# Rechtbank Amsterdam, 22-09-2026 (12169633 \ CV EXPL 26-5042)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9609
- Date: 2026-09-22
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9609
- Canonical: https://overview.legal/posts/425200
- Topics: Public Authority

## Summary

Oneerlijke handelspraktijk door te adverteren met ‘100%-geld-terug-garantie’ voor het verwijderen van een BKR-registratie, maar vervolgens geen geld terug te betalen als de verwijdering niet is gelukt. Buitengerechtelijke vernietiging. Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 12169633 \ CV EXPL 26-5042 Vonnis van 22 september 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. M.A. Krieger, tegen 1 [gedaagde 1] B.V., 2. [gedaagde 2] B.V., beiden gevestigd te gemeente [gemeente], hierna te noemen: [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2], 3. [gedaagde 3] , wonende te [woonplaats 2], hierna te noemen: [gedaagde 3], gedaagde partijen, hierna samen te noemen: gedaagden, gemachtigde: [gemachtigde]. De zaak in het kort [eiser] heeft met [gedaagde 1] overeenkomsten gesloten voor het verwijderen van zijn negatieve BKR-registratie. Het is [gedaagde 1] niet gelukt om de BKR-registratie te verwijderen. [gedaagde 1] weigert het betaalde bedrag aan [eiser] terug te betalen, terwijl zij op haar website adverteert met een 100%-geld-terug-garantie als verwijdering niet lukt. De kantonrechter oordeelt dat die handelswijze misleidend is en dat [gedaagde 1] daarmee een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht. Om die reden zijn de overeenkomsten vernietigbaar. Omdat [eiser] de overeenkomsten buitengerechtelijk heeft vernietigd, moet [gedaagde 1] de betaalde bedragen aan [eiser] terugbetalen. De vorderingen tegenover de andere gedaagden worden afgewezen. Dat wordt hierna uitgelegd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 18 maart 2026, met producties, - de conclusie van antwoord, met producties, - het instructievonnis 28 april 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald, - de aanvullende producties van de zijde van [eiser]. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 september 2026. [eiser] is verschenen met zijn gemachtigde. Namens de gedaagden is de gemachtigde verschenen. De gemachtigden van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Partijen zijn vervolgens gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. [gedaagde 1] is een bedrijf dat (juridische) werkzaamheden verricht op het gebied van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), waaronder het verwijderen van negatieve Bureau Krediet Registratie-registraties (hierna: BKR-registratie(s)). 2.2. [gedaagde 1] adverteert op haar website met, onder meer, de volgende reclames: ‘ 100% verwijdergarantie. Codering niet verwijderd? Geld terug! ’ en ‘ Wordt uw negatieve BKR-registratie niet verwijderd? Dan ontvangt u uw volledige investering terug. Geen gedeeltelijke restitutie. Geen ingewikkelde voorwaarden. Geen kleine lettertjes. Gewoon 100% geld terug. ’ 2.3. [eiser] heeft [gedaagde 1] in 2024 benaderd voor het verwijderen van zijn negatieve BKR-registratie, afkomstig van de ING Bank N.V. (hierna: de ING). Naar aanleiding daarvan hebben partijen een telefonisch intakegesprek gevoerd, waarin de achtergrond van de BKR-registratie en de vervolgstappen zijn besproken. 2.4. [gedaagde 1] heeft vervolgens een ‘ opdracht tot dienstverlening minnelijke procedure ’ aan [eiser] verstuurd, gedateerd op 14 maart 2024 (hierna: de eerste overeenkomst). Op die overeenkomst zijn de ‘algemene voorwaarden Coderingsverwijderingsspecialist’ van toepassing verklaard. In die overeenkomst staat dat het gaat om een inspanningsverplichting en dat het niet mogelijk is om 100% garantie te bieden. Ook staat er in dat de kosten voor de opdracht € 1.306,- bedragen. Dat bedrag heeft [eiser] voldaan. 2.5. [gedaagde 1] heeft een verwijderingsverzoek ingediend bij de ING. Dit verzoek is bij brief van 12 april 2024 afgewezen. 2.6. Partijen hebben naar aanleiding van deze afwijzing met elkaar gesproken. Vervolgens heeft [gedaagde 1] geconstateerd dat [eiser] door de ING in het Interne Verwijzingsregister (IVR) van de ING was geplaatst. 2.7. [gedaagde 1] heeft daarna een ‘ opdracht tot dienstverlening onterechte codering ’ aan [eiser] verstuurd, gedateerd op 7 mei 2024. In die overeenkomst staat dat de kosten voor de opdracht € 450,- bedragen. Ook dit bedrag heeft [eiser] aan [gedaagde 1] betaald. 2.8. Bij brief van 9 juli 2024 heeft [gedaagde 1] verzocht om inzage in de IVR-registratie. Die informatie is bij brief van 27 augustus 2024 door de ING verstrekt. [eiser] heeft vervolgens desgevraagd via de online omgeving van [gedaagde 1] een toelichting gegeven op die door de ING verstrekte gegevens. 2.9. Op 28 oktober 2024 heeft op het kantoor van Zomer Advocaten in Oosterhout een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. Daarbij is besproken hoe kansrijk een eventuele juridische procedure zou zijn en welke vervolgstappen daarvoor genomen moesten worden. 2.10. Vervolgens heeft [gedaagde 1] bij e-mail van 1 november 2024 aan [eiser] laten weten dat zij een advocaat had gevonden die bereid was om de zaak aan te nemen. [gedaagde 1] heeft in de e-mail aangegeven dat [eiser] daarvoor in totaal € 4.650,- inclusief btw moest betalen (€ 3.850,- aan advocaatkosten en € 800,- aan meerkosten voor [gedaagde 1]). Dit bedrag heeft [eiser] in twee termijnen aan [gedaagde 1] betaald. 2.11. De advocaat heeft op 16 oktober 2024 een opdrachtbevestiging aan [eiser] gestuurd. Daarin staat dat [eiser], al dan niet via [gedaagde 1], opdracht heeft gegeven tot het verrichten van juridische diensten voor het verwijderen van de BKR-registratie. Ook staat er in dat de opdracht los staat van de overeenkomst die [eiser] met [gedaagde 1] heeft gesloten. 2.12. Er is geen gerechtelijke procedure gevoerd door de advocaat. Wel heeft de advocaat bij factuur van 5 maart 2025 een honorarium van € 853,05 (inclusief btw) bij [gedaagde 1] in rekening gebracht voor de door hem verrichte werkzaamheden. 2.13. De IVR-registratie is rond 11 april 2025 door de ING verwijderd. 2.14. [gedaagde 1] heeft de ING bij brief van 31 juli 2025 opnieuw verzocht om de BKR-registratie te verwijderen. Dit verzoek is opnieuw geweigerd. 2.15. Eind 2025 heeft [eiser] zich tot zijn (huidige) gemachtigde gewend. Vervolgens heeft de gemachtigde, namens [eiser], bij brief van 28 november 2025 de overeenkomsten buitengerechtelijk vernietigd. Hij heeft daarbij verzocht om binnen vijf dagen een gedeelte van de betaling (€ 5.552,95) terug te betalen. [gedaagde 1] heeft die vernietiging bij brief van 24 december 2025 geweigerd. Partijen hebben daarna gesproken over een minnelijke regeling, zonder resultaat. 2.16. De BKR-registratie is inmiddels (door inspanningen van de huidige gemachtigde van [eiser]) verwijderd. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert, kort gezegd, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: Primair a. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van: i. € 6.406,- aan hoofdsom, met rente over een gedeelte (€ 5.552,95) van dit bedrag vanaf 3 december 2025, ii. € 652,65 aan buitengerechtelijke incassokosten, met rente, (meer) subsidiair voor zover nodig de tussen [eiser] en [gedaagde 1] gesloten overeenkomsten te vernietigen, gedaagden hoofdelijk, dan wel [gedaagde 1], te veroordelen zoals hiervoor weergeven onder 3.1. sub a onder i en ii, In alle gevallen gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, met rente. 3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de overeenkomsten vernietigbaar zijn vanwege schending van de informatieplichten, een oneerlijke handelspraktijk en/of dwaling. De overeenkomsten zijn door de gemachtigde van [eiser] buitengerechtelijk vernietigd en daarom moet [gedaagde 1] de betaalde bedragen terugbetalen, met rente en kosten. Die veroordeling tot betaling moet hoofdelijk uitgesproken worden, omdat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] als bestuurders in persoon aansprakelijk zijn, aldus steeds [eiser]. 3.3. Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten dat de overeenkomsten vernietigbaar zijn. Gedaagden stellen dat [gedaagde 1] de gemaakte afspraken is nagekomen en zich voldoende heeft ingespannen om de BKR-registratie te verwijderen, waardoor zij recht heeft op het volledige bedrag. Volgens hen hanteert [gedaagde 1] een vaste prijs en is [eiser] daarover steeds van tevoren, zowel telefonisch als schriftelijk, geïnformeerd. Daarnaast is in de overeenkomst duidelijk vermeld dat het gaat om een inspanningsverplichting en is er geen 100%-garantie geboden. Van misleiding, bedrog of dwaling is volgens gedaagden dus geen sprake. Bovendien betogen gedaagden dat [eiser] bij het aangaan van de overeenkomst verkeerde informatie heeft verstrekt over de reden voor de BKR-registratie, wat het verwijderen daarvan bemoeilijkt heeft, en dat hij de overeenkomst zelf vroegtijdig heeft beëindigd. Tot slot stellen gedaagden dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen tegen [gedaagde 3] en [gedaagde 2], omdat niet is voldaan aan de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan. 4 De beoordeling Oneerlijke handelspraktijk 4.1. Omdat [gedaagde 1] handelaar is en [eiser] de overeenkomsten als consument heeft gesloten, is het consumentenrecht, waaronder de wettelijke bepalingen over oneerlijke handelspraktijken, van toepassing. In de wet staat dat een handelaar onrechtmatig jegens een consument handelt indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is. Van een oneerlijke handelspraktijk is sprake als (a) een handelaar handelt in strijd met de vereisten van professionele toewijding en (b) het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. Een handelspraktijk is (onder meer) in het bijzonder oneerlijk als een handelaar een misleidende handelspraktijk verricht. 4.2. Vast staat dat [gedaagde 1] op haar website momenteel adverteert met een ‘geen resultaat, 100% geld terug garantie’ (hierna: de succes-garantie). Een dergelijke garantie wordt ook wel ‘ no cure, no pay’ genoemd en kan misleidend zijn op het moment dat de handelaar weigert om het geld terug te betalen als het gewenste resultaat niet is bereikt. [eiser] heeft betoogd dat hij de overeenkomsten vanwege de succes-garantie is aangegaan. Volgens [gedaagde 1] klopt dat niet, omdat de succes-garantie volgens haar toen nog niet op haar website stond. Maar [gedaagde 1] heeft dat standpunt verder op geen enkele wijze onderbouwd. Dat had tegenover de gemotiveerde stellingen van [eiser] wel op haar weg gelegen. Dat geldt in dit geval eens te meer, nu de bewijslast op [gedaagde 1] als handelaar ligt. Omdat [gedaagde 1] haar standpunt onvoldoende heeft onderbouwd, wordt daaraan voorbijgegaan en wordt aan nadere bewijslevering niet toegekomen. Bij die stand van zaken wordt er dan ook vanuit gegaan dat [gedaagde 1] ook al met de succes-garantie adverteerde op het moment dat [eiser] de overeenkomsten sloot. De succes-garantie 4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] voor het verwijderen van de BKR-registratie in totaal € 6.406,- aan [gedaagde 1] heeft betaald. Dat bedrag bestaat uit verschillende betalingen voor (buitengerechtelijke) dienstverlening door [gedaagde 1] en voor het gerechtelijke traject met de advocaat. Ook staat het vast dat de werkzaamheden van [gedaagde 1] en de advocaat niet tot verwijdering van de BKR-registratie hebben geleid. [gedaagde 1] heeft geadverteerd met volledige terugbetaling als het niet zou lukken om de BKR-registratie te verwijderen, maar weigert toch om het geld aan [eiser] terug te betalen. Zij verricht daarmee een oneerlijke handelspraktijk. 4.4. Dat, zoals [gedaagde 1] heeft aangevoerd, in de getekende overeenkomst staat dat er geen garantie kan worden gegeven, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. [gedaagde 1] heeft met de succes-garantie geadverteerd en zij heeft daarmee klanten aangetrokken. [gedaagde 1] kan tegenover die expliciete en ongeclausuleerde 100%-geld-terug-reclame op haar website vervolgens niet volstaan met het opnemen van een enkel artikel (verstopt) in de overeenkomst dat er toch géén garantie zou worden gegeven. Voor zover [gedaagde 1] heeft willen aanvoeren dat de succes-garantie afhankelijk is van de juistheid/volledigheid van door de consument aangeleverde informatie, maakt dat het oordeel niet anders. Niet alleen is dit standpunt verder op geen enkele wijze onderbouwd, maar bovendien had het in dat geval op haar weg gelegen om dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst duidelijk en expliciet bij [eiser] onder de aandacht te brengen. Dat is niet gebleken. 4.5. Voor zover [gedaagde 1] heeft bedoeld aan te voeren dat zij haar garantie niet heeft kunnen nakomen, omdat [eiser] de overeenkomsten vroegtijdig buitengerechtelijk heeft vernietigd, wordt zij evenmin gevolgd. Tussen de aanvang van de eerste overeenkomst (maart 2024) en de buitengerechtelijke vernietiging (november 2025) heeft ongeveer anderhalf jaar gezeten, zonder het gewenste resultaat. Daarnaast was het gerechtelijke traject (waar in oktober 2024 op is aangestuurd) op het moment van de buitengerechtelijke vernietiging nog niet eens gestart, terwijl [eiser] daar al wel voor had betaald. Verder blijkt uit de overgelegde urenstaat van [gedaagde 1] dat zij het dossier al op 18 november 2025, dus vóór de buitengerechtelijke vernietiging, intern had gesloten. 4.6. Daar komt nog eens bij dat [eiser] bij de eerste overeenkomst al € 1.306,- had betaald voor het verwijderen van de BKR-registratie. In de overtuiging dat er een succes-garantie was, heeft [gedaagde 1] hem vervolgens tot twee keer toe aanzienlijke bedragen laten bijstorten. Dit terwijl de BKR-registratie nog steeds niet verwijderd was. Onder die omstandigheden kon van [eiser] niet gevergd worden dat hij nog langer zou afwachten. Dat [gedaagde 1] met haar inspanningen resultaat heeft geboekt, zoals het verwijderen van de IVR-registratie, laat onverlet dat het doel waarvoor de overeenkomsten waren gesloten, niet bereikt is. Het doel was immers om de BKR-registratie te verwijderen. In hoeverre [eiser] open kaart heeft gespeeld over de achtergrond van de BKR-registratie kan verder in het midden blijven. Het had op de weg van [gedaagde 1], die als professionele partij vaker met zulke zaken te maken heeft, gelegen om [eiser] van tevoren deugdelijk te informeren over het belang van volledige informatieverschaffing en wat de gevolgen zouden zijn van het niet voldoen daaraan. Niet gebleken is dat zij aan die verplichting heeft voldaan. Vernietiging en gevolgen 4.7. De conclusie is dan ook dat [gedaagde 1] een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht en dat de overeenkomsten op grond daarvan tot stand zijn gekomen. De overeenkomsten zijn daarom vernietigbaar. [eiser] kon de overeenkomsten dan ook buitengerechtelijk vernietigen. Zijn gemachtigde heeft dit namens hem bij brief van 28 november 2025 gedaan, ten aanzien van álle overeenkomsten. Die vernietiging heeft terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop de overeenkomsten zijn gesloten. 4.8. De kantonrechter ziet onvoldoende aanleiding om aan de vernietiging deels haar werking te ontzeggen. Ook voor toekenning van een redelijk loon ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding. [gedaagde 1] zou daarmee in zekere mate profiteren van haar misleidende handelspraktijk en dat is niet wenselijk. 4.9. Dit betekent dat [gedaagde 1] de betaalde € 6.406,- aan [eiser] moet terugbetalen. Dat deel van de vordering wordt dan ook toegewezen. De tegen de andere gedaagden ingestelde vorderingen worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat is voldaan aan de (hoge) drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid. Zo is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde 1] onvoldoende verhaal biedt, noch anderszins voldoende gesteld dat de andere gedaagden onrechtmatig jegens [eiser] zouden hebben gehandeld. 4.10. Omdat de overeenkomsten op grond van het voorgaande zijn vernietigd, bestaat er geen aanleiding te toetsen in hoeverre aan de overige verplichtingen uit het consumentenrecht is voldaan en kan in het midden blijven of sprake is van dwaling. Wettelijke rente 4.11. [eiser] vordert rente over een gedeelte van het totaal bedrag; namelijk over € 5.552,95. De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde 1] bij de vernietigingsbrief van 28 november 2025 verzocht om voornoemd bedrag binnen vijf dagen te betalen. [gedaagde 1] heeft dit niet gedaan, waardoor zij in verzuim is geraakt. De gevorderde rente wordt om die reden, zoals gevorderd, toegewezen vanaf 3 december 2025. De buitengerechtelijke incassokosten 4.12. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 652,65 worden toegewezen. Omdat [eiser] niet heeft gesteld wanneer de buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt, wordt de gevorderde rente daarover toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. De proceskosten 4.13. [gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde 1] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten . De proceskosten van [eiser] worden begroot op: € 957,-, bestaande uit het griffierecht (€ 93,-), het salaris van de gemachtigde (2 punten x € 360,-) en de nakosten (€ 144,-). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen: a. € 6.406,- aan hoofdsom, b. de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 5.552,95 vanaf 3 december 2025 tot aan de dag van volledige betaling, c. € 652,65 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 957,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.B. Cramwinckel, kantonrechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026 64183 Artikel 6:193b Burgerlijk Wetboek (BW). Als bedoeld in de artikelen 6:193c tot en met 6:193g BW. Artikel 6:193j lid 1 BW. Artikel 6:193j lid 3 BW. Artikel 3:53 BW. Artikel 3:53 lid 2 BW. 7:411 BW.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/425200 · 2026-10-02
