# Rechtbank Amsterdam, 16-09-2026 (13-163828-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9259
- Date: 2026-09-16
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9259
- Canonical: https://overview.legal/posts/425203
- Topics: Personal Data, Supervision, Public Authority, Law Enforcement, Types of Special Categories of Personal Data

## Summary

Vervolgins-EAB uit Roemenië. Artikel 12 OLW; uit de aanvullende informatie blijkt dat de grondslag van het EAB pre-trial detention warrant is en geen beslissing die aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. Artikel 6a OLW. opgeëiste persoon kan niet gelijk worden gesteld met een Nederlander. Door hem en zijn raadsman is niet aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Artikel 11 OLW: het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar wordt voor de opgeëiste persoon weggenomen door de door de Roemeense autoriteit verstrekte garantie. Afzien van toepassing van artikel 13 OLW. Geen sprake van dubbele vervolging als bedeoeld in artikel 9 OLW. Overlevering toestaan

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-163828-26 (EAB II) Datum uitspraak: 16 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 10 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 september 2025 door the Galaţi Court of Appeal, Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] (Roemenië), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 september 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.C. Knoef, advocaat in ’s-Gravenhage, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een imprisonment conviction no. 4/J, issued on .22.07.2025 by the Galaţi Court of Appeal - Criminal Section and for Cases involving Underage Persons, in the case file no. 3187/121/2022/a37, pending before the Galaţi Court of Appeal. Reference: 3187/121/2022/a37 . De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Roemeens recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Het EAB vermeldt onder D) onder meer het volgende: “No, the person concerned was not present at the hearing which led to the rendered judgment. and being conscious of the set hearing, (s)he appointed al lawyer who was either designated by the person concerned, of a public defender, in order to defend hem/her at the hearing and was actually defended by that lawyer at the hearing. Het IRC heeft vragen gesteld aan de uitvaardigende autoriteiten. Op 30 juli 2026 is onder meer de volgende informatie verstrekt: “ 4/J dated 22.07.2025 (case.file no. 3187/121/2022/a37) is not a conviction, but a pre-trial detention warrant issued on 22.07.2025 by the Galaţi Court of Appeal – Criminal and Juvenile Cases Division - in case file no. 3187/121/2022/a37, pursuant to the court order dated 22.07.2025, during the appeal proceedings.” Uit voormelde informatie leidt de rechtbank af dat sprake is van een vervolgings-EAB en dat er daarom geen beslissing is die aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. 5 Strafbaarheid 5.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten, met uitzondering van feit c, aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: mensenhandel; witwassen van opbrengsten van misdrijven. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Roemenië maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 5.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit c niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW Verzoek van de raadsman De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Op die manier kan de opgeëiste persoon de straf in Nederland ondergaan mocht hij in Roemenië wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, derde lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon niet aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus niet voldaan. De rechtbank kan de opgeëiste persoon dan ook niet gelijkstellen met een Nederlander. 7 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. Op 15 juli 2026 heeft het IRC de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. “A. In which prison in Romania will [de opgeëiste persoon] most probably be detained after his surrender, during the enforcement of the sentence? B. How much ‘personal space’ (excluding sanitary facilities), as meant in the case law of the European Court of Human Rights (i.a. ECHR 10 March 2015, nos. 14097/12, 45135/12, 73712/12, 34001/13, 44055/13 and 64586/13, Varga et al./Hungary § 74), will be available to [de opgeëiste persoon] in his cell in that prison? C. If the personal space will amount between 3 sq. m and 4 sq. m excluding sanitary facilities, I would like to request you to answer the following questions regarding that prison as well: - How are the “other aspects of physical conditions of detention” as meant in ECHR 24 July 2012, no. 35972/05 (Iacov Stanciu/Romania), § 169 in that prison? - In this connection, the Court finds it important that the issuing judicial authority will also comment on the possibilities of “purposeful activities” and “outdoor exercise”, as meant in the Annex to the CPT report “Living space per prisoner in prison establishments CPT standards (15 December 2015, CPT/Inf (2015)44)”, in its answer to this question.” Bij brief van 3 augustus 2026 van the Court of Appeal, is de volgende aanvullende informatie verstrekt ten aanzien van de opgeëiste persoon: “1. In the situation where the person deprived of liberty will be handed over to the Romanian authorities at Henri Coanda Bucharest Airport, he shall be initially taken to the Bucharest Rahova Penitentiary, for the quarantine period of 21 days, in a room ensuring a minimum space of 3 sqm. - (…) Having regard to the length of the sentence, it is most likely that he will initially serve the custodial sentence under the closed regime. Furthermore, considering his domicile, it is most likely that he will initially serve his sentence at Galaţi Penitentiary. (…) 2. The person [de opgeëiste persoon] shall be provided with a minimum individual living space of 3 sq. m throughout the execution of the sentence, except where assigned to the open regime, during which he shall be provided with 4 sq. m, including the bed and its associated furniture, excluding the area allocated to the sanitary facilities, the number of prisoners being determined in relation to the surface area of the room. Each prisoner shall be provided with 4 sq.m. including the bed and it’s associated furniture, excluding the area allocated to sanitary facilities, the number of prisoners being determined in relation to the surface area of the room. Each prisoner shall be provided with an individual bed equipped with the standard bedding. (…) Persons deprived of liberty who are in the quarantine and observation period at Bucharest-Rahova Penitentiary are entitled to 2 hours of outdoor exercise daily, while those serving their sentence under the closed regime at Galaţi Penitentiary are entitled to 1 hour and 30 minutes of outdoor exercise daily. (…) The National Administration of Penitentiaries guarantees that the custodial sentence will be executed throughout its entire duration, including the quarantine and observation period, under decent conditions ensuring respect for human dignity.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Roemeense autoriteit nadere vragen te stellen over de tijd die de opgeëiste persoon in het closed regime buiten zijn cel kan verblijven als hij aan alle activiteiten deelneemt. In de uitspraak van deze rechtbank van 11 augustus 2026 , waar de opgeëiste persoon eveneens hoogstwaarschijnlijk zou worden geplaatst in Bucharest-Rahova Penitentiary en Galati Penitentiary , heeft de rechtbank overwogen dat het algemene gevaar is uitgesloten door de garanties die Roemenië in die zaak heeft afgegeven omtrent de detentieomstandigheden van die opgeëiste persoon. Het gaat in de kern om de hoeveelheid vierkante meters (exclusief sanitair) waarover de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel zou kunnen beschikken. Die garanties werden in die zaak voldoende geacht omdat de rechtbank niet beschikt over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens van het tegendeel. Door Roemenië zijn ook in de zaak van opgeëiste persoon garanties omtrent zijn detentieomstandigheden gegeven die inhoudelijk overeenkomen met die in de uitspraak van 11 augustus 2026. Het is voor de verdediging ingewikkeld om objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens aan te leveren. De opgeëiste persoon, die nog in 2024 gedetineerd heeft gezeten, maakt uit eigen ervaring melding van overbevolking, kapotte ramen, beperkte verwarming en beperkte toegang tot warm water, en bedwantsen. Het betreft de punten op basis waarvan er eerder door de rechtbank een algemeen gevaar is aangenomen. Daarnaast valt op dat er in het gesloten regime in de Galati Penitentiary uit wordt gegaan van deelname aan een programma waar werk, scholing, culturele activiteiten en sportactiviteiten deel van uitmaken. Er wordt echter niet gespecificeerd hoe lang dit programma per dag is, terwijl duidelijk moet zijn dat de opgeëiste persoon voldoende tijd buiten de meerpersoonscel met zeer beperkte persoonlijke ruimte mag verkeren. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar is weggenomen door de verstrekte garanties. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de door de Roemeense autoriteit verstrekte informatie. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank vergelijkbare garanties van de Roemeense autoriteit voldoende gevonden en de rechtbank heeft in die zaken de overlevering toegestaan. Uit de uitspraak van de rechtbank van 5 februari 2025 blijkt dat als er door gedetineerden in Roemeense gevangenissen wordt gewerkt, dat voor acht uur per dag is. Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voormelde garantie van 3 augustus 2026. De rechtbank is, gelet op de van de Roemeense autoriteiten verkregen garantie, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentie-omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Dit algemene gevaar ziet, gelet op de overbevolking, op de hoeveelheid vierkante meters persoonlijke ruimte exclusief sanitair waarover de opgeëiste persoon kan beschikken. Nu er ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte is gegarandeerd en er geen algemeen gevaar is aangenomen voor materiële detentieomstandigheden, is het algemene gevaar weggenomen volgens het geldende criterium uit het arrest Dorobantu van het Hof van Justitie van de EU. Dit betekent dat de detentieomstandigheden niet aan de overlevering in de weg staan. 8 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die (mogelijk) geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunt van de verdediging De advocaat van de opgeëiste persoon heeft zich niet over deze weigeringsgrond uitgelaten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het onderzoek is aangevangen in Roemenië, de medeverdachten worden in Roemenië vervolgd en het Nederlandse Openbaar Ministerie is niet voornemens de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek is aangevangen in Roemenië, de medeverdachte in Roemenië worden vervolgd en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen. In dat licht vormt het gegeven dat de feiten worden geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. 9 Eerdere vervolging in Nederland voor hetzelfde feit Standpunt van de raadsman De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen in samenspraak met de Roemeense autoriteiten uit te zoeken of er sprake is van eenzelfde feit en te specificeren waar de opgeëiste persoon in Nederland op de in de documentatie genoemde pleegdata exact van werd verdacht zodat de verdediging (eventueel) nader inhoud kan geven aan een (mogelijk) beroep op het bepaalde in artikel 9 lid 1 sub b OLW. Het EAB ziet, onder andere, op een verdenking van mensenhandel in de periode van 2013 tot en met december 2021. Voor de drie gevallen van mensenhandel die worden benoemd, geldt dat zij mede op het grondgebied van Nederland zouden zijn gepleegd. Uit de Justitiële Documentatie van de opgeëiste persoon blijkt dat hij in Nederland tweemaal verdachte is geweest van mensenhandel. De pleegdata liggen respectievelijk in november en mei 2019. Dat sluit aan bij de pleegperiode ten aanzien van het verwijt waarvan [slachtoffer] het slachtoffer zou zijn geworden. Het is mogelijk dat dit om hetzelfde feit gaat. Uit de Justitiële Documentatie blijkt dat is afgezien van vervolging en dat de zaak geseponeerd is in verband met onvoldoende nationaal belang. Er zou derhalve sprake kunnen zijn van een situatie als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub a OLW. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om de behandeling van de zaak aan te houden om de Roemeense autoriteit nadere vragen te stellen. Uit de Justitiële Documentatie van de opgeëiste persoon blijkt dat de zaak is geseponeerd. Het betrof een beleidssepot, op grond van onvoldoende nationaal belang. Het is zeer goed mogelijk dat is geseponeerd, juist omdat de opgeëiste persoon in deze zaak in een ander land, in dit geval Roemenië, al werd vervolgd. Er is in deze zaak in Nederland nog geen vervolging aangevangen. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Oordeel van de rechtbank Uit de Justitiële Documentatie van de opgeëiste persoon blijkt dat de zaak waar de raadsman op doelt, is geseponeerd. De officier van justitie heeft op zitting medegedeeld dat het ging om een beleidssepot, op grond van onvoldoende nationaal belang, mogelijk omdat de opgeëiste persoon in deze zaak in een ander land al werd of zou worden vervolgd. De rechtbank neemt, gelet op de daartoe strekkende mededeling van de officier van justitie, aan dat er geen sprake is (geweest) van een vervolging in Nederland. Daaruit volgt dat het beroep op artikel 9, eerste lid, onderdeel a), OLW niet kan slagen en dat er geen noodzaak bestaat om nadere vragen te stellen over de toepasselijkheid van artikel 9, eerste lid, onderdeel b), OLW. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 9 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 107 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 13 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Galaţi Court of Appeal, Roemenië voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. A.B.M. Wijnveldt en E.M. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG613127210302)È G613127210302 Zie onderdeel e) van het EAB. Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463. ECLI:NL:RBAMS:2026:8112. ECLI:NL:RBAMS2026:3789 en ECLI:NL:RBAMS:2025:9559. ECLI:NL:RBAMS:2025:940. HvJ EU, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589. HvJ EU van 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 42. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 47. (parketnummers 08-963580-19 en 71-342591-21).

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/425203 · 2026-10-02
