Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Holland ·ECLI:NL:RBNHO:2026:11974 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Holland, 06-05-2026 (C/15/373804)

Deze zaak gaat om de vraag of bepaalde uitlatingen die tijdens een algemene ledenvergadering van een VvE zijn gedaan onrechtmatig zijn.

Judgment

Decision

De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.759,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.I. Zijsling en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

Eiser stelt dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens hem door ongefundeerd te verklaren dat hij de AVG heeft overtreden en vordert rectificatie. De rechtbank wijst de vordering af.

Full text

RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/373804 / HA ZA 26-43 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. K.G.O. Afriyieh, tegen 1 [gedaagde 1], te [plaats 1], 2. [gedaagde 2] , te [plaats 1], 3. [gedaagde 3] , te [plaats 1], 4. [gedaagde 4] , te [plaats 1], 5. [gedaagde 5] , te [plaats 1], gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden], en afzonderlijk respectievelijk: [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en [gedaagde 5], advocaat: mr. A.J.C. Goldhoorn. De zaak in het kort Deze zaak gaat om de vraag of bepaalde uitlatingen die tijdens een algemene ledenvergadering van een VvE zijn gedaan onrechtmatig zijn. [eiser] stelt dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld jegens hem door ongefundeerd te verklaren dat hij de AVG heeft overtreden, waardoor zijn reputatie binnen de VvE is geschaad en hij in de buurt intimidatie heeft ervaren. [eiser] vordert in deze procedure een verklaring voor recht en rectificatie. [gedaagden] betwisten dat de beschuldigingen onrechtmatig zijn. De rechtbank oordeelt dat van onrechtmatig handelen geen sprake is en wijst de vorderingen van [eiser] af. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 25 februari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - productie 1 van [gedaagden]; - de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarbij door mr. Afriyieh spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier voor het overige aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is eigenaar van een appartementsrecht in het complex [adres] [nummer 1] t/m [nummer 2] in [plaats 1]. [eiser] is als appartementseigenaar van rechtswege lid van de VvE [adres] [nummer 1] t/m [nummer 2] (oneven) (hierna: de VvE). 2.2. [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] vormen gezamenlijk het bestuur van de VvE. [gedaagde 3] is eind 2024 afgetreden als bestuurder. 2.3. Tijdens de algemene ledenvergadering van 12 november 2024 (hierna ook: ALV) is een discussie ontstaan tussen [eiser] en twee leden van het toenmalige bestuur. Het bestuur van de VvE bestond op dat moment uit [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 4], [gedaagde 3] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). [gedaagde 5] maakte op 12 november 2024 dus nog geen deel uit van het bestuur. Uit een transcript van de ALV volgt dat [gedaagde 2] en [betrokkene] hebben gezegd dat [eiser] de wet overtreedt, in het bijzonder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG): “ [[betrokkene]] En je overtreedt zelf ook de wet. Maar daar komen we straks nog wel op. [[eiser]] Kom maar op. [[betrokkene]] Ja, ik heb al aangifte gedaan! [[eiser]] Hartstikke goed. [[betrokkene]] Bij de AP! (…) [[betrokkene]] Nou, nou, nou. Ik heb brieven… Ik zal even een voorbeeld… deze meneer heeft mail gestuurd aan het bestuur daarin zegt hij van in de bcc neem ik heel veel bewoners mee… daarbij aan ons ons mailadres van alle bestuursleden heeft u dus kenbaar gemaakt aan iedereen waarvan wij het niet weten. Dat is een overtreding op de APG! [[eiser]] Nee, dat is het niet, waarom niet? [[betrokkene]] Man, je laat me even uitpraten. [[eiser]] Nee, dat is het gewoon niet. U staat gewoon te liegen. [[betrokkene]] Ja, laat me nu gewoon even uitpraten, en anders zet ik je eruit. [[eiser]] Graag! (…) [[betrokkene]] overtreedt zelf de wet! Juridisch adviseur! Overtreedt zelf de wet! [[eiser]] Nee, helemaal niet. En weet u waarom niet? [[betrokkene]] aangifte bij AP gedaan [[eiser]] Omdat u namelijk zelf uw naam en uw e-mailadres op onder andere nieuwsbrieven heeft gezet. Hij staat op de website van de VVE-beheer. Dus ik overtreed helemaal geen wet…U gaat er van uit het zo is. En dan denkt u dat gaat u lekker hier roepen. Maar dat is gewoon onzin. (…) [[gedaagde 2]] Dat u, … dat u.. die adressen in een groepsmail mocht versturen. Als u één op één met iemand communiceert mag het. Als u mijn adres in een groepsmail stuurt naar iedereen en mij geen toestemming hebt gevraagd en dat ook niet van mij hebt gekregen, bent u in overtreding. ” 2.4. De notulen van de ALV van 12 november 2024 vermelden onder meer: “ Het bestuur en meerdere eigenaren geven aan dat zij niet willen worden opgenomen in de e-mailcorrespondentie van dhr. [eiser]. Dit wordt beschouwd als een schending van hun privacy. Het is belangrijk om dit te respecteren en duidelijkheid te scheppen over hoe communicatie binnen de VvE wordt georganiseerd. ” 2.5. Na de ALV heeft [eiser] het (toenmalige) bestuur van de VvE herhaaldelijk verzocht om de hiervoor onder 2.3. genoemde uitlatingen nader te onderbouwen en vervolgens in te trekken. Het bestuur heeft geen gehoor gegeven aan deze verzoeken. 2.6. [eiser] heeft bij verzoekschrift om rectificatie verzocht van de uitlatingen die tijdens de ALV zijn gedaan. Bij beschikking van 28 februari 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat het verzoek is gebaseerd op een onrechtmatige daad en dat de procedure niet door middel van een verzoekschrift, maar door middel van een dagvaarding aanhangig moet worden gemaakt. De kantonrechter heeft bevolen dat de zaak zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor een dagvaardingsprocedure in kantonzaken. 2.7. Bij dagvaarding van 7 maart 2025 heeft [eiser] vervolgens [gedaagden] voor de kantonrechter van deze rechtbank gedagvaard. Bij vonnis van 31 juli 2025 heeft de kantonrechter zich naar aanleiding van een verweer daartoe van [gedaagden] onbevoegd verklaard en de zaak naar de handelskamer van deze rechtbank verwezen. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat [gedaagden] primair hoofdelijk dan wel subsidiair afzonderlijk onrechtmatig jegens [eiser] handelen door ongefundeerd te verklaren dat hij voor een datalek heeft gezorgd, dan wel in strijd handelen met de AVG, en dat daarmee zijn goede naam en eer wordt aangetast; [gedaagden] primair hoofdelijk dan wel subsidiair afzonderlijk veroordeelt tot het doen van een schriftelijke rectificatie binnen zeven dagen na betekening van het vonnis in dit geding, aan alle bewoners/VvE-leden, dat het feitelijk onjuist is dat [eiser] voor een datalek heeft gezorgd, dan wel in strijd heeft gehandeld met de AVG door e-mailadressen van de leden van de VvE te gebruiken die al openbaar zijn, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 40.000,00 indien [gedaagden] in gebreke blijven; [gedaagden] primair hoofdelijk dan wel subsidiair afzonderlijk veroordeelt in de proceskosten van dit geding, nakosten daaronder begrepen. 3.2. [eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. De uitlatingen van het VvE-bestuur in de ALV van 12 november 2024 zijn onterecht en onjuist. Deze uitingen zijn daarom een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) en een schending van eer en goede naam in de zin van artikel 8 EVRM. Door de ongefundeerde beschuldigingen van overtreding van de AVG is de reputatie van [eiser] binnen de VvE ernstig geschaad. 3.3. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagden] voeren het volgende aan. [eiser] stelt dat “de beschuldigingen van het bestuur” onrechtmatig zijn en zijn eer en goede naam aantasten, maar [eiser] maakt niet duidelijk welke beschuldigingen hij precies bedoelt. Ook maakt [eiser] niet duidelijk waarom deze uitlatingen jegens hem onrechtmatig zijn en op grond waarvan de VvE (of het bestuur) verplicht is om een rectificatie te versturen. Verder merken [gedaagden] op dat [gedaagde 5] tijdens de ALV nog niet was toegetreden tot het bestuur en dat [betrokkene] niet in deze procedure is betrokken. Tot slot voeren [gedaagden] aan dat [eiser] niet is beschuldigd van feitelijke handelingen die hij niet heeft verricht en dat de kwalificatie “in strijd met de AVG” geen onrechtmatige daad oplevert. 3.4. De rechtbank gaat hierna, voor zover nodig, nader in op de stellingen van partijen. 4 De beoordeling [eiser] ontvankelijk in zijn vorderingen 4.1. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is dat de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk moet verklaren in zijn vorderingen. Ter zitting heeft de advocaat van [gedaagden] betoogd dat hij veel moeite heeft gehad om duidelijkheid te krijgen over de inhoud van de vorderingen van [eiser] en de grondslag daarvan. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2024, heeft (de advocaat van) [gedaagden] ter zitting betoogd dat in een procedure waar verplichte procesvertegenwoordiging geldt een advocaat zelf een juridische vertaalslag moet maken van het standpunt van zijn of haar cliënt. Volgens (de advocaat van) [gedaagden] is dat in deze procedure niet gebeurd en zou dat tot niet-ontvankelijkheid moeten leiden. De advocaat van [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat hij niet bij het begin van de procedure betrokken was en dat [eiser] de procedure in persoon is gestart. Gelet op het stadium waarin de procedure zich bevond, kon de advocaat nog wel de oorspronkelijke eis wijzigen, maar heeft hij niet alle feiten en grondslagen van de vorderingen kunnen herformuleren. 4.2. De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagden] Voor zover sprake is van enige onduidelijkheden in de stukken, zijn deze niet van dien aard dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit de dagvaarding blijkt voldoende duidelijk wat [eiser] vordert en wat [eiser] daaraan ten grondslag legt, zodat het voor [gedaagden] duidelijk was waartegen zij zich hadden te verdedigen (hetgeen [gedaagden] ook hebben gedaan). [gedaagden] zijn dus niet in hun verdediging geschaad. Kort gezegd gaat het om de uitlatingen die tijdens de ALV van 12 november 2024 zijn gedaan door bestuursleden van de VvE, waarbij [eiser] is beschuldigd van het overtreden van de AVG en waarbij is gezegd dat hiervan aangifte is gedaan. Deze uitlatingen zijn volgens [eiser] onrechtmatig. Inhoudelijke beoordeling 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW of van een schending van artikel 8 EVRM. De rechtbank legt dit hieronder uit. De uitlatingen en gedaagden 4.4. In deze zaak gaat het – zoals hiervoor overwogen – om uitlatingen die tijdens de ALV van 12 november 2024 zijn gedaan door bestuursleden van de VvE, waarbij [eiser] is beschuldigd van het overtreden van de AVG en waarbij is gezegd dat hiervan aangifte is gedaan (zie hiervoor onder 2.3). De rechtbank stelt vast dat deze uitlatingen zijn gedaan door voormalig bestuurder [betrokkene] en door [gedaagde 2]. Verder stelt de rechtbank vast dat niet het bestuur van de VvE is gedagvaard, maar de (huidige) individuele bestuursleden. De rechtbank zal per gedaagde moeten nagaan of sprake is van onrechtmatig handelen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat bestuurders van een rechtspersoon in beginsel niet persoonlijk kunnen worden aangesproken voor gedragingen verricht in de uitoefening van hun bestuurstaak. Daarvoor is vereist dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627). [betrokkene] is geen partij in deze procedure. Dit betekent dat eventueel onrechtmatig handelen van [betrokkene] in deze zaak buiten beschouwing blijft. Toetsingskader uitlatingen; vrijheid van meningsuiting versus recht op eerbiediging eer en goede naam 4.5. Bij de beantwoording van de vraag of de gedane uitlatingen onrechtmatig zijn, staan twee fundamentele rechten tegenover elkaar. Aan de ene kant het recht op vrijheid van meningsuiting van degene die de uitlating doet (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM). Aan de andere kant het recht op eerbiediging van de eer en goede naam van degene over wie de uitlating gaat (artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM). Tussen deze twee fundamentele rechten bestaat geen rangorde. Bij een botsing van deze rechten moet per geval door een belangafweging aan de hand van de omstandigheden van het geval worden bepaald welk grondrecht in die specifieke situatie zwaarder moet wegen. Uit jurisprudentie volgt dat de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen (vgl. HR 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221): - de aard van de uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie deze uitlatingen betrekking hebben; - de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die door middel van de uitlatingen aan de kaak worden gesteld; - de mate waarin de uitlatingen steun vinden in de feiten ten tijde van de uitlatingen. - de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, gezien in verhouding tot de hiervoor bedoelde omstandigheden; - de aard en het bereik van het medium waarin de uitlatingen zijn gedaan. Deze opsomming is niet limitatief. Dit betekent dat ook andere omstandigheden een rol kunnen spelen. [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] 4.6. Ten aanzien van de gedaagden [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] waren bestuurder ten tijde van de ALV. Dit brengt mee dat, ook indien de uitlatingen onrechtmatig zouden zijn, voor toewijzing van de vorderingen vereist is dat hen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De uitlatingen zijn gedaan door [betrokkene] en [gedaagde 2]. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet betrokken zijn geweest bij de uitlatingen. Van een persoonlijk ernstig verwijt kan dus geen sprake zijn, zodat [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser]. [gedaagde 5] heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] 4.7. Met betrekking tot [gedaagde 5] geldt dat zij ten tijde van de ALV van 12 november 2024 nog niet was toegetreden tot het bestuur. Evenmin is gebleken dat zij op enige wijze bij de uitlatingen betrokken is geweest. Ook [gedaagde 5] heeft dus niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]. [gedaagde 2] heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] 4.8. Ten aanzien van [gedaagde 2] overweegt de rechtbank als volgt. Tijdens de ALV van 12 november 2024 heeft [gedaagde 2] de volgende uitlating gedaan: “ [[gedaagde 2]] Dat u… dat u… die adressen in een groepsmail mocht versturen. Als u één op één met iemand communiceert mag het. Als u mijn adres in een groepsmail stuurt naar iedereen en mij geen toestemming hebt gevraagd en dat ook niet van mij hebt gekregen, bent u in overtreding. ” 4.9. [eiser] heeft betoogd dat de uitlating onrechtmatig is omdat de beschuldiging feitelijk onjuist is. Er was volgens [eiser] geen sprake van een overtreding omdat de e-mailadressen van het bestuur al beschikbaar waren via de website van de VvE en via eerdere nieuwsbrieven zijn gedeeld. [gedaagde 2] heeft ter zitting verklaard dat hij en de andere bestuurders van de VvE op hun privé e-mailadres diverse e-mails van [eiser] hebben ontvangen. In sommige van deze e-mails was een verzendlijst van geadresseerden opgenomen die geen deel uitmaakten van het bestuur, maar wel lid zijn van de VvE. Ook waren er geadresseerden opgenomen van wie [gedaagde 2] wist dat zij niet (langer) in het appartementencomplex wonen en dus geen lid (meer) waren van de VvE. Meerdere VvE-leden hebben het (toenmalige) bestuur laten weten het niet op prijs te stellen deze e-mails van [eiser] te ontvangen, waarna het bestuur [eiser] daarvan op de hoogte heeft gebracht. Vervolgens heeft [eiser] opnieuw e-mails verzonden aan het bestuur, maar dit keer was een verzendlijst van geadresseerden opgenomen in bcc. Hierdoor was het voor [gedaagde 2] en de overige bestuurders niet zichtbaar met wie hun privé e-mailadres werd gedeeld. Naar aanleiding hiervan heeft [gedaagde 2] contact opgenomen met de politie, die hem heeft doorverwezen naar de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: de AP) om een melding te doen. [gedaagde 2] heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met de AP en gemeld wat er is voorgevallen. De AP heeft [gedaagde 2] laten weten de melding in behandeling te nemen, maar heeft nog geen terugkoppeling gegeven. 4.10. Bij de beoordeling of de uitlating (hiervoor onder 4.8.) onrechtmatig is, moet er een afweging plaatsvinden tussen enerzijds het belang van [eiser] en anderzijds het belang van [gedaagde 2]. Het belang van [eiser] is erin gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verwijten en/of verdachtmakingen die zijn eer en goede naam aantasten. Het belang van [gedaagde 2] is erin gelegen dat hij als bestuurder van de VvE in een ALV de leden moet kunnen informeren over aangelegenheden die de VvE aangaan. De rechtbank is van oordeel dat het recht van [gedaagde 2] op vrijheid van meningsuiting in dit geval zwaarder weegt dan het recht van [eiser] op bescherming van zijn eer of goede naam. Hoewel begrijpelijk is dat de uitlating [eiser] heeft geraakt, temeer omdat hij als Information Security Officer werkzaam is, is de uitlating in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig. De rechtbank legt dit hieronder uit. 4.11. De uitlating is gedaan tijdens een ALV, een bijeenkomst in een besloten kring van VvE-leden. Uit de aard van de ALV, waarin eigenaren gezamenlijk zaken bespreken en besluiten nemen, volgt dat er ruimte moet zijn voor het bespreken van onderwerpen, het uiten van standpunten, het stellen van vragen en het voeren van discussie. De uitlating van [gedaagde 2] was gelet op de bewoordingen niet onnodig grievend en moet worden gezien in de context van de ALV van 12 november 2024, waarin de emoties hoog waren opgelopen en waarin [betrokkene] al uitlatingen van vergelijkbare strekking had gedaan. In de notulen van de ALV is de discussie vervolgens zakelijk en genuanceerd verwoord. De notulen van de ALV vermelden niet dat sprake is van een schending van de AVG of dat aangifte of melding is gedaan bij de AP. Dit betekent dat uitsluitend de aanwezigen bij de vergadering hebben kennisgenomen van de uitlating van [gedaagde 2]. Verder is van belang dat niet is gebleken dat de uitlating buiten de besloten kring van de VvE-leden is verspreid. 4.12. [gedaagde 2] heeft de uitlating vanuit zijn rol als bestuurder van de VvE gedaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het tot de taak van het bestuur van de VvE hoort om toe te zien op een ordelijk verloop van de gang van zaken binnen de VvE en om leden te informeren over mogelijke risico’s en relevante ontwikkelingen, waaronder mogelijke overtredingen van wet- en regelgeving. Dat [gedaagde 2] in dit kader lichtvaardig heeft gehandeld is niet gebleken. Uit de notulen van de ALV van 12 november 2024 en de toelichting van [gedaagde 2] ter zitting volgt dat meerdere eigenaren het niet op prijs stelden dat zij werden opgenomen in de e-mails van [eiser]. Dat [eiser] e-mails aan de eigenaren heeft verzonden, is door [eiser] ook niet betwist. [gedaagde 2] heeft vervolgens vanuit zijn verantwoordelijkheid als bestuurder contact opgenomen met de politie en de AP. [gedaagde 2] heeft het zo begrepen dat de AP de melding in behandeling zou nemen, “ dat nemen we op, u hoort van ons ”. Onder deze omstandigheden mocht [gedaagde 2] in redelijkheid menen dat sprake was van overtreding van de AVG en mocht hij dit uiten tijdens de ALV. Dat er volgens [eiser] geen sprake kan zijn geweest van een melding bij de AP omdat een melding altijd een nummer krijgt, maakt niet dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld; hij mocht er in de gegeven omstandigheden in redelijkheid vanuit gaan dat de AP de zaak nog zou bekijken. Ook [gedaagde 2] heeft dus niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]. Conclusie 4.13. De rechtbank concludeert dat [gedaagden] niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser]. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] dan ook afwijzen. Proceskosten 4.14. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] in de kantonzaak en de handelszaak tezamen worden begroot op: - griffierecht handel € 341,00 - salaris gemachtigde kanton - salaris advocaat handel € € 576,00 653,00 (2 punten × € 288,00) (1 punt × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.759,00 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.759,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.I. Zijsling en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

How it connects