Camera's gericht op perceel buren moeten weg.
Gerechtshof
Case Summary
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.335.727/01 arrest van 21 januari 2025 in de zaak van 1 [maatschap A] , gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [appellant sub 2] , wonende te [woonplaats] , 3. [appellante sub 3] , wonende te [woonplaats] , 4. [appellant sub 4] , wonende te [woonplaats] . 5. [appellante sub 5] , wonende te [woonplaats] . appellanten, hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. J.A. Vermeeren te Etten-Leur, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] , wonende te [geïntimeerde sub 1] , 2. [geïntimeerde sub 2] , wonende te [geïntimeerde sub 1] , geïntimeerden, hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. R. Hörchner te Breda, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 januari 2024 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [vestigingsplaats] , onder zaaknummer C/02/412627 / KG ZA 23-390 gewezen vonnis van 11 oktober 2023. 5 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 30 januari 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast; de akte indienen producties, met producties 19 tot en met 21 van [appellant] die bij de mondelinge behandeling na aanbrengen in het geding zijn gebracht; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 21 maart 2024; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord met producties; de mondeling behandeling, waarbij [appellant] spreeknotities heeft overgelegd; de bij brief van 30 november 2024 door [appellant] toegezonden producties 24 tot en met 30, die bij de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. De zaak in het kort [geïntimeerde] is eigenaar van een aantal monumentale beschermde rode beuken die zich aan weerszijden van een onverharde laan nabij de erfgrens bevinden. [appellant] oefent aangrenzend aan het perceel van [geïntimeerde] een agrarisch bedrijf uit. [geïntimeerde] wil zijn bomen beschermen en wil voorkomen dat [appellant] takken van die bomen verwijdert of schadelijke activiteiten ontplooit op een naast de bomen op het perceel van [appellant] gelegen strook grond van zes meter die de bestemming ‘Natuur’ heeft. Om dit te bewaken heeft [geïntimeerde] op zijn perceel twee camera’s hangen die zijn gericht op het perceel van [appellant] . [appellant] vindt dat [geïntimeerde] op deze wijze inbreuk maakt op zijn recht op privacy, terwijl daar geen rechtvaardiging voor is. [geïntimeerde] vindt de camera’s noodzakelijk om zijn bomen tegen schadelijke handelingen van [appellant] te beschermen. Het hof beoordeelt in deze zaak of de vordering van [appellant] tot verwijderen van de camera’s toewijsbaar is. 6 De beoordeling De feiten 6.1. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder ‘2. De feiten’ de feiten vastgesteld die hij voor de beoordeling relevant achtte. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht. Ook in dit hoger beroep kan worden uitgegaan van die feiten. Deze feiten, aangevuld met enkele andere vaststaande feiten, luiden als volgt. 6.1.1. [appellant] exploiteert ten behoeve van zijn groenteeltbedrijf een aantal percelen agrarische grond. Een van die percelen, kadastraal bekend als [perceel A] , grenst aan het perceel [perceel B] , dat eigendom is [geïntimeerde] . Op [perceel B] bevindt zich op de erfgrens een hekwerk met daarachter een rij beschermde monumentale bomen, een onverharde laan en vervolgens nog een rij beschermde monumentale bomen. 6.1.2. In augustus 2022 heeft [geïntimeerde] tegen het hekwerk op zijn [perceel B] een camerapaal met een lengte van circa 4.75 meter met daaraan twee camera's geplaatst, die gericht zijn op het aangrenzende perceel [perceel A] dat [appellant] agrarisch bewerkt. 6.1.3. Bij brief van 3 november 2022 heeft [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd de camera's zodanig te verplaatsten dat het perceel van [appellant] niet wordt gefilmd. 6.1.4. [geïntimeerde] heeft bij brief van 7 november 2022 aan [appellant] meegedeeld dat de bomen op zijn perceel door het bestemmingsplan zijn beschermd, onder andere doordat aan de noordelijke en zuidelijke zijde van [perceel B] (waaraan perceel [perceel A] van [appellant] ten zuiden grenst) een strook van zes meter is aangemerkt als ‘Natuur’ die niet agrarisch gebruikt mag worden. [geïntimeerde] heeft verder meegedeeld dat [appellant] in strijd met deze publiekrechtelijke regelgeving stelselmatig de strook van zes meter natuurgrond agrarisch bewerkt, zodat hij belang heeft bij vastlegging van die onrechtmatige gedragingen en er aldus een rechtvaardigingsgrond voor de camera's bestaat, namelijk de bescherming van zijn eigendommen en de naleving van het bestemmingsplan. [geïntimeerde] heeft [appellant] gesommeerd om zich te onthouden van het ploegen, inzaaien en oogsten van de zes meter natuurstrook, het blootleggen van wortels, het aantasten van het aflopende talud tussen de bomen en het perceel van [appellant] , het gebruiken van landbouwgif op de natuurstrook, het rijden met en het achterlaten van voertuigen op de natuurstrook, het zonder overleg afzagen van takken van de bomen van [geïntimeerde] , het uitrijden van mest op de strook en iedere andere handeling die schade aan of een risico voor de gezondheid van de bomen en hun bodemhabitat kan veroorzaken. 6.1.5. Op 7 december 2022 heeft [geïntimeerde] bij de gemeente een handhavingsverzoek ingediend met betrekking tot het gebruik door [appellant] van de agrarische gronden die aansluiten op de op [perceel B] gelegen beschermde bomen. 6.1.6. Bij brief van 22 december 2022 heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat zijn privacy zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] om [appellant] in de gaten te houden, waarbij [geïntimeerde] nogmaals is verzocht de camera's te verwijderen dan wel te verplaatsen. 6.1.7. Bij brief van 18 januari 2023 heeft [geïntimeerde] in zijn eerdere standpunt volhard en Van Gurp nogmaals gesommeerd onrechtmatige daden en bestuurlijke overtredingen te staken. 6.1.8. Naar aanleiding van het door [geïntimeerde] op 7 december 2022 ingediende handhavingsverzoek heeft de gemeente aan [appellant sub 2] bij besluit van 20 april 2023 meegedeeld dat hij, door het zonder vergunning gebruiken van de strook grond met de bestemming ‘Natuur’ ten behoeve van agrarische activiteiten, in strijd met de Wabo en het bestemmingsplan handelt. Daarbij is aan [appellant sub 2] een last onder dwangsom opgelegd om het agrarisch gebruik binnen de bestemming ‘Natuur' te staken en gestaakt te houden. 6.1.9. [appellant sub 2] heeft tegen het besluit van 20 april 2023 bezwaar en vervolgens beroep ingesteld. 6.1.10. [appellant sub 2] heeft aan deze last onder dwangsom gehoor gegeven en heeft het agrarisch gebruik van de zes meter natuurstrook sinds de oplegging van de last onder dwangsom gestaakt. Datzelfde geldt voor [appellant] . 6.1.11. [geïntimeerde] heeft de in 6.1.2. genoemde paal op last van de gemeente verwijderd en vervolgens de twee camera’s met een band aan een boom bevestigd. De camera’s zijn gericht op het perceel van [appellant] . De procedure in eerste aanleg 6.2.1. In deze procedure vordert [appellant] - samengevat - de veroordeling van [geïntimeerde] om de twee door hem geplaatste camera's te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. 6.2.2. Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] brengt met de geplaatste camera's zowel de agrarische percelen als het woonperceel van [appellant] in beeld. Daarmee maakt [geïntimeerde] onrechtmatig inbreuk op zijn privacy in de woon- en werksfeer. De privacy van [appellant] weegt vele malen zwaarder dan het belang van [geïntimeerde] om [appellant] in de gaten te houden. Daarom dient deze onrechtmatige situatie te worden beëindigd. 6.2.3. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 6.2.4. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld. De procedure in hoger beroep 6.3. [appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw recht doende: - de vordering van [appellant] alsnog toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties; - [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen. 6.4. Het hof overweegt allereerst (ambtshalve) dat de aard van de vordering van [appellant] en hetgeen hij daaraan ten grondslag heeft gelegd meebrengen dat [appellant] ook in hoger beroep spoedeisend belang bij zijn vordering heeft. 6.5. Het gaat in dit geding om de vraag of [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] handelt en daarom de twee in 6.1.11. vermelde camera’s dient te verwijderen. De voorzieningenrechter heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft hij overwogen dat in beginsel sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] doordat activiteiten van [appellant] op zijn agrarische percelen worden gefilmd, maar dat deze inbreuk wordt gerechtvaardigd doordat [geïntimeerde] zijn bomen wenst te beschermen tegen aantasting ervan als gevolg van activiteiten van [appellant] op de strook met de bestemming ‘Natuur’. Dit laatste belang heeft de voorzieningenrechter zwaarder wegend geacht dan de aantasting van de persoonlijke levenssfeer (werksfeer) van [appellant] . Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit achtte de voorzieningenrechter tot slot voldaan omdat slechts een klein gedeelte van de werksfeer in beeld wordt gebracht en er geen ander middel voor [geïntimeerde] voorhanden is om de bomen te beschermen. 6.6. [appellant] betoogt met zijn grieven, kort samengevat, het volgende. De agrarische activiteiten van (rechtsvoorgangers van) [appellant] hebben geen negatieve invloed op de bomen gehad. Daarnaast ligt nog ter beoordeling aan de bestuursrechter voor of het verrichten van agrarische activiteiten op de strook met de bestemming ‘Natuur’ is verboden voor [appellant] (grief 1). Het belang van [geïntimeerde] bij het hebben van de camera’s weegt niet zwaarder dan het belang van [appellant] bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, onder meer omdat [geïntimeerde] zelf op zijn perceel in strijd handelt met de bestemming ‘Natuur’ (grief 2). Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is niet voldaan want [geïntimeerde] beziet door de camera’s alles wat [appellant] doet tot en met zijn woning, terwijl het [geïntimeerde] gaat om activiteiten van [appellant] op de strook met de bestemming ‘Natuur’ die slechts zes meter breed is (grief 3). Er is geen rechtvaardigingsgrond voor [geïntimeerde] om de camera’s ter plaatse te hebben (grief 4). Grief 5 is gericht tegen de proceskostenveroordeling. 6.7. Het hof overweegt het volgende. De vraag of [geïntimeerde] met de op het perceel van [appellant] gerichte camera’s jegens [appellant] een onrechtmatige daad pleegt die het treffen van de gevorderde voorlopige voorziening rechtvaardigt, moet worden beantwoord op grond van een beoordeling en waardering van de feiten en omstandigheden ten tijde van de datum van deze uitspraak. 6.8. Vooropgesteld moet worden dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of zo’n rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. 6.9. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] door het kunnen bekijken en het kunnen opnemen van activiteiten van [appellant] op het perceel van [appellant] inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [appellant] . Daartoe is het volgende redengevend. Op grond van artikel 8 EVRM heeft eenieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Dit recht dient ook tussen burgers onderling, en dus tussen buren, te worden geëerbiedigd. Onder de reikwijdte van dit recht valt naast de woonsfeer van [appellant] ook het op privégrond plaatshebbende arbeidsleven van [appellant] . [geïntimeerde] tast dit recht van [appellant] aan. Dat, zoals [geïntimeerde] ter zitting van het hof heeft aangevoerd, in openbare ruimten steeds vaker camera’s hangen en ook in particuliere ruimten zoals bijvoorbeeld winkels, doet niet af aan het in artikel 8 EVRM gewaarborgde fundamentele recht. Het hof onderschrijft ook niet hetgeen [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord heeft aangevoerd over de (on)mogelijkheden van de camera’s. Uit de waarneming ter zitting van het hof van de mogelijkheden van de camera’s is het hof gebleken dat de camera’s het perceel van [appellant] op de telefoon van [geïntimeerde] in beeld brengen tot en met de woning. Het is het hof ook gebleken dat het inzoomen van de beelden mogelijk is, waardoor ook het gebied tot de woning groter in beeld is te brengen. Op grond hiervan verwerpt het hof de stellingen van [geïntimeerde] dat met de camera’s maar 0,6% tot 1,25% van het perceel van [appellant] kan worden waargenomen, dat beweging door de camera’s niet verder dan tot 75 meter kan worden waargenomen en dat identificatie van personen verder weg dan zeven meter niet mogelijk is. Het voorgaande brengt mee dat het handelen van [geïntimeerde] , bestaande uit het hebben van camera’s die gericht zijn op het perceel van [appellant] met het doel om opnames van [appellant] te maken, een onrechtmatig karakter heeft. 6.10. Aan de orde is nu of [geïntimeerde] daarvoor een rechtvaardigingsgrond heeft die aan voormelde inbreuk het onrechtmatige karakter ontneemt. Het is aan [geïntimeerde] om feiten en omstandigheden aan te voeren die tot het aanwezig achten van een rechtvaardigingsgrond kunnen leiden. Het hof komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Het hof overweegt, daarbij de in 6.8. weergegeven beoordelingsmaatstaf in acht nemend, het volgende. [geïntimeerde] voert als zijn belang bij de inbreuk aan de noodzaak tot bescherming van de bij hem in eigendom zijnde monumentale bomen tegen aantasting door handelingen van [appellant] , bestaande uit diverse activiteiten van [appellant] in en op de strook van zes meter met de bestemming ‘Natuur’. Het hof stelt, evenals de voorzieningenrechter deed, vast dat [appellant sub 2] , en soms ook zijn dochter [appellante sub 5] , in de jaren voorafgaand aan het dwangsombesluit van 20 april 2023, ondanks door meerdere omwonenden erop te zijn aangesproken dat aantasting van de bomen niet wordt getolereerd, takken van bomen heeft gezaagd, de strook met de bestemming ‘Natuur’ onder andere door middel van ploegen heeft bewerkt, aldaar met gif heeft gespoten en er werktuigen op heeft geplaatst. Dit alles is deugdelijk onderbouwd met de conclusie van antwoord van [geïntimeerde] en de producties daarbij. 6.11. De in 6.1.4. vermelde brief van [geïntimeerde] van 7 november 2022 heeft in het handelen van [appellant] geen verandering gebracht, het dwangsombesluit echter wel. De rechtsgevolgen van dit dwangsombesluit, gebaseerd op het bestemmingsplan met betrekking tot de strook van zes meter op het perceel van [appellant] , zijn tot nu toe van kracht omdat dit besluit tot nu toe niet is vernietigd door de bestuursrechter. De omstandigheid dat [appellant] stelt pas kort voor het dwangsombesluit met de bestemming van de strook als ‘Natuur’ bekend te zijn geworden acht het hof niet relevant. Ook zonder een dergelijke bestemming is aantasting van de bij [geïntimeerde] in eigendom zijnde bomen niet toelaatbaar. Het in grief 1 ingenomen standpunt van [appellant] dat er geen causaal verband is tussen zijn agrarische activiteiten en de in het rapport van [bedrijf A] van 13 april 2021 met de titel ‘ [rapport A] ’ beschreven toestand van de bomen verwerpt het hof. Het hof wijst op de volgende bevindingen en conclusies uit voormeld rapport (productie 1 bij conclusie van antwoord). “(…) Beuken en het bodemleven waarmee zij in symbiose leven, zijn zeer gevoelig voor ingrepen in de groeiplaats, vervuiling, (over)bemesting en bestrijdingsmiddelen. Het gebruik hiervan heeft een negatieve invloed op de conditie en daarmee de levensduur van de bomen. (…)” en “(…) Zolang de bewerkingen op dezelfde afstanden en tot dezelfde diepte worden uitgevoerd, zullen hierbij geen stabiliteitswortels worden beschadigd. Wel vinden de werkzaamheden plaats binnen de doorwortelbare zone van de bomen, waardoor de bomen hier nieuwe wortels zullen proberen te vormen welke jaarlijks weer verloren gaan bij de bewerking. Dit heeft een negatieve invloed op de conditie van de bomen. Tevens zijn dergelijke bodembewerkingen schadelijk voor het bodemleven. Beuken zijn in hoge mate afhankelijk van de schimmels waarmee zij in symbiose leven, wat de opnamecapaciteit van water en voedingsstoffen vergroot. Door de grondkeringen afsterft door veranderingen in de zuurstofpercentages in de bodem en door mechanische beschadigingen. Dit heeft een negatief effect op de levensverwachting van de bomen (…).” [appellant] heeft deze bevindingen en conclusies niet gemotiveerd weersproken, bijvoorbeeld aan de hand van een opinie van een boomdeskundige. De in grief 1 weergegeven eigen opinie van [appellant] acht het hof onvoldoende om die van [bedrijf A] te passeren. 6.12. Het hof stelt voorts vast dat er sinds het dwangsombesluit tot de dag van deze uitspraak ruim 1,5 jaar zijn verstreken. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat [appellant] de natuurstrook is blijven bewerken totdat aan hem op 20 april 2023 een last onder dwangsom is opgelegd en dat het daarom goed voorstelbaar is dat [geïntimeerde] , gelet op het verleden - zoals het hof dat hierboven heeft beschreven - aarzelingen heeft om erop te vertrouwen dat [appellant] bij verwijdering van de camera's de last onder dwangsom zal blijven naleven. [appellant] heeft aangevoerd dat hij tot heden de last respecteert. Hij heeft deze stelling onderbouwd met verklaringen van een ambtenaar van de gemeente [gemeente A] van 20 maart 2024 en 26 november 2024. [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij diverse handelingen van [appellant] heeft geconstateerd die meebrengen dat de camera’s nog altijd noodzakelijk zijn. [geïntimeerde] wijst daarbij op het (door [appellant] betwiste) plegen van erfvredebreuk door [appellant sub 2] , het rijden met een stadsscooter over de strook van zes meter door [appellant sub 2] , het te vaak maaien van die strook door [appellant] en het met een 'rugspuit' bespuiten van de natuurstrook. 6.13. Het hof stelt op grond van voormelde verklaring van 20 maart 2024 vast dat [appellant] de last onder dwangsom niet heeft overtreden door vaker te maaien dan is toegestaan. [geïntimeerde] heeft het hof, ondanks de in werking zijnde camera’s, geen aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat [appellant] na het dwangsombesluit van 20 april 2023 voor de bomen schadelijke handelingen heeft verricht. Het gestelde plegen van erfvredebreuk kan – als dat zou komen vast te staan – niet als schadelijk voor de bomen worden gezien en rechtvaardigt hooguit het hebben van camera’s die zijn gericht op het eigen perceel van [geïntimeerde] . Dat geldt ook voor de omstandigheid dat in het verleden een vervelende diefstal bij [geïntimeerde] heeft plaatsgehad. Dat het rijden met een scooter over de strook schadelijk voor de bomen kan zijn is zonder nadere motivering, die ontbreekt, in het licht van de bevindingen en conclusies van [bedrijf A] over welke handelingen een negatieve impact op de bomen hebben, niet aannemelijk. [appellant] heeft ten slotte verklaard dat hij de natuurstrook heeft bespoten met mineralen. Dit heeft hij gedaan met behulp van een zogenoemde 'rugspuit', omdat hij niet met een tractor over de strook mag rijden. Deze mineralen komen de grond – en dus ook de bomen – ten goede. Door [geïntimeerde] is daar tegenover niet gemotiveerd gesteld, en ook is anderszins niet gebleken, dat hetgeen waarmee [appellant] de natuurstrook heeft bespoten schadelijk is voor de bodem en/of de bomen. Meer of andere handelingen na 20 april 2023 heeft [geïntimeerde] niet genoemd. 6.14. Het hof overweegt op grond van het voorgaande dat [appellant] al lange tijd geen voor de bomen van [geïntimeerde] schadelijk handelen kan worden verweten. Onder deze omstandigheden is de vrees van [geïntimeerde] voor aantasting van zijn eigendommen, de bomen, in hoofdzaak gebaseerd op handelen van [appellant] in een verder verleden en niet op handelen uit het heden. Afgezet tegen het belang van [appellant] , daarin bestaande dat zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet wordt aangetast door op zijn perceel gerichte camera’s met een werking zoals hierboven in 6.9. is beschreven, weegt het belang van [geïntimeerde] om de camera’s te mogen laten hangen op de wijze zoals dat nu het geval is op dit moment minder zwaar. De wijze waarop de camera’s op dit moment het perceel van [appellant] en de zich daarop bevindende personen in beeld brengen gaat gelet op het huidige gedrag van [appellant] te ver. De omstandigheid dat [geïntimeerde] bepaalde handelingen van [appellant] als treiterend of intimiderend ervaart doet daar niet aan af. Dat geldt ook voor zover die handelingen [geïntimeerde] niet het vertrouwen geven dat [appellant] vanaf nu geen voor zijn bomen schadelijke handelingen zal verrichten. 6.15. Het voorgaande brengt mee dat [geïntimeerde] op dit moment geen rechtvaardigingsgrond heeft om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] te rechtvaardigen. Het hoger beroep slaagt. De camera’s mogen daarom niet op de huidige wijze het perceel van [appellant] in beeld brengen. Zij dienen daarom te worden verwijderd zoals door [appellant] is gevorderd. De gevorderde termijn van twee dagen na de datum van dit arrest is redelijk omdat [geïntimeerde] de camera’s eenvoudig na een bericht van zijn advocaat kan verwijderen. [appellant] heeft ter zitting van het hof heeft meegedeeld het wel proportioneel te vinden indien [geïntimeerde] zijn camera(‘s) zo positioneert dat zij uitsluitend de strook van 6 meter met de bestemming ‘Natuur’ in beeld brengen. Dit moet mogelijk moet zijn indien [geïntimeerde] de camera’s niet vanaf de bomenrij/strook naar het perceel van [appellant] richt, maar evenwijdig daaraan. Op deze wijze wordt het belang van [geïntimeerde] ook gediend en kan [appellant] het vertrouwen bij [geïntimeerde] laten groeien dat [appellant] de bomen respecteert. Het hof acht het niet nodig een dwangsom te verbinden aan de te geven veroordeling de camera’s van de huidige positie te verwijderen. Het hof gaat ervan uit dat [geïntimeerde] de uitspraak van het hof respecteert. Mocht dat niet het geval zijn dan zal [appellant] op korte termijn op kosten van [geïntimeerde] alsnog een dwangsomoplegging door de voorzieningenrechter van de rechtbank kunnen vorderen en verkrijgen. 6.16. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep tegen de afwijzing van de door [appellant] gevorderde voorziening slaagt. Het bestreden vonnis dient in zoverre te worden vernietigd. Dat geldt echter niet ten aanzien van de proceskostenveroordeling. Grief 5 slaagt niet. Omdat het hof op grond van de huidige feiten en omstandigheden anders oordeelt dan de voorzieningenrechter heeft gedaan, dient het hof na te gaan of de voorzieningenrechter terecht tot zijn beslissing is gekomen (HR 16 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:918). Omdat de beslissing van het hof in het bijzonder is ingegeven door in het voordeel van [appellant] gewijzigde omstandigheden, daarin bestaande dat hij gedurende een langere periode dan ten tijde van de beslissing van de voorzieningenrechter de last onder dwangsom heeft gerespecteerd, ziet het hof geen aanleiding de weging van de feiten en omstandigheden en de beslissing van de voorzieningenrechter niet te onderschrijven. [geïntimeerde] wordt als de in het hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [appellant] in het hoger beroep veroordeeld. De vordering van [appellant] tot terugbetaling van al hetgeen hij op grond van het vonnis in eerste aanleg heeft betaald wordt afgewezen. 6.17. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op: - Explootkosten € 130,57 - Griffierechten € 783,- - Salaris advocaat € 2.428,- (2 punt(en) x tarief 1.214,-) - Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) - Totaal € 3.519,57 7 De uitspraak Het hof: vernietigt het bestreden vonnis van 11 oktober 2023, behoudens ten aanzien van de proceskostenveroordeling ten laste van [appellant] ; en, in zoverre opnieuw recht doende: veroordeelt [geïntimeerde] om binnen twee dagen na de datum van dit arrest de twee camera’s zoals die zijn beschreven in 6.1.11. en 6.15 van dit arrest, van de huidige positie te verwijderen en verwijderd te houden; veroordeelt [geïntimeerde] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellant] ten bedrage van € 3.519,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, F.C. Alink-Steinberg en J.W.H. van Wijk en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2025. griffier rolraadsheer