Rechtbank Noord-Nederland, 27-08-2026 (NL:TZ:2615390:R-RK)
Dwangakkoord, art. 287a Fw.
Judgment
Prognoseakkoord. Dat het maximaal haalbare is aangeboden, is uit de huidige omstandigheden en wat op zitting is besproken, voldoende gebleken. Toewijzing.
Full text
RECHTBANK Noord-Nederland Team Insolventie Zittingsplaats Leeuwarden Rekestnummer: NL:TZ:2615390:R-RK Vonnis van 27 augustus 2026 op het verzoek van [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende te [adres ] , verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] , tegen 1 BMN Bouwmatrialen, gevestigd en kantoorhoudende te Stadskanaal , gemachtigde: TKB Incasso, [adres ] , hierna te noemen BMN Bouwmatrialen, 2 [weigerende schuldeiser sub 2] , wonende te [adres ] , hierna te noemen [weigerende schuldeiser sub 2] , 3 [weigerende schuldeiser sub 3] , wonende te [adres ] , hierna te noemen [weigerende schuldeiser sub 3] , 4 Stichting Elkien, gevestigd en kantoorhoudende te Heerenveen, gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders, [adres ] , hierna te noemen Elkien, tezamen te noemen ‘de weigerende schuldeisers’, tot het bevelen van voornoemde schuldeiser(s) in te stemmen met een schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet. 1 De procedure 1.1. [verzoeker] heeft op twee verzoeken bij de rechtbank ingediend. In de eerste plaats wil [verzoeker] dat de rechtbank de weigerende schuldeisers een dwangakkoord oplegt. Zij moeten dan meewerken aan de schuldregeling van [verzoeker] . Als de rechtbank dit verzoek afwijst, wil [verzoeker] worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). 1.2. LAVG heeft namens Elkien op 5 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. 1.3. Het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord is behandeld op de zitting van 19 augustus 2026. Hierbij zijn verschenen [verzoeker] , [schuldhulpverlener] (schuldhulpverlener), [begeleider van stichting] , [weigerende schuldeiser sub 2] (schuldeiser), [weigerende schuldeiser sub 3] (schuldeiser) en haar echtgenoot [naam] . 1.4. De rechtbank heeft bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen. 2 De feiten 2.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De totale schuldenlast van [verzoeker] is € 31.483,31. [verzoeker] heeft 17 schuldeisers. [verzoeker] heeft met behulp van Bresz een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers waarbij een deel van de schulden wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeisers wordt kwijtgescholden. De gewone schuldeisers krijgen een uitkering van 1,9% en de schuldeisers met voorrang krijgen een uitkering van 3,8%. Het voorstel is gebaseerd op een prognoseakkoord. 2.2. De weigerende schuldeisers zijn niet met dit voorstel akkoord gegaan. In totaal vorderen zij € 19.439,48 van [verzoeker] . Dat is 61,74% van de totale schuldenlast. 2.3. [verzoeker] is een alleenstaande man van 40 jaar. Zijn inkomen bestaat uit een Participatiewet-uitkering van de gemeente. Volgens het verzoekschrift zijn de schulden van [verzoeker] ontstaan in een periode dat [verzoeker] geen vaste woon-of verblijfplaats had en afwisselend verbleef bij ouders en vrienden. Lange tijd is geen aandacht geschonken aan het openen van de post en het betalen van rekeningen. In het verleden heeft [verzoeker] een budgetbeheerder gehad, maar dit was onvoldoende om de zaken onder controle te houden. Per 1 januari 2025 is hij onder beschermingsbewind geplaatst. Hierdoor is op financieel-administratief gebied een stabiele situatie ontstaan. Momenteel woont hij in een ‘housing first’-project van Stichting [stichting] . Daar wordt hij vanuit een vaste woonsituatie begeleid bij de aanpak van zijn overige problemen, waaronder zijn afstand tot de arbeidsmarkt. De schuldhulpverlener van [verzoeker] heeft op de zitting verklaard dat de gemeente [verzoeker] , vanwege het traject bij [stichting] , niet houdt aan zijn sollicitatieverplichting die hoort bij het ontvangen van een Participatiewet-uitkering. Uit het verzoekschrift blijkt dat [verzoeker] snel overvraagd en beperkt belastbaar is. Dat houdt verband met strubbelingen in de relatie met de moeder van zijn kinderen en de omgang en opvoeding van die kinderen. Daarnaast heeft [verzoeker] op de zitting verklaard dat hij kampt met medische problemen als gevolg van een bacterie op zijn hartklep. 3 Het verweer 3.1. Schuldeisers BMN Bouwmaterialen, [weigerende schuldeiser sub 2] , [weigerende schuldeiser sub 3] en Elkien hebben geweigerd om met het voorstel van [verzoeker] in te stemmen. BMN Bouwmaterialen, met een vordering van € 1.493,14, heeft op deze weigering geen nadere toelichting gegeven. De verweren van de overige drie schuldeisers worden hierna besproken. 3.2. De vordering van [weigerende schuldeiser sub 2] bedraagt € 7.085,71 en betreft een huurschuld. Op de zitting heeft [weigerende schuldeiser sub 2] aangevoerd dat [verzoeker] ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst al schulden had en toch de huurovereenkomst is aangegaan. Dit neemt [weigerende schuldeiser sub 2] [verzoeker] kwalijk. Verder heeft [weigerende schuldeiser sub 2] veel tijd en energie gestoken in het vinden van een oplossing voor de huurachterstand, maar [verzoeker] heeft van de hem geboden mogelijkheden om dit af te betalen geen gebruik gemaakt. Daarnaast heeft [verzoeker] overlast veroorzaakt in en om de woning. Tot slot vindt [weigerende schuldeiser sub 2] dat in de toelichting op het voorstel een onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven: [verzoeker] was niet dakloos toen de schulden zijn ontstaan, hij huurde immers een woning van [weigerende schuldeiser sub 2] . 3.3. [weigerende schuldeiser sub 3] is een zus van [verzoeker] . Zij heeft een vordering van € 4.300,00 en deze vordering is ontstaan doordat [weigerende schuldeiser sub 3] aan [verzoeker] geld heeft geleend om een woningontruiming te voorkomen. Op de zitting hebben [weigerende schuldeiser sub 3] en haar echtgenoot verklaard dat [verzoeker] in de afgelopen jaren meerdere mogelijkheden heeft gehad om (een deel van) de lening af te betalen. Zo heeft [verzoeker] gewerkt. Ook heeft hij een periode ingewoond bij zijn ouders. De besparing die [verzoeker] toen had doordat hij geen woonkosten hoefde te betalen in die periode, had hij kunnen gebruiken om zijn zus af te betalen. Dat [verzoeker] in de afgelopen jaren desondanks niets op de vordering heeft ingelost, is niet acceptabel, aldus [weigerende schuldeiser sub 3] . 3.4. De vordering van Elkien bedraagt € 6.560,63 en betreft een huurschuld waarvoor een vonnis is gewezen in 2021. Elkien gaat niet met het voorstel van [verzoeker] akkoord omdat de schade die daardoor zou ontstaan, wordt afgewenteld op haar andere huurders. Daarnaast heeft Elkien erop gewezen dat een substantieel percentage van de schuldeisers niet akkoord is gegaan met het voorstel. Verder is Elkien van mening dat [verzoeker] niet het maximaal haalbare heeft aangeboden wat op financieel vlak van hem verwacht mag worden. [verzoeker] werkt niet, maar de onmogelijkheid om te werken is niet onderbouwd, volgens Elkien. De Wsnp biedt meer waarborgen door het toezicht van de rechter-commissaris en de Wsnp-bewindvoerder. De kans dat [verzoeker] dan aan het werk gaat omdat hij móet, is groter en dus zijn de vooruitzichten voor de schuldeisers in de Wsnp beter, aldus Elkien. 4 De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord. 4.1. De rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord op te leggen toe. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing komt. Beoordelingskader 4.2. Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. De rechtbank moet ten eerste vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank vaststellen dat de weigering om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling onredelijk is. Hierbij moet de rechtbank de belangen van de weigerende schuldeiser(s), de overige schuldeisers en schuldenaar tegen elkaar afwegen. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat een schuldeiser mag weigeren om mee te werken aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling waarbij de schuldenaar maar een deel van de vordering hoeft te betalen. Alleen in bijzondere gevallen kan een schuldeiser gedwongen worden om akkoord te gaan met zo'n betalingsvoorstel. Het is dan aan de schuldenaar om deze bijzondere feiten en omstandigheden te stellen en, waar nodig, te bewijzen. Het moet duidelijk zijn dat de weigering van de schuldeiser om in te stemmen met het akkoord niet redelijk is. Bevoegde instantie 4.3. De rechtbank stelt vast dat het voorstel is ingediend en getoetst door Bresz. Bresz heeft vooral gekeken naar de positie van de schuldeisers wanneer er geen dwangakkoord tot stand zou komen maar een schuldsaneringsregeling zou worden uitgesproken. Bresz is volgens de rechtbank een onafhankelijke en deskundige partij. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorstel goed en betrouwbaar uitgelegd met documenten en voldoende onderbouwd. Maximaal haalbare? 4.4. Het voorstel van [verzoeker] is het maximaal haalbare dat van hem op financieel vlak verwacht mag worden. De rechtbank volgt daarmee het standpunt van Elkien niet. Elkien heeft aangevoerd dat de onmogelijkheid om te werken en daardoor een inkomensstijging te genereren, onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank overweegt dat arbeidsongeschiktheid of een grote afstand tot de arbeidsmarkt doorslaggevend onderbouwd kan worden door, bijvoorbeeld, een medisch rapport of een rapport van een arbeidsdeskundige. Dergelijke stukken zijn bij dit verzoek niet ingebracht. Maar uit de huidige omstandigheden die blijken uit het verzoekschrift en uit wat op de zitting naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat een maximaal aanbod is gedaan. De verklaringen van mevrouw [begeleider van stichting] en de schuldhulpverlener met daarnaast de indruk die [verzoeker] op de zitting heeft gemaakt dragen hieraan bij. De situatie van [verzoeker] is jarenlang onstabiel geweest. Met behulp van, onder meer, [stichting] probeert hij nu de weg omhoog te vinden, maar daarvan zijn slechts de eerste stappen gezet. De kans dat [verzoeker] de komende 18 maanden een baan vindt met een zodanig salaris dat de huidige uitkering ver wordt overstegen, acht de rechtbank daarom klein. Deze regeling is gunstiger dan de Wsnp 4.5. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat als [verzoeker] zou worden toegelaten tot de Wsnp, zijn schuldeisers aan het einde van de Wsnp geen hogere uitkering kunnen verwachten dan in de aangeboden schuldregeling. Hoewel het huidige aanbod minimaal is, is de reële verwachting dat na afloop van een Wsnp-traject helemaal niets kan worden uitgekeerd. De Wsnp leidt immers tot hogere kosten, doordat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. De bemiddelingskosten die Bresz in rekening brengt zijn lager dan de kosten van een bewindvoerder in de Wsnp. Hierdoor blijft in de schuldregeling een hoger bedrag over voor de schuldeisers dan in de Wsnp. Voor de schuldeisers is het huidige aanbod dus gunstiger. Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers 4.6. De schuldeisers die wel met het voorstel van [verzoeker] hebben ingestemd, vertegenwoordigen samen ongeveer 38% van de totale schuldenlast. Omdat [verzoeker] een maximaal haalbaar voorstel heeft gedaan en de Wsnp geen beter vooruitzicht biedt, moeten de belangen van deze schuldeisers zwaarder wegen dat de belangen van verweerders, ondanks het feit dat zij een groter percentage in de schuldenlast vertegenwoordigen. 4.7. [weigerende schuldeiser sub 3] heeft aangevoerd dat [verzoeker] de afgelopen jaren meerdere mogelijkheden heeft gehad om de vordering van [weigerende schuldeiser sub 3] geheel of gedeeltelijk af te lossen. Voor zover dit verweer moet worden opgevat als een beroep op het ontbreken van de goede trouw, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank wijst op het uitgangspunt dat aan het aspect van de goede trouw pas wordt toegekomen, als het dwangakkoord zou worden afgewezen. Uit HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966, volgt immers dat toewijsbaarheid van het Wsnp-verzoek geen vereiste is voor toewijsbaarheid van een dwangakkoord. Dat betekent overigens niet dat de goede trouw geen enkele rol kan spelen in deze procedure, maar de rechtbank zal dit aspect slechts marginaal in haar oordeel betrekken. Dit staat een vergelijking van het akkoord met de opbrengsten van een Wsnp-traject naar het oordeel in ieder geval niet in de weg. 4.8. Omdat het aanbod van [verzoeker] goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, voldoende is onderbouwd, de Wsnp de weigerende schuldeisers geen beter vooruitzicht biedt dan de aangeboden schuldregeling en de overige schuldeisers met het voorstel hebben ingestemd, is de rechtbank van oordeel dat de weigering van [weigerende schuldeiser sub 3] om akkoord te gaan niet redelijk is. Op basis van de belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal toewijzen. 4.9. Omdat het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, hoeft het verzoek tot toelating tot de Wsnp niet meer besproken te worden. De rechtbank beschouwt het verzoek tot toelating tot de Wsnp als ingetrokken. 5 De beslissing 5.1. beveelt BMN Bouwmaterialen, [weigerende schuldeiser sub 2] , [weigerende schuldeiser sub 3] en Elkien in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling; Dit is de beslissing van mr. H.J. Idzenga, rechter, in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026. Hoger beroep Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.