Rechtbank Amsterdam, 09-09-2026 (13-279805-25)
Vervolgings-EAB uit Duitsland.
Judgment
Voortzetting na tussenuitspraken van 14 januari, 18 maart en 15 juli 2026. Rechterlijke autoriteit en effectieve rechtsbescherming: op grond van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie kan niet worden vastgesteld dat in Duitsland sprake is van de mogelijkheid om een EAB dat is uitgevaardigd een gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie in Duitsland, na de feitelijke overlevering te laten toetsen door een rechter. De rechtbank heropent en schorst het onderzoek ter zitting en verzoekt de officier van justitie twee aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-279805-25 Datum uitspraak: 9 september 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 31 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2025 door de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie – Centrum München, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Tussenuitspraak van 15 juli 2026 De rechtbank verwijst voor het verloop van de procesgang naar de tussenuitspraak van 15 juli 2026. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de raadslieden en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen na kennisneming van de beschikking van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) van 2 juli 2026 in zaak C-446/26 PPU ( Blerens ) op een volgende zitting hun standpunt kenbaar te maken. Zitting van 26 augustus 2026 De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank, voortgezet op de zitting van 26 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mrs. W.R. Jonk en S.M. Hof, beiden advocaat in Amsterdam. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraken van 14 januari 2026 en 18 maart 2026 De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de genoegzaamheid (onder 3.2), de strafbaarheid (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW voor wat betreft de Duitse detentieomstandigheden (onder 8). De rechtbank stelt verder vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2026 al is geoordeeld over de facultatieve weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, onder a, OLW (onder 5) en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW (onder 6). Hetgeen de rechtbank hierover in de tussenuitspraken heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Rechterlijke autoriteit en effectieve rechtsbescherming Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder 3.1 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026, onder 4 van de tussenuitspraak van 18 maart 2026, onder 4 van de tussenuitspraak van 13 mei 2026 en onder 4 van de tussenuitspraak van 15 juli 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Op 23 juli 2026 heeft de officier van justitie de volgende aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd: “(…) In light of these foregoing considerations and in light of the judgement by the Court of Justice of 13 January 2021 in C 414/20 PPU (MM) (ECLI:EU:C:2021:4, in particular §72 and §73), we would highly appreciate you answer the following questions: 1. After the requested person has been surrendered to Germany, does German (criminal) law and/or procedure provide for a judicial remedy to review the conditions under which a European Arrest Warrant has been issued by the issuing (prosecutorial) authority, in particular its proportionality (ECLI:EU:C:2021:4, §72)? At which procedural moments, after the actual surrender, is it possible to challenge before a judge the validity of the EAW issued by the prosecutor? 2. While hearing an application challenging the lawfulness of the continued pre-trial detention of a person surrendered pursuant to a European Arrest Warrant, is the German court competent, under German (criminal) law and/or procedure, to review the validity of that European Arrest Warrant issued by the prosecutor (ECLI:EU:C:2021:4, §73)? 3. After the actual surrender, is it possible, under German (criminal) law and/or procedure, that a successful challenge before the judge of the necessity of pre-trial detention, will result in the annulment of the EAW issued by the prosecutor?” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 5 augustus 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt: “1. According to a judgement of the district court Munich I dated on 28/07/2026, file number 7 Qs 14/26, an appeal against an EAW issued by the prosecutor is possible. So an appeal is just right after issuing an EAW possible, if the suspect have knowledge about the EAW. 2. Yes of course. The suspect is able to combine an appeal against the pre-trial detention and the EAW. 3. Yes. If the court decide, that the pre-trial detention is unlawful or should be suspended, the EAW loses its validity. By the way, the EAW is, just after the surrender to Germany, invalid, as it fulfills its purpose. Standpunt van de raadslieden De raadslieden hebben zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering wegens het ontbreken van een effectieve rechterlijke bescherming en de eisen die daaraan worden gesteld bij het uitvaardigen van een EAB. Subsidiair hebben zij de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) over de effectieve rechterlijke rechtsbescherming in deze specifieke zaak. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat uit de antwoorden van de Duitse autoriteiten niet blijkt dat een mogelijkheid bestaat tot een afzonderlijke toets van het EAB nadat de feitelijke overlevering heeft plaatsgevonden. In het kader van een klacht over de voorlopige hechtenis volgt weliswaar dat ook een klacht over het EAB kan plaatsvinden, maar hieruit volgt niet dat een afzonderlijke beoordeling van het EAB kan plaatsvinden. In het geval een nationaal aanhoudingsbevel vervalt omdat de voorlopige hechtenis niet langer noodzakelijk is, vervalt ook het EAB. Daarnaast verliest het EAB zijn geldigheid na de feitelijke overlevering. Een toetsing van het EAB zou volgens de Duitse autoriteiten mogelijk zijn op grond van artikel 304 StPO. De uitspraak van de rechtbank München van 28 juli 2026, waarnaar de Duitse autoriteiten in hun informatie verwijzen en waarbij de uitvaardiging van een EAB werd getoetst op grond van artikel 304 StPO, heeft echter betrekking op een andere situatie dan in de huidige zaak. Het lijkt er namelijk op dat het EAB in die zaak niet is uitgevaardigd door een officier van justitie, maar door een rechtbank. Een wetgevingstraject in Duitsland bevestigt dat de geldende StPO uit zichzelf geen EAB-beroepsgang biedt tegen beslissingen van een aanklager. In § 173 Abs. 3 IRG-E stelt de Duitse regering voor om de artikelen 304 en 310 StPO overeenkomstig van toepassing te verklaren op EAB-uitvaardigingen. Als artikel 304 StPO al gold voor EAB-uitvaardigingen dan wel via analogie, dan hoefde de Duitse regering dat niet in een nieuwe wetsbepaling te regelen. De raadslieden hebben geconcludeerd dat voor de opgeëiste persoon in Duitsland geen mogelijkheid bestaat om het EAB na de feitelijke overlevering te laten toetsen. En als deze mogelijkheid al zou bestaan, dan blijkt uit de uitspraak van de rechtbank München dat bij een toetsing op grond van art. 304 StPO geen sprake is van een inhoudelijke effectieve toets van de proportionaliteit van het EAB. Er wordt enkel achteraf getoetst of sprake is van voldoende opsporingsbelang om de uitvaardiging van het EAB te rechtvaardigen; van een daadwerkelijke belangenafweging blijkt geen sprake. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De beschikking van het HvJ EU van 2 juli 2026 inzake Blerens verandert het eerder ingenomen standpunt van het Openbaar Ministerie niet. Uit de beschikking van het HvJ EU inzake MM volgt niet dat een “beroep in rechte” alleen een zuiver beroep tegen het uitvaardigen van een EAB kan inhouden. De voorwaarden en evenredigheid van het EAB moeten aan een rechterlijke toetsing kunnen worden onderworpen. Dit is het geval in een situatie waarin de rechtmatigheid van de beslissing tot voorlopige inhechtenisneming van een persoon wordt betwist en daarbij incidenteel de regelmatigheid van de procedure tot uitvaardiging van het EAB tegen die persoon aan de orde wordt gesteld. Uit de beschikking van het HvJ EU inzake Blerens kan dan ook worden opgemaakt dat Duitsland meer waarborgen heeft dan volgens het HvJ EU strikt noodzakelijk zijn, omdat Duitsland op twee niveaus effectieve rechterlijke bescherming biedt, namelijk ten aanzien van zowel het NAB als het EAB. Hiermee wordt voldaan aan het vereiste van de effectieve rechterlijke bescherming. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft blijkens de verstrekte informatie bevestigd dat de mogelijkheid bestaat om een door de officier van justitie – naar de rechtbank begrijpt een gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie - uitgevaardigd EAB in Duitsland na de feitelijke overlevering te laten toetsen. In dat verband is verwezen naar een uitspraak van de rechtbank München van 28 juli 2026. Uit door de verdediging verstrekte informatie blijkt echter dat die uitspraak niet ziet op de huidige situatie waarin het EAB is uitgevaardigd door een officier van justitie, zijnde de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie. In die uitspraak gaat het namelijk om een EAB dat is uitgevaardigd door een rechter. De rechtbank kan op grond van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie dan ook niet vaststellen dat in Duitsland sprake is van de mogelijkheid om een EAB dat is uitgevaardigd een gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie in Duitsland, na de feitelijke overlevering te laten toetsen door een rechter. In verband met het voorgaande kan de rechtbank op grond van de verstrekte informatie nog niet definitief een oordeel geven over de vraag of sprake is van een effectieve rechterlijke bescherming. De rechtbank verzoekt de officier van justitie daarom de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen: 1. Uit welUit In de aanvullende informatie van 5 augustus 2026 is geantwoord dat het mogelijk is om na de feitelijke overlevering een beroep in te stellen tegen een EAB indien dit is uitgevaardigd door een officier van justitie (naar de rechtbank begrijpt de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie). Hierbij wordt ter onderbouwing verwezen naar een uitspraak van de rechtbank van München van 28 juli 2026. Uit een door de verdediging overgelegde uitspraak van het Hof van Cassatie in Italië van 18 juni 2026 met betrekking tot diezelfde opgeëiste persoon blijkt echter dat het EAB dat door de rechtbank van München wordt getoetst in voornoemde uitspraak, is uitgevaardigd door een rechter. Het is hierdoor voor de rechtbank nog steeds niet duidelijk of het ook mogelijk is om een door de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie uitgevaardigd EAB na de feitelijke overlevering te laten toetsen door de rechter. 1. Kunt u, gezien deze onduidelijkheid, aangeven uit welke wetsbepaling en/of jurisprudentie blijkt dat, wanneer het gaat om een EAB dat is uitgevaardigd door een gedelegeerd Europees aanklager van het Europees Openbaar Ministerie , na de feitelijke overlevering in Duitsland voor de overgeleverde persoon de mogelijkheid bestaat om de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid ervan, door een rechter te laten toetsen, nu artikel 304 StPO alleen op de toetsing van beslissingen van rechters ziet? 2. Kunt u voorts aangeven of daarbij sprake is van een ongeclausuleerde toetsing van het EAB en de proportionaliteit daarvan in die zin dat ook na de feitelijke overlevering een gerechtvaardigd belang bij die toetsing wordt aangenomen? De rechtbank verwijst in dit verband naar overweging 9 van de eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank van München van 28 juli 2026 waarin de rechtbank heeft beoordeeld of die opgeëiste persoon een blijvend gerechtvaardigd belang heeft bij een achteraf rechterlijke toetsing van het EAB. De rechtbank zal het onderzoek ter zitting heropenen en direct schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om voornoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Omdat sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, ziet de rechtbank de mogelijkheid om de beslistermijn met 60 dagen te verlengen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen. 5 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder punt 4 geformuleerde vragen met betrekking tot de effectieve rechtsbescherming van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW met 60 dagen (tot 15 november 2026) onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid OLW. BEPAALT dat de zaak zo snel mogelijk weer op zitting wordt gepland (uiterlijk op 1 november 2026, zijnde 14 dagen voor het einde van de verlengde beslistermijn). BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadslieden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. ECLI:NL:RBAMS:2026:7195. HvJ EU 2 juli 2026, C-446/26 PPU, ECLI:EU:C:2026:551 ( Blerens ). ECLI:NL:RBAMS:2026:153. ECLI:NL:RBAMS:2026:2798. ECLI:NL:RBAMS:2026:4717. Hof van Justitie van de Europese Unie, 13 januari 2021, C414/20 PPU ( MM ), ECLI:EU:C:2021:4.