Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-07-2026 (C/02/448969/ FA RK 26-2887)
Vervangende toestemming vakantie naar Japan toegewezen.
Judgment
Ook is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald. Verzoek vervangende toestemming hulpverlening afgewezen vanwege onduidelijkheid.
Full text
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/448969/ FA RK 26-2887 Datum mondelinge uitspraak: 15 juli 2026 Datum schriftelijke uitspraak: 22 juli 2026 beschikking betreffende vervangende toestemming vakantie, hulpverlening en vaststellen zorgregeling in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats] advocaat: mr. M.J.E.M. Edelmann uit Breda, tegen [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. A. Harent uit Dordrecht. 1 Het procesverloop 1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 4 juni 2026 ontvangen verzoek met bijlage; - het F9-formulier met bijlage van mr. Edelmann van 8 juli 2026; - het op 8 juli 2026 ontvangen verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, met bijlagen. 1.2. De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 15 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens werd de vrouw bijgestaan door een tolk in de Engelse taal. 1.3. De rechtbank heeft bijzondere toestemming verleend aan een topklasstudent van [school] om de zitting bij te wonen. 1.4. De rechtbank heeft de nog onder 2.2. te noemen [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De betrokkenen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn elkaars geregistreerde partners. De man heeft bij verzoekschrift van 23 december 2025 de rechtbank, onder meer, verzocht de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken. 2.2. Uit de relatie van partijen is het navolgende minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] (Vietnam) op [geboortedag] 2014, hierna te noemen [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] verblijft bij partijen, die beiden nog in de ouderlijke woning verblijven. 2.4. De man heeft [minderjarige] erkend. 2.5. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.6. De vrouw heeft de Japanse nationaliteit, de man heeft Nederlandse nationaliteit en [minderjarige] heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. 3 Het verzoek 3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar toestemming te verlenen, ter vervanging van de toestemming van de man, om met de [minderjarige] voor de periode van 26 juli 2026 tot en met 16 augustus 2026 op vakantie te kunnen naar Japan. 3.2. De man voert verweer tegen het verzoeken van de vrouw en verzoekt dit niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen. 3.3. Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man: dat hem vervangende toestemming zal worden verleend voor gesprekken/behandelingen voor [minderjarige] , bij [jeugdhulp] door [persoon]; de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, voorlopig, als volgt vast te stellen: - [minderjarige] verblijft gedurende de zomervakantie vanaf zaterdag 18 juli tot en met woensdag 5 augustus 2026 12.00 uur bij de vrouw en vanaf woensdag 5 augustus 2026 12.00 uur tot maandag 24 augustus 2026 naar school bij de man (of vice versa); - vanaf maandag 24 augustus 2026 verblijft [minderjarige] in een week-op-week-af regeling gedurende een week bij de man en een week bij de vrouw met als wisselmoment de maandag na school, met als start bij de ouder waar hij gedurende de eerste periode van de vakantie heeft verbleven. 3.4. De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man en verzoekt deze af te wijzen. 4 Standpunten 4.1. Door en namens de vrouw is, samengevat, ter onderbouwing van haar verzoek en haar verweer aangevoerd dat partijen niet met elkaar communiceren en dat de scheiding erg problematisch verloopt. De vrouw wil een paar weken met [minderjarige] met vakantie naar haar zoon, een halfbroer van [minderjarige] , en haar familie in Japan. Zij zullen eerst een paar dagen in de buurt van Kansai Airport Osaka verblijven, waarna zij samen met de halfbroer naar [plaats] zal reizen en aldaar zal verblijven. De halfbroer heeft in die periode zelf ook een week vakantie, de periode dat de vrouw naar Japan wil afreizen beslaat die week en de week ervoor en erna. Gezien de halfbroer in die periode maar een week vakantie heeft is het geen reële optie dat hij naar Nederland afreist. De man weigert toestemming te verlenen voor de reis omdat hij bang is dat [minderjarige] niet meer zal terugkeren naar Nederland, nu hij ook de Japanse nationaliteit heeft. [minderjarige] wil echter niet in Japan blijven en terugkeren naar Nederland. Hij is inmiddels ingeschreven bij [middelbare school] in [woonplaats] , en gaat daar na de zomervakantie naar toe. Ook de vrouw is in Nederland geworteld. Zij werkt bij de [winkel] in [woonplaats] . Ook heeft zij vanaf 1 juli 2026 een huurwoning in [woonplaats] . Op dit moment is zij deze aan het schilderen en binnenkort zal zij hier intrekken. De vrouw erkent dat de man door de vakantie minder tijd heeft met [minderjarige] en is bereid hem hiervoor te compenseren, zodat bijvoorbeeld [minderjarige] in de herfstvakanties meer dagen bij de man verblijft dan bij haar. Voorts voert de vrouw aan dat de verhalen van partijen over de hulpverlening uiteenlopen. Voor de gesprekken van [minderjarige] via [jeugdhulp] is helemaal geen toestemming van de ouders noodzakelijk. [minderjarige] heeft reeds vijf gesprekken gevoerd met een jeugdprofessional van [jeugdhulp], maar voelde zich bij haar niet prettig. Inmiddels is het traject bij [jeugdhulp] gestopt en is [minderjarige] verwezen naar [hulpverlening], waar hij nu op de wachtlijst staat. Het klopt dat de Raad voor de Kinderbescherming (Raad) zal worden betrokken bij de verdere hulpverlening. Welke hulpverlening noodzakelijk is, dient daarom aan de Raad te worden overgelaten. Wat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft kan de vrouw zich vinden in de regeling die [minderjarige] aan de kinderrechter, zie 4.3., heeft voorgesteld. De vrouw heeft echter ook geen bezwaren tegen een week-op-week-af regeling, zoals verzocht door de man. Voorkeur verdient om deze regeling definitief vast te stellen. 4.2. Door en namens de man is ter onderbouwing van zijn verweer en zijn zelfstandige verzoeken, samengevat, het volgende aangevoerd. De man geeft om meerdere redenen geen toestemming voor de reis van drie weken naar Japan. Hij vreest dat de vrouw en [minderjarige] niet zullen terugkeren. De vrouw heeft hier meermaals mee gedreigd. Zij heeft spaargeld en beleggingen in Japan en waarschijnlijk ook een woning. [minderjarige] spreekt bovendien Japans en is eerder in Japan naar school gegaan. De vrouw wil met [minderjarige] haar andere zoon bezoeken, maar deze zoon kan in de dagen dat hij vakantie heeft ook naar Nederland afreizen. Daarnaast vindt de man het gelet op de aanstaande verhuizing van [minderjarige] te onrustig voor hem om een verre reis te maken. Daarbij merkt de man op dat er nog geen afspraken zijn over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens en na de vakantie. De communicatie tussen partijen is ernstig verstoord. De periode die de vrouw op vakantie wenst te gaan valt midden in de zomervakantie. De man is vanaf 18 juli 2026 vrij en zou graag twee aaneengesloten weken met [minderjarige] willen doorbrengen. De man wil geen compensatie, zoals door de vrouw voorgesteld. Voorts verzoekt de man vervangende toestemming om de hulpverlening voor [minderjarige] bij [jeugdhulp] voort te kunnen zetten. Deze hulpverlening is anders dan de vrouw stelt niet van de baan, [jeugdhulp] is juist de enige die hulpverlening kan bieden. Het is daarom belangrijk dat deze zo spoedig mogelijk wordt gecontinueerd. De vrouw was het niet eens met hetgeen aan haar is teruggekoppeld over de eerste vijf gesprekken en wilde een andere jeugdprofessional. Er is echter geen andere jeugdprofessional beschikbaar en het is ook niet in het belang van [minderjarige] om weer met een andere hulpverlener kennis te moeten maken. De Raad is inmiddels betrokken en gevraagd of een raadsonderzoek nodig is omdat hulpverlening in het vrijwillig kader niet van de grond komt. Verder is de man van mening dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan de volwassenen dient te worden gelaten. Een week-op-week-af regeling past bij een jongen die naar de brugklas gaat en de begeleiding van de man nodig zal hebben. Vanwege proceseconomische redenen heeft de man geen voorlopige voorziening verzocht in een nog te starten bodemprocedure. De rechtbank kan desondanks een tijdelijke regeling bepalen in afwachting van een bodemprocedure. De man heeft er echter een voorkeur voor een definitieve regeling, nu ook de vrouw daarmee instemt. 4.3. [minderjarige] heeft, kort samengevat, aan de kinderrechter verteld dat hij graag op vakantie wil naar Japan. Hij wil in dat land zijn vrienden ontmoeten en zijn broer zien die in de periode dat de reis gepland staat zeven dagen vrij heeft. Hij wil ook met de man op vakantie, maar niet naar Frankrijk. Als de ouders apart van elkaar wonen wil [minderjarige] graag doordeweeks bij de vrouw en in het weekend bij de man verblijven. Na de zomervakantie 2026 gaat hij naar de brugklas van de [middelbare school] in [woonplaats] . 5 De beoordeling Bevoegdheid en toepasselijk recht 5.1. Vanwege het feit dat de vrouw de Japanse nationaliteit heeft en [minderjarige] in Vietnam is geboren (en naast de Nederlandse nationaliteit mogelijk ook de Japanse nationaliteit heeft), draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek. 5.2. De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om van het verzoek kennis te nemen, aangezien [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek in Nederland woonde en alhier ook zijn gewone verblijfplaats heeft (artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering). Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda , relatief bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het rechtsgebied van deze rechtbank. 5.3. Aangezien de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing (artikel 17 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996). Inhoudelijke beoordeling verzoek 5.4. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 5.5. De rechtbank heeft ter zitting nog geprobeerd om ten aanzien van een of meer verzoeken een minnelijke regeling tussen partijen te treffen, wat min of meer alleen ten aanzien van de na te noemen zorgregeling mogelijk is gebleken. Vervangende toestemming vakantie naar Japan 5.6. Vooropgesteld wordt dat de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om met [minderjarige] naar het buitenland te reizen en daar te verblijven, omdat partijen gezamenlijk zijn belast met het gezag over hem. De rechtbank overweegt dat het over het algemeen in het belang van een kind is om met (een van) zijn ouders op vakantie te kunnen gaan, temeer als de vakantie een bezoek aan familie die in het buitenland verblijft inhoudt aangezien dit goed is voor de identiteitsontwikkeling van een kind, zeker in deze zaak waarbij [minderjarige] onder meer de familie van de zijde van de vrouw kan ontmoeten. Uitzonderingen hierop kunnen er bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor een kind te zorgen, wanneer een gegronde vrees bestaat voor ontvoering van het kind door de ouder of wanneer een vakantie in strijd is met tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling. 5.7. Op grond van de stukken en hetgeen is besproken op de zitting, is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die zich verzetten tegen een reis van [minderjarige] met de vrouw naar Japan in de zomervakantie van 2026. De man heeft met name bezwaar tegen de reis omdat hij vreest dat [minderjarige] na de reis niet zal terugkeren naar Nederland. Hij stelt ter onderbouwing daarvan, kortgezegd, dat de vrouw over vermogen en mogelijk ook ontroerend goed in Japan beschikt. Wat daar ook van zij, de rechtbank ziet daarin geen concrete indicaties dat de vrouw voornemens is om zich met [minderjarige] in Japan te gaan vestigen, of hem niet mee terug zal nemen naar Nederland. Het doen en laten van de vrouw bevestigt het tegenovergestelde. Zo is de vrouw haar nieuwe huurwoning in [woonplaats] aan het opknappen en inrichten, zodat zij met [minderjarige] daarin kan gaan wonen. Ook heeft zij een baan in Nederland. Bovendien wil [minderjarige] zelf ook terugkeren naar Nederland. Hij heeft de kinderrechter verteld dat hij is ingeschreven op [middelbare school] en daar op 24 augustus 2026 zal starten in de brugklas. Ook het feit dat [minderjarige] kennelijk de Japanse nationaliteit heeft, naast Nederlands ook Japans spreekt en de omstandigheid dat hij tijdens eerdere verblijven in Japan aldaar lessen (Japans) heeft gevolgd, zijn geen redenen om aan te nemen dat [minderjarige] niet naar Nederland zal terugkeren. Immers, het is gebruikelijk dat kinderen tweetalig worden opgevoed als hun ouders beide een andere taal spreken. In het geval van [minderjarige] kan de rechtbank zich voorstellen dat hij niet alleen met de vrouw, maar ook met zijn halfbroer en vrienden in Japan in het Japans communiceert. Het eventuele bezit van de Japanse nationaliteit duidt evenmin op vrees voor het niet terugkeren. Daarnaast overweegt de rechtbank dat hoewel het invoelbaar is dat de man deze zomervakantie evenredig veel tijd wil doorbrengen met [minderjarige] als de vrouw, dit argument onvoldoende zwaar weegt, ook omdat de vrouw bereid is de man hiervoor te compenseren. Ook het argument van de man dat [minderjarige] vanwege de aanstaande verhuizing rust nodig, waaruit overigens kan worden afgeleid dat de vrouw en [minderjarige] voornemens zijn om in de nieuwe woning van de vrouw te gaan wonen, heeft legt onvoldoende gewicht in de schaal. [minderjarige] kijkt erg uit naar de vakantie in Japan en niet is gebleken dat deze vakantie zodanig onrustig voor hem is dat deze niet in zijn belang moet worden geacht. Bovendien heeft [minderjarige] na terugkomst uit Japan nog een week om bij te komen. Dat de in Japan verblijvende zoon van de vrouw wellicht de mogelijkheid heeft om naar Nederland af te reizen, zoals door de man is aangegeven, doet aan het voorgaande niet af. 5.8. Gelet op het vorengaande acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat hij in de verzochte periode met de vrouw in Japan op vakantie kan zijn. Volledigheidshalve wordt nog overwogen dat het deel van Japan dat de vrouw met [minderjarige] wil bezoeken door de minister van Buitenlandse Zaken niet is aangemerkt als risicogebied, waarvoor een negatief reisadvies geldt. 5.9. Het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming zal dan ook worden toegewezen. 5.10. De rechtbank geeft de vrouw mee om voorafgaand aan haar vertrek de man te informeren over de reis- en de verblijfsgegevens in Japan, waarbij het ook wenselijk is dat de vrouw gedurende het verblijf in Japan de man af en toe bericht hoe het daar met [minderjarige] gaat en ook dat [minderjarige] en de man telefonisch, al dan niet in combinatie met beeldbellen, regelmatig contact met elkaar hebben. Vervangende toestemming hulpverlening 5.11. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om ter vervanging van de toestemming van de vrouw aan de man vervangende toestemming te verlenen voor gesprekken en/of behandelingen voor [minderjarige] bij [jeugdhulp]. De standpunten van partijen over de hulpverlening staan lijnrecht tegenover elkaar. De man heeft aangevoerd dat op dit moment enkel [jeugdhulp] [minderjarige] passende hulpverlening kan bieden, terwijl de vrouw juist stelt dat de hulpverlening vanuit [jeugdhulp] is afgesloten en dat [minderjarige] op de wachtlijst staat voor hulpverlening van [hulpverlening]. Los daarvan is onduidelijk of partijen toestemming überhaupt moeten verlenen voor de gesprekken van [minderjarige] met de jeugdprofessional van [jeugdhulp], nu de vrouw heeft verklaard dat daarvoor geen toestemming nodig is. Dit alles maakt dat er voor de rechtbank te veel onduidelijkheden en onzekerheden zijn. Het verzoek van de man zal worden afgewezen. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken 5.12. Gelet op de aan de vrouw mondeling verleende vervangende toestemming om van 26 juli 2026 tot en met 16 augustus 2026 met [minderjarige] naar Japan af te reizen en te verblijven resteert voor de verdeling van de zomervakantie 2026 enkel nog de laatste week. De rechtbank acht het gelet op een zoveel als mogelijke evenredige verdeling van de vakantie passend dat [minderjarige] de laatste week van de zomervakantie, van 17 augustus 2026 tot en met 23 augustus 2026 bij de man verblijft. 5.13. Voorts heeft de rechtbank zich van vergewist dat de vrouw geen bezwaren heeft tegen een week-op-week-af regeling die ingaat na de zomervakantie 2026, dus vanaf 24 augustus 2026, waarbij [minderjarige] gedurende een week bij de man en een week bij de vrouw verblijft, zoals door de man verzocht. De rechtbank acht deze verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest in het belang van [minderjarige] en zal overeenkomstig beslissen. Zij zal daarbij bepalen dat [minderjarige] in de oneven weken bij de man verblijft en in de even weken bij de vrouw. Het wisselmoment zal worden bepaald op maandag voor school (met ingang van 31 augustus 2026). Dit betekent in het onderhavige geval dat [minderjarige] na de zomervakantie nog een week bij de man zal verblijven, hetgeen de rechtbank passend acht gelet op de beperkte tijd die [minderjarige] en de man in de zomervakantie samen hebben gehad. De rechtbank zal deze zorgregeling definitief vaststellen, nu er geen provisionele voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Rechtsvordering is verzocht, omdat partijen dat op de zitting hebben verzocht. Uitvoerbaar bij voorraad 5.14. De rechtbank zal de toewijzende beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissingen ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kunnen worden. Proceskosten 5.15. Nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kind, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten moet dragen. 6 De beslissing De rechtbank: verzoek vrouw: 6.1. verleent, uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, vervangende toestemming om met de [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] (Vietnam) op [geboortedag] 2014, in de periode van 26 juli 2026 tot en met 16 augustus 2026 te reizen naar Japan en aldaar te verblijven in de plaatsen/regio’s Osaka en [plaats], en wijst het meer of anders verzochte af; verzoek man: 6.2. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van partijen dat tijdens de zomervakantie 2026 [minderjarige] bij de man verblijft van 17 augustus 2026 tot en met 23 augustus 2026; 6.3. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van partijen vanaf 24 augustus 2026 aldus zal zijn dat [minderjarige] in de oneven weken bij de man zal verblijven en in de even weken bij de vrouw, waarbij het wisselmoment steeds op maandag voor school is; 6.4. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 6.5. wijst het meer of anders verzochte af. De onder 6.1 genoemde beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026, en op schrift gesteld op 22 juli 2026. De onder 6.2 tot en met 6.5 genoemde beslissingen zijn gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026. Alle beslissingen zijn gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Van Noort, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.