# Rechtbank Overijssel, 11-09-2026 (C/08/350876 / JE RK 26-1376)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Overijssel
- Identifier: ECLI:NL:RBOVE:2026:5706
- Date: 2026-09-11
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBOVE%3A2026%3A5706
- Canonical: https://overview.legal/posts/425198

## Summary

De kinderrechter heeft de schriftelijke aanwijzing van de GI deels bekrachtigd.

## Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Familie- en Jeugdrecht Locatie Almelo Zaaknummer: C/08/350876 / JE RK 26-1376 Datum uitspraak: 11 september 2026 Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing in de zaak van [de moeder], hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1], advocaat mr. R.F.P. Scheele over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2], advocaat mr. L.L. van Dijk, en William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , de gecertificeerde instelling, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoek van mr. Scheele (met bijlagen), ontvangen op 19 augustus 2026; het verweer van de GI (met bijlagen), ontvangen op 31 augustus 2026. 1.2. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 september 2026, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaken met zaaknummers 351256 en 351249. Verschenen en gehoord zijn: - de vader (via Teams), bijgestaan door mr. Van Dijk; - de moeder, bijgestaan door mr. Scheele; - [naam 1] en [naam 2] namens de GI. De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleidster van moeder. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. 2.2. [minderjarige] verblijft samen met haar vader bij de Ouder-Kind Behandelgroep (OKB) van Ambiq in Almelo. 2.3. Bij beschikking van 7 september 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, tot 19 september 2027. 2.4. Bij beschikking van 7 september 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend bij vader met gezag voor de duur van twee weken, tot 21 september 2026 en iedere verdere beslissing aangehouden. 2.5. Bij beschikking van 11 september 2026 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend bij vader met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 19 september 2027. 3 Het verzoek 3.1. De GI heeft de moeder op 5 augustus 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Hierin is het volgende opgenomen: Wanneer u boos of verdrietig bent vertoont u deze emoties niet in het bijzijn van [minderjarige]. Op 5 augustus hebben wij afgesproken dat wanneer uw emoties oplopen u wegloopt van de situatie, [minderjarige] blijft dan bij begeleiding en u gaat afkoelen totdat het u lukt om uw emoties te parkeren totdat er een gesprek met begeleiders hierover kan plaatsvinden. Wanneer u boos of verdrietig bent, bent u niet alleen met [minderjarige], er is altijd een jeugdprofessional die de zorgtaken overneemt. U gaat wanneer u ontevreden bent over zaken in gesprek met de begeleiders van het OKC van Ambiq. U kunt de jeugdbeschermer of uw begeleider vanuit de WMO vragen om hierbij aan te sluiten; U werkt samen met de begeleiding van Ambiq om [minderjarige] te kunnen bieden wat zij nodig heeft. Dit betekend dat u met hen overlegt en hun adviezen opvolgt; U zegt geen omgangsmomenten tussen de vader van [minderjarige] en [minderjarige] meer af; Omgangsmomenten die onverhoopt toch niet door kunnen gaan worden ingehaald, bij voorkeur dezelfde week; U spreekt in het bijzijn van [minderjarige] niet negatief over haar vader en/ of de omgangsmomenten. 3.2. De moeder verzoekt om de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren, dan wel een beslissing te nemen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht. De moeder verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De moeder stelt dat de opstelling van de GI en het verblijf bij het OKC triggers zijn voor haar gedrag, en dat zij zonder die triggers in staat is [minderjarige] op goede wijze op te voeden en haar emoties (voldoende) te reguleren. 4 Het verweer van de GI 4.1. De moeder verblijft met [minderjarige] sinds juni 2026 binnen het OKC van Ambiq. Daar maken begeleiders zich zorgen over het gedrag van moeder. Het lukt moeder niet om haar emoties te reguleren. De moeder vertoont dit gedrag regelmatig binnen het OKC. Sinds de schriftelijke aanwijzing laat moeder [minderjarige], bij oplopende spanning, achter bij de begeleiding van het OKC. De moeder neemt dan even afstand. [minderjarige] en haar omgeving worden hierdoor minder belast met de emoties van moeder. Toch lukt het de moeder niet om een blijvende verandering aan te brengen. De gesprekken die meerdere keren hebben plaatsgevonden over de emoties van moeder hebben niet tot verbetering geleid en werken eigenlijk averechts. Hierdoor is de plaatsing van moeder en [minderjarige] bij het OKC onder druk komen te staan. Het OKC heeft de moeder één laatste kans gegeven. Inmiddels is deze situatie geëscaleerd en heeft het OKC de samenwerking beëindigd. De GI herkent zich niet in de punten die moeder benoemt in het beroepschrift. De GI betreurt de manier waarop de advocaat van de moeder verwijten maakt naar de GI. Wat de moeder aanvoert gaat niet over de gevolgen voor [minderjarige] en de inhoud van het proces, maar zijn voornamelijk gericht op beschuldigingen, die niet gebaseerd zijn op feiten, richting de GI en de kinderrechter. 5 De beoordeling Het wettelijk kader 5.1. De GI kan ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(s) niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het hulpverleningsplan of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. De met het gezag belaste ouder(s) en de minderjarige volgen de schriftelijke aanwijzing op. De kinderrechter kan op verzoek van een met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt. 5.2. Het geven van een schriftelijke aanwijzing is een vrij ingrijpende beslissing waartoe pas moet worden overgegaan als de gewenste medewerking van de met gezag belaste ouder niet door overleg en overreding kan worden bereikt. De aanwijzing moet in elk geval het doel van de ondertoezichtstelling dienen en mag niet in strijd zijn met het recht. Daarvoor dient beoordeeld te worden of het besluit van de GI zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd. Ook dient bekeken te worden of de betrokken belangen zijn afgewogen en of de GI het besluit in redelijkheid heeft kunnen nemen. De ontvankelijkheid 5.3. De kinderrechter constateert dat de moeder het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing binnen twee weken na de dag waarop de aanwijzing is verzonden, heeft ingediend. Dit betekent dat de moeder ontvankelijk is in het verzoek. Het oordeel van de rechtbank 5.3. Naar het oordeel van de kinderrechter heeft de GI haar bevoegdheid om een schriftelijke aanwijzing te geven op een juiste wijze aangewend. Uit de schriftelijke aanwijzing is gebleken dat de GI de schriftelijke aanwijzing heeft gegeven na het horen van de standpunten van de betrokkenen. De GI heeft haar schriftelijke aanwijzing ook goed gemotiveerd. Zij heeft de noodzaak voor de gegeven aanwijzingen en het doel van deze aanwijzingen duidelijk aan de moeder uitgelegd. 5.4. De kinderrechter stelt vast dat door de moeder een verzoek is gedaan tot het geheel dan wel gedeeltelijk vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing. De vraag die voorligt bij de kinderrechter is dus of de schriftelijke aanwijzing van de GI – al dan niet deels – vervallen moet worden verklaard of niet. 5.5. De kinderrechter overweegt het volgende. De GI heeft in totaal zes aanwijzingen opgenomen in de schriftelijke aanwijzing. Een deel hiervan (de eerste drie aanwijzingen) zien op het verblijf van moeder binnen het OKC. De laatste drie aanwijzingen zien op algemene afspraken rondom de omgang met vader en de medewerking van de moeder. De kinderrechter stelt vast dat de moeder sinds 7 september 2026 niet meer met [minderjarige] bij het OKC van Ambiq in Enschede verblijft. Het OKC heeft de samenwerking met de moeder beëindigd. De moeder heeft regelmatig moeite met het reguleren van haar emoties en [minderjarige] heeft hier vervolgens heel veel last van. Dit is terug te zien in gedrag van [minderjarige]. De moeder kan niet terug naar het OKC. Dit is ook niet betwist door de moeder. Daarom zal de kinderrechter de eerste drie aanwijzingen die specifiek zien op het verblijf in het OKC afwijzen, omdat deze niet langer ten uitvoer kunnen worden gelegd. 5.6. Inmiddels verblijft [minderjarige] – door middel van een machtiging tot uithuisplaatsing – met haar vader bij het OKB van Ambiq in Almelo. Uit verslaglegging van verschillende betrokken hulpverleningsinstanties (Curess, ASH, Inzicht Twente) en het raadsrapport uit 2025, blijkt dat moeder moeite heeft met haar emotie regulatie Dit uit zich ook in hevige weerstand tegen hulpverlening. Ondanks dat nu sprake is van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader, blijft de samenwerking van de moeder met de GI en de hulpverlening belangrijk, net als de samenwerking van de moeder met de vader. Het blijft dus van belang dat de moeder de schriftelijke aanwijzing voor wat betreft de omgang en de communicatie met [minderjarige] blijft opvolgen. [minderjarige] heeft behoefte aan stabiliteit, rust en duidelijkheid. Daarom zijn de schriftelijke aanwijzingen van de GI die hierop gericht zijn nodig. Dit betekent dat de volgende aanwijzingen worden bekrachtigd: U zegt geen omgangsmomenten tussen de vader van [minderjarige] en [minderjarige] meer af; Omgangsmomenten die onverhoopt toch niet door kunnen gaan worden ingehaald, bij voorkeur dezelfde week; U spreekt in het bijzijn van [minderjarige] niet negatief over haar vader en/ of de omgangsmomenten. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 5 augustus 2026, met uitzondering van de volgende aanwijzingen: Wanneer u boos of verdrietig bent vertoont u deze emoties niet in het bijzijn van [minderjarige]. Op 5 augustus hebben wij afgesproken dat wanneer uw emoties oplopen u wegloopt van de situatie, [minderjarige] blijft dan bij begeleiding en u gaat afkoelen totdat het u lukt om uw emoties te parkeren totdat er een gesprek met begeleiders hierover kan plaatsvinden. Wanneer u boos of verdrietig bent, bent u niet alleen met [minderjarige], er is altijd een jeugdprofessional die de zorgtaken overneemt; U gaat wanneer u ontevreden bent over zaken in gesprek met de begeleiders van het OKC van Ambiq. U kunt de jeugdbeschermer of uw begeleider vanuit de WMO vragen om hierbij aan te sluiten; U werkt samen met de begeleiding van Ambiq om [minderjarige] te kunnen bieden wat zij nodig heeft. Dit betekend dat u met hen overlegt en hun adviezen opvolgt. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. J.L. Souman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Albers als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. Artikel 1:263 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 1:263 lid 2 BW. Artikel 1:264 lid 1 BW. Artikel 1:264 lid 3 BW. Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/425198 · 2026-10-02
