Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9389 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 01-09-2026 (1316058726)

Executie-EAB uit Polen. Verzamelvonnis.

Judgment

Summary

Artikel 12 OLW: in persoon verschenen; en afzien van weigeren. Artikel 7 OLW: toetsing in het kader van de dubbele strafbaarheid geschiedt ex nunc, te weten op het moment dat de rechtbank op het overleveringsverzoek beslist

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-160587-26 Datum uitspraak: 1 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 9 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2026 door the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Divison, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 30 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 30 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen gelet op de toetsing aan artikel 12 OLW. Zitting 20 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M.V. Bandhoe, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt de volgende vonnissen: 1. Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 28 mei 2025, met kenmerk II K 896/23 (hierna: vonnis 1); 2. Een verzamelvonnis van the District Court in Inowrocław van 20 mei 2024, met kenmerk II K 746/23 (hierna: het verzamelvonnis). Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat tegen het verzamelvonnis hoger beroep is ingesteld en dat op 4 december 2024 een arrest is gewezen door the District Court in Inowrocław (hierna: het verzamelarrest). Uit het EAB blijkt dat hieraan de volgende vonnissen ten grondslag liggen: a. Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 12 oktober 2022, met kenmerk II K 1004/22 (hierna: onderliggend vonnis a); Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 31 maart 2023, met kenmerk II K 1169/22 (hierna: onderliggend vonnis b); Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 14 februari 2023, met kenmerk II K 1009/22 (hierna: onderliggend vonnis c); Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 23 september 2022, met kenmerk II K 963/22 (hierna: onderliggend vonnis d); Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 24 januari 2023, met kenmerk II K 1121/22 (hierna: onderliggend vonnis e); Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 6 maart 2023, met kenmerk II K 1264/22 (hierna: onderliggend vonnis f); Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 3 oktober 2022, met kenmerk II K 980/22 (hierna: onderliggend vonnis g); Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 15 november 2022, met kenmerk II K 988/22 (hierna: onderliggend vonnis h); i. Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 6 februari 2023, met kenmerk II K 1345/22 (hierna: onderliggend vonnis i); Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 21 februari 2023, met kenmerk II K 1085/22 (hierna: onderliggend vonnis j); Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 22 februari 2023, met kenmerk II K 957/22 (hierna: onderliggend vonnis k). Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld en dat op 11 juli 2023 een arrest is gewezen door the Regional Court in Bydgoszcz , met referentie IV Ka 568/23; Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 25 januari 2023, met kenmerk II K 1161/22 (hierna: onderliggend vonnis l); Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 23 november 2022, met kenmerk II K 878/22 (hierna: onderliggend vonnis m). Uit de aanvullende informatie van 17 juli 2026 blijkt dat ook de volgende vonnissen aan het verzamelarrest ten grondslag liggen: Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 28 februari 2023, met kenmerk II K 1145/22 (hierna: onderliggend vonnis I). Uit de aanvullende informatie van 27 juli 2026 blijkt dat tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld en dat op 20 juli 2023 een arrest is gewezen door the Regional Court in Bydgoszcz , met referentie IV Ka 494/23; Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 2 juni 2023, met kenmerk II K 1483/22 (hierna: onderliggend vonnis II). Een vonnis van the District Court in Inowrocław van 23 mei 2023, met kenmerk II K 384/23 (hierna: onderliggend vonnis III). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen voor de duur van: één jaar en één maand, waarvan volgens het EAB nog elf maanden en 27 dagen resteren; twee jaar en zes maanden, waarvan volgens het EAB nog twee jaar en drie maanden resteren, door de opgeëiste persoon te ondergaan in Polen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij vonnis 1 en het verzamelarrest. De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB en in de aanvullende informatie van 8 augustus 2026 en 12 augustus 2026. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Uitgangspunten beoordeling weigeringsgrond artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat aan het EAB vonnis 1 en het verzamelarrest ten grondslag liggen. Aan het verzamelarrest liggen zestien veroordelingen ten grondslag, te weten de onderliggende vonnissen a tot en met m en de onderliggende vonnissen I, II en III. Zowel het verzamelarrest als de onderliggende vonnissen en vonnis 1 moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW. Bij de onderliggende vonnissen en vonnis 1 is namelijk onherroepelijk uitspraak gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en zijn vrijheidsstraffen opgelegd. Het verzamelvonnis valt ook onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het verzamelvonnis en de onderliggende vonnissen k en I een inhoudelijke behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden waarin deze zaken definitief ten gronde zijn afgedaan. Met betrekking tot deze zaken zal de rechtbank alleen de procedure in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW. Vonnis 1 Inleiding In het EAB staat bij onderdeel d) vermeld: No, the person did not appear in person at the trial resulting in rendering the decision in the case. Daarbij is aangekruist: 3.2 being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend them at the trial, and weas indeed defended by that counsellor at the trial of District Court in Inowrocław (…) in the case II K 896/23. Op 18 juni 2026 zijn door het IRC de volgende vragen gesteld: Judgement of District Court in Inowrocław dated 28-05-2025 (II K 896/23) 2. Also for this judgement, according to section D of the EAW, [opgeëiste persoon] did not appear in person at the trial, but had given a mandate to a lawyer who actually defended him. - Was this lawyer chosen by mr. [opgeëiste persoon] himself? - Was [opgeëiste persoon] aware of the scheduled trial in second instance as intended in the recent judgement CJEU C-447/24 (Höldermann, ECLI:EU:C:2026:417). For example: did the lawyer stated that mr. [opgeëiste persoon] was aware of the hearing or is there a proof that [opgeëiste persoon] received the summons for the hearing in second instance? Op 2 juli 2026 is van de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie ontvangen: 2. I1K896/23 - [opgeëiste persoon] in the case files reference number II K 896/23 filed a motion to have a representative ex-officio appointed due to his difficult financial situation. The court granted the motion and appointed attorney Marta Bejma (card 27) as [opgeëiste persoon]’s ex-officio defense counsel. [opgeëiste persoon], therefore, did not choose an attorney himself. - This case was not reviewed by the court of second instance. The judgment became final at the first instance. On May 28, 2025, under case number Il K 896/23, the District Court in Inowrocław issued a judgment convicting [opgeëiste persoon]. This judgment was not appealed and became final and binding on June 5, 2025. Op 9 juli 2026 zijn door het IRC de volgende vragen gesteld: 2. Judgement of District Court in Inowrocław dated 28-05-2025 (II K 896/23) In my previous e-mail I mistakenly asked for information regarding an appeal. Given your answer there has been no appeal. Could you therefore provide us the necessary information regarding this judgement in first instance in the exact same manner as you did for all the other judgements (appearance in person, the provided + signed rights and obligations, whether there has been an appeal etc.)? Op 17 juli 2026 is van de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie ontvangen: 2. Judgement of the District Court in Inowrocław dated May 28, 2025, in the case files reference number II K 896/23 [opgeëiste persoon] [i]n the course of the preliminary investigation, provided the following address in the country as his address for service of process during his most recent interrogation as a suspect - ul. [adres 4] (card 16). [opgeëiste persoon] was instructed about the rights and obligations to which he is entitled during the proceedings, which he confirmed with his own signatures on the following dates: 12.12.2022, 13.12.2022. The instructions were as stated above. During the hearing, he fully admitted to the acts he was accused of. [opgeëiste persoon] in the case files reference number II K 896/23 filed a request for the appointment of a defence counsel ex officio due to his difficult financial situation. The court granted the request and appointed defence counsel ex officio for [opgeëiste persoon] in the person of Attorney Marta Bejma (card 27). [opgeëiste persoon] was duly informed of the hearing date set by the District Court in Inowrocław for August 23, 2024, at the address of the Penal Institution in Grudziadz ‚ where he was being held at the time. He received the notice in person on August 12, 2024. Defense counsel attorney Marta Bejma was also notified of the trial date; she received the notice in person. [opgeëiste persoon] failed to appear at the hearing on August 23, 2024. Attorney Marta Bejma appeared at the hearing. The next hearing date was set for October 30, 2024. On 22.10.2024 [opgeëiste persoon] left the Penal Institution. [opgeëiste persoon], having been duly notified, failed to appear at the hearing on October 10, 2024. Attorney Marta Bejma appeared at the hearing. The next hearing date was set for January 15, 2025r. [opgeëiste persoon] was notified of the hearing date at the address provided upon release from Penal Institution and at his place of residence (card 40). He did not pick up the letter. In accordance with Polish procedure, he was properly notified. [opgeëiste persoon] failed to appear at the hearing on January 15, 2025; his defense counsel appeared at the hearing. The next hearing date was set for March 6, 2025. [opgeëiste persoon] was summoned to the hearing by the police at the address provided upon his release from the Penal Institution and at his residential address. The summons could not be delivered to his residential address: [adres 1]. It was also not possible to deliver the letter to the address provided after release from the Penal Institution: [adres 2]. [opgeëiste persoon] failed to appear at the hearing on March 6, 2025, attorney Marta Bejma appeared on his behalf. The next hearing date was set for May 14, 2025. [opgeëiste persoon] was summoned to appear at the hearing at two addresses: his registered permanent residence address ([adres 3]) and addresses for service in the country, that is ul. [adres 4], indicated by [naam] in the course of the preliminary proceedings. He did not pick up the letters. In accordance with Polish procedure, he was properly notified. [opgeëiste persoon] failed to appear at the hearing on May 14, 2025, at which the trial proceedings were opened and the case was heard; attorney Marta Bejma appeared on his behalf. On May 28, 2025, the District Court in Inowrocław issued a sentencing judgment against [opgeëiste persoon]. No one appeared for the reading of the judgment. The judgment was announced in open court. The court provided instructions on the procedure and deadline for filing an appeal, and since no appeal was filed, the judgment in question became final and binding on June 5, 2025. The judgment was not subject to service or appeal. Op 31 juli 2026 zijn door het IRC de volgende vragen gesteld: 3. With regard to the judgment of the District Court in Inowrocław of 28-05-2025 (II K 896/23): The court [o]f Amsterdam noted from your letter dated 17-07-2026 that the summonses for the hearing of 06-03-2025 and the hearing of 14-05-2025 were sent to different addresses. - Could you please explain why the summons for the hearing of 14-05-2025 was sent to the address provided by the person sought during the preliminary investigation ([adres 4]) and to the address [adres 3], whilst for the hearing on 06-03-2025 he was summoned to the address he had provided upon his release from prison [adres 2] and at his current address ([adres 1])? Op 8 augustus 2026 is van de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie ontvangen: With regard to the case files reference number II K 896/23, it must be noted that: At the court hearing on March 6, the court noted that, in the interrogation records taken during the preliminary investigation, the defendant provided two addresses to which no notification had been sent, namely [adres 3] and [adres 4]. At the other addresses, which the court determined based on data contained in the systems the convicted person defendant did not pick up the notices. For the court hearing on May 14, 2025 notifications were sent to the addresses that the convicted person had provided during the preliminary proceedings. Since the convicted person did not pick up any correspondence addressed to him, it is most likely that the courts' intention was to send him notices to the addresses he himself had provided during the proceedings, and that he was required to notify the court of any changes to those addresses. In summary: Notices for the court hearing on March 6, 2025, were sent to the address where, according to the court's findings, he was supposed to be staying; since he did not receive the notices sent to those addresses, the court hearing was postponed, and notices were sent to the addresses he himself had provided during the preliminary proceedings. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of is voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW. De behandeling van de zaak heeft zich over een periode van drie jaar uitgestrekt; het is niet duidelijk of de opgeëiste persoon gedurende die periode nog contact had met zijn toegevoegde advocaat. Tevens blijkt uit de aanvullende informatie van 8 augustus 2026 dat de oproepingen voor de zitting van 14 mei 2025 zijn gestuurd naar de adressen die de opgeëiste persoon opgegeven heeft gedurende het voorbereidend onderzoek, terwijl hij op een later moment een nieuw correspondentieadres opgegeven heeft. Dit laatste maakt de eerder opgegeven adressen achterhaald. De raadsman heeft geconcludeerd dat de opgeëiste persoon niet op de juiste wijze is opgeroepen voor de zitting van 14 mei 2025 en dat hij geen afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Daarom moet de overlevering ten aanzien van vonnis 1 worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank af kan zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie van 17 juli 2026 en 8 augustus 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon als verdachte tijdens het voorbereidend onderzoek een adresinstructie is gegeven. Later heeft hij, bij het verlaten van de penitentiaire inrichting, een ander adres opgegeven. De Poolse autoriteiten hebben hem zowel op het bij de adresinstructie door hem opgegeven adres, als op het bij de het verlaten van de penitentiaire inrichting door hem opgegeven adres, opgeroepen voor de zittingen. De officier van justitie concludeert daarom dat het aan de opgeëiste persoon te wijten is dat hij niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het vonnis – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon als verdachte is gehoord en een adresinstructie heeft gekregen, waaruit de verplichting tot het doorgeven van iedere adreswijziging bleek en waarbij hij is gewezen op de gevolgen van het niet-nakomen van deze verplichting. De opgeëiste persoon heeft bij het verlaten van de penitentiaire inrichting een nieuw adres opgegeven. De oproepingen voor de zitting van 6 maart 2025 zijn aan het door hem bij het verlaten van de penitentiaire inrichting opgegeven adres en naar zijn woonadres gezonden, maar deze oproepingen zijn niet door de opgeëiste persoon afgehaald. De oproepingen voor de zitting van 14 mei 2025 zijn naar het geregistreerde vaste woonadres van de opgeëiste persoon en het door hem tijdens het voorbereidend onderzoek opgegeven adres gezonden, maar ook deze zijn niet door hem afgehaald. De rechtbank stelt vast dat de Poolse autoriteiten zich hebben ingespannen om de opgeëiste persoon – die op hoogte was van de verdenking en de strafrechtelijke procedure – op te roepen voor de inhoudelijke behandeling van het proces. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank stelt daarmee vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. Het verzamelarrest Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie vanuit Polen niet blijkt dat de opgeëiste persoon afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Hij merkt daarbij op dat het onduidelijk is door wie hoger beroep is ingesteld tegen het verzamelvonnis. De opgeëiste persoon was ten tijde van de behandeling van het hoger beroep gedetineerd en is conform Poolse wetgeving niet naar de zitting gebracht. Zijn advocaat is wel ter zitting verschenen. De raadsman stelt dat uit het EAB noch de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat die advocaat ter zitting ook daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Dit alles maakt dat de overlevering ten aanzien van het verzamelarrest geweigerd moet worden op grond van artikel 12 OLW. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich voordoet nu de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Naar Pools recht is het gebruikelijk dat een gedetineerde, die in persoon is gedagvaard in detentie, zelf dient te verzoeken om naar de zitting te worden gebracht. Bij het uitblijven van een verzoek daartoe, wordt een gedetineerde niet naar de zitting gebracht. Oordeel van de rechtbank Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon, terwijl hij was gedetineerd, de oproeping voor de zitting die heeft geleid tot het verzamelarrest persoonlijk overhandigd heeft gekregen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelarrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie blijkt immers dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de zitting in hoger beroep op 24 oktober 2024. Met betrekking tot de in artikel 12, sub a, OLW genoemde omstandigheid overweegt de rechtbank dat weliswaar is gebleken dat de opgeëiste persoon de oproeping voor de zitting persoonlijk in handen heeft gekregen, maar dat uit de aanvullende informatie niet blijkt of hem daarbij is meegedeeld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. De in artikel 12, sub a, OLW bedoelde omstandigheid doet zich daarom niet voor. Ook is een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW hier niet aan de orde, omdat op basis van de beschikbare informatie niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste persoon de aan hem toegewezen advocaat, die is verschenen op de zitting van 24 oktober 2024, gemachtigd heeft. Ook is niet gebleken dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering op grond van artikel 12 OLW weigeren. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Hij heeft immers, terwijl hij in detentie verbleef, de oproeping voor de zitting van 24 oktober 2024 in persoon ontvangen. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat gedetineerden in Polen worden geïnformeerd over hun recht om de zitting bij te wonen en dat zij, indien zij van dat recht gebruik willen maken, vanuit de penitentiaire inrichting zelf een verzoek moeten doen om naar de zitting te worden gebracht. Kennelijk heeft de opgeëiste persoon geen verzoek ingediend om naar de zitting te worden gebracht. De rechtbank leidt hieruit af dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Verder is gebleken dat de aan hem toegewezen advocaat hem op de zitting van 24 oktober 2024 heeft vertegenwoordigd. Onder deze omstandigheden levert het toestaan van de overlevering geen schending op van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Onderliggende vonnissen a, d en g Standpunt van de raadsman De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van deze vonnissen. Standpunt van de officier van justitie Inzake de onderliggende vonnissen a en d heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon een adresinstructie is gegeven. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De officier van justitie heeft verwezen naar een vergelijkbare zaak waarin de rechtbank oordeelde dat de adresinstructie toereikend was om te voldoen aan de vereisten van artikel 12 OLW en waar de kennisgeving, net als in deze zaak, was verzonden naar het door opgeëiste persoon opgegeven adres. Daarnaast blijkt dat aan de opgeëiste persoon een strafbeschikking is toegezonden, die aan hem is betekend. De opgeëiste persoon had tegen deze strafbeschikking een rechtsmiddel aan kunnen wenden. Gezien het voorgaande heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de rechtbank af kan zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Ook inzake onderliggend vonnis g heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank af kan zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon een adresinstructie is gegeven. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De oproep is verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van vonnissen, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid, en die - kort gezegd – zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 volgt dat de opgeëiste persoon tijdens pre-trial proceedings de aan onderliggende vonnissen a, d en g ten grondslag liggende feiten heeft bekend en dat aan hem in iedere zaak een adresinstructie is verstrekt. De Poolse autoriteiten hebben de opgeëiste persoon gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten hiervan. Vervolgens is in iedere zaak een summary judgment gewezen. Uit de aanvullende informatie volgt dat telkens een kopie van het summary judgment , samen met instructies (“ along with instructions ”), is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat bij toezending van een summary judgment in Polen instructies worden verstrekt over de mogelijkheid tegen die beslissing een rechtsmiddel in te stellen en over de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel moet worden ingesteld. Uit voornoemde aanvullende informatie blijkt dat de aan de opgeëiste persoon gerichte correspondentie in geen van de drie zaken door hem is afgehaald. Evenmin heeft hij tegen de summary judgments een rechtsmiddel ingesteld. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het proces en is, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Onderliggende vonnissen b en f Standpunt van de raadsman De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van deze vonnissen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich voordoet inzake deze vonnissen nu de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Naar Pools recht is het gebruikelijk dat een gedetineerde die in persoon is gedagvaard in detentie, zelf dient te verzoeken om naar de zitting te worden gebracht. Bij het uitblijven van een verzoek daartoe, wordt een gedetineerde niet naar de zitting gebracht. Oordeel van de rechtbank Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon, terwijl hij in de penitentiaire inrichting verbleef, is opgeroepen voor de zitting die tot onderliggende vonnissen b en f heeft geleid. Uit voornoemde aanvullende informatie blijkt echter niet of de opgeëiste persoon erop is gewezen dat een beslissing kan worden gewezen wanneer hij niet op de zitting verschijnt. De rechtbank is van oordeel dat daarom de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW niet aan de orde is. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van vonnissen terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid, en die - kort gezegd - zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. De rechtbank is er, zoals hiervoor overwogen, ambtshalve mee bekend dat gedetineerden in Polen op de hoogte worden gesteld van hun recht om vanuit de penitentiaire inrichting naar de zitting te worden gebracht. Kennelijk heeft de opgeëiste persoon hiertoe geen verzoek ingediend, zodat kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Naar het oordeel van de rechtbank maken de hiervoor genoemde omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Onderliggende vonnissen c, I en II Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich inzake onderliggend vonnis I op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat, nu de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de zitting in hoger beroep waarin de zaak inhoudelijk behandeld is. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de onderliggende vonnissen c en II. Standpunt van de officier van justitie Inzake onderliggend vonnis c heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 14 februari 2023 aanwezig is geweest bij de inhoudelijke behandeling van de zaak. De opgeëiste persoon is niet aanwezig geweest op de eerdere zittingen, echter is daar geen oordeel geweest over schuld en straf. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank af kan zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren, nu de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen. De officier van justitie heeft ten aanzien van de onderliggende vonnissen I en II gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Oordeel van de rechtbank Voor onderliggend vonnis c geldt dat uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. Verder volgt uit de aanvullende informatie van 27 juli 2026, gelezen in samenhang met de aanvullende informatie van 8 augustus 2026, dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de inhoudelijke zitting op 20 juli 2023 die tot het op onderliggend vonnis I volgende arrest heeft geleid. Tot slot volgt uit de aanvullende informatie van 27 juli 2026 dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de zitting die tot vonnis II heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing op voornoemde veroordelingen. Onderliggende vonnissen e, h, i, k l, m en III Standpunt van de raadsman De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van deze vonnissen. Standpunt van de officier van justitie Inzake onderliggend vonnis e heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank af kan zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon een adresinstructie is gegeven. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De oproep is verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De opgeëiste persoon heeft de oproep niet afgehaald. Inzake onderliggend vonnis h heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank af kan zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon een adresinstructie is gegeven. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. Hoewel in de aanvullende informatie van 2 juli 2026 niet expliciet staat vermeld dat de opgeëiste persoon is opgeroepen op het door hem opgegeven adres, heeft de officier van justitie geconcludeerd dat uit de tekst kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon op de juiste wijze is opgeroepen voor de zitting. Inzake de onderliggende vonnissen i, l en m heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank af kan zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren, nu de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen. Inzake onderliggend vonnis k heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank af kan zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon een adresinstructie is gegeven, die volgens de aanvullende informatie van 17 juli 2026 ook zag op de procedure in hoger beroep. De officier van justitie heeft ten aanzien van onderliggend vonnis III gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van vonnissen, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid, en die - kort gezegd - zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 betreffende onderliggende vonnissen e, i, l en m en 27 juli 2026 betreffende onderliggend vonnis III volgt dat de opgeëiste persoon voor iedere zaak tijdens zijn verhoor als verdachte een adresinstructie heeft ontvangen. De Poolse autoriteiten hebben de opgeëiste persoon gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten hiervan. Tijdens de verhoren heeft de opgeëiste persoon zijn correspondentieadressen doorgegeven. Uit voornoemde aanvullende informatie blijkt dat de oproepingen voor de zittingen ook daadwerkelijk naar de desbetreffende correspondentieadressen zijn gestuurd. Voor onderliggend vonnis h geldt dat uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 volgt dat de opgeëiste persoon ook in deze procedure tijdens zijn verhoor als verdachte een adres heeft opgegeven voor officiële correspondentie over de strafprocedure en een adresinstructie heeft ontvangen. Hij is er door de Poolse autoriteiten onder meer op gewezen dat een verzuim om naar het opgegeven adres gestuurde correspondentie op te halen tot gevolg zou hebben dat een aan het opgegeven adres verzonden oproeping als rechtsgeldig betekend zou worden beschouwd. Uit de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon vervolgens “ duly notified” is voor de zitting op 15 november 2022, waar hij niet is verschenen. Verder is gebleken dat de aan hem toegewezen advocaat hem op de zitting van 15 november 2022 heeft vertegenwoordigd. Voor de op onderliggend vonnis k volgende procedure in hoger beroep volgt uit de aanvullende informatie van 2 juli en 17 juli 2026 dat de opgeëiste persoon eveneens in het vooronderzoek een adresinstructie heeft ontvangen, dat de adresinstructie gold voor de gehele procedure inclusief de procedure in hoger beroep en dat deze instructie in dit verband ook al in dat verhoor is verstrekt. Tijdens het verhoor heeft de opgeëiste persoon een adres opgegeven. De oproep voor de zitting die heeft geleid tot het arrest van the Regional Court in Bydgoszcz van 11 juli 2023 is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon bij zijn invrijheidstelling uit de penitentiaire inrichting opgegeven adres, maar is niet door hem afgehaald. Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor de officiële correspondentie en dat hij zich, terwijl hij op de hoogte was van de procedure, onvoldoende heeft geïnformeerd over het verloop daarvan. Overlevering impliceert daarom geen schending van de verdedigingsrechten. Onderliggend vonnis j Standpunt van de raadsman De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van dit vonnis. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat, nu de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het EAB blijkt immers dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de eerste zitting op 9 januari 2023. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 volgt dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek een correspondentieadres in Polen heeft opgegeven. Hij is daarbij gewezen op de verplichting een eventuele adreswijziging door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. Uit voornoemde aanvullende informatie blijkt verder dat de oproeping voor de zitting op 9 januari 2023 daadwerkelijk naar het door de opgeëiste persoon opgegeven correspondentieadres is gestuurd. De opgeëiste persoon is niet op die zitting verschenen. Hij is wel verschenen op de tweede zitting van 20 februari 2023, waar hij een verzoek heeft ingediend om de straf vrijwillig te ondergaan (“ filed a motion to voluntary submit to punishment”). Vervolgens heeft the District Court in Inowrocław op 21 februari 2023 vonnis j gewezen. Onder deze omstandigheden levert het toestaan van de overlevering geen schending op van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. 5 Strafbaarheid 5.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft één feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: oplichting. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 5.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal; telkens: diefstal; diefstal, meermalen gepleegd; diefstal door twee of meer verenigde personen; poging tot diefstal; diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 7 OLW ten aanzien van onderliggend vonnis II geweigerd moet worden. In dit vonnis is de opgeëiste persoon onder meer veroordeeld voor het aanwezig hebben van het middel 3-CMC op 26 november 2022. Dit moet leiden tot het weigeren van de overlevering, aangezien het middel pas sinds 12 september 2023 naar Nederlands recht strafbaar is. Hoewel artikel 7 OLW een facultatieve weigeringsgrond bevat, heeft de raadsman verzocht om niet af te zien van het toepassen van de weigeringsgrond, omdat de 3-CMC voor eigen gebruik was, waarbij opgeëiste persoon (dus) zelf het enige slachtoffer was. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 7 OLW niet van toepassing is. Zij heeft daarbij gewezen op een uitspraak van de rechtbank waaruit volgt dat de toetsing in het kader van de overleveringswet ex nunc geschiedt, te weten op het moment dat de rechtbank op het overleveringsverzoek beslist. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het aanwezig hebben van 3-CMC momenteel strafbaar is naar Nederlands recht. De officier van justitie heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van het toepassen van de weigeringsgrond. Het feit heeft namelijk geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde. Oordeel van de rechtbank De toetsing in het kader van de OLW geschiedt ex nunc, te weten op het moment dat de rechtbank op het overleveringsverzoek beslist. Het verweer van de raadsman treft reeds om die reden geen doel. Immers staat 3-CMC thans op lijst I van de Opiumwet vermeld en de in het EAB omschreven handeling is daarmee op dit moment ook naar Nederlands recht strafbaar. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 Opiumwet en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Divison , Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de aanvullende informatie van 8 augustus 2026 en 12 augustus 2026. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter, mrs. W.A.J.P. van den Reek en E.M. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Rechtbank Amsterdam, 3 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2687. Zie o.a. ECLI:NL:RBAMS:2025:5018. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 26 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2019:3162. Rb. Amsterdam 26 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2019:3162, r.o. 3.1.2 en Rb. Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:8717, r.o. 4. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .

How it connects

Opinion 12/2024 “Code of Conduct for Service Providers in Clinical Research” submitted by EUCROF 1 Adopted Opinion 12 /202 4 on the draft decision of the French Supervisory Authority regarding the “ Code of Conduct for Service Providers in Clinical Research” submitted by… French SA ·Opinion ·EDPB Jun 18, 2024 Supervision Codes of Conduct Supervisory Authorities
€3,150 APDCAT: Public body violated GDPR by disclosing audio recording to four extra recipients On 22 January 2025, an employee and trade union representative of a public-sector organisation, the data subject, emailed the DPO requesting access to and a copy of a recording of… Spain ·Art. 5, 6, 12 +1 Sep 15, 2026 Public Authority Personal Data Right of Access