# Rechtbank Amsterdam, 09-09-2026 (13-189541-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9498
- Date: 2026-09-09
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9498
- Canonical: https://overview.legal/posts/425216
- Topics: Personal Data, Public Authority, Law Enforcement, Types of Special Categories of Personal Data

## Summary

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: ten aanzien van vonnis 1 is geen sprake van een situatie als genoemd in artikel 12, onder a tot en met d, OLW. De rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond in verband met de adresinstructie. Ten aanzien van het verzamelvonnis is sprake van een situatie als genoemd in artikel 12, onder c, OLW. Ten aanzien van onderliggend vonnis 1 is de weigeringsgrond niet van toepassing. Ten aanzien van onderliggend vonnis 2 is sprake van een situatie als genoemd in artikel 12, onder a, OLW. De herroepingsbeslissing hoeft niet aan artikel 12 OLW te worden getoetst. De aan de herroepingsbeslissing onderliggende procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit (vonnis 1) heeft de rechtbank al beoordeeld. Overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-189541-26 Datum uitspraak: 9 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 3 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 maart 2022 door the Circuit Court of Law in Świdnica , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt de volgende beslissingen: 1. Een vonnis van the District Law Court in Walbrzych van 13 september 2018 met kenmerk III K 917/17 (hierna: vonnis 1); 2. Een verzamelvonnis van the District Law Court in Walbrzych van 9 december 2014 met kenmerk III K 642/14 (hierna: verzamelvonnis), met daaraan onderliggend de volgende twee vonnissen: - Een vonnis van the District Law Court in Walbrzych van 22 september 2011 met kenmerk III K 103/11 (hierna: onderliggend vonnis 1); - Een vonnis van the District Law Court in Walbrzych van 14 februari 2014 met kenmerk III K 157/12 (hierna: onderliggend vonnis 2); 3. Een herroepingsbeslissing van 30 oktober 2018 van the Circuit Court of Law in Świdnica met kenmerk V Kow 2208/18/owz (hierna: herroepingsbeslissing). Ten aanzien van vonnis 1 wordt de overlevering verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Deze straf resteert in het geheel. Ten aanzien van het verzamelvonnis wordt de overlevering verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur vijf jaar en zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren een jaar, tien maanden en een dag. De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De opgeëiste persoon ontkent dat hij op een zitting is vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. In Polen heeft men officieel een advocaat, maar die is niet aanwezig. De partner van de opgeëiste persoon was aanwezig op een zitting, maar de advocaat was daarbij niet aanwezig. Standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van vonnis 1 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon op de eerste zitting aanwezig is geweest. Op de tweede zitting is de opgeëiste persoon niet aanwezig geweest, maar hij is daarvoor wel opgeroepen op het door hem opgegeven adres en de oproep is in ontvangst genomen door zijn huisgenoot. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en ondertekend. Deze instructie gold voor de hele procedure en daarbij is hij gewezen op de consequenties van het niet naleven daarvan. De rechtbank kan voor vonnis 1 afzien van toepassing van de weigeringsgrond. Ten aanzien van het verzamelvonnis is de opgeëiste persoon in persoon opgeroepen voor de zitting zodat artikel 12, onder a, OLW van toepassing is. De beslissing tot een voorwaardelijke invrijheidsstelling is herroepen in verband met het plegen van een nieuw strafbaar feit, waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld in vonnis 1. De opgeëiste persoon was aanwezig bij de procedure die heeft geleid tot vonnis 1. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van onderliggend vonnis 1 is de opgeëiste persoon aanwezig geweest bij de zitting die tot de beslissing heeft geleid. Ten aanzien van onderliggend vonnis 2 dient de procedure daartegen in hoger beroep te worden getoetst aan artikel 12 OLW. Daarvoor is de opgeëiste persoon in persoon opgeroepen en bijgestaan door een gemachtigde advocaat, waardoor sprake is van een situatie als genoemd in artikel 12, onder a, OLW. Artikel 12 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Oordeel van de rechtbank Vonnis 1 (met kenmerk III K 917/17) De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB onder d) ten aanzien van vonnis 1 het volgende vermeld: "On the 30th of May 2018 [opgeëiste persoon] appeared in person at the trial before the District Court of Law in Walbrzych in case Ill K 919/17 and he gave explanations (statement) in which he pleaded guilty to the charges. Because the Court found that the presence of the other defendant was mandatory it decided to adjourn the trial. The next date of the trial was scheduled for the 13th of September 2018. The summons for [opgeëiste persoon] - sent by post at the address he had given as his - was served upon [naam], an adult member of the household (in accordance with Article 132 paragraph 2 of the Code of Criminal Procedure}. Although properly summoned, [opgeëiste persoon] did not appear at the trial that day and he did not provide any good reason or justification for his nonattendance. On the 13 of September 2018 the judicial process was closed and the District Court of Law in Walbrzych drew up and announced the judgement in this case.(…)" Naar aanleiding van aanvullende vragen van het Openbaar Ministerie van 28 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 30 juli 2026 de volgende informatie verstrekt: “In the course of the preparatory proceedings [opgeëiste persoon] provided the address of his residence (long-term stay): [adres]. The main trial at the District Court of Law in Walbrzych was scheduled for the 30th of May 2018. [opgeëiste persoon] appeared in person at the trial, gave his explanations in which he admitted to the charges against him (pleaded guilty). The Court found that the presence of the other accused person — [medeverdachte] — was mandatory and, for this reason, adjourned the trial/hearing that day. The next hearing was scheduled for the 13th of September 2018. The summons for [opgeëiste persoon] was sent to the address provided by him in the preparatory proceedings, i.e. [adres]. The summons was collected by an adult member of the household — by [naam] — on the 13 of August 2018 (in accordance with Article 132 paragraph 2 of the Code of Criminal Procedure). [opgeëiste persoon] did not appear at that hearing. [opgeëiste persoon] received instructions about his rights and duties in criminal proceedings, including the duty to appear at every summons and the duty to inform the authority conducting the proceedings about each change of his place of residence or stay lasting longer than 7 days, which was also applicable to a situation where he is deprived of liberty for another case (arrested provisionally or detained in prison to serve a custodial sentence), and also about the duty to inform of each change of his contact details. [opgeëiste persoon] was also instructed about the duty to designate the address to which correspondence is to be sent and to provide a new address if he changes his place of residence or stay, which is also applicable to a situation where he is deprived of liberty for another case, otherwise a letter/writ sent to the previous address shall be considered effectively served and a procedural action and/or a trial/hearing shall be conducted in his absence. On the 19th of October 2017 [opgeëiste persoon] put his handwritten signature on the document of instructions about duties and obligations in criminal proceedings. [opgeëiste persoon] also signed an acknowledgement of receipt of the instructions. The instructions about rights and duties in criminal proceedings apply to the entire criminal procedure. Additionally, when the accused person is summoned for the trial/hearing, he/she is also advised, among other things, that the criminal proceedings can be conducted in the absence of the accused if, though notified personally of the trial/hearing, the accused fails to appear at the trial/hearing without justification (Article 377 paragraph 3 of the Code of Criminal Procedure).” De rechtbank stelt op basis van het EAB en de aanvullende informatie vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij alle zittingen in het proces dat tot die beslissing hebben geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de vervolgzitting, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De uitvaardigende autoriteit heeft niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op 19 oktober 2017 een adresinstructie heeft ontvangen die hij heeft ondertekend en waarbij hij is gewezen op de consequenties van het niet naleven daarvan. De opgeëiste persoon is vervolgens aanwezig geweest op de eerste zitting die plaatsvond op 30 mei 2018. Daarom kan worden vastgesteld dat hij op de hoogte was van de strafrechtelijke procedure. Vervolgens is de oproep voor de zitting van 13 september 2018 verstuurd naar het door hem opgegeven adres. De opgeëiste persoon heeft daarnaast ter zitting verklaard dat deze oproep in ontvangst is genomen door zijn stiefvader. In verband met het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. Verzamelvonnis met kenmerk III K 642/14 en het onderliggende vonnis 1 met kenmerk III K 103/11 en het onderliggende vonnis 2 met kenmerk III K 157/12. Inleiding Het EAB vermeldt een verzamelvonnis waaraan twee vonnissen ten grondslag liggen. Dit brengt mee dat zowel de onderliggende vonnissen als het verzamelvonnis moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW, omdat bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Ook het verzamelvonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt. Het verzamelvonnis met kenmerk III K 642/14 De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB in onderdeel d) onder punt 1.d ten aanzien van het verzamelvonnis het volgende vermeld: “ the person was served with the decision on the day of 15.12.2014 and was expressly informed about the right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed or modified; AND the person did not request a retrial of appeal within the applicable time frame : ” Voorts is in onderdeel d) van het EAB het volgende als toelichting vermeld: “ A true copy of the combined judgement and legal instructions about the right to appeal, time-limit for and method of filing an appeal were sent to the said sentenced person at the address of the prison he was in, [opgeëiste persoon] received this mail from the court in person on the 4th of December 2014. Neither [opgeëiste persoon], the sentenced person, nor his defence counsel questioned or challenged the combined judgement (cumulative sentence) issued by the District Court of Law in Walbrzych on the 9th of December 2014 in case II K 642/14 at all because they did not file an appeal against it." De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat de beslissing op 4 december 2014 aan de opgeëiste persoon in detentie is betekend en dat hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft vervolgens geen hoger beroep of verzet ingesteld. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. Onderliggend vonnis 1 met kenmerk III K 103/11 In onderdeel d) van het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. Dat betekent dat artikel 12 OLW hier niet van toepassing is. Onderliggend vonnis 2 met kenmerk III K 157/12 Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit onderdeel e) van het EAB en de aanvullende informatie van 30 juli 2026 blijkt dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep tegen onderliggend vonnis 2, dat heeft geleid tot een judgement rendered by the Circuit Court of Law in Świdnica van 27 juni 2014 met kenmerk IV Ka 385/14 (hierna: arrest). De rechtbank zal daarom het arrest toetsen aan artikel 12 OLW. Naar aanleiding van aanvullende vragen van het Openbaar Ministerie van 28 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 30 juli 2026 de volgende informatie verstrekt: “No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision. The person was summoned in person on the 30th of May 2014 and thereby informed of the scheduled date and place which resulted in the decision and was informed that a decision may be handed down if he of she does not appear for the trial”. Als toelichting is vervolgens het volgende meegedeeld: “At the appellate trial/hearing before the Circuit Court of Law in Świdnica, file reference IV Ka 385/14, [opgeëiste persoon] did not appear – he was correctly notified about the scheduled date of the Court hearing in Appeal which was held on the 27th of June 2014. At that time [opgeëiste persoon] was in prison where he was serving custodial sentences imposed on him in other cases. (…).” Uit voormelde informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op 30 mei 2014 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. Herroepingsbeslissing met kenmerk V Kow 2208/18/owz Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon ten aanzien van de in het verzamelvonnis opgelegde vrijheidsstraf voorwaardelijk in vrijheid was gesteld. Deze voorwaardelijke invrijheidsstelling is blijkens het EAB en de aanvullende informatie van 30 juli 2026 herroepen bij beslissing van the Circuit Court of Law in Świdnica van 30 oktober 2018 met kenmerk V Kow 2208/18/owz. Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie hierover heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 30 juli 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt: “(…) According to the statement of reasons for the decision of the Circuit Court of Law in Swidnica, the revocation of the early conditional release for [opgeëiste persoon] was mandatory because during the probation period [opgeëiste persoon] committed a new intentional offence specified in Article 291 paragraph 1 of the Criminal Code in conj. with Article 64 paragraph 1 of the Criminal Code, which he was convicted of and sentenced to one year of deprivation of liberty by final judgment rendered by the District Court of Law in Walbrzych on the 13th of September 2018, file reference II K 917/17 (form - Section D has already been filled in for case II K 917/17 and attached to the European arrest warrant issued on the basis of the judicial decision of the Circuit Court of Law in Swidnica dated the 16 of March 2023, file reference III Kop 11/23).(…)” Een beslissing tot tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder opgelegde vrijheidsstraf is in beginsel geen beslissing die moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de veroordeling in vonnis 1 met kenmerk III K 917/17 heeft geleid tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Deze veroordeling moet de rechtbank dus toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat zij eerder in deze uitspraak de procedure die heeft geleid tot vonnis 1 met kenmerk III K 917/17 al heeft beoordeeld, waarbij is geconcludeerd dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat ten aanzien van dat vonnis. 5 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: opzetheling, meermalen gepleegd; telkens, diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd; poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd; diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 47, 311 en 416 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court of Law in Świdnica , Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en HvJ EU 21 december 2023, C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 32. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ), punt 53. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ). Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/425216 · 2026-10-02
