Skip to content
Case Law
NL

Inschakelen derde partij voor heffing grondbelasting o.m. door geheimhoudingsplicht voorzien van voldoende waarborgen.

Dutch Courts

Dutch Courts

Case Summary

AUA2024H00073, AUA2024H00074 en AUA2024H00075 Datum uitspraak: 8 april 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [Belanghebbende] , gevestigd te Aruba, belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 7 februari 2024 in de zaak met BBZ nrs. AUA202103317, AUA202103318 en AUA202302310 in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur der belastingen , zetelend te Aruba, de Inspecteur. betreffende de hierna te vermelden aanslagen. 1 Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende zijn ter zake van de onroerende zaken [adres] (hierna: de onroerende zaak) op respectievelijk 31 mei 2019, 1 juni 2020 en 31 mei 2021 aanslagen grondbelasting voor de jaren 2019, 2020 en 2021 opgelegd naar een waarde van Afl. 148.000.000, resulterend in een verschuldigd belastingbedrag van elk Afl. 888.000. 1.2. Op respectievelijk 6 juni 2019, 30 juli 2020 en 15 juli 2021 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslagen grondbelasting 2019, 2020 en 2021. 1.3. Belanghebbende heeft op 30 maart 2021 een verzoek ingediend om gedeeltelijke ontheffing van de grondbelasting over het jaar 2020 ex artikel 37 LGB (hierna: het ontheffingsverzoek ex art. 37). 1.4. Belanghebbende heeft op 31 maart 2021 een verzoek ingediend om gedeeltelijke ontheffing van de grondbelasting over het jaar 2020 ex artikel 35 (hierna: het ontheffingsverzoek ex art. 35). 1.5. Belanghebbende heeft op 9 november 2021 (2019 en 2020) en 28 juni 2023 (2021) beroepen ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren tegen de aanslagen grondbelasting 2019, 2020 en 2021. Daarbij is tweemaal Afl. 150 aan griffierecht betaald. 1.6. De Inspecteur heeft op 9 november 2023 uitspraken gedaan op de ontheffingsverzoeken van belanghebbende ex artikel 35 en 37 en de verzoeken afgewezen. 1.7. Het Gerecht heeft in haar uitspraak van 7 februari 2024 als volgt beslist: “Het Gerecht: - verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen gegrond; - verklaart de bezwaren tegen de aanslagen grondbelasting 2019, 2020 en 2021 [het Hof begrijpt: evenals de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar inzake de ontheffingsverzoeken] ongegrond; - wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af; - veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Afl. 700; en - draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal Afl. 300 te vergoeden.” 1.8. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 5 april 2024 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 300. De Inspecteur heeft op 19 juli 2024 een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk (gedateerd 10 januari 2025) ingediend. 1.9. De zitting van het Hof heeft plaatsgehad op 3 februari 2025 in Oranjestad. Op de zitting zijn namens belanghebbende [D], [E] , [F], [G] en [H] verschenen en namens de Inspecteur [A]en [C]. De zaak is tegelijk behandeld met de grondbelastingzaken van de volgende belanghebbenden: [Belanghebbende 1]. [Belanghebbende 2] en [Belanghebbende 3]. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. 1.10. Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof overneemt: “2.1 Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft twee percelen en een opstal.” Ter aanvulling neemt het Hof de volgende feiten op: 2.2. Het vijfjarige tijdvak, als bedoeld in artikel 14, lid 2, Landsverordening grondbelasting (hierna: LGB) loopt in deze zaak van 2017 tot en met 2021. 2.3. Tegen de aanslagen grondbelasting (zie 1.1) heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. In de bezwaarschriften tegen de aanslagen heeft belanghebbende verzocht om te worden gehoord. Belanghebbende is niet gehoord in deze zaken. 2.4. Tot de gedingstukken behoort een schrijven van 14 november 2024 van de Inspecteur aan het Gerecht. Hierin is opgenomen: “Onderwerp: Informatie met betrekking tot het proces van de aanslag Grondbelasting binnen de afdeling Grondbelasting van het Departamento di Impuesto Naar aanleiding van het verzoek van het Gerecht in eerste aanleg tijdens de hoorzitting van afgelopen 17 oktober 2024 om nadere informatie over het proces rondom de aanslag Grondbelasting binnen de afdeling Grondbelasting van het Departamento di Impuesto, informeren wij u hierbij als volgt. Reorganisatie en Automatiseringstraject Belastingdienst In 2004 vond een grootschalige reorganisatie plaats binnen de Belastingdienst, waarbij de voormalige eenheden (1) Inspectie der Belastingen, (II) Ontvanger der Belastingen en (III) Belastingaccountantsdienst werden samengevoegd tot een nieuwe entiteit, genaamd Servicio di Impuesto (SlA). Deze eenheid werd in 2013 verder hervormd en hernoemd tot het Departamento di Impuesto (DIMP). In 2007 implementeerde de Belastingdienst een nieuw automatiseringssysteem. Dit systeem bracht alle processen binnen de Belastingdienst samen op één geïntegreerd platform. waarbij klant- en objectregistratie, alsmede dwanginvordering, in een gestroomlijnde en samenhangende werkomgeving werden ondergebracht. De invoering van SAP TRM versterkte de interne samenwerking en verhoogde de efficiëntie door alle processtappen aan elkaar te koppelen. Omdat de Belastingdienst een dynamische organisatie is, ondergaan de interne processen voortdurend veranderingen. Dit vereist regelmatige aanpassingen en actualisaties van de administratieve structuur om efficiëntie en nauwkeurigheid te waarborgen. Afdeling Grondbelasting De afdeling Grondbelasting is verantwoordelijk voor de heffing van Grondbelasting en Overdrachtsbelasting. Deze afdeling stelt de waarde van onroerende zaken vast ter bepaling van de Grondbelastingaanslag Dit proces verloopt zorgvuldig en conform wettelijke richtlijnen om transparantie en nauwkeurigheid te waarborgen. Jaarlijks wordt het Grondbelastingkohier opgesteld door de afdeling Grondbelasting in samenwerking met de afdeling Informatie Management (IM) van het Departamento di lmpuesto. De procedure verloopt als volgt: 1. Datum vaststelling massaal kohier Grondbelasting : de datum wordt vastgesteld met inachtneming van de productiekalender van het Departamento di Impuesto. 2. Gegevensverwerking IM-afdeling : de afdeling IM levert lijsten voor het opschonen van de gegevens voor het Grondbelastingkohier (zoals adreswijzigingen en verblijfsstatus ingezetene/ niet-ingezeten etc); 3. Updates Klant & Object registratie : de afdeling Klant & Object registratie voltooit alle masterdata-updates, zoals ingezetene- of niet-ingezeten status, vertrekdata, onbekend adres, etc. 4. Aanpassingen door afdeling Grondbelasting : alle wijzigingen en mutaties betreffende Grondbelasting worden in het SAP systeem doorgevoerd. Dit omvat het verwerken, controleren en invoeren van akten van het afgelopen jaar. 5. Opstellen van het massale Grondbelastingkohier : de afdeling Grondbelasting en afdeling lM stellen het kohier op (met technische ondersteuning van [bedrijf 1] indien nodig): 6. Verzendlijsten naar Facilitaire Zaken : IM stuurt de lijst van belastingplichtigen naar de afdeling Facilitaire Zaken ter voorbereiding van envelopeer en postverwerking (diverse batches worden gecontroleerd): 7. Afdrukken en enveloppeervoorbereidingen : de aanslagen Grondbelasting worden gereedgemaakt om af te drukken. 8. Controle en verificatie : de afdeling Grondbelasting en de IM-afdeling verifiëren de initiële uitvoer. 9. Afdrukken en verzendklaar maken : Afdruk- en enveloppeerwerkzaamheden worden afgerond. 10. Ophalen door het postkantoor : de Grondbelastingaanslagen zijn klaar voor verzending via het postkantoor. Ter verduidelijking vindt u in de bijlage een overzicht van de productiekalender van het massaal Kohier GB 2024 aan. Vermeldenswaardig is het feit dat [bedrijf 1] de configuratiepartner is van het SAP-systeem van het Departamento di Impuesto. Als SAP TRM experts zijn zij tevens de onderhoudspartner, zodat de nodige technische ondersteuning geboden kan worden aan de Informatie Management (IM) afdeling van het Departamento di Impuesto met betrekking tot dit productiesysteem. Bijgevoegd treft u volledigheidshalve een voorbeeld aan van een recent getekende NDA (Non Disclosure Agreement) tussen het Departamento di Impuesto en [bedrijf 1] met betrekking tot implementatieprojecten en ondersteuningsprojecten. Alle implementatie en ondersteuningsprojecten worden op dezelfde manier ingekaderd. Het Departamento di Impuesto is de eigenaar van alle data/gegevens van derden die aan haar ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van de belastingheffing. Waarbij alle vereiste gegevensbeveiligings- en privacymaatregelen in acht worden genomen zoals verwoord in het bijgevoegde voorbeeld. Het Departamento di Impuesto handelt derhalve binnen het wettelijke kader van art. .16 van de staatsregeling van Aruba en art. 8 EVRM en is ook recentelijk door het OECD op het gebied van “Data safeguard” en “confidentiality” met goed gevolg beoordeeld.” 2.5. Als bijlage bij voormelde brief van 14 november 2024 is een Non Disclosure Agreement van 11 mei 2023 bijgevoegd. Het document heeft als titel “Data Processing Agreement” en is een overeenkomst tussen het Departamento di lmpuesto (hierna ook DIMP) en [bedrijf 1]. In DIMP zijn de voormalige eenheden (1) Inspectie der Belastingen, (II) Ontvanger der Belastingen en (III) Belastingaccoutantsdienst samengevoegd. In de overeenkomst is onder meer opgenomen: “ The Parties: The Departamento di lmpuesto (DIMP),(..), hereinafter: ’Controller’ (…) and [bedrijf 1] (…) referred to as; Processor (…) Taking in account that: (…) The parties entered into an Agreement on May, 11, 2023 with regard to the processing of confidential Personal data. Personal data is processed for the performance of this Agreement. Controller attaches great importance to protecting this Personal Data. For that reason, the Parties establish in this Data Processor Agreement and the associated appendices: overview with processing operations of Personal Data and processing purposes; overview with security measures; the process surrounding the reporting of Data Breaches and the information that must be provided as a result of the Data Breach, determines what Processor may and cannot do with the Personal Data. (…) 3. Processing operation 3.1 Processor only processes Personal Data on behalf of Controller and Processor has no control over the Personal Data. The Processor follows the instructions of the Controller with regard to the processing and may not process the Personal Data in any other way, unless the Controller gives the Processor permission or instruction in advance. The aforementioned instructions will be recorded in operational documentation. Processor shall not perform these Processing Operations any longer or more extensively than is necessary for the performance of this Underlying Assignment. The Processing will be carried out in accordance with written instructions, unless Processor is obliged by law or regulations to act differently. lf, in Processors opinion, an instruction violates the Personal Data Protection Act, Processor will inform Controller immediately. 3.2 Processor ensures that only its Employees have access to the Personal Data. The exception to this is included in Article 3.3. Processor takes all reasonable measure to restrict access to the Personal Data to Employees for whom access is necessary for their work, whereby access is restricted to Personal Data these Employees need to perform their work. Moreover, the processor ensures that the Employees who have access to the Personal Data have received accurate and complete instructions on the handling of the Personal Data and that they are aware of the responsibilities and statutory obligations. (…) 6. Duty of Confidentiality: 6.1 Processor will keep the Personal Data provided secret, unless this is not possible on the basis of a legal obligation. 6.2 Processor ensures that his staff and engaged auxiliary persons adhere to this confidentiality by including a confidentiality obligation in the (employment) contracts and a statement of good conduct. 7 Liability and lndemnification 7.1 Controller shall insure that the Processing of Personal Data on the basis of this Agreement does not infringe on the rights of Data Subject(s) with regards to the Data Protection Act [Hof eerder gedefinieerd als: Landsverordening Persoonsregistratie]. 7.2.a) Neither party will be liable to the other party for any special exemplary, indirect, incidental or consequential damages or loss or damaged data; or for claims of a third party; arising out of this agreement. b) To the extent permitted under applicable law, the Parties will indemnify each other from any claim, demand or action instituted by Third Parties in relation to alleged infringement of intellectual Property Rights. Which are the result of the Controller's access, use of and/or connection to the Processor. The sharing by the Processor of any content obtained by accessing or using the information or data obtained from the Controller. (…) 9. Termination and return/ destruction of Personal Data 9.1 After termination of this Processor Agreement, Processor returns the Personal Data to the Controller. 9.2 The remaining Personal Data will be destroyed by the Processor after the statutory retention period has expired and / or at the request of the Controller. This includes, for example, Personal Data that must be retained for tax reasons. 9.3 After the return and/ or destruction of the Personal Data, the Processor will deciare in writing to the Controller that it is no longer in possession of the Personal Data. (…)” 3 Geschil in hoger beroep 3.1. Evenals in eerste aanleg is in geschil of (1) de Inspecteur tot te hoge bedragen aanslagen grondbelasting aan belanghebbende heeft opgelegd en, zo het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat zij bevoegd ten aanzien van de ontheffingsverzoeken is, of (2) de Inspecteur de ontheffingsverzoeken terecht heeft afgewezen. 3.2. Belanghebbende stelt zich, meest vergaand, op het standpunt dat de aanslagen grondbelasting vernietigd moeten worden en, zo dit niet gebeurt, de ontheffingsverzoeken toegewezen moeten worden. 3.3. De Inspecteur stelt dat de uitspraak van het Gerecht dient te worden bevestigd. 3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op wat zij ter zitting hebben bijgebracht. 4 Het oordeel van het Gerecht Het Gerecht heeft voor zover van belang in hoger beroep het volgende overwogen: “ Beroepen niet tijdig beslissen 4.1 Belanghebbende heeft op respectievelijk 6 juni 2019, 30 juli 2020 en 15 juli 2021 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen grondbelasting 2019, 2020 en 2021. Ingevolge artikel 18, lid 2, Algemene landsverordening belastingen (ALB) dient de inspecteur binnen één jaar na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op respectievelijk 6 juni 2020, 30 juli 2021 en 15 juli 2022, uitspraak op bezwaar te doen. 4.2 Ingevolge artikel 19, lid 3, ALB kan binnen twee jaar, in dit geval dus uiterlijk op respectievelijk 6 juni 2022, 30 juli 2023 en 15 juli 2024 beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift. 4.3 Belanghebbende heeft op 9 november 2021 (2019 en 2020) en 28 juni 2023 (2021) beroepen ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren. Deze beroepen zijn mitsdien ontvankelijk. 4.4 De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op de bezwaren tegen de aanslagen grondbelasting 2019, 2020 en 2021 genomen. De beroepen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren dienen derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proceseconomische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op de bezwaren. Ter zitting van het Gerecht hebben partijen ermee ingestemd dat mede een inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden. Ontvankelijkheid van het bezwaar 4.5 In zijn verweerschrift neemt de Inspecteur het standpunt in dat enkel in het jaar 2019, het jaar waarin de tariefwijziging heeft plaatsgevonden, bezwaar (en beroep) kan worden gemaakt tegen de tariefverhoging. Voor zover bezwaar (en beroep) is ingesteld tegen de jaren 2020 en 2021 acht de Inspecteur geen bezwaar (en beroep) mogelijk en heeft hij de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. 4.6 Naar het oordeel van het Gerecht is het standpunt van de Inspecteur voor zover het de jaren 2020 en 2021 betreft niet juist en kan voor elk afzonderlijk jaar bezwaar worden gemaakt tegen de hoogte van het tarief. Beroep niet (tijdig) beslissen verzoek om ontheffing 2020 4.7 Voor zover belanghebbende bedoeld heeft eveneens het (niet (tijdig) beslissen op het) verzoek om ontheffing op grond van artikel 35 en 37 LGB voor het jaar 2020 in de onderhavige procedure te betrekken, overweegt het Gerecht als volgt. 4.8 Artikel 36 van de LGB bepaalt dat het verzoekschrift binnen drie maanden na afloop van het belastingjaar dient te worden ingediend. In dit geval dus vóór 1 april 2021. Belanghebbende heeft het verzoek om ontheffing ex art. 35 voor het jaar 2020 ingediend op 31 maart 2021. Het verzoek is tijdig ingediend. 4.9 Artikel 37 van de LGB bepaalt dat het verzoekschrift binnen drie maanden na afloop van het belastingjaar dient te worden ingediend. In dit geval dus vóór 1 april 2021. Belanghebbende heeft het verzoek om ontheffing ex art. 37 voor het jaar 2020 ingediend op 30 maart 2021. Het verzoek is tijdig ingediend. 4.10 Een week voor de zitting heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op de verzoeken ex art. 35 en art. 37 en is daarbij niet aan de verzoeken tegemoet gekomen. 4.11 Ter zitting van het Gerecht hebben partijen de belastingrechter verzocht ook inhoudelijk te beslissen op het door belanghebbende veronderstelde ingestelde beroep tegen de afwijzende beslissing op het verzoek om ontheffing. Partijen hebben aangegeven dat hun beider standpunten uitgekristalliseerd zijn en dat zij behoefte hebben aan duidelijkheid. Ter zitting is de vraag aan de orde gekomen of de belastingrechter bevoegd is om op het veronderstelde beroep te beslissen. Op die vraag zal hierna worden ingegaan. 4.11.1 Ter zake van de bevoegdheid van de belastingrechter heeft belanghebbende in zijn pleitnota verwezen naar hetgeen zij ten aanzien van de bevoegdheidskwestie heeft aangevoerd ter zitting van het Gerecht van 19 oktober 2023 [Gerecht: belanghebbende zal bedoelen: de zitting van 14 september 2023][ Aanvankelijk stond de onderhavige zaak ook voor de zitting van 14 september 2023 geappointeerd, maar op verzoek van de Inspecteur is de zaak toen uitgesteld tot de zitting van 16 november 2023. In de zitting van 14 september 2023 heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en een standpunt ingenomen over de bevoegdheid van de belastingrechter.In haar pleitnota heeft belanghebbende, voor zover hier van belang, het volgende opgemerkt: ‘Belanghebbende heeft binnen 3 maanden na het einde van het dienstjaar aanvragen om ontheffing van grondbelasting conform artikel 35, 36 en 37 Lgb ingediend bij de Inspecteur. Bij belanghebbende bestaat op basis van voornoemde artikelen een recht [ 2Artikel 36, lid 1 LGB] om ontheffing te krijgen van grondbelasting. Het recht om een ontheffing is van toepassing op het moment dat een gebouw geheel of gedeeltelijk is vernield door een onvoorziene ramp, en/of wanneer een gebouw, en/of afzonderlijk gebruikte delen daarvan, minimaal 6 achtereenvolgende maanden ongebruikt of onverhuurd is gebleven. Bij belanghebbende hebben een of beide gevallen zich voorgedaan waardoor belanghebbende een recht heeft op ontheffing. Tot op heden heeft de Inspecteur geen beslissing genomen op de ontheffingsverzoeken van belanghebbende. Belanghebbende is van mening dat in dit geval beroep openstaat tegen het uitblijven van een ontheffingsverzoeken gebaseerd op artikel 35, 36 en 37 Lgb omdat de wetgever de ontheffing in de wet heeft verankerd als een recht van belastingplichtige. Tevens bepaalt artikel 36, lid 2 dat de Inspecteur verplicht is om uitspraak te doen (zo nodig na belanghebbende te hebben gehoord) op verzoeken conform art. 35 en 37. Derhalve meent belanghebbende dat rechtsbescherming middels bezwaar en beroep aan de belastingplichtige dient toe te komen in het geval de Inspecteur door haar nalaten (het niet doen van uitspraak) een recht ontneemt van de belanghebbende. Ter verdere onderbouwing van haar standpunt verwijst belanghebbende naar een uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 6 juli 2022[ Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 6 juli 2022, ECLI:NL:OGEAA:2022:170.]. Hierin werd geoordeeld dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar betrekking heeft op belastingen, aangesloten moet worden bij de Algemene Landsverordening Belastingen (ALB) in plaats van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Het Gerecht meent namelijk dat het in het kader van een behoorlijke rechtsbescherming mogelijk moet zijn om hiertegen in beroep te gaan. Belanghebbende verwijst ook naar een beslissing van het Gerecht in de precario-zaak.[ ECLI:NL:OGEEAA:2017:677] Ook in die zaak heeft de belastingrechter zich bevoegd geacht. Gelet op de beslissingen van het Gerecht in voornoemde zaken meent belanghebbende dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest om in een klein onderdeel van de grondbelastingwet onder te brengen bij de (minder deskundige) LAR-rechter terwijl de rest van de wet onder de bevoegdheid van de belastingrechter valt. Artikel 37 en 24, lid 1 sub e Lgb gaan allebei over vernieling door onvoorziene rampen. Je zou dan voor artikel 24 Lgb bij de belastingrechter moeten zijn en voor artikel 37 Lgb bij de LAR-rechter. Dat is volgens belanghebbende niet logisch en kan niet de bedoeling zijn geweest van de wetgever.’ 4.11.2 Ook de Inspecteur heeft aangegeven het onwenselijk te vinden indien enkel voor de toepassing van artikel 35 en 37 beroep dient te worden ingesteld bij de LAR-rechter. 4.11.3 Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat bezwaar slechts mogelijk is tegen belastingaanslagen en andere voor bezwaar vatbare beschikkingen (artikel 17, lid 1 en 2 ALB). In artikel 36, lid 2 van de LGB is bepaald dat de Inspecteur uitspraak doet op het verzoek tot ontheffing van grondbelasting. Het bepaalde in artikel 36, lid 2 LGB is ook van toepassing op artikel 37 LGB. In artikel 36 LGB is echter niet bepaald dat de Inspecteur de beslissing neemt bij voor bezwaar vatbare beschikking. Bepaald is dat de Inspecteur uitspraak op het verzoekschrift doet, zo nodig na de belanghebbende te hebben gehoord (artikel 36, lid 2 LGB). Gelet daarop staat tegen deze beslissing (in beginsel) geen bezwaar (en beroep) open en derhalve evenmin tegen de weigering om op het verzoek om ontheffing te beslissen (artikel 18, lid 2 ALB). Zulks is ook al eerder beslist door het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.[ Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 1 juli 2020, ECLI:NL:OGEAA:2020:276 en Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 1 juni 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:19.] 4.12 Bij nader inzien is het Gerecht evenwel van oordeel dat door te oordelen zoals vermeld in 4.11.3 aan belanghebbende onvoldoende rechtsbescherming wordt geboden en het komt om die reden terug van de eerder genomen beslissingen. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt. 4.12.1 De wetgever heeft het kennelijk redelijk geacht om een belanghebbende in twee gevallen tegemoet te treden en een vorm van ontheffing te verlenen: in het geval een gebouw gedurende een tijdvak van ten minste zes achtereenvolgende maanden ongebruikt en onverhuurd is gebleven (artikel 35 LGB) en in het geval van gehele of gedeeltelijke vernieling van een gebouw door onvoorziene rampen (artikel 37 LGB). Ter verkrijging van een ontheffing dient belanghebbende een verzoek in te dienen, waarop de Inspecteur uitspraak dient te doen. Het Gerecht kan zich niet voorstellen dat het de bedoeling van de (huidige) wetgever is (geweest) om belanghebbende met lege handen achter te laten indien de Inspecteur geen uitspraak doet en evenmin dat, als wel een uitspraak wordt gedaan, belanghebbende bewust een rechtsingang wordt onthouden om de door de Inspecteur genomen beslissing aan te vechten. Dit zou een gebrek aan rechtsstatelijkheid van de wetgever impliceren die niet (meer) denkbaar is in het huidige tijdsgewricht. Het Gerecht is van oordeel dat sprake is van een omissie van de wetgever, een leemte in de wet, die opgevuld moet worden, gegeven een van de kerntaken van de rechter, te weten het bieden van rechtsbescherming. 4.12.2 Tegen het in 4.12.1 geoordeelde zou ingebracht kunnen worden dat er wellicht een andere rechter dan de belastingrechter bevoegd is om het gebrek aan rechtsbescherming te helen, waarbij in eerste instantie kan worden gedacht aan de LAR-rechter. In het geval de LAR van toepassing zou zijn, wordt indien de Inspecteur geen uitspraak op het verzoek doet, zoals tot 9 november 2023 het geval was, op grond van artikel 9, lid 2 van de LAR het uitblijven van die uitspraak (beschikking) binnen 12 weken na indiening van een verzoek gelijkgesteld met een (fictieve) afwijzende beschikking. Hiertegen kan binnen 8 weken bezwaar worden gemaakt (artikel 11 lid 2 van de LAR). Tegen de uitspraak op bezwaar of het uitblijven daarvan zou dan vervolgens beroep ingesteld kunnen worden. Om redenen als hierna vermeld, acht het Gerecht een dergelijke ‘oplossing’ suboptimaal en daarmee onwenselijk. 4.12.3 Door de beroepsprocedure over te laten aan een andere rechter dan de belastingrechter ontstaat het risico dat die andere rechter (fiscale) begrippen ‘inkleurt’ tegen de achtergrond van mogelijk een andere context dan de fiscale context waartegen de belastingrechter diezelfde begrippen zou inkleuren. Wellicht nog onwenselijker is dat twee verschillende rechters dezelfde begrippen gaan ‘inkleuren’. Indien ontheffing wordt verzocht op de voet van artikel 37 LGB, dan zou mogelijk de andere rechter dan de belastingrechter invulling dienen te geven aan ‘gehele of gedeeltelijke vernieling van gebouwen door onvoorziene rampen’ en is de belastingrechter aan zet indien in een volgend jaar op grond van artikel 24, lid 1, letter e LGB geoordeeld dient te worden over ‘gehele of gedeeltelijke vernieling door onvoorziene rampen’. Het is deze belastingrechter overigens ambtshalve bekend dat een collega-LAR-rechter op dit moment een ontheffingszaak ter beoordeling heeft en de zaak heeft aangehouden in afwachting van of de belastingrechter zich bevoegd zal verklaren. De LAR-rechter heeft te kennen gegeven er de voorkeur aan te geven de behandeling van ontheffingen op verzoek te doen plaatsvinden door de belastingrechter. 4.12.4 Met het oog op het herstellen van een vermeende omissie van de wetgever en de wens tot het bieden van een adequate rechtsbescherming, de eenvormige toepassing van het recht en het beleggen van fiscale vraagstukken bij de best daartoe toegeruste rechter zal de belastingrechter zich in deze bevoegd verklaren om uitspraak te doen in het veronderstelde beroep ingesteld tegen de uiteindelijk door de Inspecteur afgewezen verzoeken op grond van de artikelen 35 en 37 LGB. 4.12.5 Normaal gesproken zou het Gerecht zich tot de wetgever wenden met het dringende verzoek om de vermeende omissie in de landsverordening aan te passen. Omdat echter de ontheffingsbepalingen met ingang van 1 januari 2023 zijn vervallen, laat het Gerecht een dergelijk dringend verzoek achterwege. 4.13 Voor zover tussen partijen al in geschil is of belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen de weigering van de Inspecteur om te beslissen op het verzoek op de voet van artikel 35 en 37 LGB, gaat het Gerecht daaraan voorbij, nu de Inspecteur inmiddels, op 9 november 2023 uitspraak heeft gedaan op deze verzoeken. Alhoewel een formeel beroepschrift ontbreekt tegen de door de Inspecteur gedane uitspraak op de verzoeken om ontheffing op de voet van artikel 35 en 37, besluit het Gerecht om proceseconomische redenen de in geschil zijnde vraag of belanghebbende recht heeft op genoemde ontheffing te behandelen. De feiten ter zake alsook de ingenomen standpunten zijn immers helder en uitgekristalliseerd en partijen hebben aangegeven duidelijkheid te wensen. Tegen die achtergrond acht het Gerecht het zinloos om louter voor de vorm partijen te belasten met het indienen van een beroepschrift en een verweerschrift, leidend tot uitstel van de beslissing waar het hen om te doen is, terwijl niet te verwachten is dat de ingenomen standpunten zullen wijzigen. De tariefkwestie (2019, 2020 en 2021) 4.14 In een met deze zaak vergelijkbare zaak, ECLI:NL:OGEAA:2023:127 van 8 augustus 2023 (hierna: de vergelijkbare zaak), is enige tijd geleden uitspraak gedaan door het Gerecht. Die uitspraak is in zeer belangrijke mate gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:488, waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen van het Gerecht in de vergelijkbare zaak heeft beantwoord. De gemachtigde van belanghebbende is ook opgetreden als vertegenwoordiger van de vergelijkbare zaak. 4.15 In de vergelijkbare zaak is onder andere de beperkte bewegingsvrijheid van de rechter aangegeven in zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld. In die zaak is ter zake van die beperkte bewegingsvrijheid het volgende overwogen: “4.8 Het instrument van het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad is in het leven geroepen om zo snel mogelijk antwoord te krijgen op een rechtsvraag die in veel vergelijkbare procedures speelt, waardoor op zo’n kort mogelijke termijn rechtszekerheid wordt geboden, een veelvoud aan vergelijkbare procedures kan worden voorkomen en de Hoge Raad tijdig en adequaat richting kan geven aan de rechtspraktijk. De rechter die de prejudiciële vraag heeft gesteld moet het bij hem aanhangige geschil beslissen met inachtneming van de beslissing van de Hoge Raad, nadat hij de partijen de gelegenheid heeft gegeven zich over de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad uit te laten.[ Zie artikel 27ge van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, welk artikel ingevolge artikel 1c van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is verklaard.] Uit het vorenstaande volgt dat de rechter die de prejudiciële vraag heeft gesteld (vrijwel) geen ruimte heeft om af te wijken van het door de Hoge Raad gegeven antwoord op de vraag, gesteld dat het feitencomplex hetzelfde is als ten tijde van het stellen van de vraag. Het Gerecht kan zich voorstellen dat in exceptionele gevallen sprake kan zijn van het stellen van een of meer nadere vragen. Dat zal het geval zijn indien, nadat de vragen gesteld of reeds beantwoord zijn, zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen die van beslissende invloed kunnen zijn op de prejudiciële beslissing of in het geval het Gerecht van oordeel is dat de antwoorden op de prejudiciële vragen (volstrekt) onduidelijk zijn dan wel voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. 4.9 Tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste context en derhalve met inachtneming van de zeer geringe bewegingsvrijheid die het Gerecht heeft bij het implementeren van de antwoorden van de Hoge Raad op de gestelde prejudiciële vragen zal het Gerecht in het navolgende ingaan op de reactie van belanghebbende (en de Inspecteur). Daarbij wijst het Gerecht erop dat de Hoge Raad in de Hofzaak de eigen prejudiciële beslissing reeds heeft toegepast door in die zaak arrest te wijzen waardoor de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan.” 4.16 In haar pleitnota heeft belanghebbende nogmaals expliciet aandacht gevraagd voor haar (in eerdere zaken aangevoerde) stelling dat er wel degelijk sprake is van leggers en daarmee van een tweede aanslag (primaire standpunt). Subsidiair stelt belanghebbende in haar pleitnota dat, ook al zou het Gerecht oordelen dat er geen sprake is van leggers, dat de aanslag grondbelasting 2017 mede de aanslagen 2019, 2020 en 2021 omvat. Als meer subsidiair standpunt stelt belanghebbende dat de beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. 4.17 In zijn prejudiciële beslissing is de Hoge Raad op basis van een eerdere vaststelling door het Gerecht[GEA 29 januari 2020, ECLI:NL:OGEAA:2010:10] ervan uitgegaan dat bij aanvang van het vijfjarige tijdvak 2017-2021 geen leggers meer bestonden waarin aanslagen werden bewaard en dat in die zaak voor het belastingjaar 2019 bij aanvang van het vijfjarige tijdvak niet een fysieke aanslag voor het belastingjaar 2019 was vastgesteld. Kortom, aldus de Hoge Raad, er is geen sprake van een tweede aanslag. 4.18 Volgens belanghebbende bestaan die leggers wel degelijk. Met name redengevend daarvoor acht zij de wettekst van artikel 22 LGB waarin in de aanhef is aangegeven wat de leggers ‘behelzen’ ofwel ‘inhouden’ of ‘omvatten’. Alle informatie die volgens artikel 22 LGB geacht wordt aanwezig te zijn in de leggers is namelijk terug te vinden op het aanslagbiljet. Alsdan kan het volgens belanghebbende geen andere conclusie worden getrokken dan dat de op het aanslagbiljet vermelde informatie afkomstig is uit nog steeds bestaande, fysieke dan wel digitale, leggers, waarin de aanslagen 2020 en 2021, opgelegd naar een tarief van 0,4%, waren opgenomen. Dat zo zijnde moeten de voor de jaren 2020 en 2021 vastgestelde aanslagen, die immers zijn opgelegd met inachtneming van een tarief van 0,6%, wel tweede aanslagen zijn, aldus nog steeds belanghebbende. 4.19 Ter zitting van het Gerecht is nogmaals expliciet aan de orde gesteld op welke wijze de aanslagen grondbelasting worden vastgesteld. Daarbij heeft de Inspecteur nogmaals uitdrukkelijk te kennen gegeven dat er geen fysieke dan wel digitale leggers zijn met informatie op basis waarvan voorafgaande aan het vijfjarige tijdvak aanslagen worden opgelegd, die vervolgens in die leggers zouden worden bewaard. De Inspecteur, bijgestaan door de heer [C], specialist op het terrein van de (praktische) uitvoering van de grondbelasting, heeft het proces van aanslagoplegging voor de grondbelasting als volgt beschreven. Eén maand voor dagtekening van de aanslagen van een belastingjaar wordt de digitaal aanwezige informatie met betrekking tot alle belastingplichtigen aangeleverd aan een Australisch bedrijf, dat er vervolgens voor zorgt dat voor elke belastingplichtige een ‘aanslag’[Blijkens de prejudiciële beslissing is nog geen sprake van een aanslag, omdat de dagtekening nog ontbreekt (en de aanslag nog niet voor bekendmaking is gereedgemaakt).] wordt aangemaakt (de eerste ‘run’). Die ‘aanslag’ is dan nog niet voorzien van een dagtekening. De datum van de dagtekening wordt, nadat de eerste run heeft plaatsgevonden, door het management van de Belastingdienst bepaald. Na het bepalen van de datum van de dagtekening vindt een tweede ‘run’ plaats, waarna de dagtekening wordt toegevoegd aan de ‘aanslag’, aldus de Inspecteur. Desgevraagd heeft de Inspecteur (nogmaals) bevestigd dat de praktijk, al gedurende lange tijd, niet meer correspondeert met hetgeen in artikel 22 LGB is bepaald. 4.20 Het Gerecht heeft geen reden te twijfelen aan de door de Inspecteur gegeven beschrijving van de wijze waarop de aanslagen grondbelasting worden opgelegd en concludeert daaruit dat de huidige werkwijze, alsook de werkwijze zoals deze voor de aanvang van het tijdvak 2017-2021 gold, niet (geheel) overeenkomt met de wijze waarop artikel 22 LGB is geredigeerd. In het bijzonder acht het Gerecht in dit verband van belang dat uit de gegeven beschrijving volgt dat, anders dan belanghebbende veronderstelt, er sprake is van slechts één aanslag, te weten de aanslag die na de eerste ‘run’, wordt opgelegd. Van een tweede aanslag, zoals ook door de Hoge Raad in diens prejudiciële beslissing is geoordeeld, is derhalve geen sprake. De primaire stelling van belanghebbende treft dan ook geen doel. 4.21 Redengevend voor haar subsidiaire stelling, dat de aanslag grondbelasting 2017 mede de in geschil zijnde aanslagen 2020 en 2021 omvat, acht belanghebbende dat alleen tegen de eerste aanslag van het vijfjarige tijdvak bezwaar (en beroep) kan worden aangetekend. Daaruit concludeert zij dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om voor het gehele vijfjarige tijdvak slechts één definitieve aanslag vast te stellen, namelijk de aanslag van het eerste jaar. Daarvan uitgaande heeft de Inspecteur, aldus belanghebbende, diens mogelijkheden om te heffen over de jaren gelegen na het eerste jaar van het vijfjarige tijdvak uitgeput en moeten de aanslagen 2020 en 2021 wel tweede aanslagen zijn. 4.22 De subsidiaire stelling van belanghebbende slaagt evenmin. Anders dan belanghebbende meent, is het Gerecht van oordeel dat het in overeenstemming is met het heffingssysteem van de grondbelasting om de belastingplichtigen voor de duur van het vijfjarige tijdvak zekerheid te verschaffen over de bij de aanvang van dat tijdvak vastgestelde belastbare waarde [Zie ook de prejudiciële beslissing, rechtsoverweging 5.2, vierde volzin], en dat dit de reden is dat in beginsel alleen tegen het eerste jaar van het vijfjarige tijdvak bezwaar (en beroep) kan worden aangetekend. Dat laat onverlet dat voor de vier volgende jaren van het vijfjarige tijdvak een aanslag dient te worden opgelegd om aldus de belastingverplichting te effectueren. Verder kan aan de prejudiciële beslissing worden ontleend dat de Hoge Raad van oordeel is dat jaarlijks aanslagen dienen te worden opgelegd en dat van een aanslag grondbelasting pas sprake is als deze is voorzien van een dagtekening. De prejudiciële beslissing ziet immers op het jaar 2019, zijnde het derde jaar van het vijfjarige tijdvak. Deze beslissing zou volstrekt zinledig zijn als de Hoge Raad met belanghebbende van oordeel zou zijn dat het vaststellen van één aanslag grondbelasting zou volstaan, te weten de aanslag over het eerste jaar van het vijfjarige tijdvak (2017), en dat die aanslag mede zou omvatten de aanslagen over de jaren 2018 tot en met 2021. 4.23 Meer subsidiair stelt belanghebbende dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Behoudens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, dat specifiek wordt vermeld, maakt belanghebbende niet duidelijk welke (andere) beginselen van behoorlijk bestuur eventueel zouden zijn geschonden. Het Gerecht beperkt zich dan ook tot een oordeel over het zorgvuldigheidsbeginsel. Belanghebbende meent dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door niet overeenkomstig de uitgangspunten van de LGB te handelen. Zou de Inspecteur dat wel hebben gedaan, dan zou hij reeds in 2017 de aanslagen 2019, 2020 en 2021 vastgesteld hebben, die aanslagen in de legger hebben gedeponeerd en deze vervolgens in 2019, 2020 en 2021 bekend hebben gemaakt. In dat geval zou de bekendmaking van de aanslagen die zouden zijn gebaseerd op het nieuwe tarief stellig een tweede primitieve aanslag zijn geweest, die de Inspecteur had moeten vernietigen, aldus belanghebbende. 4.24 Belanghebbende neemt geen standpunt in ter zake van de gevolgen die zouden moeten worden verbonden aan de door belanghebbende veronderstelde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De enkele conclusie dat de Inspecteur onzorgvuldig zou hebben gehandeld, heeft evenwel niet tot (rechtstreeks) gevolg dat de aanslag dient te worden verminderd of zelfs moet worden vernietigd. Overigens acht het Gerecht de conclusie van belanghebbende niet juist, gegeven de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad. Zelfs al zou voorafgaande aan het vijfjarige tijdvak een aanvang zijn gemaakt met het opleggen van ‘aanslagen’, en die ‘aanslagen’ zouden in een legger zijn gedeponeerd, dan nog zal geen sprake zijn van ontoelaatbare tweede primitieve aanslagen. Zoals eerder opgemerkt heeft de Hoge Raad immers beslist dat van een aanslag pas sprake is indien een aanslag van een dagtekening is voorzien. Dientengevolge zijn de aanslagen 2020 en 2021 in het onderhavige geval niet aan te merken als tweede aanslagen. Los van het vorenstaande is het Gerecht van oordeel dat in casu het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden is. Feit is dat sinds jaar en dag door de Inspecteur een werkwijze is gehanteerd waarbij slechts één aanslag per belastingjaar wordt opgelegd, zijnde de aanslag die eind mei/begin juni aan het overgrote merendeel van de belastingplichtigen wordt bekendgemaakt. Of in het verleden voorafgaande aan het vijfjarige tijdvak aanslagen zijn opgelegd die in een legger zijn opgeborgen, en zo dat het geval is, wanneer die werkwijze is gestaakt of gewijzigd, valt niet te achterhalen, althans partijen hebben ter zake geen informatie verstrekt of kunnen verstrekken. Het tijdig opleggen van aanslagen grondbelasting is een massaal proces dat effectief en efficiënt moet worden ingericht. Niet goed valt in te zien dat de wijze waarop de Inspecteur zijn huidige proces heeft ingericht onzorgvuldig is jegens belastingplichtigen in zijn algemeenheid en belanghebbende in het bijzonder. 4.25 Naast hetgeen belanghebbende in haar pleitnota heeft aangevoerd (zie 4.16), wenst belanghebbende al hetgeen is aangevoerd in de vergelijkbare zaak, ook in deze zaak aan te voeren. In reactie daarop verwijst het Gerecht naar hetgeen het Gerecht in de vergelijkbare zaak heeft geoordeeld en neemt dat oordeel hierna integraal op. “Beoordeling van de reactie van belanghebbende 4.10 Belanghebbende voert aan dat de Hoge Raad zowel de Memorie van Toelichting bij de LGB 1907-1908 alsook de Memorie van Toelichting 2022 niet dan wel onvoldoende in zijn beoordeling heeft meegenomen dan wel mogelijkerwijs zelfs in het geheel niet heeft beschikt over de Memorie van Toelichting 2022. 4.11 Volgens het Gerecht kan het niet anders zijn dan dat de Hoge Raad kennis heeft genomen van de Memorie van Toelichting bij de LGB 1907-1908 en in zijn beslissing heeft meegenomen. De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie[Overwegingen 5.24 en 5.25] expliciet op de relevante passages in de Memorie van Toelichting bij de LGB 1907-1908 (alsook op relevante passages uit de Memorie van Toelichting bij Invoeringsverordening ALB, Dw03-146, AB 2004, no. 11, blz. 4) gewezen, door deze zelfs te onderstrepen, en (mede) op basis van die passages geconcludeerd [Overweging 5.35], dat het meer voor de hand ligt dat de aanslag grondbelasting over 2019 is aan te merken als een tweede belastingaanslag over het boekjaar 2019. Anders dan belanghebbende kennelijk veronderstelt, kan uit het feit dat de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing niet expliciet melding maakt van de wetsgeschiedenis en/of daarnaar niet verwijst, niet worden afgeleid dat de Hoge Raad daaraan is voorbij gegaan. 4.12 Dat de Hoge Raad niet heeft beschikt over de Memorie van Toelichting 2022 acht het Gerecht onaannemelijk. De beslissing van de Hoge Raad dateert van 14 april 2023. De wijzigingen in de grondbelasting met ingang van 1 januari 2023 vormen onderdeel van de Landsverordening Belastingplan 2023 en zijn gepubliceerd in het Afkondigingblad van Aruba van 21 december 2022 (AB 2022 no. 161), derhalve bijna vier maanden voordat de Hoge Raad heeft beslist op de prejudiciële vragen. Naar het Gerecht aanneemt laat het zich niet denken dat de Hoge Raad geen kennis heeft genomen van de behandeling van het wetsvoorstel met betrekking tot de wijziging van de Landsverordening Grondbelasting met ingang van 1 januari 2023. In het geval de Hoge Raad geen kennis heeft genomen van de Memorie van Toelichting 2022, acht het Gerecht het overigens evenmin aannemelijk dat de Hoge Raad tot een andere prejudiciële beslissing zou zijn gekomen. De Memorie van Toelichting 2022, en in het kielzog daarvan de Landsverordening 2023, beoogt immers, indien nodig of noodzakelijk, de wet- en regelgeving in overeenstemming te brengen met de actuele werkwijze en praktijk. Uit de prejudiciële beslissing volgt evenwel dat de Hoge Raad de actuele werkwijze en praktijk niet in strijd acht met de wet- en regelgeving zoals deze luidde tot 1 januari 2023. 4.13 Hetgeen belanghebbende aanvoert ten aanzien van de heffingssystematiek, zoals het al dan niet aanwezig zijn van in fysieke of digitale vorm bestaande leggers, waarin zich al dan niet reeds een voor het vijfjarige tijdvak opgelegde aanslag bevindt of aanslagen bevinden en de vraag of, als Inspecteur zich in de praktijk niet aan het in de wet opgenomen heffingssysteem houdt, dit al dan niet mag werken ten nadele van de belastingplichtige, ligt in het verlengde van het overwogene in de overwegingen 4.11 en 4.12. Het Gerecht concludeert dat de Hoge Raad bij het nemen van zijn prejudiciële beslissing zich rekenschap heeft gegeven van het door belanghebbende aangevoerde, hetgeen onder andere volgt uit het feit dat de Hoge Raad in overweging 5.2 zich, zonder enig voorbehoud, aansluit bij de vaststelling door het Gerecht dat bij de aanvang van het vijfjarige tijdvak 2017-2021 geen leggers meer bestonden waarin aanslagen worden bewaard. Kennelijk acht de Hoge Raad de door de Inspecteur gevoerde praktijk niet in strijd met de wetssystematiek zoals neergelegd in de artikelen 14, 21 en 22 LGB en wordt evenmin de aanwezigheid van digitale leggers, met daarin opgenomen vastgestelde aanslagen, verondersteld. Het Gerecht kan zich, wat dit door belanghebbende ingenomen standpunt betreft, zeer wel voorstellen dat de Hoge Raad een andere beslissing, te weten een beslissing in het voordeel van belanghebbende, zou hebben genomen. Echter, gegeven de geringe bewegingsvrijheid van het Gerecht (zie context) en omdat het Gerecht de stellige overtuiging heeft dat de Hoge Raad niet op zijn beslissing dienaangaande zal terugkomen, onder andere vanwege het feit dat de Hoge Raad in de Hofzaak de eigen prejudiciële beslissing reeds heeft toegepast door in die zaak arrest te wijzen waardoor de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, ziet het geen mogelijkheid om van de door de Hoge Raad genomen beslissing af te wijken. Daarmee wil het Gerecht mede voorkomen dat zijn uitspraak (uiteindelijk) wordt vernietigd (gecasseerd), wat onder aan de streep meer maatschappelijke kosten met zich meebrengt[Waarbij het Gerecht zich uiteraard realiseert dat belanghebbende de mogelijkheid heeft om in hoger beroep en beroep cassatie te gaan, waarbij die maatschappelijke kosten zich desalniettemin zullen voordoen]. 4.14 De stelling van belanghebbende gericht tegen de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad dat een aanslag pas is vastgesteld nadat de aanslag door de Inspecteur is voorzien van een dagtekening faalt, omdat deze beslissing een gevormd rechtsoordeel van de Hoge Raad betreft waaraan de lagere rechter gehouden is. Deze beslissing, die impliceert dat geen sprake is van een tweede aanslag, betekent dat ook hetgeen belanghebbende stelt ten aanzien van het niet-toestaan van een tariefverhoging voor reeds vóór de aanvang van het vijfjarige tijdvak vastgestelde aanslagen en ten aanzien van de mogelijkheid tot navordering (tweede prejudiciële vraag) geen doel treft. 4.15 Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of in de procedure voor het Gerecht in geschil was of sprake was van een tweede aanslag en er een legger bestond. Naar het Gerecht begrijpt neemt belanghebbende het standpunt in dat indien ter zake geen geschil tussen partijen bestaat, het Gerecht en de Hoge Raad buiten de rechtsstrijd zijn getreden. 4.16 Uit het verweerschrift van de Inspecteur en de conclusie van dupliek leidt het Gerecht af dat ook de Inspecteur de opvatting was toegedaan dat sprake was van twee aanslagen[ Zie voor wat betreft het verweerschrift bijvoorbeeld onderdeel 6.8 waarin onder andere wordt vermeld: “Het voorgaande brengt met zich mee dat de definitieve aanslag grondbelasting 2019 die vóór 1 januari 2017 reeds is vastgesteld, in beginsel geconverteerd kan worden in een navorderingsaanslag (…).” In het vervolg van het verweerschrift wordt betoogd op grond waarvan conversie kan plaatsvinden. Ook in de conclusie van dupliek concludeert de Inspecteur dat de bestreden aanslag kan worden geconverteerd in een navorderingsaanslag, hetgeen niet anders kan betekenen dan dat die bestreden aanslag, ook in de optiek van de Inspecteur, de tweede aanslag betreft]. Ten aanzien van het bestaan van leggers heeft de Inspecteur in zijn conclusie van dupliek aangegeven dat er sinds jaar en dag geen sprake meer is van fysieke leggers waarin aanslagen worden gedeponeerd, maar dat dit niet afdoet aan de voorgeschreven wettelijke heffingssystematiek [Zie onderdeel 2.4 van de conclusie van dupliek: “Dat voornoemde werkwijze in de praktijk sinds jaar en dag niet meer van toepassing is, vanwege het feit dat er geen sprake meer is van fysieke leggers, waarin de aanslagen worden gedeponeerd, maar van digitale en/of virtuele leggers, doet niet af aan de voorgeschreven heffingssystematiek]. 4.17 In ieder geval ten aanzien van de vraag of sprake was van een tweede aanslag was er naar het oordeel van het Gerecht geen sprake van een tussen partijen bestaand geschil. Dit oordeel kan belanghebbende evenwel niet baten. Het Gerecht is namelijk, overeenkomstig hetgeen de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd onder verwijzing naar het fiscale procesrecht in Aruba, van oordeel dat de rechter bij het verbinden van juridische kwalificaties aan de ten processe vaststaande feiten niet is gebonden aan de dienaangaande door partijen te berde gebrachte opvattingen en dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden dient aan te vullen. Daar komt bij dat belanghebbende in zijn reactie op de door het Gerecht gestelde eerste prejudiciële vraag onder andere het volgende heeft vermeld: ”(…) In de onderhavige zaak is – voor zover van belang – dat geschil nadrukkelijk beperkt tot de uitleg en de toepassing van de in artikel 13 van de Algemene landsverordening belastingen (hierna: de ALB) vervatte navorderingsregeling. Betoogd kan dus worden dat h