Rechtbank Den Haag, 21-09-2026 (NL25.31565 en NL25.31566)
Regulier. Bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk.
Judgment
Decision
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.31565: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 17 juni 2025; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.31566:
- wijst het verzoek af. De rechtbank en voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
Herstelverzuimbrief niet ontvangen. Rapport Nationale ombudsman. Problemen PostNL postbezorging. Beroep gegrond. Vovo afgewezen.
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.31565 (beroep) NL25.31566 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. S. Karkache), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Hambarsumian). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de kennelijk niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. 1.1. Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 1.2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Overwegingen 2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Daarbij beoordeelt de rechtbank ook het verzoek om een voorlopige voorziening. 3. De rechtbank beoordeelt dat het beroep gegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wijst de rechtbank af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond en besluitvorming 4. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 10 september 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Deze aanvraag is met het besluit van 27 maart 2025 (het primaire besluit) afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij vijf jaar in Nederland verblijf heeft gehouden onder de beperking voor verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht. Eisers verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’ is namelijk ingetrokken vanaf 25 september 2022, waardoor hij enkel tussen 6 februari 2021 en 25 september 2022 rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning. Dit is geen vijf jaar. 4.1. Bij besluit van 17 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb , omdat eiser zijn bezwaar niet heeft onderbouwd met gronden. Eiser heeft op 24 april 2025 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit, maar heeft dit bezwaar niet onderbouwd met gronden. Verweerder heeft bij herstelverzuimbrief van 1 mei 2025 eiser de mogelijkheid geboden om alsnog gronden bij zijn bezwaar in te dienen. Eiser heeft niet gereageerd op deze brief. Omdat eisers bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, heeft verweerder afgezien van het horen op grond van artikel 7:3, onder a, van de Awb. Standpunten en beoordeling door de rechtbank 5. Eiser bestrijdt dat hij de herstelverzuimbrief van 1 mei 2025 heeft ontvangen. Hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2012. Eiser stelt verder dat verweerder zijn gemachtigde had kunnen contacteren of de herstelverzuimbrief wel daadwerkelijk was aangekomen. Eiser kan geen verwijt worden gemaakt dat de brief niet is aangekomen. In dit kader stelt eiser dat verweerder er bekend mee moet zijn dat bij PostNL de laatste tijd sprake is van een gebrekkige postbezorging. Eiser heeft hierover diverse stukken overgelegd, waaronder een nieuwsbericht van 1 maart 2025 van BNNVARA en een rapport van de Nationale ombudsman van 24 februari 2025. Eiser doet in dit kader verder een beroep op de uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juli 2024. 6. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de herstelverzuimbrief van 1 mei 2025 een niet-aangetekende brief betreft. De Afdeling heeft in vaste rechtspraak, waaronder in haar uitspraak van 9 mei 2012, overwogen dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat, in het geval van niet-aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het betrokken stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. 6.1. Uit het verweerschrift volgt dat de herstelverzuimbrief van 1 mei 2025 naar het adres van de gemachtigde van eiser is verzonden. Verweerder verwijst daartoe naar een interne mailwisseling en een schermafdruk uit het gegevensverwerkingssysteem Indigo, die zijn opgenomen in de bijlage bij het verweerschrift. 6.2. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder erin geslaagd om aannemelijk te maken dat de herstelverzuimbrief naar het juiste adres is verzonden, nu verweerder hiervan bewijs heeft overgelegd. Vervolgens ligt de vraag voor of eiser dit vermoeden heeft weten te ontzenuwen, in die zin dat op grond van hetgeen hij heeft aangevoerd redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat hij de herstelverzuimbrief heeft ontvangen. 6.3. Eiser is hier naar het oordeel van de rechtbank in geslaagd. De rechtbank verwijst daartoe naar het overgelegde rapport van de Nationale ombudsman van 24 februari 2025: ‘’Aanleiding voor deze brief: zorgen over postbezorging De Nationale ombudsman heeft een behoorlijk aantal klachten ontvangen over gebrekkige postbezorging. Hij ziet in het klachtbeeld dat burgers in de problemen komen en negatieve gevolgen ondervinden. Het blijkt in veel gevallen lastig hun probleem aan te kaarten. De instanties waarover wordt geklaagd zijn zo divers dat de ombudsman concludeert dat het probleem zich over de gehele centrale en decentrale overheid uitstrekt. Zo wordt onder meer geklaagd over het CJIB, het OM, de rechtspraak, de IND, gemeenten, het UWV, de SVB en de Belastingdienst.’’ [...] ‘’ De signalen over gebrekkige postbezorging zijn echter veel ruimer dan alleen de klachten die de ombudsman ontvangt. Eerder dit jaar concludeerde het hof Arnhem-Leeuwarden dat (onder meer) door de "algemene bekendheid dat PostNL niet voldoet aan de gestelde normen voor de postbezorging” de termijnoverschrijding van het instellen van een rechtsmiddel verschoonbaar was. Ook ging het mis bij de bezorging van de stempassen bij de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen. Duizenden inwoners uit verschillende steden kregen geen ofte laat hun stempas thuis. Ten slotte ziet ook de Autoriteit Consument & Markt (ACM) een stijging in klachten over postbezorging. ’’ 6.4. Uit deze passages blijkt dat de problemen rondom de postbezorging van PostNL zich in het gehele land voordeden en dat de ombudsman de IND specifiek aanwijst als een instantie waarover in dit verband klachten zijn ontvangen. De rechtbank constateert in dit kader dat het rapport van de Nationale ombudsman dateert van 24 februari 2025, en de herstelverzuimbrief dateert van 1 mei 2025. Tussen beide data ligt slechts een periode van ruim twee maanden. Dit is een relatief korte periode en verweerder heeft niet gesteld dat PostNL na het verschijnen van het rapport betekenisvolle actie heeft ondernomen waardoor de geconstateerde problematiek rondom de postbezorging zich in mei 2025 niet meer voordeed. Naar het oordeel van de rechtbank kan er daarom van uit worden gegaan dat de in het rapport gesignaleerde problemen met de postbezorging ook ten tijde van de verzending van de herstelverzuimbrief nog actueel waren. De rechtbank benadrukt in dit licht dat voor het ontzenuwen van het vermoeden niet is vereist dat eiser aannemelijk maakt dat hij de herstelverzuimbrief niet heeft ontvangen. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij heeft aangevoerd redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat hij de brief heeft ontvangen. Aan deze maatstaf heeft eiser, gezien het bovenstaande, voldaan. 6.5. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een ander oordeel ertoe zou leiden dat eiser in een zeer lastige bewijspositie zou komen te verkeren. Eiser kan immers moeilijk bewijzen dat hij een brief niet heeft ontvangen. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, zou eiser gegevens over de postbezorging in de specifieke omgeving van het kantoor van de gemachtigde naar voren kunnen brengen, namelijk Rotterdam. Voor dergelijke gegevens is eiser echter afhankelijk van informatie waarover PostNL beschikt en die niet zonder meer openbaar is of voor eiser beschikbaar kan worden gemaakt. Dit zou betekenen dat eiser in feite wordt belast met een bewijsopdracht die hij maar zeer beperkt zelf kan beïnvloeden, terwijl het niet voldoen aan die bewijsopdracht ertoe leidt dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. 6.6. Daar komt bij dat, gelet op de in het rapport van de Nationale ombudsman gesignaleerde problemen met de postbezorging, van verweerder in een dergelijke situatie ook enige inspanning mag worden verwacht richting de burger. Teneinde zich ervan te vergewissen dat eiser de herstelverzuimbrief daadwerkelijk heeft ontvangen. Indien verweerder twijfelde aan de ontvangst van de brief, had het voor de hand gelegen om eiser bijvoorbeeld per e-mail of telefonisch te benaderen met de vraag of hij de herstelverzuimbrief had ontvangen en hem, indien nodig, een nieuwe herstelverzuimbrief toe te sturen. Daarmee had kunnen worden voorkomen dat het bezwaar van eiser, als gevolg van een mogelijk probleem met de postbezorging, niet inhoudelijk zou worden beoordeeld. En had deze rechtszaak ook kunnen worden voorkomen. 6.7. De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen verdere bespreking. Conclusie en gevolgen 7. Verweerder heeft het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding een vorm van finale geschilbeslechting toe te passen, omdat deze zaak tot nu toe ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar en bij het nieuw te nemen besluit (mogelijk) een inhoudelijke beoordeling zal plaatsvinden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. De rechtbank geeft verweerder hierbij in overweging eiser alsnog in de gelegenheid te stellen het bezwaar van inhoudelijke gronden te voorzien en deze gronden vervolgens inhoudelijk te beoordelen. 8. Nu de rechtbank al heeft beslist op het beroep, zal de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. 9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.31565: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 17 juni 2025; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.31566: - wijst het verzoek af. De rechtbank en voorzieningenrechter, in alle zaken: - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Op grond van paragraaf B9/8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Algemene wet bestuursrecht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2012:BW5291. ECLI:NL:GHARL:2024:4878. Zie rechtsoverweging 2.4.1 van de uitspraak. Zie pagina 1 en 2 van het rapport. Immigratie- en Naturalisatiedienst.