Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9510 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 03-09-2026 (13-162869-26)

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: ten aanzien van het verzamelvonnis is geen sprake van een situatie als genoemd in artikel 12, onder a tot en met d, OLW.

Judgment

Summary

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond. De procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis is ex officio gestart, niet is gebleken dat de opgeëiste persoon op andere wijze op de hoogte is geraakt van de zitting en de opgeëiste persoon heeft in deze procedure geen adresinstructie ontvangen. Overlevering geweigerd.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-162869-26 Datum uitspraak: 3 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 9 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 mei 2026 door Sąd Okręgowy w Bielsku-Bialej ( the District Court in Bielsko-Biała) , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. L.C. Cox, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een cumulative judgment van the District Court in Bielsko-Biała van 26 augustus 2025 met kenmerk III K 339/25 (hierna: verzamelvonnis). Uit de aanvullende informatie van 9 juli 2026 blijkt dat de volgende twee vonnissen onderliggend zijn aan het verzamelvonnis: een vonnis van the Regional Court in Bielsko-Biała van 26 maart 2020 met kenmerk III K 37/20 (hierna: vonnis 1); een vonnis van the Regional Court in Bielsko-Biala van 19 april 2022 met kenmerk III K 679/20 (hierna: vonnis 2). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde verzamelvonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, acht maanden en veertien dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt allereerst vast dat het EAB een verzamelvonnis vermeldt waaraan twee vonnissen ten grondslag liggen. Dit brengt mee dat zowel de onderliggende vonnissen als het verzamelvonnis moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW, omdat bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Ook het verzamelvonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt. Het verzamelvonnis met kenmerk III K 339/25 Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie van 29 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 9 juli 2026 de volgende informatie verstrekt: "[opgeëiste persoon] did not provide an address for the purposes of case No. III K 339/25. (...) The instruction concerning the obligation to provide an address for service was not applied in case No. II K 339/25. (...) The case file contains no information indicating that [opgeëiste persoon] became aware, by any other means, of the scheduled hearing date in case No. II K 339/25." Standpunten van de partijen De raadsvrouw en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Er is geen sprake van een situatie als genoemd in artikel 12, onder a tot en met d, OLW en er zijn geen gronden om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt niet dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure of in de procedure is vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat. Daarnaast is het verzamelvonnis ex officio gewezen en heeft de opgeëiste persoon geen adresinstructie ontvangen die van toepassing is op de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. Vermeld is dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 9 juli 2026 blijkt niet dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft verder niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. De procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis is ex officio gestart, dus niet op verzoek van de opgeëiste persoon. De oproeping voor de zitting in deze procedure is naar het opgegeven adres van de opgeëiste persoon gestuurd en, na twee notificaties, niet afgehaald. Uit de stukken blijkt echter dat de opgeëiste persoon niet een adresinstructie heeft ontvangen die van toepassing is op de procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis. Nu blijkens de verstrekte informatie ook niet is gebleken dat de opgeëiste persoon op andere wijze op de hoogte is geraakt van de zitting, kan niet geconcludeerd worden dat de opgeëiste persoon ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis al dan niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht of kennelijk onzorgvuldig heeft gehandeld. De overlevering wordt daarom geweigerd. Vonnis 1 en 2 Het voorgaande brengt met zich mee dat de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen geen nadere bespreking behoeven in het licht van artikel 12 OLW. Kies een item. Kies een item. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Daarom wordt de overlevering geweigerd. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 12 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Sąd Okręgowy w Bielsku-Bialej (the District Court in Bielsko-Biała) , Polen, voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB. HEFT OP het (geschorste) bevel tot gevangenhouding. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Vgl. Rb. Amsterdam 16 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6139 en Rb. Amsterdam 28 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3358.