# Rechtbank Den Haag, 10-09-2026 (SGR 26/5020)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:27081
- Date: 2026-09-10
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A27081
- Canonical: https://overview.legal/posts/425242
- Topics: Personal Data, Minors, Information Provision Modalities and Communication Methods

## Summary

Intrekking Nederlanderschap. VoVo afgewezen. Geen reden tot twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en evenmin om de belangenafweging in het nadeel van verweerder te laten uitvallen.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/5020 uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn). Inleidende opmerkingen 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de intrekking van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). 1.1. Op 27 oktober 2025 heeft verweerder de in 2014 aan verzoeker verleende Nederlandse nationaliteit ingetrokken. Het daartegen ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit van 9 juni 2026 ongegrond verklaard. 1.2. Verzoeker heeft op 22 juni 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gelijktijdig om een voorlopige voorziening gevraagd. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.3. Op de zitting van 27 augustus 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. Daarbij werd verweerder door zijn gemachtigde vertegenwoordigd. Verzoeker verscheen niet. 1.4. Na de zitting heeft verzoeker op 1 september 2026 een bericht aan de griffie gestuurd met het verzoek dat de voorzieningenrechter daarvan kennis neemt. De voorzieningenrechter heeft in het bericht geen aanleiding gevonden om het onderzoek te heropenen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Deze uitspraak houdt een voorlopig oordeel in en bindt de rechtbank niet in de beroepsprocedure. Waar gaat deze zaak over? 3. Verzoeker is geboren in Egypte. Hij heeft sinds 2009 in Nederland verbleven. Op 20 mei 2010 is hij getrouwd met een Nederlandse vrouw. 3.1. Vanaf 28 september 2010 was verzoeker in het bezit van een reguliere vergunning om voor bepaalde tijd in Nederland bij zijn Nederlandse echtgenoot te verblijven en die vergunning werd eenmalig tot 28 september 2016 verlengd. 3.2. Op 15 oktober 2013 heeft verzoeker een aanvraag gedaan tot verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Bij Koninklijk Besluit van 21 mei 2014 is hem de Nederlandse nationaliteit verleend. 3.3. In 2017 is het huwelijk met de Nederlandse vrouw door echtscheiding ontbonden. 3.4. Verweerder is in 2025 ambtshalve in het bezit gekomen van een akte van een in 2009 in Egypte voltrokken en nog niet beëindigd huwelijk tussen verzoeker en een andere vrouw. 3.5. Op 19 augustus 2025 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt het Nederlanderschap in te trekken. Reden voor de intrekking is dat verzoeker het eerdere huwelijk bij zijn naturalisatieaanvraag onvermeld heeft gelaten; informatie die, indien destijds bekend, volgens verweerder zou hebben geleid tot afwijzing van de aanvraag. Hierover heeft verzoeker een zienswijze naar voren gebracht. Verweerder is niet tot een ander inzicht gekomen en heeft gevolg gegeven aan het voornemen tot intrekking, waar hij in het bestreden besluit bij is gebleven. Wat voert verzoeker aan? 4. Volgens verzoeker is de intrekking onterecht, om de volgende redenen. Verweerder is niet consequent in het toepassen van toetsingsmaatstaven. Ook miskent verweerder, dat verzoeker de verblijfsvergunning had kunnen verlengen en dat het eerdere huwelijk daarvoor geen beletsel had hoeven zijn. Dit volgt ook uit een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 24 november 2021 . Naar Nederlandse maatstaven is er bovendien nooit meer dan één huwelijk geweest, omdat verzoeker niet had kunnen huwen als het eerdere huwelijk bekend zou zijn geweest, waarmee van polygamie dus geen sprake kan zijn. Verzoeker is verder voldoende geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en zijn belangen moeten zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. Wat oordeelt de voorzieningenrechter? Het kader 5. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de RWN, kan verweerder de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokkene gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Volgens het beleid bij de toepassing van de RWN, zoals neergelegd in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie, maar heeft tot doel dat de gevolgen van de onjuiste informatieverstrekking worden gecorrigeerd. Ambtshalve toetsing: spoedeisend belang 6. Verzoeker heeft spoedeisend belang bij het vragen van een voorziening tegen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Intrekking van het Nederlanderschap heeft namelijk direct tot gevolg, dat de aan de nationaliteit verbonden rechten komen te vervallen. Voorlopig oordeel 7. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat intrekking onmiddellijk ingrijpende gevolgen heeft. Daarom zal de voorzieningenrechter beoordelen of de kans op een geslaagd beroep niet in redelijkheid is uit te sluiten. 8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er onvoldoende reden te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en is een kans op een geslaagd beroep te gering om een voorlopige voorziening te treffen. Daarop ziet het volgende. 8.1. Uit ambtshalve verkregen informatie is gebleken, dat verzoeker bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Cairo een Nederlands paspoort heeft aangevraagd voor zijn kinderen. Bij deze aanvraag heeft verzoeker een huwelijksakte overgelegd, waaruit blijkt dat hij sinds 23 november 2009 gehuwd is met een Egyptische vrouw. Op de 'Verklaring verblijf en gedrag', die onderdeel is van de naturalisatieaanvraag, heeft hij schriftelijk verklaard dat hij niet getrouwd is met een ander persoon dan vermeld in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Hiermee heeft hij een gegeven verzwegen dat belangrijk is voor de beoordeling van de naturalisatieaanvraag. Zoals de Afdeling eerder heeft vastgesteld, vormen monogamie en het daarmee verband houdende verbod van bigamie, namelijk een elementair beginsel van de Nederlandse rechtsorde. Het is dan ook zeer waarschijnlijk, dat het gelijktijdig bestaan van twee verschillende huwelijken verweerder zou hebben bewogen tot afwijzing van de naturalisatieaanvraag, omdat daaruit blijkt dat verzoeker zich onvoldoende in de Nederlandse samenleving heeft laten opnemen, zoals voor naturalisatie is vereist. Verzoeker heeft ook geen redelijke verklaring gegeven waarom hij het eerdere huwelijk niet heeft vermeld en het voornoemde formulier onjuist heeft ingevuld. Deze verzwijging en onjuiste vermelding zijn dus kennelijk opzettelijk. Uit bestendige rechtspraak is verder op te maken, dat verweerder ingeval van de verzwijging van bigamie in beginsel tot intrekking van het Nederlanderschap mag overgaan. Gelet hierop, zijn er geen aanknopingspunten om te betwijfelen dat verweerder bevoegd was tot intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, in samenhang met artikel 8, eerste lid, onder d van de RWN. 8.2. Anders dan verzoeker betoogt, heeft verweerder de juiste maatstaven gebruikt bij beoordeling van de vraag of de naturalisatie bij bekendheid van de bigamie zou zijn afgewezen. De vraag of sprake is van rechtmatig verblijf vergt een andere afweging en is niet vergelijkbaar. De door verzoeker aangehaalde uitspraak uit 2021 verleent ook geen steun voor zijn standpunt; het belang van die uitspraak is beperkt tot de vraag of een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken en is niet relevant voor de bevoegdheid tot intrekking van de nationaliteit. 8.3. Het door verzoeker aangevoerde standpunt over het ontbreken van een polygaam karakter, valt niet te volgen. Zijn betoog komt er in wezen op neer, dat het gelijktijdig bestaan van meerdere huwelijken bij de beoordeling van een naturalisatieaanvraag door de vingers moet worden gezien, juist omdat polygamie onverenigbaar is met de Nederlandse rechtsorde. 9. De Nederlandse Staat heeft er zwaarwegend belang bij, dat voldoende is verzekerd dat het Nederlanderschap op basis van juiste informatie wordt verstrekt. Als sprake is van een nationaliteitsverlening, mede als gevolg van de bewuste verzwijging van een feit dat raakt aan een elementair aspect van de Nederlandse rechtsorde, zal verweerder alleen in bijzondere gevallen gehouden zijn om intrekking achterwege te laten. In deze procedure is hiervan niet gebleken. De omstandigheden die verzoeker in het kader van de belangenafweging aanvoert, betreffen de duur van zijn verblijf in Nederland en het tijdverloop vanaf de naturalisatie en de ontbinding van het Nederlandse huwelijk. Dit zijn geen bijzondere omstandigheden. Daarbij is het weliswaar belemmerend dat verzoeker Nederland niet zou kunnen inreizen, maar dat is een normaal gevolg van het ontbreken van rechtmatig verblijf. Ook is niet gebleken dat het familieleven van verzoeker zo ingrijpend wordt aangetast, dat verweerder van de toepassing van de intrekkingsbevoegdheid moet afzien. Conclusie 10. Het verzoek kan niet worden toegewezen, omdat het beroep naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen heeft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Geregistreerd onder zaaknummer 26/5021. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2021:2550. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, paragraaf 2.3.1, toelichting bij artikel 14, eerste lid van de RWN. Uitspraak van 1 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT6559, r.o. 2.2. Artikel 8, eerste lid, onder d van de RWN. Zie o.a. de uitspraken van de Afdeling van 17 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7834 en 8 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1904.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/425242 · 2026-10-02
