# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-07-2026 (C/02/427189 FA RK 24-4561)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:7783
- Date: 2026-07-17
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A7783
- Canonical: https://overview.legal/posts/425208
- Topics: Personal Data, Public Authority, Genetic Data

## Summary

Vernietiging erkenning op verzoek volwassene na weigering meewerken aan DNA onderzoek door juridische vader.

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/427189 FA RK 24-4561 Datum uitspraak: 17 juli 2026 nadere beschikking over vernietiging erkenning in de zaak van [de vrouw] hierna: de vrouw wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal. Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt: [de juridische vader] hierna: de juridische vader, wonende in [woonplaats 2] , [de moeder] hierna: de moeder, wonende in [woonplaats 1] . 1 Het verdere procesverloop 1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: de in deze zaak gegeven beschikking van 19 december 2025 en alle daarin vermelde stukken; de brief van mr. R.E. Teusink van 18 mei 2026; de nota van Verilabs van 10 juni 2026; de brief van mr. R.E. Teusink van 22 juni 2026. 2 De nadere beoordeling 2.1. Bij voormelde beschikking van 19 december 2025 heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de juridische vader de biologische vader is van de vrouw en Verilabs als deskundige benoemd ter beantwoording van deze vraag. De rechtbank heeft het voorschot van dit DNA-onderzoek op € 755,= (inclusief BTW) bepaald en bepaald dat voornoemd voorschot vooralsnog ten laste komt van ’s Rijks kas. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van het rapport van de deskundige en zich iedere verdere beslissing voorbehouden. 2.2. Thans is nog aan de orde het verzoek van de vrouw, samengevat, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de erkenning van de vrouw door de juridische vader te vernietigen; II. de griffier op de dragen een afschrift van de beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam en deze ambtenaar te gelasten een latere vermelding aan de geboorteakte van de vrouw toe te voegen inhoudende de vernietiging van de erkenning; III. de geslachtsnaam van de vrouw te wijzigen in de naam “ [geslachtsnaam van de moeder] ”. 2.3. Namens de vrouw is bij brief van 18 mei 2026 bericht dat zij van mening is dat de rechtbank aan het feit de juridische vader geen medewerking heeft verleend aan het DNA-onderzoek de gevolgen dient te verbinden die haar gerade voorkomen. Wat haar betreft dient de rechtbank haar verzoeken toe te wijzen en de juridische vader in de kosten van de procedure te veroordelen. Uit het feit dat de juridische vader geen medewerking heeft verleend aan het DNA-onderzoek, kan immers de conclusie worden getrokken dat hij niet de biologische vader is. Zou hij van mening zijn geweest dat hij dit wel was, dan had het in de lijn der verwachting gelegen dat hij wel medewerking zou hebben verleend aan het DNA-onderzoek. De vrouw verzoekt dan ook om haar verzoeken toe te wijzen. Namens de vrouw is bij brief van 22 juni 2026 nog bericht dat zij van mening is dat de kosten van Verilabs ten laste van de juridische vader dienen te worden gebracht, nu hij geen medewerking aan het DNA-onderzoek heeft verleend. 2.4. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:205, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat een verzoek tot vernietiging van een erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader is van het kind, kan worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens de meerderjarigheid heeft plaatsgevonden. In het vierde lid van dit artikel staat dat het verzoek door het kind wordt ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden worden ingediend. 2.5. De vrouw is op [geboortedag 1] 2006 geboren en heeft op 1 oktober 2024 haar verzoek ingediend. Dit betekent dat zij haar verzoek tijdig heeft ingediend en kan worden ontvangen in haar verzoek. 2.6. De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat de vrouw bij Verilabs DNA-materiaal heeft afgestaan ten behoeve van het DNA-onderzoek. De juridische vader heeft dit, ondanks meerdere uitnodigingen daartoe, niet gedaan. Hierdoor heeft het DNA-onderzoek niet kunnen plaatsvinden. Nu de juridische vader niet heeft meegewerkt aan het DNA-onderzoek, zal de rechtbank op het verzoek van de vrouw een beslissing nemen die haar geraden voorkomt. 2.7. Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting op 18 februari 2025 is besproken, blijkt dat de vrouw ervan uitgaat dat de juridische vader niet haar biologische vader is. Volgens de vrouw is haar biologische vader de heer [persoon] . Zijn naam staat ook op haar geboortekaartje. Daarnaast heeft de juridische vader bij schriftelijke verklaring van 15 juli 2024 bevestigd dat hij niet de biologische vader is van de vrouw. In deze verklaring heeft hij tevens aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen het verzoek van de vrouw om de door hem gedane erkenning te vernietigen. Verder is de vrouw bijna zes jaar na haar geboorte door de juridische vader erkend. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er meerdere aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat de juridische vader niet de biologische vader is van de vrouw. Daar tegenover staat dat de juridische vader, voor zover hij wel de biologische vader van de vrouw zou zijn, eenvoudig de stelling van de vrouw dat hij dit niet is, had kunnen ontkrachten door zijn medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek. Dit heeft hij echter niet gedaan. De juridische vader heeft ook niet aangegeven waarom hij niet wilde meewerken aan het DNA-onderzoek. Daarnaast is de juridische vader in de gelegenheid geweest om verweer te voeren tegen het verzoek en/of tijdens de zitting van 18 februari 2025 zijn verhaal te doen. Van de juridische vader is echter, behoudens zijn schriftelijke verklaring van 15 juli 2024, niets vernomen. De rechtbank trekt hieruit de gevolgtrekking dat het voldoende aannemelijk is dat hij inderdaad niet de biologische vader is van de vrouw. 2.8. Het uitgangspunt van de wetgever is dat het afstammingsrecht zoveel mogelijk in overeenstemming dient te zijn met de biologische werkelijkheid. Gelet hierop en onder voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw meebrengt dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. De rechtbank acht het dan ook in het belang van de vrouw dat de door de juridische vader gedane erkenning wordt vernietigd. Zij zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen. Geslachtsnaam 2.9. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, wordt, op grond van artikel 1:206, eerste lid, BW de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad. Door de vernietiging van de erkenning zal de vrouw alleen in een familierechtelijke betrekking tot de moeder komen te staan en zal zij van rechtswege, op grond van artikel 1:5, eerste lid, BW de geslachtsnaam van de moeder dragen. De rechtbank zal voor de volledigheid verstaan dat de vrouw de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam van de moeder] ’ zal hebben. Proceskosten en kosten van het DNA-onderzoek 2.10. Bij voormelde beschikking van 19 december 2025 heeft de rechtbank de kosten van het deskundigenonderzoek vooralsnog begroot op € 755,= (inclusief BTW), in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en verdeling van deze kosten, en deze kosten vooralsnog ten laste laten komen van 's-Rijks kas. 2.11. De deskundige heeft inmiddels desgevraagd aangegeven dat de kosten van het deskundigenonderzoek, dat slechts ten dele is verricht, definitief zijn begroot op € 60,= (inclusief BTW), hetgeen ten gunste van partijen afwijkt van de voorlopige begroting. 2.12. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in afstammingszaken heeft te gelden dat alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek worden gecompenseerd, waarbij de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht. Dit betekent in de praktijk dat ofwel één van partijen in de kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld ofwel dat partijen ieder de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te dragen. 2.13. Gelet op de weigering van de juridische vader om zijn medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek alsmede de uitkomst in deze zaak, namelijk dat de rechtbank op grond van al het voorgaande de erkenning door de juridische vader zal vernietigen, zal de rechtbank de juridische vader als “in het ongelijk gestelde partij” veroordelen in de volledige kosten van het DNA-onderzoek. Het voorgaande betekent dat de juridische vader een bedrag van € 60,= (inclusief BTW) dient te voldoen. Voormeld bedrag dient hij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). 2.14. Gelet op de (familierechterlijke) aard van deze procedure zullen de overige proceskosten worden gecompenseerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals namens de vrouw in de brief van 18 mei 2026 is verzocht, van dit uitgangspunt in familiezaken af te wijken. 2.15. Dit betekent dat als volgt wordt beslist. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. vernietigt de op 7 februari 2012 in de gemeente Rotterdam gedane erkenning van [de vrouw] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2006, door [de juridische vader] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1977; 3.2. verstaat, na het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking, dat [de vrouw] de [geslachtsnaam van de moeder] heeft; 3.3. stelt de kosten van de deskundige Verilabs vast op € 60,= (inclusief btw); 3.4 veroordeelt de [de juridische vader] tot betaling van de kosten van de deskundige, zijnde een bedrag van € 60,= (inclusief btw), welk bedrag na ontvangt van de nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan; 3.5 compenseert de overige kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.6 draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam om daarin aantekening te doen van deze beschikking; 3.7 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026, in aanwezigheid van de griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/425208 · 2026-10-02
