Skip to content
Case Law · Hoge Raad NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

OM-cassatie en cassatie verdachte.

Hoge Raad
Summary

OM-cassatie en cassatie verdachte. Phishing-fraude met behulp van valse betaalverzoeken. Medeplegen computervredebreuk, meermalen gepleegd (art. 138ab.1 Sr), medeplegen voorhanden hebben van toegangscodes (art. 139d.2.b Sr), medeplegen oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr) en medeplegen diefstal d.m.v. valse sleutels (art. 311.1 Sr). Onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones. In dit arrest gaat de Hoge Raad in op de betekenis van recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie – in het bijzonder de uitspraak in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck – voor de eisen die moeten worden gesteld aan onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones. Deze recente rechtspraak brengt mee dat dit onderzoek op een enigszins andere manier moet worden genormeerd dan uit een eerdere uitspraak van de Hoge Raad voortvloeit. Het is aan de wetgever om een wettelijke regeling op te stellen die in haar algemeenheid voldoet aan alle in de rechtspraak van het Hof van Justitie gestelde vereisten. In afwachting van zo’n regeling ziet de Hoge Raad aanleiding om zijn eerdere rechtspraak bij te stellen. In dit arrest wordt in rechtsoverweging 5 uiteengezet wat deze bijstelling inhoudt. Vervolgens worden de cassatiemiddelen van het openbaar ministerie en van de verdachte beoordeeld (rechtsoverweging 6 en 7). In rechtsoverweging 9 geeft de Hoge Raad een samenvatting van zijn oordeel in deze zaak. Volgt verwerping. Samenhang met 22/03872 en 22/03913.

How it connects

26 of 44 paragraphs apply legislation or carry a topic — see them in the full text ↓

Full text 44 paragraphs

Paragraphs carrying a topic or an applied provision show those connections inline Original at the source →
¶326

Wetboek van Strafrecht) en/of het plegen van diefstal door middel van een valse sleutel (artikel

¶311

Wetboek van Strafrecht). (...) Rechtmatigheid onderzoek gegevensdragers In het navolgende zal het hof uit praktische overwegingen de term ‘digitale-gegevensdrager’ gebruiken ter aanduiding van alle apparaten met de functionaliteit om digitale gegevens op te slaan, ook als deze daarnaast aangemerkt kunnen worden als geautomatiseerd werk in de zin van artikel 80sexies van het Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’). Het hof overweegt dat ten aanzien van het onderzoek dat in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden aan digitale-gegevensdragers toebehorende aan de verdachte en/of een of meer medeverdachten, dient te worden beoordeeld of, indien eenmaal sprake is van rechtmatig door de rechter-commissaris in beslag genomen voorwerpen, uit (de uitoefening van) die bevoegdheid zonder meer voortvloeit dat de gegevens op die gegevensdragers ongeclausuleerd mochten worden onderzocht. Zoals het hof eerder heeft overwogen (Hof Den Haag, 26 augustus 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1873) vloeit, indien het onderzoek van de gegevens op een digitale gegevensdrager zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, uit de enkele beslissing tot inbeslagneming niet zonder meer voort dat gegevens op die digitale-gegevensdragers zonder meer mogen worden onderzocht. Indien een dergelijke voorzienbaarheid zich voordoet, zal door de rechter-commissaris die de inbeslaggenomen gegevensdragers voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moeten worden overwogen of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek dienen te worden verbonden. Bij die beslissing en bij het bepalen van aard en omvang van die eventuele beperkingen zullen factoren als de ingrijpendheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de betreffende gegevensdragers door het onderzoek en de proportionaliteit en subsidiariteit van de te verrichten onderzoekshandelingen in relatie tot de aard en omvang van de verdenking waarop het onderzoek betrekking heeft een rol kunnen spelen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan beperkingen betreffende het aantal te onderzoeken gegevensdragers, beperkingen betreffende de te onderzoeken gegevens (zoals afbeeldingen, communicatie, internetgedrag et cetera) en beperkingen betreffende de periode waarbinnen de te onderzoeken gegevens zijn gegenereerd of op de betreffende digitale-gegevensdrager terecht zijn gekomen. Ook kan worden gekozen voor fasering van toegestane onderzoekshandelingen doordat de rechter-commissaris eventueel tussentijds beslist tot uitbreiding of (verdere) beperking van het toegestane onderzoek. In het onderhavige geval heeft een dergelijke toetsing niet kenbaar plaatsgevonden. Uit het strafdossier blijkt dat na de doorzoekingen in de woningen van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de in beslag genomen voorwerpen door de rechter-commissaris voor nader onderzoek zijn overgedragen aan het onderzoeksteam. Het proces-verbaal van doorzoeking van de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] bevat een dergelijke vermelding niet, maar uit het strafdossier blijkt onmiskenbaar dat aldaar digitale-gegevensdragers in beslag zijn genomen en vervolgens zijn onderzocht door het onderzoeksteam. Nu deze voorwerpen kennelijk feitelijk bij het onderzoeksteam terecht zijn gekomen, neemt het hof aan dat de rechter-commissaris die deze voorwerpen in beslag heeft genomen deze eveneens voor nader onderzoek aan het onderzoeksteam heeft overgedragen. Voorts blijkt dat bij de aanhouding van de verdachte twee digitale-gegevensdragers bij hem zijn aangetroffen, welke met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Nu het hier ging om zogenaamde ‘smartphones’ welke door de verdachte bij zich werden gedragen, moest – nu niet blijkt van aanwijzingen dat hij hier anders dan als een doorsnee-gebruiker mee omging – er rekening mee worden gehouden dat hierop zodanige informatie omtrent zijn persoonlijk leven te vinden zou zijn dat op voorhand te voorzien was dat uit het onderzoek daarvan een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte. Dit leidt ertoe dat het louter met toestemming van de officier van justitie onderzoeken van de betreffende twee digitale-gegevensdragers onrechtmatig was. Tegen deze achtergrond is thans slechts een beoordeling achteraf mogelijk van de vraag of de rechter-commissaris toestemming zou hebben gegeven voor het onderzoek van de gegevens op de digitale-gegevensdragers van verdachte en de medeverdachten, op de wijze zoals dat heeft plaatsgevonden, namelijk zonder enige kenbare beperking. Daartoe overweegt het hof het volgende. Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 1] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een zogenaamde Tikkie-fraude op 13 en 14 april 2018 ten aanzien van één aangever ( [aangever 1] ). Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 3] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een of meer Tikkie-fraudes met de verdachte. Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 4] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer Tikkie-fraudes op 8/9 en 30 juni 2018. Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de verdachte is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer Tikkie-fraudes op 21 en 23 april 2018. Gegeven hetgeen omtrent deze verdenkingen uit de verschillende aanvragen blijkt, had de rechter-commissaris niet ongeclausuleerd toestemming mogen geven voor doorzoeking van de diverse digitale-gegevensdragers, zodat dit onrechtmatig jegens de verdachte was. Het hof heeft hiervoor reeds aangegeven waaraan bij bedoelde clausulering eventueel zou kunnen worden gedacht. Zo had in dit geval bijvoorbeeld in eerste instantie de toestemming beperkt kunnen worden tot gegevens afkomstig uit 2018. Het ligt voor de hand dat in voorkomende gevallen de visie van de aanvragend officier van justitie op de concrete vormgeving van dergelijke beperkingen wordt betrokken. Het voorgaande betekent dat het hof op de voet van artikel 359a Sv dient te beoordelen of aan het ontbreken van een wettelijke legitimatie aan de respectievelijke onderzoeken enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Vastgesteld dient te worden dat noch de verdachte, noch één van de medeverdachten, heeft aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat de facto sprake is geweest van enige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het hof zal derhalve, rekening houdend met het belang dat de geschonden norm dient (de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte), de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt (: geen), volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan.”

¶4

Juridisch kader Wetboek van Strafvordering

¶4.1

In deze zaak zijn in het bijzonder de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van belang. - Artikel 94 lid

¶141

Sv: “Met de opsporing van strafbare feiten zijn belast: a. de officieren van justitie; b. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012, en de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder c en d, van die wet, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak; c. de door Onze Minister van Veiligheid en Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee; d. de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.” - Artikel 148 leden 1 en

¶4.2

In zijn arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen: “2.5. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.

¶2.6

Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en

applies Art. 94Art. 95
¶2.8

Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en

applies Art. 95
¶96

Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art.

¶148

Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar. In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen – waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt – in het licht van art.

¶4.3.1

Het Wetboek van Strafvordering kent niet expliciet een specifieke bevoegdheid toe aan opsporingsambtenaren – onder wie de officier van justitie – of de rechter-commissaris tot het verrichten van onderzoek aan (inbeslaggenomen) elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken. Voor de toepassing van zo’n bevoegdheid kunnen artikel 94 lid 1, 95 lid 1, 96 lid 1, 104 lid 1, 141 en 148 lid

¶4.3.2

In de onder 4.2 weergegeven uitspraak wordt de vraag aan welke functionaris in eerste instantie de bevoegdheid toekomt tot het verrichten van een onderzoek aan (inbeslaggenomen) elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, beantwoord aan de hand van de mate waarin door de toepassing van de bevoegdheid een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk. Als de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, kan die bevoegdheid zelfstandig door opsporingsambtenaren worden uitgeoefend. Als op voorhand is te voorzien dat het onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van die gebruiker, kan die bevoegdheid niet in eerste instantie door opsporingsambtenaren worden uitgeoefend, maar kan de officier van justitie dat onderzoek verrichten. Op grond van artikel 148 lid

¶4.3.3

Naar aanleiding van de hierna onder 4.4.4 weer te geven uitspraak van het Hof van Justitie is de vraag gerezen of deze rechtspraak over het onderzoek aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken moet worden bijgesteld. Deze vraag wordt onder 5 nader besproken. Unierecht en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)

¶4.4.1

Het Unierecht stelt regels voor het verwerken van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Deze regels zijn neergelegd in Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (hierna: Richtlijn 2016/680). De volgende bepalingen uit deze richtlijn zijn in het bijzonder van belang. - Artikel 1: “Onderwerp en doelstellingen

¶4.4.2

Verder zijn de volgende bepalingen uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) van belang. - Artikel 7: “Eerbiediging van het privé-leven en het familie- en gezinsleven Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.” - Artikel 8: “Bescherming van persoonsgegevens

¶1

Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

¶4.4.3

Artikel

¶8

EVRM luidt in de Nederlandse vertaling: “1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

¶4.4.4

Het Hof van Justitie is in de zaak CG/Landeck ingegaan op, kort gezegd, de voorwaarden die door het Unierecht worden gesteld aan het verkrijgen van toegang door politiediensten tot de gegevens die zijn opgeslagen op een inbeslaggenomen mobiele telefoon (HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830). Het arrest van het Hof van Justitie houdt onder meer in: “Hoofdgeding en prejudiciële vragen

¶20

Op 23 februari 2021 hebben ambtenaren van het douanekantoor Innsbruck (Oostenrijk) bij een drugscontrole een aan CG geadresseerd pakket met daarin 85 gram cannabis in beslag genomen. Dit pakket is voor onderzoek overgedragen aan het politiebureau van St. Anton am Arlberg (Oostenrijk).

¶21

Op 6 maart 2021 hebben twee politieagenten van dit bureau een huiszoeking gedaan bij CG, waarbij zij hem hebben ondervraagd over de afzender van dit pakket en zijn woning hebben doorzocht. Tijdens deze huiszoeking hebben de politieagenten CG verzocht om toegang tot de verkeersgegevens van zijn mobiele telefoon. Nadat deze laatste dit had geweigerd, hebben die politieagenten deze mobiele telefoon (met inbegrip van een simkaart en een SD-kaart) in beslag genomen en CG het proces-verbaal van de inbeslagneming overhandigd.

¶22

Vervolgens is deze telefoon, met het oog op de ontgrendeling ervan, overgedragen aan een expert van het Bezirkspolizeikommando Landeck (regionale politie Landeck, Oostenrijk). Aangezien deze er niet in slaagde om de betrokken mobiele telefoon te ontgrendelen, is die telefoon aan het Bundeskriminalamt (federale recherche, Oostenrijk) in Wenen gezonden, waar een nieuwe poging is gedaan om die telefoon te ontgrendelen.

¶23

De inbeslagneming van de mobiele telefoon van CG alsmede de latere pogingen om die telefoon uit te lezen, hebben plaatsgevonden op eigen initiatief van de betrokken politieagenten, zonder dat zij daarvoor toestemming hadden gekregen van het openbaar ministerie of een rechter. (...)

¶30

In deze omstandigheden heeft het Landesverwaltungsgericht Tirol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Moet artikel 15, lid 1, [van richtlijn 2002/58, eventueel gelezen in samenhang met artikel 5], in het licht van de artikelen 7 en 8 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat de toegang van overheidsinstanties tot de op mobiele telefoons opgeslagen gegevens op dermate ernstige wijze inbreuk maakt op de door die artikelen van het Handvest gewaarborgde grondrechten dat die toegang op het gebied van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten moet worden beperkt tot de bestrijding van zware criminaliteit?

¶2

Moet artikel 15, lid 1, van [richtlijn 2002/58], in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 alsook artikel 52, lid 1, van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als § 18 juncto § 99, lid 1, [StPO], op grond waarvan veiligheidsdiensten zichzelf in het kader van een strafrechtelijk onderzoek zonder toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan volledige en ongecontroleerde toegang kunnen verschaffen tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen digitale gegevens?

¶3

(...)” (...) Ten gronde (...)

¶57

In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof met name op basis van artikel 1, leden 1 en 3, en artikel 3 van richtlijn 2002/58 heeft geoordeeld dat wanneer de lidstaten rechtstreeks maatregelen toepassen die inbreuk maken op het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie, zonder dat zij verwerkingsverplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten, de bescherming van de gegevens van de betrokken personen niet wordt beheerst door richtlijn 2002/58, maar uitsluitend door nationaal recht, behoudens de toepassing van richtlijn 2016/680 (arresten van 6 oktober 2020, Privacy International, C-623/17, EU:C:2020:790, punt 48, en 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 103).

¶58

Vast staat dat in het hoofdgeding de politiediensten rechtstreeks hebben geprobeerd om toegang te krijgen tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens, zonder dat om de tussenkomst van een aanbieder van elektronische-communicatiediensten is verzocht.

¶59

Bijgevolg is het duidelijk dat dit geding niet valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/58, waarop de eerste en de tweede prejudiciële vraag betrekking hebben. (...) Toepassing van richtlijn 2016/680 op een poging tot het verkrijgen van toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens

¶69

Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2016/680 definieert de materiële werkingssfeer. Volgens deze bepaling is deze richtlijn „van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de doeleinden van artikel 1, lid 1”, te weten met name „de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten”.

¶70

Artikel 3, punt 2, van die richtlijn definieert het begrip „verwerking” als „een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het [...] opvragen, raadplegen” of het „verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen”.

¶71

Zo blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 3, punt 2, van richtlijn 2016/680 en met name uit het gebruik van de uitdrukkingen „een bewerking”, „een geheel van bewerkingen” en „op andere wijze ter beschikking stellen” dat de Uniewetgever een ruime strekking heeft willen geven aan het begrip „verwerking” en dus aan de materiële werkingssfeer van die richtlijn. Deze uitlegging vindt steun in het feit dat de in die bepaling genoemde handelingen niet exhaustief zijn, wat tot uitdrukking komt in het woord „zoals” [zie naar analogie arrest van 24 februari 2022, Valsts ieņēmumu dienests (Verwerking van persoonsgegevens voor fiscale doeleinden), C-175/20, EU:C:2022:124, punt 35].

¶72

Deze tekstuele elementen pleiten dan ook voor een uitlegging volgens welke de politiediensten, wanneer zij een telefoon in beslag nemen en die manipuleren om de op die telefoon opgeslagen persoonsgegevens op te vragen en te raadplegen, een verwerking initiëren in de zin van artikel 3, punt 2, van richtlijn 2016/680, ook als die diensten er om technische redenen niet in slagen om toegang te krijgen tot die gegevens.

¶73

Deze uitlegging wordt bevestigd door de context van artikel 3, punt 2, van richtlijn 2016/680. Op grond van artikel 4, lid 1, onder b), van die richtlijn schrijven de lidstaten immers voor dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doeleinden worden verzameld en niet op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt. In deze laatste bepaling is het beginsel van doelbinding neergelegd [zie in die zin arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Registratie van biometrische en genetische gegevens door de politie), C-205/21, EU:C:2023:49, punt 122]. De doeltreffendheid van dit beginsel vereist noodzakelijkerwijs dat het doel van de gegevensverzameling wordt bepaald vanaf het moment waarop de bevoegde autoriteiten proberen om toegang te krijgen tot persoonsgegevens, aangezien een dergelijke poging, wanneer die succesvol is, die autoriteiten met name in staat stelt om de betrokken gegevens onmiddellijk te verzamelen, op te vragen of te raadplegen.

¶74

Wat de doelstellingen van richtlijn 2016/680 betreft, beoogt deze richtlijn met name een hoge mate van bescherming van de persoonsgegevens van natuurlijke personen te waarborgen, zoals blijkt uit de overwegingen 4, 7 en 15.

¶75

Aan deze doelstelling zou echter afbreuk worden gedaan indien een poging om toegang te verkrijgen tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens niet kan worden aangemerkt als „verwerking” van die gegevens. Een dergelijke uitlegging van richtlijn 2016/680 zou voor de personen op wie die poging tot toegang betrekking heeft immers het grote risico met zich meebrengen dat een schending van de in deze richtlijn neergelegde beginselen niet meer kan worden vermeden.

¶76

Opgemerkt dient nog te worden dat die uitlegging in overeenstemming is met het rechtszekerheidsbeginsel, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist dat de toepassing van rechtsregels voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben (arrest van 27 juni 2024, Gestore dei Servizi Energetici, C148/23, EU:C:2024:555, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een uitlegging volgens welke de toepasselijkheid van richtlijn 2016/680 afhangt van het succes van de poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens, zou immers voor zowel de bevoegde nationale autoriteiten als de justitiabelen een onzekerheid met zich meebrengen die onverenigbaar is met dit beginsel.

¶77

Uit het voorgaande volgt dat een poging om toegang te verkrijgen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens door politiediensten ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek, zoals die in het hoofdgeding, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/680 valt, zoals ook de advocaat-generaal heeft overwogen in punt 53 van zijn conclusie. Eerste en tweede prejudiciële vraag

¶78

De verwijzende rechter heeft in zijn eerste en tweede vraag uitdrukkelijk verwezen naar, enerzijds, artikel, 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, dat met name vereist dat de wettelijke maatregelen die de lidstaten kunnen treffen ter beperking van de reikwijdte van de in meerdere artikelen van deze richtlijn bedoelde rechten en plichten noodzakelijk, redelijk en proportioneel zijn in een democratische samenleving ter waarborging van de nationale veiligheid, dat wil zeggen de staatsveiligheid, de landsverdediging, de openbare veiligheid, of het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten of van onbevoegd gebruik van het elektronische-communicatiesysteem, en, anderzijds, artikel 52, lid 1, van het Handvest, waarin het evenredigheidsbeginsel is neergelegd in verband met de beperking van de uitoefening van de door het Handvest erkende rechten en vrijheden.

¶79

Op grond van artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2016/680 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de persoonsgegevens toereikend en ter zake dienend zijn en niet bovenmatig zijn in verhouding tot de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Deze bepaling vereist dus dat de lidstaten het beginsel van de „minimale gegevensverwerking” in acht nemen, dat uitdrukking geeft aan dit evenredigheidsbeginsel (arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia, C-118/22, EU:C:2024:97, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

¶80

Hieruit volgt dat met name bij het verzamelen van persoonsgegevens in het kader van een strafprocedure en bij de opslag daarvan door de politiediensten voor in artikel 1, lid 1, van richtlijn 2016/680 genoemde doeleinden, aan dit laatste beginsel moet worden voldaan, net zoals bij elke verwerking die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt (arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia, C-118/22, EU:C:2024:97, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

¶81

Derhalve moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste en tweede vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2016/680, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 alsmede artikel 52, lid 1, van het Handvest, zich verzet tegen een nationale regeling die de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid biedt om zich toegang te verschaffen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten in het algemeen, en die het gebruik van die mogelijkheid niet afhankelijk stelt van een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan.

¶82

Om te beginnen blijkt uit de overwegingen 2 en 4 van richtlijn 2016/680 dat deze richtlijn bedoeld is om bij te dragen aan de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie, waarbij een solide en coherent kader voor de bescherming van persoonsgegevens wordt ontwikkeld om de eerbiediging te waarborgen van het grondrecht van de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van de hen betreffende persoonsgegevens, dat is erkend in artikel 8, lid 1, van het Handvest en artikel 16, lid 1, VWEU [zie in die zin arrest van 25 februari 2021, Commissie/Spanje (Persoonsgegevensrichtlijn – Strafrechtelijk gebied), C-658/19, EU:C:2021:138, punt 75].

¶83

Hiertoe beoogt richtlijn 2016/680 met name, zoals is opgemerkt in punt 74 van dit arrest, een hoge mate van bescherming van de persoonsgegevens van natuurlijke personen te waarborgen.

Similar Content