbetaling over de ziektedagen conform de regels bij ziekte, waarbij de ten onrechte afgeboekte vakantie-uren weer bij het saldo moeten toegevoegd dan wel uitbetaald bij einde dienstverband. 3.12.1. [verzoeker] noemt geen concreet aantal ziektedagen of -uren waarover hij loondoorbetaling vraagt. [verzoeker] stelt dat 104 ziekte-uren zijn aangemerkt als vakantie-uren (en dus niet zijn doorbetaald). De kantonrechter kan dat echter niet rijmen met de informatie van de op zitting door [verzoeker] op zijn telefoon getoonde loonstrook over september 2025 of eindafrekening, waaruit kan worden afgeleid dat die ziekte-uren wél zijn uitbetaald. De kantonrechter kan [verzoeker] daarom niet volgen in zijn toelichting en berekening van achterstallig loon over ziektedagen. 3.12.2. Over de vakantiedagen stelt [verzoeker] dat hij nog recht heeft op uitbetaling van 95,67 vakantie-uren, overeenkomend met (€ 14.58 bruto-uurloon x 95,67 uur =) € 1.394,87 bruto. Hij baseert dat op een door hem gesteld resterend basissaldo van 45 uur tot 1 juni 2025 en een opbouw van 50,67 wettelijke vakantie-uren over 1 juni 2025 tot en met einde dienstverband, op basis van een 38-urige werkweek. [verzoeker] verzoekt primair voornoemde bedrag uit te betalen. Omdat [verweerster] de door [verzoeker] gestelde feiten en rechten niet betwist heeft, worden die als vaststaand beschouwd (artikelen 149 lid 1 en 284 lid 1 Rv). De kantonrechter zal daarom het gevorderde bedrag van € 1.394,87 bruto toewijzen. 3.12.3. Voor het eerst in de mail van 18 juni 2026 maakt [verzoeker] aanspraak op “correcte uitbetaling” van 8% vakantiegeld over het genoten loon vanaf 1 juni 2025 tot einde dienstverband, omdat [verweerster] dat volgens hem heeft weggelaten op de eindafrekening. Dat is dus een verandering of vermeerdering van zijn verzoeken. Het is aan [verzoeker] om concrete bedragen aan vakantiegeld en/of loon over 1 juni 2025 tot en met einde dienstverband te noemen, maar dat heeft hij niet gedaan. Overigens beschikt de kantonrechter ook niet over de nodige informatie om een rekensom te maken. Dit verzoek is dan ook niet toewijsbaar. Immateriële schadevergoeding 3.13. In het verzoekschrift vraagt [verzoeker] toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 vanwege schending van de AVG, maar tijdens de zitting is dit verzoek ingetrokken. Daarom wordt dat niet meer besproken in deze beschikking. Wettelijke verhoging en rente 3.14. Vast is komen te staan dat [verweerster] de niet-genoten vakantiedagen niet op tijd aan [verzoeker] heeft uitbetaald. [verzoeker] maakt daarom terecht aanspraak op de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW). De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen. De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW is toewijsbaar over de transitievergoeding, de aanzegvergoeding, de vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren en de wettelijke verhoging. Proceskosten 3.15. De proceskosten komen voor rekening van [verweerster]. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster] aan [verzoeker] moet betalen op € 90,00 aan griffierecht, € 126,67 aan explootkosten en € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.225,67. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. Uitvoerbaar bij voorraad 3.16. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1. veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van € 5.000,00; 4.2. veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW ter hoogte van € 453,96 bruto; 4.3. veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de aanzegvergoeding ex artikel 7:668 lid 3 BW naar rato van de periode van 26 augustus 2025 tot 2 september 2025 (7 dagen), zijnde € 285,33 bruto; 4.4. veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] ter zake van niet-genoten vakantie-uren ter hoogte van € 1.394,87 bruto; 4.5. veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW over het onder 4.4 toegewezen bedrag ter hoogte van 50%; 4.6. veroordeelt [verweerster] aan [verzoeker] te betalen de wettelijke rente over de onder 4.2 tot en met 4.5 toegewezen bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening; 4.7. veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] worden begroot op € 1.225,67 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat dit verschuldigd is; 4.8. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.9. wijst al het andere af. Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken. 34286 O.a. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle), HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia) en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow).