Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:7781 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-07-2026 (C/02/439973 FA RK 25-4812)

Tussenbeschikking. Verwijzing naar het UHA.

Judgment

Summary

Aanhouding verzoek zorgregeling en kinderalimentatie.

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/439973 FA RK 25-4812 datum uitspraak: 17 juli 2026 beschikking betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen in de zaak van [de man] , wonende te [plaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. W.H.P. de Jongh, en [de vrouw] , wonende te [plaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. J.A. Scanlan. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 12 september 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 30 december 2025 ontvangen verweerschrift met voorwaardelijk zelfstandig verzoek met bijlagen; - het op 16 januari 2026 ontvangen verweerschrift op voorwaardelijk zelfstandig verzoek met bijlagen; - de brief van mr. Scanlan van 28 juni 2026 met bijlagen; - de brief van mr. De Jongh van 30 juni 2026 met bijlagen; - de brief van de griffier aan mr. De Jongh van 30 juni 2026; - het bericht van mr. De Jongh van 8 juli 2026 met bijlage. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 10 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. 1.3 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek . [minderjarige 1] heeft schriftelijk haar mening gegeven. [minderjarige 2] heeft op 8 juli 2026 gesproken met de kinderrechter. Op verzoek van de minderjarigen heeft de kinderrechter hun mening niet gedeeld met de aanwezigen op de zitting. 2 De feiten 2.1 Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - zij zijn op 26 november 2013 in de gemeente Roosendaal een geregistreerd partnerschap aangegaan zonder het maken van partnerschapsvoorwaarden. Het geregistreerd partnerschap is omgezet in een huwelijk bij akte van 2 maart 2018 opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Roosendaal. - uit hun geregistreerd partnerschap zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren: 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016; - zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan; - zij hebben de Nederlandse nationaliteit. 3 De verzoeken 3.1 De man verzoekt, na wijziging van zijn verzoekschrift, samengevat, - echtscheiding; - vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna te noemen zorgregeling); - bevel tot verdeling van de gemeenschap van goederen. 3.2 De vrouw verzoekt, samengevat, voorwaardelijk, - bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar; - partijen te verwijzen naar het gemeenteloket om van daaruit het Uniform hulpaanbod-traject te volgen; - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 175,= per maand per kind (hierna te noemen kinderalimentatie); - bevel tot verdeling van de gemeenschap van goederen. 4 De beoordeling Echtscheiding Ontvankelijkheid (geen ouderschapsplan) 4.1 Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De man heeft dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen over de zorgregeling en kinderalimentatie. De rechtbank is van oordeel dat het ouderschapsplan in redelijkheid niet kan worden overgelegd. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding. Inhoudelijke beoordeling (duurzame ontwrichting) 4.2 De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw betwist dat het huwelijk van partijen duurzaam ontwricht is. Zij wenst dat de man eerst zijn (trauma)therapie doorloopt en dan pas zijn kijk op het huwelijk onder de loep neemt. Maar zij realiseert zich dat als de man zijn verzoek handhaaft, dit voldoende is om de echtscheiding te spreken. De man heeft vervolgens zijn verzoek tot echtscheiding gehandhaafd. 4.3 De rechtbank is gelet op hetgeen de man en de vrouw naar voren hebben gebracht van oordeel dat geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen bestaat. Indien één van beide echtgenoten het huwelijk niet wenst voort te zetten, is dit voldoende om de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen. Omdat de man volhardt in zijn wens om van de vrouw te scheiden, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen en hierna de echtscheiding uitspreken. 4.4 Deze beslissing heeft tot gevolg dat de rechtbank toekomt aan een beoordeling van de zelfstandige verzoeken van de vrouw. Hoofdverblijf 4.5 De vrouw verzoekt het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen. De man heeft met de brief van 30 juni 2026 laten weten zich niet langer te verzetten tegen dit verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw als op de wet gegrond toewijzen. Deze beslissing wordt in het belang van de minderjarigen geacht. 4.6 Op de zitting heeft de man zijn eerder ingediende verzoek om geen hoofdverblijf te bepalen, maar te bepalen dat [minderjarige 1] zal zijn ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) bij de vrouw en [minderjarige 2] bij de man, ingetrokken. Dit ingetrokken verzoek behoeft niet meer te worden beoordeeld. Zorgregeling en verwijzing naar het Uniform hulpaanbod 4.7 De man verzoekt een zorgregeling te bepalen, waarbij - als ieder van partijen zelfstandige woonruimte heeft - de minderjarigen eenmaal per twee weken van vrijdag 20.30 uur tot woensdag 19.00 uur bij hem zijn. De man licht zijn verzoek als volgt toe. De man heeft de door hem gewenste regeling afgestemd met zijn werkgever en hij heeft rekening gehouden met de werkdagen van vrouw doorgaans op maandag tot en met woensdag. De man acht zich prima in staat om de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Als gevolg van de scheiding is er veel spanning tussen partijen ontstaan. De man ging weg uit de situatie om conflicten in het bijzijn van de kinderen te vermijden. Hij kwam dan pas laat thuis, sliep minder en kreeg last van trauma’s uit het verleden. Hij is in (trauma)therapie, waaronder behandeling met EMDR. Hij vindt dat het beter met hem gaat sinds hij therapie heeft. Hij weerspreekt het vermoeden van de vrouw dat hij drugs gebruikt en is bereid om urinetesten te doen. De man stemt in met het verzoek van de vrouw om partijen te verwijzen naar het Uniform hulpaanbod (hierna te noemen UHA). 4.8 De vrouw verzoekt partijen te verwijzen naar het UHA, omdat zij niet verwacht dat partijen zonder hulpverlening tot een zorgregeling gaan komen. De man werkt in de horecabranche en moet regelmatig in avonduren en weekenden werken. Een belast verleden, (vermoeden van) drugsgebruik, prikkelbaar gedrag en vermoeidheid is voor de vrouw tekenend dat de man eerst aan zichzelf moet werken en (nog) niet de mogelijkheid heeft gedurende lange periodes achtereen voor de kinderen te zorgen. De vrouw vindt het absoluut van belang dat de kinderen in contact staan met de man, maar dit moet wel onbelast, prettig en veilig voor de kinderen gebeuren. De kinderen hebben de Jes-training gevolgd en praten met iemand op school, maar dit komt vanwege de zomervakantie stil te liggen. De vrouw heeft ook voor zichzelf hulpverlening gezocht om haar verhaal te kunnen doen. 4.9 De Raad heeft op de zitting aangegeven de verwijzing naar het UHA te ondersteunen. Ouders zitten in een andere fase van het scheidingsproces. Hiervoor dient aandacht te zijn tijdens het hulpverleningstraject. Vervolgens kan gewerkt worden aan de oudercommunicatie na scheiding. De Raad vindt het verder belangrijk dat de kinderen bij een (vaste) hulpverlener hun verhaal kwijt kunnen. De Raad spreekt de hoop uit dat de situatie zoals deze nu al geruime tijd is, waarbij ouders en de kinderen nog in dezelfde woning verblijven, niet lang meer zal duren, omdat dit de spanning in stand houdt. 4.10 De problematiek van de ouders omvat het volgende. De vrouw ervaart veel verdriet van de scheiding. Zij geeft aan dat zij hierdoor niet voldoende de kinderen tot steun kan zijn. Daarbij komt dat zij zorgen heeft over de man, met name over zijn mentale gezondheid. Het afgelopen jaar heeft de man tijdelijk elders verbleven, maar hij woont sinds november 2025 weer in de woning, omdat het niet lukt om vervangende woonruimte te vinden. Toen de man tijdelijk elders verbleef, is er een regeling overeengekomen, waarbij de man op de maandag, woensdag en vrijdag vanaf 7.00 uur voor de kinderen zorgt en hen naar school brengt. Op maandagmiddag haalt hij hen ook op uit school en draagt hij de zorg voor de kinderen tot bedtijd. Daarnaast is afgesproken dat de man eenmaal per twee weken in het weekend een aantal uren voor de kinderen zorgt. Na zijn terugkeer is deze regeling min of meer voortgezet, maar vanwege het verblijf van beide ouders in de woning is er op dit moment geen sprake van een duidelijke verdeling van de zorgtaken. De man heeft verklaard traumatherapie te volgen op de maandagen. Hij erkent dat hij vanwege de impact daarvan op die dag prikkelbaar kan reageren, maar hij ervaart het zorgen voor de kinderen op die dag als een lichtpuntje. Hoewel partijen al individueel contacten hebben met hulpverleners, benadrukt de rechtbank dat tijdens het UHA-traject aandacht moet zijn voor de draagkracht van beide ouders. Voor de kinderen is er al contact gelegd met de jeugdprofessional van de gemeente Roosendaal, hetgeen er hopelijk voor zorgt dat partijen op korte termijn kunnen starten met het UHA-traject. Daarbij is van belang dat de kinderen behoefte hebben aan een hulpverlener, met wie ze een band kunnen opbouwen, zodat zij hun verhaal kwijt kunnen. 4.11 Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 10 juli 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 4.12 Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 4.13 Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: zware/systeemgerichte interventie); - het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie). De resultaten heeft de rechtbank vastgelegd in een resultatenlijst, die ook op 10 juli 2026 is verzonden naar het loket. 4.14 Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. 4.15 Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het de kinderen. 4.16 Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 4.17 Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 4.18 Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen? Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? Zijn er contra-indicaties voor een zorgregeling en zo ja, welke? In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? 4.19 Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. 4.20 Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om op de rapportage van de raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop. 4.21 Uit de gedingstukken en de verklaringen op de zitting begrijpt de rechtbank dat partijen met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt hebben ingestemd. 4.22 Partijen hebben tijdens de zitting verklaard dat in afwachting van de te starten hulpverlening in het kader van het UHA geen voorlopige zorgregeling hoeft te worden vastgelegd. Dit heeft ook te maken met het feit dat partijen nog samen in één huis wonen en er nog geen zicht is op welke termijn dit verandert. De rechtbank zal de beslissing op het verzoek over de zorgregeling daarom aanhouden tot na te noemen pro forma datum. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan, dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. Kinderalimentatie 4.23 Na een schorsing van de zitting hebben partijen aangegeven dat zij dit niet het geschikte moment vinden dat de rechtbank het verzoek over de kinderalimentatie al inhoudelijk beoordeelt, omdat zij nu nog samen in de kosten van de kinderen voorzien, aangezien zij nog samen in de woning verblijven, alle lasten delen en er nog geen zorgregeling is. Wel hebben zij verklaard dat de behoefte van de minderjarigen kan worden vastgesteld. Zij zijn het erover eens dat deze behoefte in 2026 € 626,= per maand per kind bedraagt, waarbij zij aansluiten bij de door de advocaat van de vrouw ingediende berekening (productie 6). Het is de bedoeling van partijen dat zij apart gaan wonen op het moment dat er passende woonruimte beschikbaar is en dat er dan een zorgregeling wordt vastgesteld. Zodra meer duidelijkheid is over hoe een en ander wordt vormgegeven, zullen partijen in overleg gaan over de kinderalimentatie, waarbij zij als uitgangspunt voor de behoefte het bedrag van € 626,= per maand in 2026 hanteren. 4.24 De rechtbank zal, gelet op dit standpunt van partijen, de beslissing op het verzoek tot vaststelling van een kinderalimentatie aanhouden tot na te noemen datum, waarbij wordt aangesloten bij de termijn waarop de UHA-rapportage dient te worden ingediend. Bevel verdeling 4.25 Partijen hebben geen partnerschapsvoorwaarden laten opstellen en zij hebben vóór 1 januari 2018 hun partnerschap laten registeren. Dat betekent dat door het geregistreerd partnerschap van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan. Zij hebben ná 1 januari 2018 hun geregistreerd partnerschap omgezet in een huwelijk. Die omzetting heeft voor het toepasselijke huwelijksvermogensregime geen veranderingen teweeg gebracht. Partijen zijn het hier over eens. Deze gemeenschap van goederen is ontbonden door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding en moet verdeeld worden. 4.26 De man verzoekt partijen te bevelen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen. De vrouw heeft een gelijkluidend verzoek gedaan. De rechtbank zal daarom deze verzoeken toewijzen. Daarbij zal een notaris worden benoemd ten overstaan van wie de verdeling zal plaatsvinden. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1 spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 2 maart 2018 in de gemeente Roosendaal met elkaar gehuwd; 5.2 bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen: 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016; hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw; 5.3 beveelt, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen ten overstaan van een (door hen zelf te kiezen) notaris en benoemt – voor het geval dat zij over de keuze van een notaris niet tot overeenstemming kunnen komen – mr. M.A.C.C. van Kreij, notaris, gevestigd te Roosendaal, dan wel haar opvolger, waarnemer of plaatsvervanger, tot notaris ten overstaan van wie de verdeling zal plaatsvinden; 5.4 verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder; 5.5 verzoekt het loket om uiterlijk op 2 maart 2027 pro forma , of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulp-verleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen; 5.6 verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad; 5.7 verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten; 5.8 verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.18. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren; 5.9 verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen; 5.10 houdt de beslissing op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en de kinderalimentatie aan tot 2 maart 2027 pro forma; Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, en, in aanwezigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

How it connects

Guidelines 05/2020 consent under Regulation 2016/679 Guidelines on consent Guidelines ·EDPB May 4, 2020 Consent Personal Data Audit Logs
2026 If it ain’t broke, don’t fix it? Ten improvements for the upcoming tenth anniversary of the General Data Protection Regulation Dariusz Kloza, Laura Drechsler, Elora Fernandes, Arian Birth et al. — Computer law & security review Computer law & security review ·full text Jan 23, 2026 Right to Explanation Privacy by Design Privacy by Default
€3,150 APDCAT: Public body violated GDPR by disclosing audio recording to four extra recipients On 22 January 2025, an employee and trade union representative of a public-sector organisation, the data subject, emailed the DPO requesting access to and a copy of a recording of… Spain ·Art. 5, 6, 12 +1 Sep 15, 2026 Public Authority Personal Data Right of Access