Rechtbank Amsterdam, 17-09-2026 (13-143415-26)
Uitleveringszaak Servië. Veroordeling bij verstek: artikel 3 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV en artikel 5, derde lid, UW staan niet aan uitlevering in de weg.
Judgment
Decision
De rechtbank: verklaart TOELAATBAAR de door Servië verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren die is opgelegd wegens het feit dat is omschreven in het vonnis van de Higher Court in Zrenjanin van 15 december 2023, met kenmerk 3K. 41/21.
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
Uitlevering toelaatbaar.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-143415-26 Datum uitspraak: 17 september 2026 UITSPRAAK op de vordering op grond van artikel 23 van de Uitleveringswet (UW) van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 9 juli 2026, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid ontvangen verzoek van het Ministerie van Justitie van de Republiek Servië tot uitlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Griekenland) op [geboortedag] 1994, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres: [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1 Procesgang Zitting van 25 augustus 2026 De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd aangehouden omdat de behandeling van de voorafgaande zaken op zitting dermate was uitgelopen dat de tolk in de Servische taal niet langer beschikbaar was. Zitting van 3 september 2026 De rechtbank heeft - met instemming van partijen - op 3 september 2026 in gewijzigde samenstelling de behandeling van het uitleveringsverzoek voortgezet en de opgeëiste persoon, zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie ter openbare zitting gehoord. De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel totdat de officier van justitie overeenkomstig artikel 36 UW in kennis is gesteld van de beslissing van Onze Minister. De raadsman heeft geen inhoudelijke verweren gevoerd. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij niet de Nederlandse maar de Servische nationaliteit heeft. 3 Toepasselijk verdrag Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering ( Trb . 1965, 9), verder te noemen het EUV en het Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV ( Trb . 1979, 120). 4 Grondslag van het uitleveringsverzoek De Servische autoriteiten hebben bij brief van 16 juni 2026 verzocht om de uitlevering van de opgeëiste persoon voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren. Die vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd in een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van the Higher Court in Zrenjanin van 15 december 2023, met kenmerk 3K. 41/21. Dit vonnis is in stand gehouden door het arrest van the Appellate Court in Novi Sad van 11 juni 2024, met kenmerk Kž1 278/24. Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht is uiteengezet in het vonnis van the Higher Court in Zrenjanin van 15 december 2023, met kenmerk 3K. 41/21. 5 Genoegzaamheid van de stukken Bij het uitleveringsverzoek zijn gevoegd: een authentiek afschrift van een aanhoudingsbevel van the Basic Court in Pirot van 12 augustus 2024, met kenmerk Ik. 142/24, met daarbij een herstelbevel van 14 oktober 2024; een authentiek afschrift van het vonnis van the Higher Court in Zrenjanin van 15 december 2023, met kenmerk 3K. 41/21, met daarin een beschrijving van het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, waaronder de datum waarop en plaats waar het feit is begaan, en een verwijzing naar de toepasselijke wetsbepaling; een authentiek afschrift van het arrest van the Appellate Court in Novi Sad van 11 juni 2024, met kenmerk Kž1 278/24; een afschrift van de toepasselijke artikelen 61, 105, 106, 107, 108 en 246 van de Servische Criminal Code ; een authentiek afschrift van een certificaat met betrekking tot de Servische nationaliteit van de opgeëiste persoon. De rechtbank is van oordeel dat de stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, EUV en artikel 18 UW. 6 Dubbele strafbaarheid Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht is naar Servisch recht strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste één jaar worden opgelegd, terwijl dit feit naar Nederlands recht eveneens strafbaar is en daarvoor een vrijheidsstraf van ten minste één jaar kan worden opgelegd. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. 7. Veroordeling bij verstek; artikel 3 Tweede Aanvullend Protocol en artikel 5 UW Uit het uitleveringsverzoek van het Ministerie van Justitie van de Republiek Servië van 9 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest bij de strafrechtelijke procedure. Uit het aanhoudingsbevel van the Basic Court in Pirot van 12 augustus 2024, met kenmerk Ik. 142/24, blijkt dat de veroordeling voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Artikel 3, eerste lid, eerste volzin, van het Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV brengt in samenhang met artikel 5, derde lid, UW in een dergelijk geval mee dat de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar verklaart wanneer deze van oordeel is dat ‘bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen’, tenzij de verzoekende staat ‘een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd’. De rechtbank is van oordeel dat de rechten van de verdediging in voldoende mate in acht zijn genomen gedurende de strafrechtelijke procedure. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit het vonnis van the Higher Court in Zrenjanin van 15 december 2023 volgt dat ‘ evidentiary proceedings ’ zijn gevoerd waarbij de opgeëiste persoon op 24 juli 2022 tijdens een ‘ main hearing ’ is gehoord. Uit het vonnis van the Higher Court in Zrenjanin blijkt verder dat het vonnis in eerste aanleg is gewezen na een openbare terechtzitting op 13 december 2023 waar de advocaat van de opgeëiste persoon is verschenen. Deze advocaat heeft op de zitting van 13 december 2023 daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd. Het arrest van the Appellate Court in Novi Sad van 11 juni 2024 vermeldt dat het hoger beroep is ingesteld namens de opgeëiste persoon door zijn door de rechtbank aangewezen advocaat, Drago Tabaković, en the Higher Public Prosecutor’s Office in Zrenjanin . The Appellate Court in Novi Sad heeft op 11 juni 2024 een ‘ chamber session ’ gehouden in aanwezigheid van de door de rechtbank aangewezen advocaat van de opgeëiste persoon, Bojana Tabaković (als waarnemer voor Drago Tabaković). Deze advocaat heeft op de zitting van 11 juni 2024 daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd. De opgeëiste persoon heeft op 21 mei 2026 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bekend is met de beschuldiging en de strafrechtelijke procedure. Hij heeft verklaard dat hij niet bij de zittingen aanwezig is geweest, maar dat hij een advocaat had, Bojana Tabaković, die hem, samen met haar vader Drago Tabaković, hebben vertegenwoordigd. De rechtbank concludeert dan ook dat de opgeëiste persoon op de hoogte van de procedures en de beschuldiging en dat hij met zijn medeweten in zijn afwezigheid is verdedigd door de genoemde advocaten. Gelet op het voorgaande staan artikel 3 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV en artikel 5, derde lid, UW niet aan uitlevering in de weg. 8 Slotsom Nu de rechtbank van oordeel is dat ten aanzien van het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd aan alle daarvoor in de UW en het EUV gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard 9 Toepasselijke wetsartikelen de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet; de artikelen 2 en 5 van de Uitleveringswet; de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 ( Trb . 65, 9) en artikel 3 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag ( Trb . 1979, 120). 10 Beslissing De rechtbank: verklaart TOELAATBAAR de door Servië verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren die is opgelegd wegens het feit dat is omschreven in het vonnis van de Higher Court in Zrenjanin van 15 december 2023, met kenmerk 3K. 41/21. Aldus gedaan door mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter, mrs. I. Verstraeten en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 september 2026. Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.