Rechtbank Amsterdam, 17-09-2026 (13-350534-25)
Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW.
Judgment
Vonnis I: afzien van weigeren. Triggerende veroordeling: in persoon verschenen. Vonnis II: situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Vonnis III: afzien van weigeren. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-350534-25 Datum uitspraak: 17 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 26 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juli 2025 door the Regional Court in Sieradz – II Criminal Division , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 25 augustus 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 25 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. R. Zilver, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd aangehouden omdat de behandeling van de voorafgaande zaken op zitting dermate was uitgelopen dat deze zaak niet meer inhoudelijk kon worden behandeld en de tolk in de Poolse taal evenmin beschikbaar was. Zitting van 3 september 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een advocaat, mr. R. Zilver, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: een vonnis van the District Court in Sieradz van 3 maart 2022, met kenmerk II K 608/21, en onherroepelijk geworden op 11 maart 2022 (hierna: vonnis I); een vonnis van the District Court in Sieradz van 28 juli 2022, met kenmerk II K 272/22, en onherroepelijk geworden op 5 augustus 2022 (hierna: vonnis II); en een vonnis van the District Court in Sieradz van 12 augustus 2024, met kenmerk II K 659/23, en onherroepelijk geworden op 20 augustus 2024 (hierna: vonnis III). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van: ten aanzien van vonnis I: acht maanden. Deze straf resteert nog geheel; ten aanzien van vonnis II: één jaar. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee maanden en 21 dagen; ten aanzien van vonnis III: één jaar en twee maanden. Deze straf resteert nog geheel. De opgeëiste persoon is tot deze straffen veroordeeld in de hiervoor genoemde vonnissen en hij moet deze straffen ondergaan in Polen. De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van vonnis I op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon zat ten tijde van de uitspraak op 3 maart 2022 in voorarrest voor de zaak die heeft geleid tot vonnis II (welke heeft geduurd van 5 januari 2022 tot 16 mei 2022). Dit betekent dat de Poolse autoriteiten hebben nagelaten om de opgeëiste persoon voor de behandeling van de zaak die heeft geleid tot vonnis I van het Huis van Bewaring in Sieradz naar de rechtbank in Sieradz te brengen. Het kan dan ook niet aan de opgeëiste persoon worden tegengeworpen dat hij zich niet aan de adresinstructie heeft gehouden. Daarnaast is niet gebleken op welke wijze de opgeëiste persoon op de hoogte is gebracht van de procedure bij the District Court in Sieradz van 21 augustus 2024, met kenmerk II Ko 1276/24, waarbij de voorwaardelijk opgelegde straf is omgezet in een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Deze omzettingsbeslissing is genomen wegens de veroordeling van de opgeëiste persoon voor een nieuw strafbaar feit door de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2024, met parketnummer 96-229829-23. De opgeëiste persoon is niet aanwezig geweest bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. De raadsman heeft zich ten aanzien van deze twee beslissingen eveneens op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De raadsman heeft zich ten aanzien van vonnis II gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft zich ten aanzien van vonnis III op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon heeft van 30 oktober 2023 tot 27 maart 2024 gedetineerd gezeten respectievelijk onder elektronisch toezicht gestaan wegens de tenuitvoerlegging van de straf die hem in vonnis II is opgelegd. Hij stond in die periode derhalve ter beschikking van de Poolse autoriteiten. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 5 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 22 december 2023 een kopie van de dagvaarding met instructies heeft ontvangen in het kader van vonnis III. De Poolse autoriteiten hebben daarmee opnieuw nagelaten de opgeëiste persoon van de gevangenis naar de rechtbank in Sieradz te brengen. Het kan dan ook niet aan de opgeëiste persoon worden tegengeworpen dat hij zich niet aan de adresinstructie heeft gehouden. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht aanvullende informatie bij de Poolse autoriteiten op te vragen over hoe het mogelijk is dat tot tweemaal toe dezelfde gedetineerde verdachte buiten zijn aanwezigheid werd berecht, doordat de dagvaarding met bijbehorende instructies naar het huisadres van de opgeëiste persoon werd gestuurd, terwijl hij zich in Poolse detentie bevond. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ten aanzien van vonnis I op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon is in persoon verschenen op de eerste zitting op 9 december 2021. Hem is toen de tweede zitting op 20 januari 2022 aangezegd. De opgeëiste persoon is toen niet in persoon verschenen en zat op het moment van de tweede zitting in Poolse detentie. De opgeëiste persoon is geïnformeerd over de verplichting iedere adreswijziging door te geven aan de Poolse autoriteiten. Dit geldt ook wanneer het adres van de opgeëiste persoon wijzigt wegens detentie in een andere strafzaak. Bovendien is het aan de opgeëiste persoon om, wanneer hij zich in detentie bevindt, vervoer aan te vragen om aanwezig te kunnen zijn bij een zitting. De opgeëiste persoon is niet bij het proces aanwezig geweest, omdat hij in detentie heeft nagelaten een gewijzigd adres op te geven en vervoer aan te vragen. Daarmee heeft hij onzorgvuldig gehandeld en kennelijk afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De omzettingsbeslissing van the District Court in Sieradz van 21 augustus 2024 hoeft niet te worden getoetst aan artikel 12 OLW. Het ‘triggerende vonnis’ van de rechtbank Midden-Nederland moet wel worden getoetst aan artikel 12 OLW. Uit de aantekening van het mondeling vonnis blijkt dat de opgeëiste persoon met een advocaat is verschenen bij deze procedure. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan niet van toepassing. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van vonnis II primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is omdat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de inhoudelijke behandeling van de zaak. Op deze eerste zitting is de tweede zitting, waarop de uitspraak is gedaan, aan de opgeëiste persoon is aangezegd. De opgeëiste persoon is niet verschenen bij de tweede zitting, maar zijn advocaat wel. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW omdat bij beide zittingen een gemachtigd advocaat aanwezig is geweest. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van vonnis III op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft op 22 december 2023 de tenlastelegging (‘ indictment ’) met een adresinstructie ontvangen terwijl hij in Poolse detentie zat. De opgeëiste persoon heeft geen (gewijzigd) adres opgegeven en daarmee kennelijk onzorgvuldig gehandeld door zich niet bereikbaar te houden voor de Poolse autoriteiten en naar Nederland te vertrekken. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van vonnis I De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Vonnis I is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW verstrekt. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit onderdeel D.2) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende het voorbereidend onderzoek een adresinstructie heeft ondertekend, inhoudende de verplichting tot het doorgeven van iedere adreswijziging die langer dan zeven dagen duurt. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 5 augustus 2026 volgt dat de dagvaarding is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres: [adres] . Daarmee is de opgeëiste persoon op de hoogte gebracht van de datum en plaats van de eerste zitting van het proces dat tot vonnis I heeft geleid. De opgeëiste persoon is, samen met een toegevoegd advocaat, in persoon verschenen bij de eerste zitting op 9 december 2021 en is toen geïnformeerd over de tweede zitting op 20 januari 2022. Bij de voorgeleiding van 25 juni 2026 heeft de opgeëiste persoon deze gang van zaken bevestigd en verklaard dat hij afstand had gedaan van zijn toegevoegd advocaat, en dat hij zelf een advocaat had gevonden. De opgeëiste persoon is vervolgens niet in persoon verschenen bij de tweede zitting. Uit onderdeel F) van het EAB volgt dat de opgeëiste persoon zich op 20 januari 2022, de datum van de tweede zitting, in voorarrest bevond in de zaak die heeft geleid tot vonnis II. Het EAB vermeldt onder D.2) dat de opgeëiste persoon wegens aanhoudingen van zittingen en in overeenstemming met Pools recht niet schriftelijk is geïnformeerd over de data van de volgende zittingen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon is in persoon gedagvaard en verschenen bij de eerste zitting op 9 december 2021. Hij was dus op de hoogte van de verdenking en het lopende strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij uit eigen beweging stilzwijgend afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten, doordat hij niet is verschenen op de tweede zitting die hem op 9 december 2021 is aangezegd en door vervolgens ook geen navraag te doen naar het verdere verloop van de procedure. Dat de opgeëiste persoon zich ten tijde van de tweede zitting op 20 januari 2022 in voorarrest voor een andere zaak bevond, maakt dit niet anders. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen, die volgens het Poolse recht ook geldt in geval die persoon gedetineerd is in een andere zaak, zodat ook dan op hem de verplichting rust zijn gewijzigde adres door te geven aan de Poolse autoriteiten. Het was aan de opgeëiste persoon om zich op de hoogte te houden van het verloop van het tegen hem lopende strafproces en om vervoer aan te vragen vanuit de instelling waar hij gedetineerd zat, zodat hij bij het proces aanwezig kon zijn. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. De vrijheidsstraf is bij vonnis I aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the District Court in Sieradz van 21 augustus 2024, met kenmerk II Ko 1276/24 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Een beslissing tot tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder opgelegde vrijheidsstraf is in beginsel geen beslissing die moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. Uit het onderdeel F) van het EAB en de aanvullende informatie van 5 augustus 2026 blijkt dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van the District Court in Sieradz van 21 augustus 2024 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. De opgelegde vrijheidsstraf van acht maanden waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen maakte onderdeel uit van de oorspronkelijke veroordeling. De rechtbank hoeft die beslissing dus niet te toetsen aan artikel 12 OLW. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 5 augustus 2026 blijkt dat de veroordeling van de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2024 (met parketnummer 96-229829-23) heeft geleid tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf. Deze ‘triggerende’ veroordeling moet de rechtbank dus toetsen aan artikel 12 OLW. De officier van justitie heeft ter zitting de aantekening van het mondeling vonnis in de zaak met parketnummer 96-229829-23 overgelegd. Hierin staat vermeld dat de procedure bij de politierechter op tegenspraak heeft plaatsgevonden en dat de opgeëiste persoon afstand heeft gedaan van rechtsmiddelen. Het kan niet anders dan dat de opgeëiste persoon dus in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2024 heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom op dit mondelinge vonnis niet van toepassing. Ten aanzien van vonnis II De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit het onderdeel D) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon, samen met zijn advocaat, in persoon is verschenen bij de eerste zitting. Tijdens die zitting is de opgeëiste persoon op de hoogte gebracht van de datum van de volgende zitting, waarop het vonnis is uitgesproken. Uit het voorgaande blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen op deze tweede zitting. De rechtbank kan niet vaststellen dat de inhoudelijke behandeling van de zaak alleen op de eerste zitting heeft plaatsgevonden, en niet (ook) op de tweede zitting. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank dan ook niet van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de inhoudelijke behandeling van de zaak. De opgeëiste persoon is echter op de tweede zitting vertegenwoordigd door zijn advocaat. De opgeëiste persoon heeft bij de voorgeleiding op 25 juni 2026 verklaard dat hij in deze procedure een advocaat had en hij heeft ter zitting van 3 september 2026 verklaard dat hij deze advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. Deze gemachtigd advocaat heeft de opgeëiste persoon ook tijdens het proces verdedigd. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van vonnis III De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon - kort gezegd - in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De uitvaardigende autoriteit heeft niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 5 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende het voorbereidend onderzoek instructies heeft gekregen over de rechten en plichten van een verdachte. Uit onderdeel D.2) van het EAB volgt dat de opgeëiste persoon deze instructie heeft ondertekend en dat daaruit de verplichting tot het doorgeven van iedere adreswijziging bleek. De aanvullende informatie van 5 augustus 2026 vermeldt verder dat de opgeëiste persoon op 22 december 2023 een kopie van de ‘ indictment ’ en daarbij behorende instructies over zijn rechten en plichten heeft ontvangen. De opgeëiste persoon is hierbij gewezen op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. Uit onderdeel D.2) van het EAB blijkt verder dat de oproep voor de zitting tweemaal naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres is verzonden. De rechtbank stelt daarmee vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 5 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als - kort gezegd - voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994; overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994; medeplegen van mishandeling; afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47, 300, 312 en 317 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet, 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Sieradz – II Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter, mrs. I. Verstraeten en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. De officier van justitie heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 19 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3025. De officier van justitie heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 16 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2026:7580, Rb. Amsterdam 16 oktober 2025 ECLI:NL:RBAMS:2025:7670 en Rb. Amsterdam 6 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8440. Vgl. Rb. Amsterdam 19 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6245. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ), punt 53. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ). HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ). Zie artikel 12, onder a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, onder d, OLW. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .