Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9484 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 25-08-2026 (13-164750-26)

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: de rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond in verband met een adresinstructie.

Judgment

Summary

De opgeëiste persoon heeft ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel hij is kennelijk onzorgvuldig geweest. Overlevering toegestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-164750-26 Datum uitspraak: 25 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 12 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 januari 2024 door the Regional Court of Toruń, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.G.S. Rozestraten, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een final sentence van de District Court in Grudziądz van 25 oktober 2021 met kenmerk II K 372/19. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar en acht maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De straf resteert in het geheel. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding In onderdeel d) van het EAB is aangegeven dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de procedure die tot het vonnis heeft geleid. Daarbij heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende vermeld: "The accused [de opgeëiste persoon] was correctly informed about the date of the trial of 25th October 2021 before the Court as the notification on the location and the date of the trial was sent by post to the last known address in Poland which had been stated by the accused to the protocol of the interrogation at the stage of pre-trial proceedings. " Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie van 29 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 7 juli 2026 de volgende informatie verstrekt: "The convict [de opgeëiste persoon] , during the pre-trial proceedings, i.e. during the interrogation carried out on 20th December 2018 indicated the following residence address: [adres] . During this interrogation [de opgeëiste persoon] had also been informed on the necessity to inform the bodies on the change of the address, and also on the wording of Article 75 1 and 2 of the Code of Penal Procedure, Article 133 2 of the Code of Penal Procedure, Article 138 of the Code of Penal Procedure and Article 139 of the Code of Penal Procedure which he had confirmed by his signature." Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat niet blijkt dat de opgeëiste persoon op de zitting is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat en de oproeping niet in persoon is betekend. De opgeëiste persoon betwist dat hij bij het verhoor op 20 december 2018 een adres zou hebben opgegeven. Op het in de aanvullende informatie genoemde adres kan bovendien geen post worden ontvangen en dit is ook niet het huisadres van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon gebruikt voor officiële correspondentie altijd zijn inschrijvingsadres. De opgeëiste persoon betwist daarnaast dat hij tijdens het verhoor een adresinstructie heeft ontvangen. Hij heeft tijdens het verhoor toestemming gevraagd om naar Nederland te gaan en deze gekregen. Verder blijkt uit de aanvullende informatie niet dat de adresinstructie voor de gehele procedure heeft gegolden en dat de opgeëiste persoon zou zijn gewezen op de consequenties van het niet naleven van de adresinstructie. De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat hierover aanvullende vragen moeten worden gesteld en de zaak ten behoeve hiervan moet worden aangehouden. In dat geval verzoekt de raadsvrouw ook vragen te stellen aan de Duitse autoriteiten over de onderliggende redenen voor de weigering van de overlevering door de Duitse autoriteiten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is van toepassing, maar de rechtbank kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en heeft die ondertekend. Hij heeft tijdens het vooronderzoek een adres opgegeven waarop hij bereikbaar zou zijn voor officiële correspondentie en is daarbij gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het niet naleven daarvan. Dit volgt uit de Poolse wetsartikelen die zijn genoemd in de aanvullende informatie van 7 juli 2026. Verder is het niet relevant dat de aanvullende informatie niet vermeldt of de adresinstructie voor de hele procedure heeft gegolden, omdat enkel sprake is van een procedure in eerste aanleg. De oproep voor de zitting is naar het opgegeven adres gestuurd. De opgeëiste persoon is kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het is niet nodig om vragen te stellen aan de Duitse autoriteiten over de redenen voor de weigering van de overlevering, omdat weigeringsgronden per land en rechtsstelsel verschillen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. Uit de aanvullende informatie van 7 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in een verhoor op 20 december 2018 het adres [adres] heeft opgegeven als correspondentieadres. Tevens is hij gewezen op zijn plicht om de Poolse autoriteiten op de hoogte te stellen van elke adreswijziging en op de consequentie van het niet voldoen aan deze adresinstructie, namelijk dat de berechting in zijn afwezigheid plaats kon vinden, hetgeen volgt uit artikel 139 van de Poolse Code of Criminal Procedure . De rechtbank overweegt ten overvloede dat, gezien enkel een procedure in eerste aanleg heeft plaatsgevonden, het niet aan de orde is om vast te stellen of de adresinstructie voor de gehele procedure heeft gegolden. De opgeëiste persoon heeft getekend voor de ontvangst van deze adresinstructie. Vervolgens is alle correspondentie gedurende het onderzoek en tijdens de procedure daadwerkelijk naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Hij is naar Nederland vertrokken, maar heeft daarbij geen adreswijziging doorgegeven aan de Poolse autoriteiten. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon ten aanzien van het in de aanvullende informatie genoemde adres en de adresinstructie is niet voldoende om hieraan te twijfelen. Hetgeen de opgeëiste persoon in dat kader heeft verklaard, wordt niet op enige manier door zich in het dossier bevindende stukken ondersteund. In verband met het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte moet zijn geweest van de verdenking en dat hij er rekening mee moest houden dat er een proces zou volgen. Hij heeft ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel hij is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten. Artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit of de Duitse autoriteiten te stellen. 5 Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal in een woning door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Toruń, Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .

How it connects