# Rechtbank Amsterdam, 09-09-2026 (13-151639-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9493
- Date: 2026-09-09
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9493
- Canonical: https://overview.legal/posts/425201
- Topics: Personal Data, Public Authority

## Summary

Executie-EAB uit Roemenië. Artikel 12 OLW: er is niet voldaan aan de vereisten van artikel 12, onder b, OLW nu niet is gebleken dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zittingen die tot zijn veroordeling hebben geleid. De rechtbank ziet echter af van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon was immers op de hoogte van de verdenking en het lopende strafproces en had daarover contact met zijn advocaat. Het had op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om navraag te doen over de uitspraak bij zijn advocaat. Artikel 11 OLW: het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-151639-26 Datum uitspraak: 9 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 2 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 mei 2026 door the Suceava Tribunal , Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Roemenië), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres], nu gedetineerd in het [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Suceava Tribunal van 18 maart 2026 met kenmerk 884/86/2024. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en twee maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Roemenië. De straf resteert in het geheel. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Op 21 mei 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) arrest gewezen in de zaak Khuzdar . De rechtbank overweegt dat uit dit arrest volgt dat de in artikel 12, sub b, OLW opgenomen bepaling dat “de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen proces” aldus moet worden uitgelegd dat vereist is dat de verdachte in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces. Tegelijkertijd volgt uit het arrest dat het feit dat de betrokkene niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld, niet noodzakelijkerwijs betekent dat niet aan de voorwaarde ‘dat hij in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid, is voldaan. In dat geval moet bij de beoordeling of de betrokkene vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, worden nagegaan of zijn verdedigingsrechten zijn geëerbiedigd. Hierbij dienen alle omstandigheden in aanmerking te worden genomen, waaronder het gedrag van de betrokkene. Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie van 14 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 17 juli 2026 onder andere de volgende aanvullende informatie verstrekt: "For the first trial date of 14.10.2024, the defendant [de opgeëiste persoon] was summoned both at his residence and by posting on the court door. At the hearing on 14.10.2024, the defendant [de opgeëiste persoon] hired his chosen defence attorney, in the person of attorney Bulboaca loan, who represented him in court throughout the judicial investigation, meaning that he was not summoned again, the defendant taking note of the term, according to the provisions of art. 353 Criminal Procedure Code of Romania; (...) As stated in the European arrest warrant issued by the Suceava Court, the convicted person [de opgeëiste persoon], in the public hearings that took place at the Suceava Tribunal, was assisted and represented by his chosen defender, lawyer Bulboaca loan. We are sending you, in copy, the power of attorney dated 14.10.2024 attached to file no. 884/86/2024 of the Suceava Court, from which it results that the lawyer Bulboaca loan was empowered by the said [de opgeëiste persoon] based on the legal assistance contracts to exercise assistance, representation and requests services before the court. At the trial date of 10.11.2025 the lawyer Bulboaca Ioan requested the court to grant a term in December 2025 for debates, specifying that the defendant [de opgeëiste persoon] comes to the country on December 1, 2025 and stays until the end of the month, thus resulting in the fact that the defendant, even if he was not present before the court, was aware of all the terms granted in the case, constantly contacting his defence attorney. On 21.01.2026, the defendant [de opgeëiste persoon] sent to the file, by e-mail, an address, to be taken into account by the judge when resolving the case, by which he declared that he recognizes and regrets the acts committed, as described in the indictment of the case. Regarding the communication of the criminal sentence no. 90 of 18.03.2026, this was done both at his domicile and by posting it at the court door. The communication of the sentence at the defendant’s domicile was done by posting the notice at the domicile address, the defendant not being found at the domicile address. (...) As the defendant [de opgeëiste persoon] did not appear at court for service of the procedural document within the stipulated deadline, as he was informed by the notice posted at his home, decision no. 90, of 18.03.2026 pronounced by the Suceava Court remained final due to non-appeal on 15.04.2026.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de zittingsdatum en door zijn advocaat in Roemenië niet op de hoogte is gesteld van de uitkomst van de procedure. De overlevering moet worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat sprake is van een situatie als genoemd in artikel 12, onder b, OLW. De opgeëiste persoon is weliswaar alleen voor de eerste zitting opgeroepen, maar later in de procedure heeft hij een bekennende verklaring toegestuurd aan de rechtbank in Roemenië. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de procedure. Daarnaast is de opgeëiste persoon in de procedure in Roemenië vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde advocaat. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen. Hij heeft zelf de keuze gemaakt om niet aanwezig te zijn bij latere zittingen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. Uit de verstrekte informatie begrijpt de rechtbank dat sprake is geweest van meerdere zittingen en dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij alle zittingen die tot die beslissing hebben geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk in kennis is gesteld van alle zittingen, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De uitvaardigende autoriteit heeft niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. Wat artikel 12, onder b, OLW betreft stelt de rechtbank op grond van de aanvullende informatie van 17 juli 2026 vast dat sprake is geweest van een door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat die daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. Op grond van deze informatie en de verklaring van de opgeëiste persoon tijdens de zitting stelt de rechtbank voorts vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het tijdstip en de plaats van de zitting op 14 oktober 2024. Uit de verstrekte informatie blijkt voorts dat de opgeëiste persoon niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld van de daaropvolgende zittingen. Op grond van die informatie is het voor de rechtbank onvoldoende duidelijk of de opgeëiste persoon op andere wijze op de hoogte is geraakt van die opvolgende zittingen. Gelet hierop concludeert de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gesteld, dat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 12, onder b, OLW nu niet is gebleken dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zittingen die tot zijn veroordeling hebben geleid. Dit betekent dat de rechtbank in dit geval de overlevering op grond van artikel 12 OLW kan weigeren. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Er was sprake van een gemachtigde advocaat die op de zittingen is verschenen en de opgeëiste persoon heeft tijdens de procedure contact gehad en gehouden met die advocaat. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon, volgens hem op advies van zijn advocaat, op 21 januari 2026 een bekennende verklaring verstuurd aan de rechter in de Roemeense procedure. In verband met het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was immers op de hoogte van de verdenking en het lopende strafproces en had daarover contact met zijn advocaat. De verklaring van de opgeëiste persoon dat zijn advocaat hem niet op de hoogte heeft gesteld van de veroordeling, leidt niet tot een ander oordeel. Het had dan op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om hierover navraag te doen bij zijn advocaat. Artikel 12 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 5 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het lijstfeit niet in redelijkheid heeft aangekruist. De cannabis was volgens de opgeëiste persoon van een zodanig lage kwaliteit dat dit niet gekwalificeerd kan worden als een verdovend middel. Het feit is dan ook niet strafbaar naar Nederlands recht. De overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 7 OLW. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden getoetst, omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit een lijstfeit heeft aangekruist. De opgeëiste persoon had dit verweer in de procedure in Roemenië moeten voeren. Artikel 7 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Roemenië maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit onder het hiervoor genoemde lijstfeit valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, vindt de rechtbank geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het verweer wordt verworpen. 6 Artikel 11 OLW: Roemeense detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. De Roemeense autoriteiten hebben op 21 juli 2026 ten behoeve van de opgeëiste persoon een detentiegarantie verstrekt, waarin onder meer het volgende is opgenomen: "In case the person deprived of his liberty is handed over to the Romanian authorities at Bucharest Henri Coanda Airport, he will first be placed in the Bucharest Rahova Penitentiary to complete the quarantine period for a period of 21 days, in a room that ensures a minimum space of 3 square meters. (...) Taking into account the length of the sentence, he will most likely initially serve the prison sentence in medium-security custody. Consequently, taking into account the residence of the person, he will initially serve the prison sentence in Botosani Prison. (...) Inmates have access to walking areas (daily), clubs, sports fields, gyms, churches classrooms and other spaces used to exercise their rights (...) Convicted persons serving their sentence in medium-security prison can work and carry out educational, cultural, therapeutic activities, or receive psychological counselling and social assistance, school and vocational training, outside the prison, under supervision (...)Under the medium-security custody, the doors of the rooms are open throughout the day. They have access throughout the day, based on a schedule approved by the unit management, to the walking yards provided with specially arranged places for smoking. (...) the National Penitentiary Administration guarantees, throughout the entire period of the sentence, that he will benefit from a minimum individual space, including associated bed and furniture, excluding sanitary facilities, as follows: -3 sqm during the quarantine and observation period -3 sqm during pre-trial detention -3 sqm in case of serving of the sentence under maximum security -3 sqm in case of serving of the sentence in high-security custody -3 sqm in case of serving of the sentence in medium-security custody -4 sqm in case of serving of the sentence in minimum-security prison." Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat de detentiegarantie het algemene gevaar niet wegneemt voor de opgeëiste persoon. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen wordt voor de opgeëiste persoon weggenomen door de verstrekte individuele detentiegarantie. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat zij, gelet op het arrest Generalstaatsanwaltschaft van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ook wel het arrest ML genoemd, uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken van penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Uit de hierboven vermelde informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste instantie in de Bucharest Rahova Penitentiary zal worden geplaatst en daarna naar alle waarschijnlijkheid in Botosani Prison . Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 21 juli 2026. De rechtbank is, gelet op deze garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Dit algemene gevaar ziet op de hoeveelheid vierkante meters persoonlijke ruimte exclusief sanitair in een meerpersoonscel waarover de opgeëiste persoon kan beschikken. De gegeven garantie biedt hieromtrent voldoende waarborgen. Artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Suceava Tribunal , Roemenië, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ). Zie punt 71- 72. Zie punt 73-74. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42. Zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam, 11 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2513, rechtsoverweging 5. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 87. Idem , punt 114.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/425201 · 2026-10-02
