Skip to content
Case Law · Rechtbank Midden-Nederland ·ECLI:NL:RBMNE:2025:8024 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Midden-Nederland, 15-12-2025 (UTR 25/2696)

Artikel 2.58 Wet Brp; verzoek om rectificatie geboortedatum; eiseres heeft geen Copie met verwijzing rechterlijke Marokkaanse uitspraak overgelegd of een bewijsstuk waaruit blijkt dat dit niet mogelijk is.

Judgment

Decision

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

Beroep ongegrond.

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2696 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R.G.J. van Kerkhof), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht , het college (gemachtigden: mr. E. Chahid en M.T. Puertas). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eiseres’ aanvraag om haar geboortedatum zoals geregistreerd in de Basisregistratie personen (Brp) te rectificeren. Eiseres is het niet eens met die afwijzing en heeft beroep ingesteld. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan, aan de hand waarvan de rechtbank de afwijzing van de aanvraag beoordeelt. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Relevante feiten en procesverloop 2. Eiseres is in 1976 in Marokko geboren. Sinds 20 januari 1994 staat zij ingeschreven in de Brp op basis van een Marokkaans uittreksel uit het bevolkingsregister. Op basis van dit uittreksel is alleen het geboortejaar van eiseres bekend, waardoor haar geboortedatum is geregistreerd als “ [datum] -1976”. Eiseres heeft gesteld hinder te ondervinden van deze registratie in zowel de Brp als haar paspoort. Ze heeft daarom een aanvraag ingediend voor rectificatie van haar geboortedatum met het verzoek deze te wijzigen naar [datum] 1976 of [datum] 1976. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 december 2024 afgewezen, omdat eiseres niet een Copie Intégrale de l’acte de naissance (Copie) heeft overgelegd met vermelding van een geboortedatum met daarop de verwijzing naar een rechterlijke uitspraak in Marokko, waaruit blijkt waarop de wijziging van de geboortedatum is gebaseerd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij die afwijzing gebleven. 3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft geen verweerschrift ingediend. 4. De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 5. Op grond van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet Brp) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e: a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand; b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan; c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld; e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend. 6. Op basis van artikel 2.17 van de Wet Brp worden bij de inschrijving van een vreemdeling de gegevens over de geboortedatum, die niet als zodanig kunnen worden opgenomen overeenkomstig artikel 2.8 van de Wet Brp, ontleend aan een mededeling van de minister van Justitie en Veiligheid (minister) voor zover deze gegevens door hem zijn vastgesteld in het kader van de toelating van de betrokkene tot Nederland. Heeft het college terecht eiseres’ aanvraag op grond van artikel 2.58 van de Wet Brp afgewezen? 7. Eiseres stelt dat niet het college, maar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beslist of en zo ja op welke wijze de geboortegegevens zoals vermeld in de Brp moeten worden aangevuld. Het college had de IND hiertoe - zoals andere gemeenten ook doen - moeten verzoeken een mededeling ex artikel 2.17 van de Wet Brp af te geven. Eiseres heeft in dit kader geciteerd uit een beschikking van het college van burgemeester en wethouders te Eindhoven. Nu het college dit niet heeft gedaan, is volgens eiseres op een te vroeg moment een besluit genomen. 8. De rechtbank stelt allereerst vast dat een aanvraag tot rectificatie van de persoonsgegevens op grond van artikel 2.58 van de Wet Brp wordt ingediend bij het college. Het is dan ook het college dat op een dergelijk verzoek dient te beslissen. Het college baseert zich, wanneer deze gegevens niet afkomstig zijn uit Nederland, op de in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet Brp vermelde brondocumenten. Hierin is een rangorde te onderscheiden: het brondocument zoals vermeld onder sub a is van hogere orde dan het brondocument onder sub b, dat weer hoger is dan het brondocument zoals vermeld onder sub c, enzovoort. In de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wet Brp staat over artikel 2.17 van de Wet Brp vermeld dat pas aanleiding bestaat om “de door de IND vastgestelde gegevens op te nemen in de basisregistratie als zij (nog steeds) niet op grond van de artikelen 2.8 en 2.15 van de Wet Brp vastgesteld kunnen worden”. Tot voor kort moest bij een rectificatieverzoek op grond van artikel 2.58 van de Wet Brp een brondocument van hogere orde worden overgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft echter bij uitspraak van 22 oktober 2025 bepaald dat een brondocument van gelijke orde voldoende is om tot rectificatie over te gaan. Het bestreden besluit dateert van 8 april 2025, dus van vόόr genoemde uitspraak van de Afdeling, waardoor eiseres gehouden was een brondocument van hogere orde bij haar aanvraag te overleggen. 9. De rechtbank stelt vast dat eiseres in bezwaar een Copie heeft overgelegd, maar dat deze evenals het Marokkaanse uittreksel uit het bevolkingsregister op basis waarvan de huidige vermelding van de geboortedatum van eiseres (“00-00-1976”) in de Brp is geregistreerd, geen geboortedatum maar enkel een geboortejaar bevat. Eiseres had op grond van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet Brp een Copie met een verwijzing naar een rechterlijke uitspraak in Marokko moeten overleggen. Eiseres heeft dit echter niet gedaan; de door haar overgelegde Copie bevat geen geboortedatum en ook geen verwijzing naar een rechterlijke Marokkaanse uitspraak. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij in Marokko geen onderzoek heeft gedaan dan wel laten doen naar de mogelijkheid om een Copie met verwijzing naar een rechterlijke Marokkaanse uitspraak te verkrijgen. Ook is zij in Marokko geen procedure gestart om haar geboortedatum te laten vaststellen. Omdat eiseres niet heeft aangetoond dat zij geen ander brondocument zoals vermeld in artikel 2.8 van de Wet Brp kan overleggen, begrijpt én neemt de rechtbank het door het college ingenomen standpunt over; pas op het moment dat een brondocument - zoals opgenomen in artikel 2.8 van de Wet Brp - niet meer kan worden verkregen, moet overeenkomstig hetgeen in de MvT staat vermeld een formulier zoals bedoeld in artikel 2.17 van de Wet Brp worden opgevraagd. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het college in de gegeven omstandigheid niet gehouden is een formulier zoals bedoeld in artikel 2.17 van de Wet Brp op te vragen. De rechtbank betrekt in dit kader ook dat niet bekend is of en zo ja over welke (aanvullende) informatie de IND überhaupt nog beschikt. 10. De rechtbank overweegt dat de onderliggende situatie van het tijdens de zitting door eiseres’ gemachtigde geciteerde deel uit de beschikking van het college te Eindhoven niet vergelijkbaar is met de situatie van eiseres. De desbetreffende aanvrager was namelijk bekend bij de IND in het kader van zijn toelatingsprocedure. In onderhavige zaak is eiseres geen vreemdeling en is niet bekend of de IND überhaupt over (andere) informatie van eiseres beschikt. 11. Eiseres’ stelling dat andere gemeenten - in tegenstelling tot de gemeente Utrecht - er wel voor kiezen om bij een verzoek tot rectificatie artikel 2.17 van de Wet Brp toe te passen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het college van de gemeente Utrecht ook gehouden is dit te doen, en doet aan het bovenstaande niet af. 12. Deze beroepsgrond slaagt niet. Mag van eiseres verwacht worden dat zij een Copie met aantekening van een Marokkaanse gerechtelijke uitspraak overlegt? 13. Eiseres is van mening dat de door haar overgelegde Copie het college aanleiding had moeten geven om bij de IND gegevens over haar op te vragen. Eiseres stelt dat het verzoek van het college om een Copie te overleggen met daarop de verwijzing naar een rechterlijke Marokkaanse uitspraak bureaucratisch is en niet van haar kan worden gevergd. Eiseres is namelijk van mening dat het niet mogelijk is om een Copie te verkrijgen met daarop de vermelding van een volledige geboortedatum. Mocht eiseres wel een dergelijk document kunnen overleggen, dan zal het college haar hoogstwaarschijnlijk tegenwerpen dat aan de Marokkaanse uitspraak geen behoorlijk onderzoek of rechtspleging is voorafgegaan. 14. Zoals uit r.o. 9 volgt mag het college op grond van artikel 2.8 van de Wet Brp aan eiseres een Copie vragen met daarop de verwijzing naar een rechterlijke Marokkaanse uitspraak όf uitleg waarom de geboortedatum in de Copie is aangevuld. De reden hiervan is dat de huidige vermelding van de geboortedatum van eiseres in de Brp is gebaseerd op het uittreksel uit het bevolkingsregister waarop geen geboortedatum staat vermeld. Daarom is de reeds door eiseres overgelegde Copie zonder vermelding van een geboortedatum niet voldoende. Het college heeft eiseres kenbaar gemaakt dat bij overlegging van een Copie met aantekening van een rechterlijke Marokkaanse uitspraak over de aanvulling van een geboortedatum eiseres op grond van artikel 10:100, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek, niet zal worden tegengeworpen dat aan deze uitspraak geen behoorlijk onderzoek of rechtspleging is voorafgegaan. Eiseres had naar het oordeel van de rechtbank een Copie met aantekening moeten overleggen dan wel een bewijsstuk waaruit blijkt dat dit niet mogelijk is. Eiseres’ verklaring ter zitting dat zij in Marokko geen onderzoek heeft (laten) verricht(en) of het mogelijk is een dergelijk document te verkrijgen, komt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor haar eigen rekening en risico. 15. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college eiseres aanvraag terecht heeft afgewezen. Het bestreden besluit van 8 april 2025 blijft dan ook in stand. Eiseres heeft geen gelijk en krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Durdabak, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Simorangkir, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen Griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 38, 126 en 127 ECLI:NL:2025:4980. Artikel 10:100, eerste lid, sub b, van het BW.